Rechtbank acht naheffingen omzetbelasting terecht, maar vernietigt de vergrijpboete

Rechtbank Den Haag oordeelt dat belanghebbende werkzaamheden eerder had moeten facturen. De enkele omstandigheid dat er tussen de afnemers onenigheid is over de verdeling van de kosten betekent niet dat het werk niet is opgeleverd en aanvaard. Vergrijpboete van tafel omdat opzet of grove schuld niet aannemelijk is gemaakt.

In deze zaak gaat het om een belanghebbende die een fiscale eenheid vormt voor de omzetbelasting. In de jaren 2015 en 2016 zijn er prestaties verricht voor twee vennootschappen, welke pas eerst in 2018 zijn gefactureerd. Daarnaast heeft belanghebbende in 2015 een pand gekocht van een vennootschap binnen de fiscale eenheid en heeft hier werkzaamheden voor laten verrichten door een andere vennootschap binnen de fiscale eenheid. De factuur voor deze werkzaamheden bedroeg € 185.000. Belanghebbende heeft de op de factuur vermelde omzetbelasting in aftrek gebracht.

In 2018 is er bij alle onderdelen van de fiscale eenheid een boekenonderzoek ingesteld. Aan de hand van een nieuw opgezette administratie door de nieuwe adviseur, zijn er suppletieaangiften opgemaakt voor de jaren 2015 en 2016. Aan belanghebbende is met dagtekening 27 juni 2019 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd conform deze suppletieaangiften. Daarnaast is een verzuimboete van 10% en een vergrijpboete van 50% opgelegd.

In geschil is over welk tijdvak belanghebbende de omzetbelasting is verschuldigd ter zake van haar prestaties en of belanghebbende terecht de gefactureerde omzetbelasting in aftrek heeft gebracht. Belanghebbende stelt dat zij de omzet pas in 2018 kon factureren, omdat er onenigheid was tussen de vennootschappen over de verdeling van de kosten. De Rechtbank oordeelt dat de enkele omstandigheid dat er tussen de afnemers van de prestaties onenigheid is over de verdeling van de kosten niet betekent dat het werk niet is opgeleverd en aanvaard. Belanghebbende had de omzet dan ook moeten factureren in 2015 en 2016. Aldus zijn de verzuimboetes terecht opgelegd en is de belastingrente berekend over de juiste periode. Ten aanzien van de in aftrek gebrachte omzetbelasting van de werkzaamheden aan het pand verklaart belanghebbende dat de werkzaamheden onderdeel waren van de koopsom. De Rechtbank oordeelt dat belanghebbende daardoor geen recht heeft op aftrek van de omzetbelasting.

Desalniettemin vernietigt de Rechtbank de vergrijpboete omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van opzet of grove schuld. Het voert volgens de Rechtbank te ver om van een ondernemer te verwachten dat hij bij iedere factuur nagaat of de verzender daarvan nog wel ondernemer is. Daarnaast is het volgens de Rechtbank normaal dat de verwerking van facturen door speciaal daartoe aangestelde personen volgens vaste regels plaatsvindt. Het in aftrek brengen van de omzetbelasting op de factuur kon daarom volgens de Rechtbank op een normale vergissing berusten.

Rechtbank Den Haag 19 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4739