CBb vernietigt een door DNB aan het trustkantoor opgelegde bestuurlijke boete

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) vernietigt een van de twee door DNB aan een trustkantoor opgelegde boetes. Het niet screenen van een relatie in één dossier is volgens het CBb ontoereikend om vast te kunnen stellen dat geen sprake is van adequate controle op de eigen administratie op grond van de Sanctiewet.

DNB heeft een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een incidentmelding van de mogelijke betrokkenheid van het trustkantoor bij een vermeend fraudeschandaal. Het trustkantoor werd in 2013 bestuurder van een vennootschap die $ 850 miljoen uitleende voor het opzetten van een vissersbedrijf in Mozambique. De gelden bleken echter te zijn doorgesluisd naar Defensie in Mozambique en/of te zijn verduisterd.

DNB bestrafte het trustkantoor met een boete van € 593.750, omdat het trustkantoor, kort gezegd, onvoldoende onderzoek had gedaan om te voorkomen dat zijn klanten zijn diensten  misbruiken voor transacties met of voor partijen waarmee geen transacties mogen worden verricht. Daarnaast kreeg het trustkantoor een boete van € 10.000 vanwege overtreding van de Sanctiewet. De Rechtbank verlaagde deze boetes met 10 procent, omdat DNB aanvankelijk stukken voor de Rechtbank had achtergehouden. De boetes kwamen daarmee uit op € 534.375, respectievelijk € 9.000.

In hoger beroep laat het CBb de (door de Rechtbank gematigde) boete op grond van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) in stand. Het trustkantoor heeft zijn poortwachtersfunctie niet naar behoren vervuld. Het dossier vertoont structurele tekortkomingen en heeft tot media-aandacht en Kamervragen geleid. Omdat DNB eerder al had gewezen op vergelijkbare tekortkomingen, is bovendien sprake van verhoogde verwijtbaarheid. Het CBb ziet geen reden voor een (verdere) matiging van deze boete.

Het CBb schrapt echter de boete op grond van de Sanctiewet. Een trustkantoor moet zijn administratie zo inrichten dat het financiële middelen van de in de Sanctieregelgeving genoemde klanten kan detecteren en bevriezen, maar de ministeriële regels laten het aan het trustkantoor zelf over op welke wijze het daaraan uitvoering geeft. Het trustkantoor moet in dat verband een eigen risico-inschatting maken. Die door de wetgever gekozen combinatie van een ‘principle based’ benadering en een risicogeoriënteerde invulling door het trustkantoor is voor het CBb een belangrijk argument om te oordelen dat voor het opleggen van een boete op grond van de Sanctiewet onvoldoende is dat de screening in een individueel dossier tekort schiet. Daarom schrapt het CBb die boete.

De overige beroepsgronden hebben betrekking op de oplegging en de hoogte van de boete op grond van de Wtt. Deze falen vanwege – kort gezegd – de ernst van de overtredingen en de verwijtbaarheid van het trustkantoor. Het CBb verklaart het hoger beroep uiteindelijk gegrond, maar enkel wat betreft de boete op grond van de Sanctiewet.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 26 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:432

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2021:432