Voormalig directeur van een reisorganisatie schuldig bevonden aan belastingfraude en valsheid in geschrifte

Na een door de Belastingdienst ingesteld boekenonderzoek is het vermoeden ontstaan dat de directeur van een reisbureau gebruik heeft gemaakt van valse vluchtfacturen en dat hij een bankrekening bij Banque Colbert heeft gebruikt om geld weg te sluizen. Bij het instellen van het strafrechtelijk onderzoek is tevens betrokken een door de FIU Luxemburg gedane melding dat verdachte sinds 1991 ongeveer € 3.100.000,- zou hebben afgestort op een bankrekening bij genoemde bank.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het onderzoek naar de wijze van boeken van vluchtfacturen onzorgvuldig is geweest. De Rechtbank heeft geconstateerd dat uit de vergelijking van de vermoedelijke valse facturen met andere facturen blijkt dat enkel de vluchtfacturen in origineel in de administratie zijn opgenomen, er verschillende faxnummers op staan vermeld, de nummering afwijkt en dat de valutavermelding per soort factuur verschilt. De Rechtbank acht het daarom wettig en overtuigend bewezen dat er een achttal aan valse vluchtfacturen in de bedrijfsadministratie zijn opgenomen en dat verdachte, als directeur, daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Ten aanzien van de bankrekening bij Banque Colbert is door de verdediging naar voren gebracht dat verdachte alleen gemachtigde was en dat de gelden niet van verdachte waren.De Rechtbank overweegt als volgt. In februari 1999 is door de verdachte een bankrekening geopend bij genoemde bank. In het dossier bevindt zich een verklaring dat verdachte beneficial owner is van deze rekening evenals een kopie van zijn paspoort. De FIOD heeft gerelateerd dat de handtekeningen op deze documenten onderling een hoge mate van gelijkenis vertonen. Verder blijkt uit een verklaring dat een sub-rekening van de rekening bij de Banque Colbert is geopend voor ‘internal technical reasons’. Ook wordt door de FIOD vermoed dat het de handtekening van verdachte is die onder vier stortingsbewijzen van contanten op deze rekening is geplaatst.

Hieruit kan volgens de Rechtbank geen andere conclusie worden getrokken dan dat verdachte als enige beschikte over (de gelden op) de bankrekening in Luxemburg. Beide Luxemburgse rekeningen zijn niet opgenomen in de aangiften inkomstenbelasting.

Tot slot overweegt de Rechtbank dat door het opnemen van de valse facturen in het overzicht van de schuld die het bedrijf heeft aan een ander bedrijf en deze deels gefingeerde schuld vervolgens te vermelden in de aangifte vennootschapsbelasting, de verdachte als feitelijk leidinggevende in de aangifte een te laag bedrag aan eigen vermogen en/of ondernemingswinst heeft opgegeven.
De Rechtbank acht de verdachte schuldig aan valsheid in geschrifte en belastingfraude. Gelet op de lange duur van de procedure en omdat de Rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard, komt de Rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie was geëist. De Rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Rechtbank Gelderland, 1 september 2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2015:5502