Rechtbank: materiële werkelijkheid is leidend bij woonplaatsbepaling

De materiële werkelijkheid van het leven van belanghebbende – een affectieve relatie en werk in Turkije – maakt dat hij ondanks zijn resterende banden met Nederland niet in Nederland woonachtig is. Dat belanghebbende in Nederland kon verblijven bij zijn moeder maakt niet dat het huis hem ter beschikking stond.

De open norm van artikel 4 AWR zorgt in de praktijk voor de nodige ‘woonplaatsdiscussies’. In de zaak die voorlag bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant verschilden de inspecteur en de belanghebbende van mening over de vraag of belanghebbende in het jaar 2015 fiscaal inwoner van Nederland is geweest.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en is op 7 oktober 2016 getrouwd met een partner met de Turkse nationaliteit. In 2015 is belanghebbende een dienstverband aangegaan in Turkije. Voor die tijd woonde hij onafgebroken in Nederland en stond ingeschreven in het BRP. Hij verbleef in 2015 24 dagen in Nederland, 256 dagen in Turkije en 23 dagen elders. Ook beschikt hij in 2015 over een geldige Turkse werk- en verblijfsvergunning.

De inspecteur voert onder meer aan dat belanghebbende in 2015 de Nederlandse nationaliteit heeft, familiale betrekking in Nederland heeft, 24 dagen in Nederland verbleef, zich niet heeft laten uitschrijven uit het BRP, een permanent onderkomen en een auto ter beschikking stonden en dat hij een Nederlandse zorgverzekering had.

De Rechtbank gaat niet in dit standpunt van de inspecteur mee en overweegt dat de door de inspecteur aangevoerde omstandigheden en feiten vooral formeel van aard zijn en niet overeenstemmen met de materiële werkelijkheid. Op basis van de verklaring van de moeder van belanghebbende overweegt de Rechtbank dat belanghebbende weliswaar in overleg met zijn moeder in zijn jeugdkamer in haar woning mag verblijven maar dit betekent niet dat hem een woning ter beschikking stond.

Ook het feit dat belanghebbende ten tijde van de procedure niet meer in Turkije woont en dat hij in de jaren tot aan het vertrek naar Turkije Nederlands inkomen heeft genoten, leiden volgens de Rechtbank niet tot een andersluidend oordeel.

De Rechtbank concludeert dat belanghebbende in 2015 niet in Nederland woonde in de zin van artikel 4 AWR.

Rechtbank 5 november 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5436 (gepubliceerd op 10 mei 2021)