Boeten van in totaal € 170.000 wegens overtredingen van het Besluit prudentiële regels Wft en de Wwft in beroep gehandhaafd

DNB heeft aan eiseres, een betaalinstelling, meerdere bestuurlijke boeten opgelegd van in totaal € 170.000. Volgens DNB beschikte eiseres in de periode 1 juli 2014 tot en met 27 augustus 2015 niet over een onafhankelijke en effectieve compliance functie (artikel 21 Besluit prudentiële regels Wft). DNB heeft eiseres hiervoor een bestuurlijke boete van € 50.000 opgelegd. In een tweede besluit heeft DNB een bestuurlijke boete van in totaal € 120.000 voor het niet verrichten van cliëntenonderzoek (artikel 3 en 8 Wwft) en het niet zorgdragen dat haar werknemers voldoende kennis hebben van de Wwft (artikel 35 Wwft). Nadat eiseres tevergeefs bezwaar heeft gemaakt, is zij in beroep gegaan bij Rechtbank Rotterdam.

In beroep betoogt eiseres dat DNB bij het tweede besluit geen bestuurlijke boeten meer mocht opleggen, omdat de vermeende overtredingen waarop de boetebesluiten zien al waren afgedaan met andere maatregelen. De Rechtbank verwerpt dit verweer, omdat de eerdere maatregelen, een normoverdragend gesprek en een waarschuwing, geen punitieve sancties zijn. Deze maatregelen zijn niet gericht op leedtoevoeging, maar bedoeld om de instelling ertoe te bewegen de volgens DNB bestaande overtredingen te beëindigen. Dat een normoverdragend gesprek en een waarschuwing – net als een onderzoek van DNB – als ingrijpend kunnen worden ervaren, is niet bepalend voor het rechtskarakter van deze maatregelen. Ook de omstandigheid dat de gegeven waarschuwing een antecedent in de vorm van een aantekening in het register van de toezichthouder oplevert, doet aan het reparatoire karakter ervan niet af. Als DNB één of meer overtredingen constateert, is zij in beginsel bevoegd daartegen handhavend op te treden op de wijze die zij passend acht. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat DNB als zij een overtreding constateert zowel maatregelen gericht op herstel treft als een punitieve sanctie oplegt. Nieuwe feiten zijn daarvoor niet vereist.

Voorts betoogt eiseres dat de verklaringen van haar medewerkers tijdens het onderzoek niet aan de bestuurlijke boeten ten grondslag mochten worden gelegd. Deze verklaringen zijn volgens eiseres afgelegd om te voldoen aan een verplichting tot informatieverstrekking en zijn ten onrechte gebruikt als bewijs van de gestelde overtredingen. De Rechtbank laat uitdrukkelijk in het midden of dit betoog terecht is voorgedragen. Als de betreffende verklaringen worden uitgesloten van het bewijs, blijft naar het oordeel van de Rechtbank voldoende bewijs over om te concluderen dat DNB de in beroep bestreden overtredingen buiten redelijke twijfel heeft aangetoond.

Ten aanzien van de eerste overtreding stelt eiseres dat zij de compliance functie gelet op de open norm in de geldende regelgeving en gelet op de aard en omvang van de organisatie destijds evenredig en adequaat heeft ingevuld. De Rechtbank is ten aanzien van de eerste overtreding van oordeel dat eiseres de onafhankelijkheid van de compliance functie onvoldoende heeft nagestreefd door de compliance officer haar eigen werkzaamheden te laten controleren. Hierdoor werden interne procedures en voorschriften onvoldoende gewaarborgd. De stelling van eiseres, dat er een uitzondering gemaakt moet worden vanwege de geringe omvang van de organisatie, wordt evenmin gevolgd.

De tweede boete ziet op de overtreding van artikel 3 van de Wwft. Volgens artikel 3 Wwft dient een instelling cliëntonderzoek te doen om witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen. Eiseres betoogt dat de Wwft geen verplichting bevat om een schriftelijk risicoprofiel op te stellen en deze vast te leggen in dossiers. De Rechtbank volgt eiseres hierin niet. Het is van belang dat een instelling periodiek toetst of de cliënt nog voldoet aan het risicoprofiel dat is opgesteld bij aanvang van de dienstverlening. Instellingen kunnen alleen ongebruikelijke transacties opmerken als ze een goed beeld hebben van de betreffende cliënt. Bij aanvang van de dienstverlening dient er dus een risicoprofiel opgesteld te worden. In drie onderzochte dossiers is er geen schriftelijk risicoprofiel opgesteld door eiseres. In andere dossiers is het risicoprofiel onvoldoende geschetst.

Tot slot stelt eiseres dat zij heeft voldaan aan de periodieke opleidingsverplichting als beschreven in artikel 35 Wwft. Eiseres voert aan dat zij zelf mag bepalen hoe zij deze verplichting invult en dat bovendien sprake is van een inspanningsverplichting. Volgens eiseres zijn nieuwe werknemers een introductiecursus aangeboden. Wat deze cursus inhield, heeft eiseres ook desgevraagd niet concreet onderbouwd, zodat niet aannemelijk is geworden dat met deze introductiecursus voldoende invulling is gegeven aan de opleidingsverplichting. Het regelmatig herzien van een lijst van do’s and dont’s op het internet kan niet worden gezien als periodiek opleiden van het personeel. Dat er regelmatig concrete zaken tijdens het werkoverleg werden besproken kan evenmin worden beschouwd als opleiden van personeel. Daarnaast is niet gebleken van een herhaling of andere cursus op het gebied van de Wwft. Het bewijs van deze overtreding heeft DNB niet uitsluitend gebaseerd op de verklaringen van medewerkers van eiseres. Ook eiseres verklaart in haar reactie op het rapport van bevindingen feitelijk dat haar medewerkers in de betreffende periode (nog) geen vervolgtrainingen of -opleidingen kregen. Daarnaast heeft DNB eiseres herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld haar stellingen te concretiseren met bijvoorbeeld het gebruikte introductiemateriaal en de lijst van do’s en don’ts. Eiseres heeft dat niet gedaan, waardoor haar stellingen op dit punt niet aannemelijk zijn geworden. Onder deze omstandigheden heeft DNB deze overtreding naar het oordeel van de Rechtbank buiten redelijke twijfel aangetoond. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Gelet op de omvang van eiseres in verhouding tot de overige onder toezicht staande betaalinstellingen en de overige omstandigheden heeft DNB aanleiding gezien beide boeten fors te matigen, namelijk tot 10% van het basisbedrag. Hiermee is eiseres naar het oordeel van de Rechtbank niet tekortgedaan. De beroepen zijn ongegrond.

Rechtbank Rotterdam, 3 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5236