Kwade trouw adviseur niet bewezen: navorderingsaanslag en boete van tafel

De inspecteur heeft aan een adviseur een navorderingsaanslag met vergrijpboete opgelegd, omdat hij niet alle door hem genoten inkomsten zou hebben verantwoord. Volgens Rechtbank Den Haag heeft de inspecteur echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van kwade trouw. Derhalve dienen de navorderingsaanslag en de boete te worden vernietigd.

Belanghebbende verleent in 2014 rechtsbijstand aan derden en is enig bestuurder van een stichting. De inspecteur heeft in 2014 aan belanghebbende een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van bijna € 500.000. Belanghebbende maakt daartegen bezwaar in de vorm van een herziene aangifte waarop een bruto resultaat uit overige werkzaamheden van € 12.000 is vermeld en hetzelfde bedrag aan kosten in aftrek is gebracht. Naar aanleiding daarvan is de definitieve aanslag verminderd en is van deze € 12.000 uitgegaan waarbij 20% aan aftrekbare kosten zijn geaccepteerd. De inspecteur legt vervolgens een navorderingsaanslag IB op van € 48.555 en een vergrijpboete van € 7.778.

In geschil is onder andere of de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de rentebeschikking terecht en naar een juist bedrag zijn opgelegd. Daarbij ligt de bewijslast voor de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag bij de inspecteur. De inspecteur dient derhalve aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw feit, dan wel dat sprake is van kwade trouw. De inspecteur is van mening dat sprake is van kwade trouw, omdat belanghebbende niet alle door hem genoten inkomsten heeft aangegeven en zich hiervan als rechtsbijstandsverlener bewust had moeten zijn. Daarbij voert hij aan dat belanghebbende voor tenminste 51 belastingplichtigen aangiftes heeft ingediend, rechtsbijstand heeft verleend voor in totaal 39 zaken en dat de Belastingdienst in 2014 in totaal € 18.094 heeft uitgekeerd op de bankrekening van de stichting. Een groot deel van dat bedrag ziet op proceskostenvergoedingen en/of de vergoeding van griffiekosten. De inspecteur heeft het uurtarief van belanghebbende geschat op € 300. Dit uurtarief volgt volgens de inspecteur uit een overeenkomst (die niet is gevoegd bij de gedingstukken).

De Rechtbank overweegt dat de inspecteur geen uitsluitsel heeft kunnen geven over de vraag of de € 18.094 reeds bij de stichting in de belastingheffing is betrokken, zoals gesteld door belanghebbende. Daarnaast gaat het volgens de Rechtbank te ver om op basis van slechts één overeenkomst – die niet is overgelegd – te veronderstellen dat belanghebbende voor alle cliënten een uurtarief van € 300 heeft gehanteerd. De inspecteur had de gestelde kwade trouw naar het oordeel van de Rechtbank nader moeten onderbouwen met bijvoorbeeld bankafschriften waaruit blijkt dat en hoeveel belanghebbende voor de verrichte werkzaamheden is betaald. Hetgeen is aangevoerd door de inspecteur vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van kwade trouw. Nu de inspecteur kwade trouw niet aannemelijk heeft gemaakt en niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een nieuw feit, is de navorderingsaanslag ten onrechte opgelegd.

De Rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de navorderingsaanslag, de boete- en rentebeschikkingen.

Rechtbank Den Haag 18 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2791