Artikel 10a AWR volgens belastingrechter niet in strijd met het nemo-teneturbeginsel

Naar aanleiding van een boekenonderzoek bij een vennootschap onder firma (VOF) concludeert de inspecteur dat in de jaren 2013 tot en met 2016 een bedrag van bijna € 275.000 te weinig omzetbelasting is aangegeven en voldaan. Bij Rechtbank Gelderland zijn de door de inspecteur opgelegde vergrijpboetes wegens het niet tijdig indienen van de suppleties in geschil. De Rechtbank acht de vergrijpboetes terecht, maar matigt deze wegens de totale hoogte van de boeten, de ‘menselijke maat’ en artikel 6 EVRM.

Belanghebbende in deze zaak heeft nagelaten suppleties voor de omzetbelasting in te dienen, terwijl de boekhouder reeds in een e-mail van 28 maart 2017 had laten weten dat er stelselmatig te lage aangiften omzetbelasting waren gedaan.

Tijdens de zitting vraagt belanghebbende aan de Rechtbank om de Belastingdienst te verplichten de correspondentie tussen de boekhouder en de Belastingdienst te overleggen. De Rechtbank wijst het verzoek af omdat niet aannemelijk is gemaakt dat deze correspondentie relevant is voor de beoordeling van de schuldgradatie bij het niet doen van de suppleties. Er is dan geen sprake van een op de zaak betrekking hebbend stuk (art. 8:42 Awb) of een gegeven waarop de boete rust (art. 5:49 Awb).

Daarnaast is de vraag opgekomen of de suppletieverplichting van artikel 10a AWR in strijd is met het nemo-teneturbeginsel. De Rechtbank oordeelt van niet. De vergrijpboete van artikel 10a, lid 3, AWR past volgens haar goed in het wettelijke systeem van de aangifteverplichtingen voor de omzetbelasting. De omzetbelasting dient door de belastingplichtige zelf te worden berekend, aangegeven en voldaan. In dat kader dient de belastingplichtige fouten hierin dus ook zelf te herstellen middels een suppletieaangifte. Daarbij oordeelt de Rechtbank dat dit niets te maken heeft met zelfincriminatie. Door het suppleren van het te weinig betaalde bedrag, wordt een boete immers voorkomen. Het arrest van het Hof Den Bosch van 10 juli 2018 in een strafzaak, lijkt daar haaks op te staan. De Rechtbank merkt daarover op dat het in het arrest van het Hof niet gaat om een beslissing omtrent de belastingheffing of het belastingrecht. Bovendien staat het arrest van het Hof ook niet onherroepelijk vast.

Uit de stukken volgt verder dat het belanghebbende in 2017 duidelijk moet zijn geworden dat de aangiften omzetbelasting aanzienlijke onjuistheden bevatten, omdat toen bleek dat per eind 2015 sprake was van een omzetbelastingschuld van meer dan € 200.000. Volgens de Rechtbank heeft belanghebbende verder niet aannemelijk gemaakt dat zij niet wist dat ze de te weinig betaalde omzetbelasting moest suppleren. Het doen van suppletieaangiften na het opmaken van de jaarstukken is volgens de Rechtbank heel gewoon. Dat belanghebbende twijfels had over de bevindingen van de boekhouder doet hier niets aan af. De e-mail van de boekhouder had voor belanghebbende aanleiding moeten zijn om onderzoek te doen in de administratie. De conclusie is dat sprake is van het opzettelijk niet voldoen aan de suppletieverplichtingen.

Rechtbank Gelderland ziet wel aanleiding de opgelegde vergrijpboeten verder te matigen gelet op de totale hoogte van de te betalen bedragen, de ‘menselijke maat’ en overschrijding van de redelijke termijn (art. 6 EVRM) en stelt het totaal aan vergrijpboetes vast op een bedrag van € 41.823 (was in totaal € 58.087).

Rechtbank Gelderland 22 maart 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:1349