Verzoek tot wraking door een accountant afgewezen. Nieuw wrakingsverzoek zal niet worden behandeld.

Klaagster heeft bij brief van 7 oktober 2015, ontvangen door de Accountantskamer op 8 oktober 2015, een verzoek ingediend tot wraking van 3 leden van de Accountantskamer.
Reden voor het wrakingsverzoek was dat klaagster ontdekte dat drie van de leden van de kamer betrokken waren bij een eerdere uitspraak tegen haar (van juni 2013). Zij meende dat ze om deze reden vooringenomen zouden zijn. Ook wraakte zij de voorzitter apart omdat die betrokken zou zijn bij de samenstelling van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) die in hoger beroep besliste in eerder genoemde zaak. Een van de collegeleden was een collega van een van de leden van de Accountantskamer.

De klachten worden voor het grootste gedeelte niet ontvankelijk verklaard omdat klager al op 25 juni van dit jaar op de hoogte was van de samenstelling van de Accountantskamer. Zij deed zijn wrakingsverzoek echter pas een dag voor de zitting.

In haar klacht tegen de voorzitter betreffende de samenstelling van het CBb werd de accountant wel ontvankelijk verklaard: hij wist pas in oktober dit jaar van de collegiale banden.

Bij de inhoudelijke beoordeling van het verzoek stelt de wrakingskamer voorop dat een rechter, waaronder begrepen een tuchtrechter, moet worden vermoed uit hoofde van zijn aanstelling onbevooroordeeld en onpartijdig te zijn. Van een deugdelijke grond voor wraking kan eerst worden gesproken indien sprake is van feiten en omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de rechtzoekende persoonlijk, dan wel aangaande een standpunt in de zaak een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. De vrees dat zulks het geval is, dient bovendien objectief gerechtvaardigd te zijn, hetgeen wil zeggen dat niet voldoende is dat degene die de rechter wraakt niet gelooft in diens onpartijdigheid.

Volgens de wrakingskamer heeft de voorzitter van de Accountantskamer zowel formeel als informeel geen invloed op de organisatie van het CBb. Voorts is het lid van het CBb dat mede oordeelde over het hoger beroep sinds januari 2012 al geen lid meer van de Accountantskamer. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard.

Gelet op de inhoud van het wrakingsverzoek, gelet op de verklaring van klaagster ter zitting dat zij bij een haar onwelgevallige uitkomst van dit wrakingsverzoek, de leden van de wrakingskamer eveneens als ‘besmet’ zal beschouwen, en gelet op de verklaring van klaagster ter zitting dat zij niet zal berusten in welke onwelgevallige uitkomst dan ook, ziet de wrakingskamer aanleiding om toepassing te geven aan artikel 515, vierde lid Sv. De wrakingskamer stelt vast dat, nu klaagster haar verzoek slechts lijkt te doen om bij voorbaat haar gelijk te doen krijgen, sprake is van misbruik van het rechtsmiddel wraking en zal daarom bepalen dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling zal worden genomen.

Accountantskamer, 23 oktober 2015
ECLI:NL:TACAKN:2015:117 15/622 Wtra AK

http://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI__NL__TACAKN__2015__117