Verzuimboete gematigd nu het opleggen van een vergrijpboete tot een lager boetebedrag zou hebben geleid

Aan belanghebbende is een auto ter beschikking gesteld waarvoor een “verklaring geen privé gebruik auto” is afgegeven. De Rechtbank oordeelt dat niet het bewijs is geleverd dat minder dan 500 km per jaar met de auto is gereden, nu twee ritten in de administratie ontbreken en de administratie ook overige onzorgvuldigheden bevat. De Rechtbank heeft daarom het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.

De inspecteur kan voor een dergelijk ‘verzuim’ een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 4.920. De inspecteur heeft de verzuimboete gematigd tot 40% van de nageheven LB, ofwel tot een bedrag van € 3.556. De Rechtbank overweegt dat bij het opleggen van verzuimboeten geen onderscheid wordt gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid, met dien verstande dat in gevallen waarin sprake is van afwezigheid van alle schuld oplegging van de boete achterwege dient te blijven. Wel dient te worden onderzocht of de opgelegde boete gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden is.

Van afwezigheid van alle schuld is volgens de Rechtbank geen sprake. Wel acht de Rechtbank niet aannemelijk geworden dat belanghebbende de twee ontbrekende ritten opzettelijk niet in de rittenadministratie zou hebben opgenomen. De inspecteur heeft dat overigens ook niet gesteld. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende met de gebrekkige wijze waarop hij deze administratie heeft gevoerd, bewust de kans heeft aanvaard dat hij te weinig privé kilometers zou registreren en daardoor te weinig belasting zou betalen. Wel kan belanghebbende ten aanzien van de niet geregistreerde ritten vergaande slordigheid worden verweten en had hij zich ervan bewust dienen te zijn dat hij met de gebrekkige administratie niet aan de zware bewijslast zou kunnen voldoen. Indien de inspecteur geen verzuimboete zou hebben opgelegd, maar een vergrijpboete, zou dit verwijt als grove schuld moeten worden gekwalificeerd. Dat zou hebben geleid tot een lagere dan de thans opgelegde boete, te weten 25% van € 9.246, ofwel € 2.311. De Rechtbank acht het daarom in de omstandigheden van het geval passend en geboden de boete te verminderen tot € 2.311. Het beroep tegen de boete dient daarom gegrond te worden verklaard.

Rechtbank Gelderland, 13 augustus 2015 (gepubliceerd 16 maart 2016)
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2015:5232