Project debet- en creditcards

Op grond van de Wet openbaarheid van bestuur is informatie opgevraagd over het project debet- en creditcards.

De openbaar gemaakte documenten betreffen memo’s voor (1) de managers van de Belastingdienst, (2) een overkoepelend memo voor Belastingdienst, FIOD en Openbaar Ministerie (3) het Uitvoeringsplan van 15 september 2015 en (4) het Projectplan Debet credit cards FIOD/AMLC-FP. Verder zijn diverse standaardbrieven opgenomen met verzoeken om informatie over buitenlands vermogen en opbrengsten daaruit, waarvan eerder niet (of onvolledig) opgave is gedaan. De vragen gaan over de herkomst c.q. de opbouw en afname van het vermogen. Aan de hand van (bank)stukken moet worden aangeven hoe en wanneer de bezittingen zijn ontstaan met een waarde per 1 januari over de periode 2003-2014 en wat met de bezittingen en schulden is gebeurd (overboekingen naar andere bankrekeningen, schuldaflossing, aankoop auto’s, aankoop en verbouwingen aan onroerende zaken, schenkingen aan kinderen en goede doelen). Als wordt gebruikgemaakt van de diensten van een gemachtigde, dan kan hij de verklaring ook ondertekenen, aldus de toelichting bij het verzoek om informatie van de Belastingdienst. Het pakket met verstrekte documenten bevat tot slot het logboek waarin de medewerkers van de Belastingdienst de werkzaamheden moeten vastleggen.

Uit de openbaar gemaakte documenten blijkt dat de aanleiding van het project debet- en creditcards een pilot is, die werd uitgevoerd door de Belastingdienst en de FIOD in de periode 2014 tot medio 2015. Hierbij werd onderzoek gedaan naar het gebruik in Nederland van houders van buitenlandse debet- en creditcards. Uit een aantal van de door de FIOD onderzochte kaarten bleek dat sprake was van een financieel belang van € 3 miljoen, waarna besloten werd de pilot uit te breiden. Het doel van het project is belastingplichtigen met niet-aangegeven buitenlands vermogen te identificeren.

Door de vergroting van de pakkans wordt inkeer met betrekking tot zwart vermogen en inkomen gestimuleerd en wordt de kasstroom van de overheid vergroot. Er zou extra aandacht zijn voor slim, snel en effectief opsporen en afdoen met een zo groot mogelijk effect. Dit zou tevens een preventief effect hebben.

Het project valt bij de Belastingdienst onder de paraplu van het project Vermogen in het Buitenland. De eerste tranche is in het najaar van 2015 gestart zijn met het versturen van vragenbrieven. De verwachting is dat dit project in 2016 wordt afgerond. De fiscale behandeling zou zich richten op geïdentificeerde kaart- en rekeninghouders waarvan is vastgesteld dat zij in de door of namens hen ingediende aangiften geen melding hebben gemaakt van buitenlandse vermogensbestanddelen, waaronder een bankrekening. In de stukken staat dat medewerkers niet zomaar genoegen moeten nemen met door de belastingplichtige gegeven verklaringen. Ze moeten doorvragen en ook het dossier goed bijhouden. De Belastingdienst wenst voorts van de belastingplichtige te vernemen hoe en wanneer de gelden zijn verdiend. Als er sprake is van een vermoeden van witwassen, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, waarna het OM onderzoek kan doen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen een legale herkomst hebben.

Per kaarthouder moet verder – in het kader van de verlengde navorderingstermijn – een logboek worden bijhouden waarin chronologisch staat welke werkzaamheden zijn verricht en de oorzaken van eventuele vertragingen.

FutD 2016-0271

http://www.futd.nl/futd/fida_archive.jsp?nummer=20160524