Rechtbank acht (voorwaardelijk) opzet bij verzwegen inkomsten aanwezig gelet op het illegale karakter van de activiteiten

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2008 tot en met 2010 opgelegd met vergrijpboeten van 50% van de verschuldigde belasting.

Naar belanghebbende is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld wegens verdenking van mensenhandel en witwassen. Informatie uit dit strafrechtelijk onderzoek is aan de inspecteur ter beschikking gesteld door het OM. Belanghebbende is hiervoor strafrechtelijk door de Rechtbank veroordeeld. Bij een doorzoeking van de woning van belanghebbende zijn tevens hennepkwekerijen aangetroffen. Naar aanleiding van deze doorzoeking is tevens een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende gestart wegens verdenking van overtreding van de Opiumwet. Deze informatie is eveneens aan de inspecteur ter beschikking gesteld. Ter zake van overtreding van de Opiumwet is belanghebbende uiteindelijk niet strafrechtelijk vervolgd. Naar aanleiding van de ter beschikking gestelde stukken –  welke tevens betrekking hadden op de inkomsten uit mensenhandel en de hennepteelt – zijn navorderingsaanslagen opgelegd, nu belanghebbende deze inkomsten niet heeft aangegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting.

De Rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende in alle betreffende jaren inkomsten uit mensenhandel en hennepteelt heeft verzwegen om daarover geen belasting te hoeven betalen. Naar het oordeel van de Rechtbank is aannemelijk dat belanghebbende dat met opzet heeft gedaan, gezien het illegale karakter van de activiteiten. Hij heeft aldus, naar het oordeel van de Rechtbank, willens en wetens de reële kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. De Rechtbank acht derhalve voorwaardelijk opzet aanwezig bij belanghebbende. De rechtbank acht in dat geval in beginsel een boete van 50% van de te weinig betaalde belasting passend en geboden.

De Rechtbank ziet echter  aanleiding om de boeten te matigen, vanwege het feit dat de aanslagen zijn opgelegd met omkering van de bewijslast en dat de aanslagen uiteindelijk zijn opgelegd naar inkomens die aanmerkelijk hoger zijn dan de bedragen die voortvloeien uit de kasopstellingen. Voorts matigt de Rechtbank de boeten vanwege overschrijding van de redelijke termijn met 15%.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 juni 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:3657

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2016:3657