Vergrijpboeten waren door Rechtbank naar onjuiste grondslagen vastgesteld

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd in verband met het niet aangeven van inkomsten uit hennepteelt. Voorts zijn vergrijpboeten opgelegd van 50%. De Inspecteur en de Rechtbank hebben de boeten reeds gematigd tot uiteindelijk 5%. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank ter zake van de opgelegde boete bevestigd.

In cassatie wordt betoogd dat het Hof heeft nagelaten de misslag van de Rechtbank, te weten dat de Rechtbank in het dictum van haar uitspraak de boeten ten onrechte niet heeft berekend over nagevorderde bedragen IB/PVV, maar over de door de Inspecteur na bezwaar vastgestelde belastbare inkomens uit werk en woning, te herstellen.

De Hoge Raad oordeelt dat ingevolge de AWR de grondslag voor een vergrijpboete inderdaad wordt gevormd door het bedrag van de navorderingsaanslag. De Rechtbank heeft in het dictum van haar uitspraak de boeten niet berekend over de nagevorderde bedragen, maar over de belastbare inkomens uit werk en woning, en dat is niet de juiste grondslag. De Hoge Raad overweegt dat het Hof de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de boeten betreft had moeten vernietigen en de boeten had moeten verminderen. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en vermindert de vergrijpboeten.

Hoge Raad 18 december 2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:3597