Hof Amsterdam oordeelt dat een trustkantoor en zijn bestuurders toch geen schadevergoeding hoeven te betalen aan de Staat.

Wanneer het opleggen van een aanslag niet meer mogelijk is door toedoen van een derde, biedt het privaatrecht in beginsel niet de mogelijkheid om het mogelijk misgelopen bedrag te verhalen.

In deze civiele procedure is aan de orde of de vermeende – niet formaliseerde – belastingschuld van de vennootschappen van twee broers kan worden verhaald op (de bestuurders van) een trustkantoor op grond van een onrechtmatige daad jegens de Belastingdienst.

De Rechtbank gaf de Staat gelijk en oordeelde dat de vorderingen konden worden toegewezen. Het Hof beslist anders voor wat betreft de aanslagen die niet zijn of kunnen worden vastgesteld. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad oordeelt het Hof dat verhaal van niet vastgestelde belastingschulden via het privaatrecht een onaanvaardbare doorkruising vormt van de publiekrechtelijke regeling van de belastingheffing en -invordering. Indien het belastingrecht geen mogelijkheden (meer) biedt om – kort gezegd – een aanslag vast te stellen, biedt het privaatrecht in beginsel niet de mogelijkheid om het mogelijk misgelopen bedrag te verhalen op een derde wegens een door die derde gepleegde onrechtmatige daad. Dit geldt ook als opzettelijk is verhinderd dat tijdig belastingaanslagen kunnen worden opgelegd.

Aan de buitenlandse vennootschappen waren wel aanslagen opgelegd, zodat voor die situatie nog wel relevant kan zijn of onrechtmatig is gehandeld. Daarom hebben betrokkenen een rechtmatig belang op het verkrijgen van een afschrift van alle op de zaak betrekking hebbende stukken uit de heffings- en invorderingsdossiers. De Staat dient de stukken daarom binnen vier maanden beschikbaar te stellen. De stukken mogen alleen in die procedure worden gebruikt. Opmerkelijk is dat het Hof “in verband met de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR” bepaalt dat de bestuurders de te ontvangen stukken alleen in de procedure mogen gebruiken en niet aan derden mogen worden verstrekt.

Gerechtshof Amsterdam 15 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2020:3461