CBB is het eens met BFT en legt alsnog de maatregel van schriftelijke waarschuwing op aan een accountant die geen melding bij FIU deed van kassaldi zonder onderliggende sluitende kasadministratie

Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) ging in hoger beroep bij het College voor het Beroep en Bedrijfsleven (CBB) tegen de uitspraak van de Accountantskamer van 25 juli 2014, gegeven op een klacht door het BFT ingediend tegen een registeraccountant (hierna: betrokkene). Betrokkene heeft samenstellingsverklaringen afgegeven bij de jaarrekeningen over de boekjaren 2009 en 2010 van een coffeeshop. In de samengestelde jaarstukken over 2010 is een kassaldo van de coffeeshop per 31 december 2009 en per 31 december 2010 vermeld van rond de 500.000 euro.

De klacht van het BFT houdt in dat betrokkene ten onrechte niet is overgegaan tot het melden van twee ongebruikelijke transacties bij de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU), zulks in strijd met artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT). Het betreft het aanhouden van kassaldi zonder onderliggende sluitende kasadministratie (klachtonderdeel I). Voorts behelst de klacht het verwijt dat betrokkene bij het samenstellen van de jaarrekeningen van de coffeeshop over 2009 en 2010 geen nader onderzoek heeft uitgevoerd met betrekking tot de ontbrekende kasadministratie. Betrokkene heeft hiermee volgens appellant gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen integriteit, zorgvuldigheid en professioneel gedrag (klachtonderdeel II).

Bij de bestreden uitspraak heeft de Accountantskamer klachtonderdeel I gegrond verklaard. Klachtonderdeel II is gedeeltelijk gegrond verklaard, namelijk voor zover het betrekking heeft op het achterwege laten van enige actie ten aanzien van de inkopen, zoals het inwinnen van inlichtingen bij de leiding van de entiteit om de betrouwbaarheid en volledigheid van de verstrekte informatie vast te stellen.

De Accountantskamer heeft betrokkene geen maatregel opgelegd. Volgens de Accountantskamer heeft betrokkene weliswaar in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen, maar dit wordt betrokkene, gelet op de aard van het bedrijf van de cliënt (een coffeeshop, waar de verkoop van softdrugs wordt gedoogd, terwijl de inkoop en bevoorrading als crimineel handelen worden beschouwd), niet te zwaar aangerekend.

Het hoger beroep van het BFT richt zich tegen het afzien van het opleggen van een maatregel. Volgens appellant lijkt de Accountantskamer de aard van het bedrijf als een verzachtende omstandigheid te gebruiken. Dat is volgens het BFT de omgekeerde wereld, omdat van een accountant juist in een risicovolle branche mag worden verwacht dat hij extra kritisch en oplettend is.

Ten aanzien van de meldingsplicht, waarop klachtonderdeel I betrekking heeft, overweegt het CBB dat de verplichting tot het doen van een melding als bedoeld in artikel 16 WWFT niet slechts geldt wanneer er concrete aanwijzingen bestaan dat sprake is van witwassen of het financieren van terrorisme. Artikel 16 WWFT heeft een (veel) ruimere strekking: iedere ongebruikelijke transactie behoort te worden gemeld. Het CBB stelt vast dat betrokkene in de loop van de tijd wisselende verklaringen heeft gegeven over de in de jaarrekening van de coffeeshop opgenomen balanspost “kassaldo”. Deze balanspost vertegenwoordigde een zeer aanzienlijke waarde en had voor de jaarrekening materiële betekenis. Op grond van de verklaringen van betrokkene moet er van worden uitgegaan dat tenminste een deel van dit kassaldo ook daadwerkelijk voorhanden was in de vorm van liquide middelen. Reeds deze omstandigheden rechtvaardigen het oordeel dat betrokkene had moeten melden.

Het CBB onderschrijft het betoog van het BFT dat van een accountant, in het geval diensten worden verleend aan een onderneming in een risicovolle branche, mag worden verwacht dat hij extra kritisch en oplettend te werk gaat. Het BFT heeft terecht aangevoerd dat er onvoldoende redenen waren om van het opleggen van een maatregel af te zien. Al met al is het hoger beroep gegrond. De uitspraak van de Accountantskamer dient voor zover het de beslissing betreft om daarbij geen maatregel op te leggen, te worden vernietigd. Het CBB zal de zaak zelf afdoen en de maatregel van schriftelijke waarschuwing opleggen.

Het College voor het Beroep en Bedrijfsleven 5 november 2015, zaaknummer 14/602

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2015:363&keyword=%22wwft%22