Rechtbank verdubbelt de door het OM geƫiste gevangenisstraf; 24 maanden wegens BTW-fraude

Een BV dient een aangifte omzetbelasting in die een opvallend verschil in omzet laat zien ten opzichte van eerdere kwartalen. Om die reden is de aangifte door de Belastingdienst geblokkeerd. Desgevraagd verstrekt de BV vervolgens de 10 grootste inkoopfacturen. Nadat het onderzoek van de Belastingdienst is uitgebreid naar een andere BV rijst het vermoeden dat de 10 verstrekte inkoopfacturen valselijk zijn opgemaakt door de bestuurder en aandeelhouder van beide BVā€™s.

Verdachte wordt als feitelijk leidinggever vervolgd; hij is middellijk bestuurder en aandeelhouder van beide BV’s. Aan hem is tenlastegelegd: feitelijk leidinggeven aan (i) het opzettelijk doen van onjuiste aangifte omzetbelasting en (ii) het ter beschikking stellen van valse facturen aan de Belastingdienst alsook (iii) het opzettelijk valselijk opmaken van de facturen.

De Rechtbank komt tot een bewezenverklaring. Er is sprake van ‘lege’ BV’s die nagenoeg uitsluitend werden gebruikt voor het ontvangen van gelden als gevolg van de ingediende aangiften omzetbelasting. De facturen die ter beschikking werden gesteld aan de Belastingdienst corresponderen niet met de facturenadministratie van de op die facturen vermelde derden. Bovendien blijkt uit de inbeslaggenomen laptop dat verdachte ‘auteur’ is van de bestanden waarin de facturen zijn aangemaakt en bewerkt.

Het OM eist een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, een beroepsverbod om op te treden als bestuurder of aandeelhouder van rechtspersonen voor 5 jaar en een registratie van het vonnis bij de KvK.

Opvallend is dat de Rechtbank tot een aanzienlijk hogere straf dan de eis komt: een gevangenisstraf van 24 maanden en een beroepsverbod van 7 jaar. Ook beslist de Rechtbank dat het vonnis dient te worden geregistreerd bij de KvK. Volgens de Rechtbank speelt bij de bepaling van de straf een veelvoud aan factoren mee, waaronder: de belastingfraude is meerdere jaren gepleegd, verdachte heeft de Staat gepoogd te benadelen voor een bedrag van ā‚¬ 2.227.147 (volgens de LOVS-oriĆ«ntatiepunten geldt bij fraude voor een bedrag boven de ā‚¬Ā 1 miljoen als uitgangspunt 24 maanden gevangenisstraf en hoger) en er is sprake van meerdere wilsbesluiten doordat telkens opnieuw is besloten tot het doen van onjuiste aangiften en vervolgens tot het onderbouwen daarvan met valse facturen. Ook is de verdachte al eerder veroordeeld voor fraude. De Rechtbank merkt verder nog op dat verdachte de naam van zijn toenmalige vriendin heeft gebruikt voor het indienen van de valse aangiften en het opsturen van de valse facturen en bankafschriften, kennelijk om zichzelf buiten schot te houden.

Bij de bepaling van de straf heeft de Rechtbank niet het daadwerkelijke door de Belastingdienst ten onrechte uitgekeerde bedrag als uitgangspunt genomen maar het potentiƫle bedrag dat de verdachte beoogde ten onrechte te ontvangen. Gelet op de reeks aan strafverzwarende omstandigheden ziet de Rechtbank geen reden om van de LOVS-oriƫntatiepunten af te wijken.

Rechtbank Amsterdam 2 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1607

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:1607