OM in eerste aanleg ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, in TPO genomen beslissing tot strafrechtelijke vervolging behoeft nadien niet opnieuw te worden getoetst

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij opzettelijk een valse aangifte inkomstenbelasting heeft ingediend door in strijd met de waarheid een bedrag van bijna € 70.000 aan hypotheekrente in aftrek te brengen op het inkomen. Voorts wordt aan verdachte ten laste gelegd dat hij gefingeerde uren en bedragen heeft vermeld teneinde (meer) kinderopvangtoeslag te verkrijgen.

De Rechtbank heeft het OM in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard. De Rechtbank heeft daarbij overwogen dat enige tijd nadat in  het tripartiete overleg (TPO) was besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, de verdenkingen – als gevolg van dat onderzoek – in omvang waren afgenomen. Daarmee zou de zaak op grond van de (destijds geldende) Richtlijnen  AAFD niet langer voor strafrechtelijke vervolging in aanmerking komen, maar bestuursrechtelijk moeten worden afgedaan. Het desondanks dagvaarden van de verdachte acht de Rechtbank in strijd met de geest van de Richtlijnen AAFD.

In hoger beroep is in geschil of het OM in eerste aanleg terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

De verdediging heeft betoogd dat tijdens het TPO is besloten tot strafrechtelijke vervolging omdat sprake zou zijn van twee ‘overige aspecten’, waaronder de combinatie van een fiscaal delict met een commuun delict. Op de dagvaarding staan echter enkel fiscale feiten, waardoor dit aspect ten onrechte zou zijn meegewogen.

Het Hof overweegt dat ten tijde van het TPO sprake was van een verdenking van valsheid in geschrifte ter zake van een factuur met betrekking tot een voorgenomen verwerving van een personenauto. Dat betrof een commuun delict. Dat de verdachte uiteindelijk niet voor dit feit wordt vervolgd doet daar niet aan af.

Gelet hierop is het Hof van oordeel dat tijdens het TPO sprake was van een combinatie van een fiscaal delict met een niet-fiscaal delict in de zin van de Richtlijnen AAFD, zodat ten tijde van het TPO op juiste gronden tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek is besloten. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad vloeit voort dat een beslissing genomen op het TPO nadien niet meer opnieuw getoetst hoeft te worden.

Naar het oordeel van het Hof is het OM derhalve ontvankelijk in de vervolging en is de zaak op verzoek van de raadsman terugverwezen naar de Rechtbank.

Gerechtshof Amsterdam 3 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3284

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:3284