Vergrijpboeten voor het niet in de aangifte vermelden van ontvangen bonussen en saldi op buitenlandse rekeningen

Belanghebbende verzorgde zelf zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2007 tot en met 2010. In die aangiften heeft hij de door hem ontvangen bonussen niet aangegeven als inkomen uit werk en woning. Evenmin heeft hij de saldi van zijn Amerikaanse en Luxemburgse bankrekeningen vermeld. Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen en vergrijpboeten opgelegd. In het door de inspecteur ingestelde hoger beroep zijn uitsluitend nog de hoogte van de vergrijpboeten in geschil.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende wist van de belastbaarheid van de door hem genoten bonussen en dat hij bewust de ontvangen gelden heeft doen storten op bankrekeningen in het buitenland (waaronder in Luxemburg, een land met een bankgeheim), zonder deze bonussen en de saldi van deze bankrekeningen in de aangiften op te nemen. Hierdoor heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bonussen niet in Nederland zouden worden belast.

Belanghebbende stelt nog tevergeefs dat hij dacht dat de bonussen in zijn jaaropgaven zouden zijn opgenomen en aldus ook in zijn aangiften. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende zich van de hoogte van zijn reguliere salaris bewust moet zijn geweest en, mede gelet op de omvang van de bonussen ten opzichte van het totale jaarsalaris, redelijkerwijs niet gemeend kan hebben dat deze bonussen waren begrepen in de jaaropgaven. Daarnaast overweegt het Hof dat voor zover belanghebbende betoogt dat hij bij het doen van aangifte niet wist of de uit buitenland afkomstige bonussen in zijn jaaropgave waren opgenomen, hij dit bij zijn werkgever had moeten verifiëren.

Het Hof stelt de inspecteur in het gelijk en oordeelt dat belanghebbende met (voorwaardelijk) opzet heeft gehandeld. De opgelegde boetes zijn volgens het Hof passend en geboden. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg worden de boetes door het Hof nog wel verminderd met 5% tot respectievelijk € 1.555 (2007), € 4.119 (2008), € 4.951 (2009) en € 5.033 (2010).

Hof Arnhem-Leeuwarden, 19 oktober 2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2015:7751