Strafrechtelijke veroordeling voor hennepteelt leidt niet tot bron van inkomen in fiscale procedure

Aan belanghebbende is een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, naar een belastbaar inkomen waarvan inkomsten uit hennepteelt, deel uitmaakt. De inspecteur is ervan uitgegaan dat belanghebbende € 25.588 aan hennepinkomsten heeft genoten. In geschil is of de aanslag inkomstenbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.

Belanghebbende is door de strafrechter onherroepelijk veroordeeld voor het telen van hennep en diefstal van elektriciteit. In de ontnemingsprocedure bij het Hof is de vordering tot ontneming afgewezen. Daartoe heeft het Hof in de ontnemingsprocedure overwogen dat onvoldoende is gebleken dat belanghebbende financieel voordeel heeft genoten uit de hennepteelt. Niet onaannemelijk is volgens het Hof dat het zeer beperkt aantal  hennepplanten niet bestemd was voor de verkoop.

Het Hof in de fiscale procedure oordeelt dat uit hetgeen de inspecteur heeft gesteld het vermoeden kan worden geput dat belanghebbende inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten. Belanghebbende heeft echter steevast gesteld dat die inkomsten er niet zijn geweest, omdat de eerste oogst van de kelder is mislukt, de tweede oogst nog lag te drogen en de derde oogst in beslag is genomen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende daarmee het vermoeden van de genoten inkomsten uit de hennepteelt ontzenuwd, in die zin dat hij twijfel heeft gezaaid omtrent de juistheid van dat vermoeden.

De inspecteur is er vervolgens naar het oordeel van het Hof niet (meer) in geslaagd om aannemelijk te maken dat belanghebbende inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten die door hem niet in de aangifte zijn verantwoord. De inspecteur heeft hierbij onder meer geleund op het strafrechtelijke onderzoek en heeft naar het oordeel van het Hof nagelaten onderzoek te doen naar de privé-uitgaven van belanghebbende en de inspecteur heeft evenmin een kasopstelling gemaakt.

Het Hof verklaart het (hoger) beroep van de inspecteur ongegrond.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5077

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:5077