Vergrijpboete van 50% passend en geboden bij onroerend goed constructie

In het kader van een constructie tot verkoop en teruglevering van onroerend goed om te besparen op overdrachtsbelasting is aan belanghebbende een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting met boete opgelegd. In geschil is slechts de vraag of de boete terecht is opgelegd.

De Rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie opzet of grove schuld van een ander dan de belastingplichtige, bijvoorbeeld diens adviseur, voor de vaststelling van de hoogte van de boete, niet aan de belastingplichtige mag worden toegerekend. Dit neemt niet weg dat de omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie opzet of grove schuld kan worden verweten, kan samengaan met de mogelijkheid dat bij de belastingplichtige zelf opzet of grove schuld aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur.

De Rechtbank is van oordeel dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet bij belanghebbende. Het opzet van de bestuurder van belanghebbende wordt aan belanghebbende toegerekend. Daarbij overweegt de Rechtbank dat een rechtspersoon als dader kan worden aangemerkt indien deze erover vermocht beschikken of de verboden handelingen al dan niet zouden plaatsvinden en zij het plaatsvinden van die handelingen heeft aanvaard of placht te aanvaarden. Nu de bestuurder namens belanghebbende heeft gehandeld, is ten aanzien van de bestuurder aan deze criteria voldaan.

De Rechtbank is van oordeel dat sprake is van een constructie met het oogmerk overdrachtsbelasting te besparen. Daarbij is oorspronkelijk beoogd het tijdstip van de eerste levering naar de toekomst te verplaatsen voor het geval de levering aan een derde niet binnen zes maanden zou plaatsvinden.

Los van de vraag of sprake is van opzet bij de notaris, wordt door de Rechtbank uit de feiten geconcludeerd dat de bestuurder moet hebben begrepen dat sprake was van een situatie waarin te weinig overdrachtsbelasting is betaald dan wel ten onrechte om teruggaaf is verzocht. Door het uitvoeren van een aantal specifieke handelingen heeft de bestuurder ten minste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting werd geheven, hetgeen volledig is toe te rekenen aan belanghebbende.

De stelling van belanghebbende dat zij in feite niet heeft geprofiteerd van de teruggave, omdat zij is gefailleerd, acht de Rechtbank niet relevant. De hoogte van de boete is gerelateerd aan de ernst van het verwijt en niet aan de mate van gerealiseerd voordeel, nog daargelaten dat de teruggave het tekort in het faillissement heeft verminderd. De Rechtbank komt tot het oordeel dat terecht een boete aan belanghebbende is opgelegd en ziet geen reden voor matiging en acht de boete passend en geboden.

Rechtbank Gelderland, 24 december 2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2015:8113