Gevangenisstraf en ontzetting uit notarisambt wegens verhullen van negatieve bewaringspositie van het notariskantoor

Een op zitting bekennende notaris is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden en ontzetting uit het notarisambt doordat met valse stukken de indruk werd gewekt dat de bewaringspositie van het notariskantoor positief was, terwijl er in werkelijkheid sprake was van een fors tekort.

Dit tekort is over de jaren uiteindelijk opgelopen tot € 2 miljoen, waardoor wegens het faillissement van het notariskantoor € 1,5 miljoen door de Stichting Voorzieningsfonds moest worden uitgekeerd aan benadeelde cliënten.

De verdediging verzocht de Rechtbank om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het niet meer kunnen krijgen van een baan die bij zijn opleidingsniveau en ervaring past, de mantelzorg voor zijn vader en het gedeeld ouderschap over zijn zoons. Daarnaast voert de verdediging aan dat de verdachte aan een ernstige depressie lijdt en dat recent een ongeneeslijke ziekte bij hem is geconstateerd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal volgens de verdediging naar verwachting van zijn psycholoog zijn psychisch herstel zeer ernstig verstoren en de depressie kunnen verergeren.

Ter motivering van de strafoplegging stelt de Rechtbank voorop dat conform de oriëntatiepunten voor fraudedelicten het uitgangspunt voor een benadelingsbedrag van meer dan € 1 miljoen, een gevangenisstraf van 24 maanden of meer is.

Als strafverzwarende omstandigheid wordt in aanmerking genomen dat de verdachte in 2013 – toen hij nog notaris was – reeds uit het ambt is gezet voor het ongeoorloofd gebruik van derdengelden. Hij was derhalve op de hoogte van de regels en heeft desondanks opnieuw meegeholpen aan het verborgen houden van het ongeoorloofde gebruik van de derdengeldenrekening door de medeverdachte en heeft gedurende drie jaar niet ingegrepen.

De persoonlijke omstandigheden van de verdachte worden verder als strafverminderende omstandigheid door de Rechtbank meegewogen in de strafoplegging. Alles afwegende acht de Rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden en een beroepsverbod van vijf jaar passend.

Rechtbank Amsterdam 14 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3069