Terechte boete BFT wegens niet verrichten cliëntenonderzoek bij Luxemburgse cliënt

Aan eiseres is door het BFT een bestuurlijke boete van € 1.500,- opgelegd wegens overtreding van artikel 3 van de WWFT (verplichting inzake cliëntenonderzoek) ten aanzien van een van haar Luxemburgse cliënten (hierna: het bedrijf). Het BFT heeft het door eiseres gemaakte bezwaar tegen de boete ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam.

De Rechtbank laat de boete van het BFT in stand. Onder andere volgt de Rechtbank eiseres niet in haar stelling dat zij geen zakelijke relatie met het bedrijf in kwestie is aangegaan en er slechts sprake is geweest van voorbereidende werkzaamheden, waardoor zij niet verplicht was tot het verrichten van een cliëntenonderzoek. Vast staat namelijk dat (een deel van) de administratie van het bedrijf op het kantoor van eiseres is gebracht, met het verzoek de jaarrekeningen op te stellen en de fiscale aangiftes te doen. Omdat wegens het ontbreken van de daarvoor benodigde administratie deze werkzaamheden nadien nimmer hebben plaatsgevonden, is volgens eiseres echter nooit sprake geweest van een zakelijke relatie met het bedrijf.

Nog daargelaten dat de in artikel 1, eerste lid, onderdeel g WWFT opgenomen definitie van zakelijke relatie geen grond biedt voor het oordeel dat reeds werkzaamheden moeten zijn verricht wil sprake kunnen zijn van een zakelijke relatie, oordeelt de Rechtbank dat eiseres hiermee eraan voorbij gaat dat het bedrijf met een omzet van € 2.755,- wel op haar ‘omzetlijst klanten’ staat vermeld en dat wel voorbereidende werkzaamheden zijn verricht, waarvoor ook tijd is geschreven. Dat pas na de voorbereidende werkzaamheden een zakelijke relatie zou ontstaan omdat dan pas duidelijk is of eiseres iets voor het bedrijf zou kunnen betekenen, volgt de Rechtbank niet.

Voorts heeft eiseres verklaard dat, indien zij alsnog de beschikking zou hebben gekregen over de benodigde administratie voor het vaststellen van jaarrekeningen en het doen van fiscale aangiftes, ook deze werkzaamheden zouden zijn uitgevoerd. Onder deze omstandigheden kan eiseres niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij geen zakelijke relatie met het bedrijf is aangegaan.

Reeds nu eiseres niet betwist dat zij heeft nagelaten de uiteindelijk belanghebbende(n) van het bedrijf te identificeren en de identiteit te verifiëren, bestaat geen grond voor het oordeel dat het BFT in het primaire besluit ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat eiseres ten aanzien van deze rechtspersoon artikel 3 WWFT heeft overtreden. Gezien deze overtreding was het BFT bevoegd eiseres een bestuurlijke boete op te leggen. De stelling van eiseres dat onevenredig veel tijd is besteed aan het dossier van het bedrijf en dat het doel van de controle is ingegeven door het feit dat het BFT via eiseres de identiteit van de aandeelhouders heeft trachten vast te stellen, biedt geen grond voor het oordeel dat het BFT geen gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid, vooral omdat eiseres deze stelling niet heeft onderbouwd. De Rechtbank neemt bovendien in aanmerking dat – naar het BFT heeft gesteld en door eiseres niet is weersproken – een Luxemburgse rechtspersoon extra waakzaamheid vereist in verband met het risico op belastingfraude. Dat eiseres een boete van € 1.500,- niet kan dragen, heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd.

Rechtbank Rotterdam, 21 september 2015

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2015:5650