Prejudiciële vragen in het kader van bewijs in een fiscale zaak die is verkregen door een parallel lopende strafzaak

Een Hongaarse rechter heeft aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen gesteld naar aanleiding van een onderzoek van de Hongaarse Belastingdienst die btw-naheffingsaanslagen heeft opgelegd aan een Hongaarse vennootschap. De Hongaarse vennootschap heeft tegen de naheffingsaanslagen beroep ingesteld en stelt dat de nationale belasting- en douanedienst gebruik hebben gemaakt van bewijzen die buiten haar medeweten waren verkregen door het afluisteren van telefoongesprekken en inbeslagname van e-mails in een parallelle strafprocedure waartoe zij geen toegang hadden gekregen.

De verwijzende rechter wenst onder meer te vernemen of het Unierecht zodanig moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de Belastingdienst, teneinde het bestaan van misbruik inzake btw aan te tonen, gebruik kan maken van bewijzen die in een parallelle nog niet afgesloten strafprocedure buiten het medeweten van de belastingplichtige zijn verkregen.

Het Hof van Justitie is van oordeel dat het Unierecht zich hier niet tegen verzet, op voorwaarde dat bij de verkrijging van deze bewijzen in de strafprocedure en bij het gebruik ervan in de administratieve procedure de door het Unierecht gewaarborgde rechten niet zijn geschonden.

Het is volgens het Hof van Justitie de taak van de nationale rechter om na te gaan of, ten eerste, het afluisteren van telefoongesprekken en de inbeslagname van e-mails bij de wet vastgestelde en in de strafprocedure noodzakelijke onderzoeksmiddelen waren en, ten tweede, het gebruik door deze dienst van de met deze middelen verkregen bewijzen eveneens bij wet was toegestaan en noodzakelijk was. Bovendien is het de taak van de nationale rechter om na te gaan of de belastingplichtige in overeenstemming met het algemene beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging in de administratieve procedure de mogelijkheid heeft gehad om toegang tot deze bewijzen te krijgen en over deze bewijzen kon worden gehoord. Indien de nationale rechter vaststelt dat de belastingplichtige deze mogelijkheid niet heeft gehad of dat de bewijzen in de strafprocedure zijn verkregen, of in de administratieve procedure zijn gebruikt met schending van het Handvest van de grondrechten van de EU, moet de nationale rechter deze bewijzen buiten beschouwing laten en deze beslissing nietig verklaren indien zij als gevolg daarvan grondslag mist.

De verkregen bewijzen moeten volgens het Hof van Justitie eveneens buiten beschouwing worden gelaten wanneer de rechter niet gemachtigd is te controleren of zij in de strafprocedure zijn verkregen in overeenstemming met het Unierecht of wanneer hij zich er niet op zijn minst van kan vergewissen op basis van een toetsing die reeds door een strafgerecht is verricht in een procedure op tegenspraak, dat deze bewijzen zijn verkregen in overeenstemming met dat recht.

Vakstudie Nieuws, 28 januari 2016, aflevering 6, nummer 14 (V-N 2016/6.14)