Verzuimboete niet doen van aangifte Vpb gematigd vanwege inspanningen om verzuim te herstellen

De inspecteur heeft aan belanghebbende, een holding, een ambtshalve aanslag Vpb opgelegd alsmede een verzuimboete van € 2.460 voor het niet doen van aangifte Vpb.

De Rechtbank stelt vast dat zowel de uitnodiging als de herinnering tot het doen van aangifte Vpb door (de gemachtigde van) belanghebbende is ontvangen. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting bij de Rechtbank verklaard dat zij pas enige tijd na het overlijden van haar echtgenoot tot het besef is gekomen dat zij dga van belanghebbende is geworden. Zij zou door de accountant geadviseerd zijn de holding niet te liquideren, maar aan te houden. Zij heeft na ontvangst van de herinnering wel contact gehad met de accountant, maar heeft daarop te horen gekregen dat er geen boekhouding aanwezig was.

De Rechtbank is van oordeel dat geen onderscheid wordt gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid bij een verzuimboete, tenzij sprake is van avas. Van avas is naar het oordeel van de Rechtbank geen sprake. De Rechtbank overweegt dat een zakelijk conflict met de accountant, niet de aangifteverplichting van belanghebbende opheft. Belanghebbende had in dit geval contact kunnen zoeken met de inspecteur, hetgeen zij heeft nagelaten. De Rechtbank ziet echter – omdat de gemachtigde van belanghebbende pogingen heeft ondernomen de administratie van belanghebbende in bezit te krijgen en hiervoor tevens een betaling heeft verricht aan de accountant – aanleiding de verzuimboete te matigen tot € 500.

In hoger beroep is de verzuimboete in geschil. Het Hof overweegt dat belanghebbende geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd en acht de zienswijze van de Rechtbank en de gronden waarop deze zienswijze berust juist en volgt volledig het oordeel van de Rechtbank.

Gerechtshof Den Haag 29 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1183

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:1183