Onrechtmatig verkregen bewijs in Belgisch opsporingsonderzoek mag worden gebruikt voor boetebeschikkingen in belastingzaak

De Belgische belastinginspectie heeft inlichtingen verstrekt aan de Nederlandse fiscus met betrekking tot bankrekeningen bij de KBL bank. Aan de hand daarvan heeft de inspecteur belanghebbende geïdentificeerd als rekeninghouder en belastingaanslagen met verhogingen en boetes opgelegd.

Op enig moment heeft belanghebbende erkend dat hij rekeninghouder is geweest bij de KBL. Daarnaast heeft belanghebbende onder dreiging van een dwangsom de bankafschriften overgelegd.

Belanghebbende meent dat de uit België ontvangen inlichtingen niet door de inspecteur mogen worden gebruikt. Het Hof is van oordeel dat, zelfs indien de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van de gegevensoverdracht door de Belgische autoriteiten wisten van de onregelmatigheden in het Belgische strafrechtelijke opsporingsonderzoek, de verkrijging van bewijsmateriaal door de Nederlandse belastingautoriteiten nog niet zozeer in strijd is met beginselen van behoorlijk bestuur dat die afschriften niet voor de oplegging van belastingaanslagen en boetebeschikkingen mogen worden gebruikt. Dat zou volgens het Hof anders kunnen zijn indien zich op enig moment op of na de verkrijging van de afschriften aanwijzingen zouden hebben voorgedaan waaruit redelijke twijfel zou zijn voortgevloeid ten aanzien van de betrouwbaarheid en authenticiteit van het verkregen materiaal. Alsdan zou de inspecteur, gezien de zorgvuldigheidsnormen die hij bij zijn taakuitoefening in acht moet nemen, gehouden zijn tot een nader onderzoek naar de mate waarin de ongeregeldheden in het kader van het Belgische opsporingsonderzoek van invloed konden zijn geweest op de betrouwbaarheid van het materiaal. De kennis van de onregelmatigheden die in het kader van het Belgische strafrechtelijke onderzoek zijn vastgesteld, zijn op zichzelf beschouwd onvoldoende om te om de twijfelen aan de betrouwbaarheid en authenticiteit van het verkregen materiaal.

Ten aanzien van de vraag of de boeten terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd stelt belanghebbende dat hij de informatie heeft verschaft onder dreiging van een dwangsom. Dit is volgens belanghebbende in strijd met het verbod op zelf-incriminatie, hetgeen dient te leiden tot vernietiging van de opgelegde boeten. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de bankafschriften als wilsonafhankelijk materiaal moeten worden aangemerkt en dat het EVRM aan boeteoplegging niet in de weg staat.

Het Hof verwijst in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad waarin reeds werd overwogen dat bankafschriften als wilsonafhankelijk materiaal moeten worden aangemerkt, omdat ze bestaan onafhankelijk van de wil van de verdachte. Op grond hiervan acht het Hof de boeteoplegging door de inspecteur niet in strijd met het verbod op zelf-incriminatie.

Het Hof stelt vast dat de boeten door de Rechtbank al zijn gematigd met 20% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof ziet geen aanleiding de boeten verder te matigen en acht de boeten passend en geboden.

Gerechtshof Den Bosch, 18 december 2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2015:5359