Verdere matiging van de vergrijpboete door Hof houdt stand in cassatie

Belanghebbende zou voor een aanzienlijk bedrag te weinig op aangifte aan loonheffing hebben voldaan. Daarnaast zou belanghebbende niet aan zijn administratieverplichting hebben voldaan. Door de inspecteur is daarom op 16 november 2007 een naheffingsaanslag inkomstenbelasting en een vergrijpboete van € 159.304 (50%) opgelegd.

De Rechtbank acht een boete van 50% van de nageheven belasting in beginsel passend en geboden. De vergrijpboete is door de rechtbank gematigd tot 35% omdat de hoogte van de naheffingsaanslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Aangezien de redelijke termijn is geschonden omdat ruim drie jaar is verstreken sinds de aankondiging van de boete is door de Rechtbank de boete verder gematigd met 15% tot een bedrag € 94.786.

In hoger beroep oordeelt het Hof dat zij de opgelegde boete eveneens passend en geboden acht. Wel ziet het Hof aanleiding om de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn verder te verminderen Voor de bezwaar- en beroepsfase samen is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met een jaar en twee maanden en in hoger beroep met twee jaar. Het Hof vermindert daarom de boete van 35% tot afgerond 20% (€ 63.721) van de nageheven belasting.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Hoge Raad, 18 september 2015 ECLI:NL:HR:2015:2691
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:2691

Hof Den Haag, 21 januari 2015 ECLI:NL:GHDHA:2015:78
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2015:78

Rechtbank Den Haag, 29 december 2015 ECLI:RBSGR:2010:BP0101
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0101