Berisping notaris na beroep BFT; storting van € 16 miljoen op derdengeldrekening, had voor de notaris aanleiding moeten zijn om hierover nadere vragen te stellen aan zijn compagnon

Een voormalig kantoorgenoot van de notaris is als een van de hoofdverdachte veroordeeld in de zogenoemde Klimop vastgoedfraudezaak. Het BFT heeft evenwel ook onderzoek gedaan naar de betrokkenheid van de notaris hierin. De Kamer voor het Notariaat in Amsterdam (hierna: ‘Kamer’) heeft de klachten tegen de notaris in juli 2014 ongegrond verklaard. Hierop is door het BFT hoger beroep ingesteld.

Alvorens de zaak inhoudelijk te beoordelen bespreekt het Hof eerst of het BFT ontvankelijk is. Het Hof is van oordeel dat, het feit dat BFT in deze procedure geen zelfstandig klachtrecht toekomt en in eerste aanleg reeds ook niet als klager is opgetreden, onverlet laat dat sedert 1 januari 2013 aan onder andere het BFT de mogelijkheid is geboden om tegen een beslissing van een Kamer hoger beroep in te stellen. Het BFT is daarom ontvankelijk.

Het Hof is het eens met de ongegrondverklaring van de klachten door de Kamer, behalve ten aanzien van de klacht over de handelwijze van de notaris met betrekking tot de derdengeldrekening. Door een cliënt van de voormalig kantoorgenoot van de notaris is een bedrag van € 16 miljoen op de derdengeldenrekening van het kantoor gestort. De omvang van dat bedrag en de verhouding tot het totale depotbedrag in dat jaar (€ 40 miljoen) had, in samenhang met de ongebruikelijke transactie die daaraan ten grondslag lag, voor de notaris aanleiding moeten zijn om hierover nadere vragen te stellen aan zijn compagnon. Voorts had de notaris moeten onderkennen dat een derdengeldrekening uitsluitend bestemd is voor gelden van derden die een notaris in het kader van zijn notariële werkzaamheden onder zich krijgt en niet voor het in depot houden van gelden ter nadere verdeling. Dat hij heeft nagelaten nadere vragen te stellen, acht het Hof onzorgvuldig, omdat hij op deze wijze geen enkele invulling heeft gegeven aan zijn rol als bestuurder van de Stichting Derdengelden.

Het voorgaande brengt met zich dat de beslissing van de Kamer op dit punt niet in stand kan blijven en in zoverre zal worden vernietigd en de klacht op dit onderdeel gegrond zal worden verklaard. Het Hof legt de maatregel van berisping op.

Bron:
Hof Amsterdam, 22 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1097

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:1097