Rechtbank legt hogere straf op dan geëist door het Openbaar Ministerie ondanks gedeeltelijk vrijspraak in fraudezaak

Rechtbank Rotterdam veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk, voor medeplegen van omzetbelastingfraude met een benadelingsbedrag van € 1.000.000. De Rechtbank komt – ondanks de vrijspraak voor deelname aan een criminele organisatie – tot een hogere strafoplegging dan geëist door het Openbaar Ministerie.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 2013 tot en met 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en dat hij opzettelijk aangiften omzetbelasting onjuist en/of onvolledig heeft gedaan.

Volgens de verdediging dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard, onder meer omdat getuigen (ambtenaren van de Belastingdienst) zouden zijn beïnvloed. De officier van justitie zou de medewerkers voorafgaand aan de verhoren al informatie hebben verstrekt en bij elkaar hebben geroepen voor een voorlichtingsbijeenkomst. De Rechtbank oordeelt echter dat niet is gebleken dat de getuigen op enigerlei wijze zijn beïnvloed door de officier van justitie en dat geen sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde.

De Rechtbank spreekt de verdachte vrij van deelname aan een criminele organisatie, omdat de gepleegde omzetbelastingfraude heeft plaatsgevonden in het kader van de reguliere bedrijfsvoering en in die zin niet de kern van de activiteiten van het samenwerkingsverband vormde. De Rechtbank acht wel bewezen dat verdachte opzettelijk onjuiste aangiften voor de fiscale eenheid heeft ingediend. Van belang hierbij is dat verdachte namens de fiscale eenheid geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid suppleties in te dienen om zo onjuiste aangiften te corrigeren.

De Rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk passend en geboden. De Rechtbank komt tot een hogere straf dan de officier van justitie heeft geëist (een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden), omdat de Rechtbank van oordeel is dat de verdachte een grotere rol bij de fraude heeft gespeeld dan de officier van justitie en de raadsman hem toedichten. De Rechtbank overweegt hierbij dat de verdachte vaak het initiatief heeft genomen tot het plegen van fraude door concrete voorstellen te doen voor de onjuiste omzetbelastingaangiften. Tevens heeft verdachte zich volgens de Rechtbank ingespannen om de fraude in financiële stukken van het bedrijf te verdoezelen en is verdachte niet uit eigen beweging gestopt met deze praktijken.

Rechtbank Rotterdam 13 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6912