Auteur: admin

Hof ziet geen aanleiding boetes voor hennepteler verder te matigen

Aan belanghebbende zijn (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting opgelegd over de jaren 2009 tot en met 2012. Daarbij zijn vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 15.956, € 12.144, € 9.243 en € 19.521.

Belanghebbende dreef een onderneming in de vorm van een eenmanszaak waarbij de activiteiten bestonden uit onder meer timmerwerk, onderhoud en renovatie, elektrawerkzaamheden, loodgieterswerkzaamheden en het verrichten van aan- en nieuwbouw. In 2010 is er een ontploffing geweest in de schuur achter de woning van belanghebbende en is belanghebbende zwaar gewond geraakt. Daarbij is ook een hennepkwekerij aangetroffen.

De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld. Omdat de inspecteur heeft geconstateerd dat belanghebbende te weinig inkomsten heeft opgegeven in zijn aangiften, heeft de inspecteur correcties doorgevoerd en daarbij vergrijpboetes opgelegd van 50% omdat sprake zou zijn van voorwaardelijk opzet. De inspecteur heeft daarbij gebruik gemaakt van vermogensvergelijkingen.

In geschil is onder meer of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De inspecteur heeft de boetes gematigd op grond van de financiële omstandigheden van belanghebbende en omdat de boetegrondslag onjuist was berekend. Gelet op onder meer de vermogensvergelijkingen en de concrete inkomensbronnen acht de Rechtbank aannemelijk dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen in de jaren 2009 tot en met 2011 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld en dat de aangifte voor het jaar 2012 onjuist is gedaan. De Rechtbank oordeelt dat de inspecteur de boetes terecht heeft opgelegd.

De Rechtbank heeft de boete over 2009 echter verminderd omdat de inspecteur bij het vaststellen van de boetegrondslag de omzet van ontbrekende facturen heeft geschat. Verder heeft de Rechtbank de opgelegde boetes verminderd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. Anders dan de inspecteur ziet de Rechtbank in de gestelde complexiteit van de zaken geen aanleiding om uit te gaan van een langere redelijke termijn dan 2 jaar. Uit de stukken blijkt dat het belastingonderzoek bewerkelijk is geweest. Naar het oordeel van de Rechtbank ontbreekt echter een causaal verband met de behandeling van de zaak ná de boete-aankondiging, nu het onderzoek daarvóór heeft plaatsgevonden. De persoonlijke omstandigheden zijn evenmin aanleiding om de boetes te matigen, nu de persoonlijke omstandigheden door belanghebbende onvoldoende zijn onderbouwd.

Het Hof sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank, nu belanghebbende in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft toegevoegd. In hoger beroep is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof is van oordeel dat de opgelegde boetes, zoals deze luiden na vermindering door de Rechtbank, passend en geboden zijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:3650

Ondanks ingeschakelde adviseur kan naar het oordeel van het Hof toch grove schuld aan belanghebbende worden verweten

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 47.500. Verder is een vergrijpboete opgelegd van € 23.750. In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Bij de beoordeling van de boete neemt het Hof in aanmerking dat de aangifte omzetbelasting is verzorgd door A, een externe boekhouder. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende echter zelf ook grove schuld valt te verwijten, ondanks dat de aangifte door de adviseur van belanghebbende is ingediend.

Belanghebbende leverde ter verwerking in de door A verzorgde aangiften omzetbelasting de uitgereikte facturen aan, waaronder een factuur betreffende een transactie met B. Deze factuur vermeldt een groot bedrag aan omzetbelasting. A kan ten minste grove schuld worden verweten omdat hij die factuur en de daarop vermelde omzetbelasting niet in de aangifte heeft verwerkt en dat dit bedrag aan omzetbelasting dus ook niet op aangifte is voldaan. A moet als boekhouder naar het oordeel van het Hof hebben geweten dat gefactureerde omzetbelasting is verschuldigd.

De aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal 2009 was voor belanghebbende bijzonder, aangezien hierin de transactie met B was begrepen. Belanghebbende heeft de factuur aan A overhandigd teneinde die in de aangifte omzetbelasting te verwerken. De aangifte over het eerste kwartaal 2009 betrof daarmee geen reguliere aangifte, maar een waarop – naar belanghebbende redelijkerwijs kon verwachten – een groot bedrag aan omzetbelasting zou moeten worden voldaan. In de door A verzorgde aangifte is dit aanzienlijke bedrag aan omzetbelasting evenwel niet verantwoord, hetgeen belanghebbende volgens het Hof op had moeten vallen. Het op aangifte verschuldigde bedrag was immers veel lager dan belanghebbende redelijkerwijs kon verwachten. Het constateren van het aanzienlijke verschil tussen het te betalen bedrag aan omzetbelasting en het in de aangifte vermelde bedrag is eenvoudig en vergt naar het oordeel van het Hof geen diepgaande fiscale, bedrijfseconomische of financiële kennis. Het had op de weg van belanghebbende gelegen hierover navraag te doen bij A. Door dit na te laten heeft belanghebbende niet de zorg betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de samenwerking met A, hetgeen uiteindelijk tot gevolg heeft gehad dat een groot bedrag aan omzetbelasting niet op aangifte is voldaan. Naar het oordeel van het Hof is dit verwijt in laakbaarheid aan opzet grenzend (grove schuld).

Voor een vermindering van de boete vanwege financiële omstandigheden ziet het Hof geen aanleiding. Het feit dat belanghebbende inmiddels is ontbonden en een verklaring van de gemachtigde dat beslag is gelegd op onroerende zaken acht het Hof daarvoor onvoldoende. Het Hof zal de boete wel verminderen met 10% tot € 10.687,50 in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:9440

 

Zeer slecht aangiftegedrag leidt tot opleggen maximale verzuimboete

Aan belanghebbende is een verzuimboete van € 4.920 opgelegd, omdat niet binnen de gestelde termijnen aangifte inkomstenbelasting over 2012 is gedaan. Het betreft de maximale boete die kan worden opgelegd ter zake van een dergelijk verzuim.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij niet kan begrijpen waarom er direct naar de maximale verzuimboete is gegrepen. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat de verzuimboete disproportioneel is en onevenredig zwaar op hem drukt gelet op het inkomen en vermogen van belanghebbende.

Het Hof stelt vast dat uit een overzicht van het aangiftegedrag van belanghebbende in de tien jaar die aan het aangiftejaar 2012 vooraf zijn gegaan, blijkt dat in deze tien jaar telkenmale sprake is geweest van een aangifteverzuim en dat in negen van deze tien jaar een verzuimboete is opgelegd. De stelling van belanghebbende – dat direct een maximale verzuimboete wordt opgelegd – verwerpt het Hof.

Naar het oordeel van het Hof is de verzuimboete ook niet disproportioneel. De boete bedraagt € 4.290, terwijl het inkomen van belanghebbende over 2012 € 42.000 bedraagt. Daarenboven heeft te gelden dat voor de beoordeling van de proportionaliteit van de boete dient te worden bezien hoe de boete zich verhoudt tot de ernst van het feit, niet tot de hoogte van het inkomen of de aanslag. Daartoe is van belang dat belanghebbende reeds negen keer is beboet voor het niet (tijdig) indienen van aangifte, waarbij reeds verzuimboetes zijn opgelegd die uiteen lopen van 10% tot 100% van het geldende maximumbedrag.

Dat de boete onevenredig zwaar op belanghebbende drukt is het Hof – bij gebreke van onderbouwing – niet gebleken. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat hij al jaren te kampen heeft met een hoge werkdruk, waardoor hij niet in staat is zijn boekhouder tijdig van alle informatie te voorzien die nodig is voor het indienen van de aangifte. Naar het oordeel van het Hof brengt deze omstandigheid niet mee dat sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Het Hof acht de opgelegde verzuimboete passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:2573

 

Blog: BFT publiceert nieuwe leidraden Wwft

Op 24 oktober 2018 heeft het Bureau Financieel Toezicht (BFT) nieuwe ‘specifieke leidraden’ gepubliceerd die aansluiten op de regels in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) die sinds 25 juli 2018 van kracht zijn. Over de nieuwe regels schreven wij al eerder een blog op SpotOn.

Zowel inhoudelijk als op het gebied van interne procedures heeft de nieuwe wet gevolgen voor instellingen die de Wwft moeten uitvoeren. Inhoudelijk gaat het bijvoorbeeld om aanpassingen in de definities van Politically Exposed Persons en Ultimate Benefical Owners. Ten aanzien van interne procedures worden nadere eisen gesteld aan de invulling en vastlegging van het risicobeleid, aan het risicomanagement en aan de inrichting van een compliance- en auditfunctie.

Het BFT heeft twee leidraden gemaakt. Er is een leidraad voor accountants, belastingadviseurs en administratiekantoren en er is een leidraad voor notarissen. De leidraden zijn inhoudelijk grotendeels vergelijkbaar en gaan onder meer in op onderwerpen als “Witwassen en terrorismefinanciering’, “Cliëntenonderzoek, risicobeleid en risicomanagement” en “Compliance- en auditfunctie”. De leidraden bevatten tot slot een aantal praktische voorbeelden.

Twee deelonderwerpen lichten wij er vandaag uit.

Compliance- en auditfunctie vanaf 50 werknemers

Vanaf 25 juli 2018 geldt de verplichting om, voor zover passend bij de aard en omvang van de instelling, een compliance- en auditfunctie in te richten. Het BFT hanteert blijkens de nu gepubliceerde leidraden als richtlijn dat een instelling dergelijke functies in ieder geval dient in te richten als zij een omvang heeft vanaf 50 werknemers. Het BFT heeft daarbij aansluiting gezocht bij de Wet op de ondernemingsraden (WOR) die het instellen van een ondernemingsraad verplicht stelt voor organisaties vanaf 50 werknemers.

Als een instelling kleiner is dan 50 werknemers, maar haar cliënten of transacties voor ten minste 75% in een hoog risicoprofiel vallen, dan vindt het BFT de inrichting van een compliance- en auditfunctie ook passend.

De compliance- en/of auditfunctie mogen ook extern worden belegd middels een dienstverleningsovereenkomst met een externe partij. Voor de auditfunctie vermeldt het BFT dit expliciet in de leidraad, voor de compliancefunctie blijkt dit uit de wetsgeschiedenis.

Sanctiewetgeving

In de eerdere leidraden uit 2014 vermeldde het BFT niets over sanctiewetgeving. Nu wordt daar in een korte paragraaf op gewezen. Het BFT verwijst naar de Algemene Leidraad Wwft en Sanctiewet van het Ministerie van Financiën, die onder meer vermeldt: “De sanctieregelingen gelden voor iedereen (dus ook voor niet-financiële instellingen zoals juridische beroepsgroepen en accountants) en daarom zullen de instellingen maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat zij in strijd met de sanctieregelingen handelen. Zo is een notaris bijvoorbeeld strafbaar als deze een verkoopakte passeert waar een persoon bij betrokken is die op een sanctielijst staat.“ Voor financiële instellingen, waaronder ook trustkantoren, gelden aanvullende eisen aan hun Administratieve Organisatie & Interne Controle (AO/IC) op grond van de Sanctiewet.

Sanctiemaatregelen worden door overheden de laatste jaren meer ingezet in geopolitieke conflictsituaties. Soms gaat het om bepaalde personen en organisaties van wie de financiële middelen worden bevroren. Soms gaat het om een verbod op het doen van – bepaalde – zaken met landen zoals Birma, Congo, Noord Korea, Somalië, Soedan, Wit-Rusland en Zimbabwe.

Sanctiewetgeving verbiedt het verrichten van bepaalde transacties. Daarnaast speelt sanctiewetgeving een rol bij de beoordeling of een transactie al dan niet ongebruikelijk is. Indien tijdens werkzaamheden voor een cliënt wordt gestuit op een (voorgenomen) transactie die mogelijk in strijd is met sanctiewetgeving, kan het dus zijn dat deze als een ongebruikelijke transactie moet worden gemeld. Dit geldt ook als de instelling zelf geen bijdrage aan de transactie heeft geleverd.

Tot slot

Het BFT heeft eerder bekend gemaakt dat het tot 1 januari 2019 een soepel handhavingsbeleid zal hanteren ten aanzien van de nieuwe Wwft-regels. Nu de specifieke leidraden bekend zijn gemaakt, is de verwachting dat het BFT vanaf 1 januari 2019 zal gaan toezien op de implementatie van de nieuwe regels, waaronder de schriftelijke vastleggingen van risicobeleid, risicobeoordelingen en het juist beleggen van de compliance- en auditfunctie.

HR (sprongcassatie): het was voor belanghebbende voorzienbaar dat boetes zouden worden opgelegd na het inkeren in december 2014 over de jaren 2001 tot en met 2008 – nieuwe inkeerregeling niet strijdig met het legaliteitsbeginsel

Op 30 december 2014 heeft belanghebbende een beroep gedaan op de inkeerregeling. De inspecteur en belanghebbende hebben vervolgens een vaststellingsovereenkomst gesloten, die inhoudt dat de correcties op de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2001 tot en met 2013 worden geformaliseerd in een navorderingsaanslag over het jaar 2013, waarbij het bedrag van de na te vorderen belasting onder meer wordt verhoogd met vergrijpboetes van 30% van de over de jaren 2001 tot en met 2011 nagevorderde belasting. In de overeenkomst is opgenomen dat bezwaar en beroep wel mogelijk is voor zover het de boetes betreft.

Bij de Rechtbank was in geschil of de boetes over de jaren 2001 tot en met 2008 terecht waren opgelegd, omdat de inkeerregeling destijds bepaalde dat geen boete kon worden opgelegd. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de inkeerregeling zoals die indertijd gold aan de inspecteur geen enkele beleidsruimte liet omdat daarin dwingend was bepaald dat een vergrijpboete niet wordt opgelegd. Belanghebbende kon daarom een beroep doen op de oude, gunstiger inkeerregeling, zodat de boetes moeten komen te vervallen.

In een door de staatssecretaris ingestelde sprongcassatie oordeelt de Hoge Raad dat de inkeerregeling is omschreven als het alsnog een juiste en volledige aangifte doen vóórdat de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. Hieruit vloeit naar het oordeel van de Hoge Raad voort dat de aan deze inkeerbepaling te ontlenen verwachting omtrent het al dan niet belopen van een vergrijpboete niet moet worden beoordeeld naar het moment waarop de aangifte wordt gedaan, maar naar het moment waarop de betrokkene inkeert.

In de wetswijziging is een bepaling van overgangsrecht opgenomen die erop neerkomt dat de inkeerregeling zoals die voor de wetswijziging gold tot 1 januari 2010 toepasselijk bleef op aangiften die vóór die datum waren gedaan of gedaan hadden moeten worden. Daarmee heeft de wetgever belanghebbenden de gelegenheid gegeven hun gedrag op de wetswijziging af te stellen waardoor zij alsnog gebruik kunnen maken van de gunstiger inkeerregeling. Om die reden kan niet worden volgehouden dat de wetswijziging voor belanghebbende onvoorzienbaar maakte dat hij na de inkeer een boete zou kunnen krijgen.

Het oordeel van de Rechtbank, dat belanghebbende zwaarder wordt bestraft dan wat voorzienbaar was op het moment waarop de aangiften telkens opzettelijk onjuist werden gedaan, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting.

De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Hof ter verdere behandeling.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:2041

Boetes voor belanghebbende die in Duitsland aangehouden bankrekeningen met tegoeden niet heeft opgegeven

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd met boetes.

Belanghebbende heeft in zijn aangiften geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op buitenlandse rekeningen. De Nederlandse overheid heeft van de Duitse overheid stukken ontvangen inzake in het buitenland aangehouden bankrekeningen op naam van belanghebbende en zijn echtgenote.

De inspecteur maakt belanghebbende het verwijt dat het aan zijn opzet, al dan niet in de voorwaardelijke variant, is te wijten dat de aangiften inkomstenbelasting onjuist of onvolledig zijn gedaan, doordat hierin de in het buitenland aangehouden bankrekeningen niet zijn vermeld. Het feit dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van buitenlandse bankrekeningen om tegoeden en inkomsten daaruit buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden, heeft de inspecteur als een strafverzwarende omstandigheid aangemerkt.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende is te wijten dat onjuiste aangiften inkomstenbelasting zijn gedaan. Belanghebbende wist dat het aanhouden van bankrekeningen bij een bank in Duitsland gevolgen zou kunnen hebben voor zijn aangifteverplichtingen in Nederland. Belanghebbende heeft het antwoord van de bankmedewerker in Duitsland – dat sprake was van Duitse belastingheffing en het opgeven daarvan aan de Nederlandse fiscus niet verplicht was – volgens het Hof voor lief genomen en verder niet geverifieerd, terwijl daarvoor alle aanleiding bestond (mede gezien de aanzienlijke tegoeden op die rekeningen). Belanghebbende heeft zich door een en ander niet laten weerhouden de aangiften te doen zoals hij die heeft gedaan, zonder opgaaf te doen van de gegevens met betrekking tot de aangehouden tegoeden in het buitenland, en zich aldus willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans onjuiste aangiften te doen. De gevolgen hiervan heeft hij voor lief genomen.

De inspecteur heeft de boetes reeds verminderd van 100% naar 40%. Voor een verdere matiging ziet het Hof geen aanleiding.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:9315

 

Verzuimboete opgelegd voor te weinig betaalde bpm voor een kampeerauto

Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan voor de registratie van een kampeerauto, afkomstig uit Duitsland. De inspecteur heeft belanghebbende medegedeeld dat er te weinig bpm is voldaan en heeft een naheffingsaanslag bpm opgelegd waarbij is uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat de kampeerauto niet voorkomt op enige actuele koerslijst. De hoogte van de naheffingsaanslag bedraagt € 2.555 en de opgelegde verzuimboete bedraagt € 255.

Belanghebbende heeft eerst ter zitting, zonder dit verder cijfermatig te concretiseren, gesteld dat de naheffingsaanslag op een te hoog bedrag is berekend, omdat de inspecteur is uitgegaan van de kale nieuwprijs. De Rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien om welke reden belanghebbende niet eerder een cijfermatige onderbouwing heeft aangevoerd in de procedure. De Rechtbank acht de beroepsgrond derhalve tardief en neemt deze niet in behandeling.

De Rechtbank overweegt dat op grond van het BBBB de inspecteur een verzuimboete van 10% kan opleggen, ingeval de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet door de belastingplichtige wordt betaald. In het geval sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) of een pleitbaar standpunt, wordt geen verzuimboete opgelegd.

De enkele stelling van belanghebbende dat hij meende in het licht van het EU-recht een juiste aangifte te doen, is daarvoor onvoldoende. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de Rechtbank in dit verband verder geen feiten of omstandigheden gesteld en ook anderszins is de Rechtbank niet gebleken dat sprake is van een pleitbaar standpunt of van avas. De Rechtbank acht de opgelegde verzuimboete van 10% passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:8358

 

Blog: De rol van de accountant bij detecteren van fraude

In het publieke debat is de rol van de accountant bij het bestrijden van fraude zeer actueel. In Het FD werd hierover in de tweede helft van augustus naar aanleiding van een opinie artikel van Marcel Pheijffer schriftelijk gedebatteerd. Ook de voorzitter van de NBA mengde zich in deze discussie met onder meer de volgende stellingen: “De accountant is de aangewezen persoon om te controleren of de buitenwereld kan vertrouwen op de financiële verantwoording van een organisatie;” en “je mag wel van de accountant verwachten dat hij alles heeft gedaan wat in zijn vermogen ligt om fraude te bestrijden. Daar past ook in dat de sector leert van gemaakte fouten.” Uiteindelijk pleitte Pheijffer voor een serieuze aanpak en attitude die het accountantsberoep weer het aanzien moet geven dat het verdient.

Na dit debat publiceerde de Werkgroep Fraude van de NBA op 3 oktober 2018 een concept Fraudeprotocol. Volgens het protocol is het een onlosmakelijk onderdeel van de accountantscontrole om frauderisico’s te onderkennen en actie te ondernemen in het geval van een vermoeden of aanwijzing van fraude.

Dat meldingen van ongebruikelijke transacties door accountants bij fraudebestrijding een belangrijke rol spelen wordt nog eens onderstreept door de FIOD en het OM, zo blijkt uit het FD van 1 november 2018. Dit maakt dat accountants extra zorgvuldig zullen willen en moeten omgaan met aanwijzingen voor fraude die zij tijdens de werkzaamheden zien.

Wet- en regelgeving

Er zijn twee wettelijke verplichtingen op basis waarvan een accountant verplicht is om vermoedens van fraude te melden bij ‘de overheid’.

Allereerst is er artikel 26, lid 2, Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) en het daarbij horende Besluit toezicht accountantsorganisaties (Bta). Dat artikel verplicht een accountant om een redelijk vermoeden van fraude aan een opsporingsambtenaar te melden als hij dit tijdens de controle tegenkomt. Alleen als een cliënt voldoende maatregelen neemt om de gevolgen van de fraude zoveel mogelijk ongedaan te maken en om herhaling van fraude te voorkomen, vervalt deze meldingsverplichting (artikel 37 Bta). Deze regeling geldt echter alleen voor wettelijke-controleopdrachten en niet voor bijvoorbeeld samenstellingsopdrachten.

In de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NVCOS) van de NBA is uitgewerkt hoe de accountant moet handelen indien sprake is van een vermoeden of aanwijzing van fraude. Voor controle-opdrachten geldt dat NVCOS 240 verplicht tot actie bij ‘aanwijzingen’ van fraude. Voor samenstellingsopdrachten verplicht NVCOS 4410 tot actie bij ‘vermoedens ‘van fraude. Op grond van beide standaarden is de accountant verplicht om met de cliënt te communiceren.

Naast de verplichtingen uit de accountants-regelgeving heeft de accountant ook verplichtingen op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Deze wet verplicht een accountant om een ‘ongebruikelijk transactie’ te melden aan de Financial Intelligence Unit (FIU). Op deze verplichting bestaan in beginsel geen uitzonderingen. Het feit dat er een Wwft-melding aan de FIU wordt gedaan, mag de accountant echter niet aan zijn cliënt of anderen mededelen.

Vermoeden, aanwijzing of ongebruikelijkheid

De aangehaalde wet- en regelgeving maakt al duidelijk dat er de nodige definitie-kwesties spelen. Immers: wanneer is sprake van een ‘redelijk vermoeden’ van fraude als bedoeld in artikel 26 lid 2 Wta? En, als NVCOS 240 er bij wordt gepakt, wanneer is er een ‘aanwijzing’? En ook de Wwft kent zijn eigen definitie: de meldplicht van een ‘ongebruikelijke’ transactie.

In het sanctierecht, waaronder het strafrecht, is deze terminologie gemeengoed. Het begrip ‘aanwijzing’ geldt volgens de Hoge Raad als drempel voor de inzet van opsporingsmiddelen bij economische delicten.[1] Van een ‘aanwijzing’ dat een voorschrift niet is nageleefd kan reeds sprake zijn zonder dat dit al tot een of meer concrete personen kan worden herleid. Een concrete verdenking richting een persoon leidt tot een zogenoemd ‘redelijk vermoeden van schuld’ als bedoeld in artikel 27 Wetboek van strafvordering. Voor de inzet van opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen genoemd in het Wetboek van Strafvordering geldt dat sprake moet zijn van een redelijk vermoeden van schuld.

Een ongebruikelijke transactie in de zin van de Wwft vereist niet dat er al sprake is van een redelijk vermoeden van witwassen of financiering van terrorisme. Volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven (ECLI:NL:CBB:2015:363) heeft de meldplicht een ruime strekking: iedere ongebruikelijke transactie die een accountant tijdens zijn werkzaamheden constateert, behoort te worden gemeld.

Al met al zijn de ‘drempels’ voor een accountant om actie te ondernemen juridische open normen die goed invoelbaar maken dat een accountant als niet-jurist hiermee worstelt. Dergelijke relatief lage drempels staan bovendien ver af van de mate van zekerheid die een accountant nastreeft in controle-opdrachten, maar ook van de eisen die accountants zichzelf – terecht – stellen bij het uitvoeren van andere opdrachten, zoals samenstellingsopdrachten en forensisch onderzoek.

Afwegingsmomenten voor de accountant

Volgens het protocol dient een accountant al bij de opdrachtacceptatie de betrouwbaarheid en integriteit van een cliënt te onderzoeken. De controle wordt daarop afgestemd.

Vervolgens kan zich de situatie aandienen dat er aanwijzingen van fraude naar boven komen. Er wordt zo nodig te rade gegaan bij in- en externe experts zoals ook wordt voorgeschreven in NVCOS 240 en 250. Expert-kennis is in deze fase ons inziens onmisbaar, omdat lang niet altijd even duidelijk is of er sprake is van een ‘aanwijzing’ van fraude. Zorgvuldigheid is daarom geboden, alleen al om geen onomkeerbare (reputatie) schade aan personen of de organisatie toe te brengen. Een onafhankelijke, externe blik over de omvang, de – juridische – betekenis, en de onderzoeksmogelijkheden is daarom essentieel, zeker als de acties en maatregelen juridische consequenties kunnen inhouden op civiel, bestuurlijk, tuchtrechtelijk of strafrechtelijk gebied.

Tot slot dienen accountants, als reeds opgemerkt, een vermoeden van fraude op grond van de Wwft te melden bij FIU. Daarbij is van belang dat het beëindigen van de cliëntrelatie de accountant niet ontslaat van de meldingsplicht.

Slotopmerking

De rol van de accountant bij het detecteren van fraude is zeer actueel en hierover is het laatste woord nog niet gezegd. En dat is maar goed ook, want door de verschillen in de wet- en regelgeving met de daarbij geldende juridische open normen, is het voor de accountant niet altijd even duidelijk wanneer en hoe te handelen. De belangen zijn groot en soms wordt de wettelijke geheimhoudingsplicht van de accountant opzij gezet. Daarnaast behoort het identificeren en melden van ongebruikelijke transacties tot het takenpakket van de accountant. Hij mag over een gedane melding niet met de cliënt spreken. Vaak is een aanwijzing van fraude wel al een ongebruikelijke transactie die op grond van de Wwft gemeld moet worden, maar soms is nog nader onderzoek nodig. Te vroeg of onterecht melden van een transactie kan tot een conflict met de cliënt leiden. Maar niet of te laat melden van een ongebruikelijke transactie vormt een beboetbaar en zelfs strafrechtelijk vervolgbaar feit voor de accountant. Bovendien kan de accountant die ten onrechte wel of juist geen actie onderneemt tuchtrechtelijk worden aangesproken.

https://www.nba.nl/nieuws-en-agenda/nieuwsarchief/2018/september/werkgroep-fraude-ontwikkelt-fraudeprotocol/

[1] Hoge Raad 9 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9268, NJ 1993, 633.

Vergrijpboete voor growshophouder vanwege negatief privé-kasopstellingen

De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 7.726.

Belanghebbende exploiteert een growshop in de vorm van een eenmanszaak. Bij belanghebbende is door de Belastingdienst en de politie een controle verricht waarbij grote hoeveelheden contant geld en hennep zijn aangetroffen. Belanghebbende is strafrechtelijk veroordeeld voor het opzettelijk verwerken van hennep.

De controleambtenaar van de Belastingdienst heeft een privé-kasopstelling opgemaakt en deze is vanaf 2010 negatief. De inspecteur heeft op grond van de bevindingen uit de integrale controle en de privé-kasopstelling aangenomen dat belanghebbende – naast het strafrechtelijk bewezenverklaarde – ook in 2012 inkomsten uit de handel in hennep heeft gehad, welke inkomsten niet zijn aangegeven. In verband daarmee is een navorderingsaanslag en een vergrijpboete opgelegd.

In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Het Hof overweegt dat de Rechtbank aannemelijk heeft geacht dat belanghebbende meer inkomsten heeft genoten in 2012 dan hij in zijn aangifte heeft vermeld. De Rechtbank heeft zich voor dit oordeel niet slechts gebaseerd op de bevindingen in het in 2012 uitgevoerde politieonderzoek maar ook op de bevindingen in het door de Belastingdienst uitgevoerde boekenonderzoek, waaronder de kasopstellingen.

Het Hof volgt de Rechtbank voor zover is overwogen dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een aanzienlijk groter bedrag aan uitgaven heeft gedaan dan hij aan inkomsten heeft aangegeven De inspecteur heeft volgens het Hof aannemelijk gemaakt dat de in de kasopstelling genoemde contante stortingen niet kunnen worden verklaard uit de door belanghebbende gestelde bronnen en afkomstig moeten zijn uit (een) niet in zijn aangifte verantwoorde bron van inkomen. Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat belanghebbende voor het jaar 2012 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

Door niet de vereiste aangifte te doen heeft belanghebbende willens en wetens de reële kans aanvaard dat deze inkomsten niet in de aanslag zouden worden begrepen met als gevolg dat te weinig belasting zou worden geheven. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden gesteld die zouden moeten leiden tot een lagere boete dan door de Rechtbank is vastgesteld. Gelet op de ernst van het vergrijp is de boete volgens het Hof passend en geboden en bestaat er geen aanleiding om tot verdere matiging over te gaan.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:2619

Geslaagd beroep op avas waardoor verzuimboete vervalt

Belanghebbende is op 28 februari 2016 uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2015. Per 2 mei 2016 zijn de goederen die belanghebbende (zullen) toebehoren onder bewind gesteld van een bewindvoerder, omdat belanghebbende niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

De inspecteur heeft bij brief van 17 juni 2016 een herinnering tot het doen van aangifte verstuurd aan de bewindvoerder van belanghebbende. Vervolgens is de bewindvoerder nogmaals aangemaand om uiterlijk 12 augustus 2016 de aangifte in te dienen. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 4 oktober 2016 de aangifte ingediend. De inspecteur heeft om die reden een verzuimboete van € 369 opgelegd.

In geschil is de vraag of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende voert aan dat het niet tijdig doen van aangifte haar niet kan worden toegerekend, omdat zij ten tijde van de plicht tot het doen van aangifte niet in staat was zelfstandig haar zaken te regelen.

Naar het oordeel van de Rechtbank is voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Aannemelijk is dat belanghebbende op het moment waarop zij werd uitgenodigd tot het doen van aangifte niet het besef had dat zij aangifte moest doen en dat zij daar in redelijkheid niet voor kon zorgdragen. Dit, gelet op de opname van belanghebbende, toen zij 74 jaar oud was, in een gesloten kliniek eind 2015 en de onderbewindstelling medio 2016. Dat vervolgens haar bewindvoerder niet tijdig haar aangifte heeft ingediend of laten indienen, kan voorts naar het oordeel van de Rechtbank niet aan belanghebbende worden toegerekend. Voldoende aannemelijk is dat belanghebbende niet in staat was hem daarop aan te spreken.

De Rechtbank vernietigt de aan belanghebbende opgelegde verzuimboete.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2018:3998