Vragen over buitengewone last en specificatie bedrijfskosten niet mogelijk op grond van art. 47 AWR

De inspecteur neemt volgens Rechtbank Zeeland-West Brabant ten onrechte een informatiebeschikking voor vragen over de in de aangifte vennootschapsbelasting opgenomen buitengewone last, de bedrijfskosten en de gevormde voorziening. Voor het overige blijft de informatiebeschikking in stand en heeft belanghebbende zes weken de tijd om daaraan alsnog te voldoen.

Naar aanleiding van de ingediende aangifte Vpb over 2016 worden verschillende informatieverzoeken verstuurd aan de directeur van de onderneming. Daarin verzoekt de inspecteur om een toelichting op onder meer de in de aangifte opgenomen buitengewone last, de specificatie van de bedrijfskosten en de gevormde voorziening. De vragen blijven onbeantwoord, waarna de inspecteur een informatiebeschikking afgeeft.

In beroep stelt de Rechtbank voorop dat de bewijslast ten aanzien van een schending van de in art. 47 AWR opgenomen informatieverplichting op de inspecteur rust. Met betrekking tot de gevraagde informatie over de buitengewone last, de specificatie van de bedrijfskosten en de gevormde voorziening, heeft de inspecteur evenwel volgens de Rechtbank geen belang zoals omschreven in art. 47 AWR, aangezien de bewijslast al rust op belanghebbende. In zoverre wordt de informatiebeschikking dan ook vernietigd.

De overige door belanghebbende aangevoerde gronden worden door de Rechtbank verworpen, omdat het verzoek van de inspecteur tot het verschaffen van inlichtingen voldoende onderbouwd en geconcretiseerd is. Daarnaast stond het de inspecteur vrij om vragen te stellen over posten die in eerdere jaren reeds in de aangiften Vpb stonden vermeld. De Rechtbank verwerpt ook de stellingen van belanghebbende die er op neerkomen dat de inspecteur vraagt naar gegevens die niet (meer) bestaan of die belanghebbende niet voorhanden heeft. De Rechtbank is van oordeel dat deze niet onderbouwde uitlatingen van belanghebbende een onvoldoende motivering zijn voor het niet (meer) voorhanden hebben van gegevens. Daar komt bij dat belanghebbende ter zitting – tegenstrijdig aan dit verweer – heeft verklaard de gevraagde gegevens en inlichtingen wel te kunnen verstrekken.

De Rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de informatiebeschikking gedeeltelijk. Voor zover de informatiebeschikking in stand blijft, krijgt belanghebbende een termijn van zes weken om daaraan alsnog te voldoen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 mei 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:3291