Auteur: admin

Vergrijpboete wegens willens en wetens niet opgeven van gefactureerde omzetbelasting

Belanghebbende is eigenaar van 2 golfbanen. Eén daarvan heeft zij sinds 1 november 2008 verhuurd aan haar 100% dochtervennootschap. Belanghebbende heeft op 6 april 2011 aan de dochtervennootschap een factuur uitgereikt ter zake van de verhuur van de golfbaan. Op deze factuur is aan de dochtervennootschap € 125.875 aan omzetbelasting inrekening gebracht. Belanghebbende heeft de omzetbelasting niet op aangifte voldaan en de dochtervennootschap heeft de omzetbelasting niet in aftrek gebracht.

De inspecteur heeft de omzetbelasting van belanghebbende nageheven en heeft daarbij een vergrijpboete opgelegd van 75%. De inspecteur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat zij dit bedrag aan omzetbelasting niet (op aangifte) heeft betaald.

Bij het Hof is in geschil of het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat zij de omzetbelasting niet heeft betaald en, zo ja, of de opgelegde vergrijpboete passend en geboden is. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende opzet kan worden verweten met betrekking tot het niet betalen van de omzetbelasting. Uit verklaringen van belanghebbende en haar gemachtigde heeft het Hof afgeleid dat belanghebbende op het moment waarop zij de omzetbelasting op aangifte had moeten voldoen, zich ervan bewust was dat de omzetbelasting verschuldigd was en dat zij willens en wetens ervoor heeft gekozen die omzetbelasting niet op aangifte te voldoen. Aan de opzet van belanghebbende doet naar het oordeel van het Hof het feit dat de dochtervennootschap de omzetbelasting niet bij het doen van de aangifte voor de omzetbelasting in aftrek heeft gebracht niet af.

In cassatie richt het middel zich tegen het oordeel van het Hof dat er geen rekening hoeft te worden gehouden met het in aftrek brengen van de omzetbelasting door de dochtervennootschap.

De Hoge Raad overweegt dat aan opzet is voldaan indien het handelen van de belastingplichtige gericht is geweest op het niet (volledig) betalen van het  verschuldigde bedrag aan omzetbelasting dat hij op de voet van art. 14 OB op aangifte had moeten voldoen. Voor het bepalen van de hiervoor bedoelde verschuldigde omzetbelasting is niet van belang of de ondernemer aan wie de belastingplichtige omzetbelasting in rekening heeft gebracht, deze omzetbelasting wel of niet in aftrek brengt of kan brengen. Bij de straftoemeting kan evenwel de omstandigheid dat de schatkist per saldo geen nadeel heeft ondervonden een mee te wegen factor zijn, aldus de Hoge Raad. Het Hof heeft deze omstandigheid in haar oordeel betrokken, maar heeft geoordeeld dat dit van onvoldoende gewicht was voor een matiging van de boete.  Dit geeft volgens de Hoge Raad geen blijk  van een onjuiste rechtsopvatting,

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:973

Vergrijpboete wegens het niet opnemen van gelden (veroordeling voor witwassen)

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd alsmede een vergrijpboete van € 111.926. Na het daartegen gemaakte bezwaar is de navorderingsaanslag in stand gebleven en de boete verminderd tot € 35.000.

De inspecteur heeft de navorderingsaanslag opgelegd naar aanleiding van een gewezen vonnis waarin belanghebbende voor het plegen van witwassen is veroordeeld tot een gevangenisstraf. Hieruit blijkt onder meer dat belanghebbende over gelden heeft beschikt die niet zijn aangegeven in de aangifte.

In geschil is onder meer de juistheid van de opgelegde vergrijpboete.

De Rechtbank oordeelde eerder dat de boete op grond van artikel 67e AWR terecht was opgelegd aangezien het aan de opzet van de belanghebbende was te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Voor zover belanghebbende stelde dat hij de inkomsten uit zijn werkzaamheden niet behoefde aan te geven, omdat er sprake was van inkomsten uit vermogen, verwierp de Rechtbank die stelling. De door hem verrichte ‘witwaswerkzaamheden’ kunnen immers niet worden beschouwd als werkzaamheden in het kader van vermogensbeheer. Van een pleitbaar standpunt dat aan het opleggen van een boete in de weg staat was volgens de Rechtbank evenmin sprake. De inspecteur heeft de boete wel verlaagd tot € 35.000 in verband met de financiële positie van belanghebbende. Vanwege het matigen van de boetegrondslag werd de boete wel gematigd door de Rechtbank. De Rechtbank achtte een boete van € 25.000 passend en geboden.

Het Hof onderschrijft dit oordeel van de Rechtbank en overweegt eveneens dat het aan opzet is te wijten dat de primitieve aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De omstandigheid dat de bewijslast van de inkomsten – en daarmee de boetegrondslag – is verzwaard en omgekeerd, doet hier niet aan af. Het Hof houdt de boete van de Rechtbank in stand.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1180

Vernietiging verzuimboetes wanneer een belanghebbende niet bekend is geworden met de uiterste betaaldatum wegens het niet ontvangen van de naheffingsaanslagen

De inspecteur heeft aan belanghebbende naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 294, alsmede 2 verzuimboetes van € 52 wegens niet of niet tijdig betalen van de naheffingsaanslagen. Belanghebbende is niet tijdig in bezwaar gegaan, maar beweert dat hij de naheffingsaanslagen niet heeft ontvangen waardoor hij te laat bezwaar heeft ingediend.

In geschil bij de Rechtbank is onder meer of de verzuimboetes terecht en tot een juist bedrag zijn opgelegd.

De Rechtbank overweegt dat voor de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de verzuimboetes – anders dan voor de heffing – een bewijslastverdeling geldt zoals volgt uit  art. 6 EVRM. De niet-ontvankelijkheid kan slechts worden uitgesproken wanneer de onjuistheid van de stellingen van belanghebbende kan worden bewezen. Het enkele vermoeden van ontvangst is daartoe onvoldoende. Aangezien de inspecteur niet aannemelijk kan maken dat belanghebbende de boetebeschikkingen heeft ontvangen, kan er niet van worden uitgegaan dat belanghebbende de boetebeschikkingen niet heeft ontvangen. Het bezwaar is voor wat betreft de boete dus ontvankelijk en de Rechtbank zal beoordelen of de boetes terecht zijn opgelegd.

De Rechtbank laat de boetes evenwel in stand omdat wordt geconcludeerd dat geen sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Het Hof laat zich in hoger beroep  uit over de verzuimboetes. Uit het BBBB komt naar voren dat belanghebbende tevoren in kennis moet zijn gesteld van de uiterste betaaldatum (vermeld op rekening) alvorens sprake kan zijn van een verzuim. Belanghebbende stelt nimmer een rekening te hebben ontvangen voor enig tijdvak in 2016. De door de inspecteur overlegde schermprints van de rekeningen maken volgens het Hof de verzending niet aannemelijk. De inspecteur is niet in zijn bewijslast geslaagd waardoor het Hof de verzuimboetes vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1185

EU Actieplan tegen witwassen en terrorismefinanciering

Op 7 mei 2020 kondigde de Europese Commissie een actieplan aan met nieuwe maatregelen in de strijd tegen witwassen en financieren van terrorisme. De maatregelen beogen meer eenheid te brengen in de regels die binnen de EU gelden. In dat kader zal ook een voorstel ingediend worden voor een EU-toezichthouder. De bedoeling is dat er begin 2021 een heel aantal concrete voorstellen ligt.

Zes pijlers van het actieplan

Het actieplan benoemt zes pijlers:

  1. Effectieve implementatie van bestaande regels.
  2. Eenduidige EU-regels.
  3. Toezicht op EU niveau.
  4. Een mechanisme voor ondersteuning en samenwerking van EU-FIU’s.
  5. Betere benutting van informatie ten behoeve van het strafrecht.
  6. Een sterkere EU-invloed op wereldniveau.

Onderdeel van het actieplan is dat de huidige anti-witwasrichtlijn wordt omgezet in een Verordening, die in alle EU-landen rechtstreekse werking heeft. In de aanloop naar de oprichting van een EU-toezichthouder wordt de EBA, de Europese Bank Autoriteit, alvast opgeroepen om de aan haar toegekende anti-witwas-toezichtsbevoegdheden jegens financiële instellingen ten volle in te zetten. Het doel daarvan is vooral om te bezien of nationale toezichthouders hun werk wel goed doen.

De EU is ook van plan om een sterkere rol te gaan spelen in de Financial Action Task Force (FATF). Binnen de FATF wil de EU een eigen afgevaardigde benoemen. Ook wil de EU bereiken dat de FATF landen-evaluaties meer op EU-niveau plaatsvinden als het om de uitvoering van EU-wetgeving gaat.

Aanpassingen lijst met hoog-risicolanden

Ook heeft de Europese Commissie op 7 mei een wijziging van de lijst met landen met een hoog witwas-risico aangekondigd. Het doel hiervan is om meer in lijn te komen met de FATF-lijst van hoog-risicolanden. Daartoe zal een aantal landen van de huidige EU-lijst worden gehaald en een aantal landen wordt toegevoegd. Het betreft de volgende wijzigingen:

  • Van de huidige lijst worden verwijderd: Bosnië-Herzegovina, Ethiopië, Guyana, Laos, Sri Lanka en Tunesië;
  • Toegevoegd worden: Bahama’s, Barbados, Botswana, Cambodja, Ghana, Jamaica, Mauritius, Mongolië, Myanmar, Nicaragua, Panama en Zimbabwe.

De verwijderingen van de lijst worden op korte termijn van kracht. De toevoegingen zijn per 1 oktober 2020 voorzien, zodat Wwft-instellingen en andere belanghebbenden zich hierop kunnen voorbereiden.

Enkele belangrijke nieuwe Wwft-regels op een rij

Op 21 mei 2020 is de Implementatiewet wijziging vierde anti-witwasrichtlijn van kracht geworden. Wij schreven al eerder over het wetsvoorstel op 7 september 2018 en 9 juli 2019. De  voor adviseurs relevante belangrijkste wijzigingen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) staan hieronder vermeld:

  1. Sinds 25 mei 2018 zijn EU-landen verplicht om iedere twee jaar een National Risk Assessment op te stellen. Als gevolg van een wijziging moeten tevens enkele statistieken worden gepubliceerd. Die statistieken dienen onder meer de volgende gegevens te bevatten:
    1. de omvang van de verschillende sectoren van Wwft-instellingen;
    2. het aantal meldingen van verdachte transacties aan de FIU en het gevolg dat aan deze meldingen is gegeven;
    3. de personele middelen die zijn toegewezen aan de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor toezicht op AML/CFT en de FIU;
    4. het aantal toezichtactiviteiten, de geconstateerde overtredingen en de daarvoor opgelegde sancties / maatregelen.
  1. In de Wwft wordt toegevoegd welke acties nodig zijn indien een ‘pseudo-UBO’ (een leidinggever) als UBO wordt aangemerkt. De tijdens het verificatieproces genomen maatregelen en ondervonden moeilijkheden moeten dan worden vastgelegd (artikel 3, lid 2, onderdeel b, Wwft). In de Memorie van Toelichting werd nog opgemerkt dat het niet kunnen identificeren van een UBO in de meeste gevallen extra risico’s met zich meebrengt en er daarom extra waarborgen dienen te gelden.
  1. In bepaalde situaties dient het cliëntonderzoek voortaan sowieso te worden geactualiseerd. Dit is het geval indien de relevante omstandigheden van een cliënt veranderen en wanneer een instelling op grond van de Wwft verplicht is om contact op te nemen met de cliënt om informatie met betrekking tot de UBO te evalueren (artikel 3, lid 11, Wwft).
  1. In de wet wordt expliciet opgenomen welke maatregelen bij een verscherpt cliëntenonderzoek ten minste genomen moeten worden als het gaat om cliënten in landen met een – volgens de Europese Commissie – hoog witwas- of terrorismefinancieringsrisico. De toe te passen maatregelen kunnen ook bij ministeriële regeling nog worden uitgebreid (artikel 9 Wwft).
  1. Er komen in alle EU-landen lijsten met functies die als ‘politically exposed’ worden aangemerkt. De nationale lijsten wordt ook op EU-niveau geconsolideerd en gepubliceerd. Er is door de Belastingdienst reeds een Nederlandse lijst gepubliceerd.

Het wetsvoorstel tot invoering van het UBO-register is nog bij de Eerste Kamer in behandeling. Daarnaast komt er een UBO-register voor trusts, waarvan het wetsvoorstel binnenkort zal worden ingediend.

Ernst van de vergrijpboetes staat niet aan matiging van boetes o.g.v. overschrijding van de redelijke termijn in de weg

Belanghebbende drijft voor eigen rekening een eenmanszaak als interimmanager. In de aangifte inkomstenbelasting heeft belanghebbende ten behoeve van zijn eenmanszaak huurkosten van een loods aangegeven als ‘overige kosten’. De loods is indirect in eigendom bij belanghebbende en zijn familie en wordt gebruikt voor stichtingen in de auto- en motorsport.  Volgens de inspecteur leent de loods zich niet voor de werkzaamheden van de eenmanszaak en zijn de kosten onterecht als zakelijk aangemerkt.

De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting inclusief vergrijpboetes opgelegd. In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht, en tot de juiste hoogte, zijn opgelegd.

Zowel het Hof als de Rechtbank oordelen dat er sprake is van opzet en dat de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd. Door de huurkosten als ‘overige kosten’ aan te merken heeft belanghebbende geprobeerd de werkelijkheid te verhullen. Hierdoor zijn opzettelijk kosten voor een hobby gepresenteerd als zakelijke kosten. Daarbij wordt meegewogen dat van belanghebbende als certified controller in het bijzonder kennis en alertheid ter zake van het (ook fiscaal) verantwoorden van uitgaven mag worden verwacht.

Het Hof volgt de rechtbank echter niet in het oordeel dat gelet op de ernst van het feit geen toepassing wordt gegeven aan een boetematiging wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een overschrijding van de redelijke termijn leidt tot de matiging, aldus het Hof. Het Hof vernietigt de uitspraak voor wat betreft de vergrijpboetes en zal deze opnieuw vaststellen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1235

AG wijst het Hof op toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel: een rechtsoverweging van de Hoge Raad kan een impliciete bevestiging zijn van eerdere uitleg

Hof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar wegens het feitelijk leiding geven aan het onjuist of onvolledig indienen van aangiftes en het plegen van valsheid in geschrifte. Door de verdachte is cassatieberoep ingesteld.

Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het in hoger beroep gevoerde verweer dat inhoudt dat geen sprake was van een aanmerkelijke kans op een onjuiste en een onvolledige c.q. een valse aangifte, omdat het te lage bedrag aan opgegeven omzetbelasting berustte op een pleitbaar standpunt.

Het pleitbaar standpunt spitst zich onder meer toe op de reikwijdte van art. 37 OB.  Op grond van die bepaling wordt hij die op een factuur op enigerlei wijze melding maakt van omzetbelasting welke hij op zichzelf niet verschuldigd is geworden, die belasting toch verschuldigd wordt op het tijdstip waarop hij die factuur heeft uitgereikt.

In een uitspraak van 25 november 2016 van de Hoge Raad is bepaald dat een notariële akte niet wordt aangemerkt als een factuur zoals bedoeld in art. 37 OB. Het Hof heeft overwogen dat de aangifte in casu is gedaan in 2008 waardoor de werking van dit arrest nog geen toepassing heeft. De akte, in casu een nota van afrekening, moest ten tijde van het doen van aangifte dus nog als factuur worden aangemerkt, aldus het Hof.

Volgens de AG heeft de Hoge Raad echter in zijn oordeel uit 2016 tot uitdrukking gebracht dat geen sprake was van een  veranderingen in de wet- en regelgeving. Dat lijkt de AG een belangrijke indicatie dat het standpunt ten tijde van het doen van de aangifte naar objectieve maatstaven gemeten achteraf bezien in zoverre minst genomen pleitbaar was. Het oordeel van het Hof dat de rechtspersoon waaraan de verdachte leiding heeft gegeven reeds op grond van art. 37 OB niet mocht menen dat de in de bewezenverklaring bedoelde aangifte juist was, is in zoverre niet begrijpelijk.

Het gevoerde verweer dat de verdachte en/of de rechtspersoon waaraan hij feitelijk leiding heeft gegeven redelijkerwijs kon en mocht menen dat de in de bewezenverklaring bedoelde aangifte voor de omzetbelasting juist en volledig was, omdat deze was gebaseerd op een pleitbaar standpunt, heeft het Hof verworpen op gronden die de verwerping ervan niet kunnen dragen. Deze deelklacht slaagt.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:493

Niet-tenlastegelegde feiten door het Hof terecht meegenomen in de straftoemeting bij fiscale fraude

Verdachte is door het Hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Het cassatiemiddel klaagt dat het Hof bij de strafoplegging ten onrechte rekening heeft gehouden met onjuiste belastingaangiftes die niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan ondernemingen die opzettelijk onjuiste aangiftes omzetbelasting  hebben gedaan.

Het Hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte schuldig is. Ook acht het Hof de wijze van de tenlastelegging aanvaardbaar. Uit de in totaal 32 onjuist gedane aangiften is uit ‘efficiency’ oogpunt een representatieve selectie opgenomen in de tenlastelegging. Het Hof wijst daarbij op de repetitieve aard van de strafbare gedraging: uit de bewijsstukken blijkt dat verdachte ook voor de niet-tenlastegelegde tijdvakken opzettelijke foute aangifte heeft laten doen. Het feit dat deze tijdvakken niet formeel zijn opgenomen in de tenlastelegging doet hier niet aan af. De niet-tenlastegelegde aangiften zijn namelijk in het dossier gevoegd en ter zitting behandeld waardoor de verdediging niet in haar belang is geschaad, aldus het Hof. Aangezien ervan mag worden uitgegaan dat er ten aanzien van de niet-tenlastegelegde aangiften geen vervolging zal zijn, is de verdediging ook op dat vlak niet in haar belang geschaad. Het Hof gaat voor de straftoemeting dan ook uit van 32 onjuist gedane aangiften.

Voor het betrekken van niet-tenlastegelegde feiten in de straftoemeting is volgens het Hof verder van belang dat verdachte deze feiten heeft erkend. Het Hof heeft overwogen dat de verklaring van verdachte dat opzettelijk foutieve aangiften werden gedaan om ‘gaten op te vullen’ en de onderneming draaiende te houden, een erkenning is. De ontkenning van verdachte wat betreft het opzet ten aanzien van de niet-tenlastegelegde feiten bestempelt het Hof als ongeloofwaardig.

De vraag die bij de Hoge Raad voorligt is of het Hof terecht de niet-tenlastegelegde aangiften heeft betrokken bij de straftoemeting.

De Hoge Raad volgt de overwegingen van het Hof en overweegt dat de 23 niet in de tenlastelegging genoemde feiten terecht in de straftoemeting zijn betrokken. Het middel faalt.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:896

Standpunt dat de box 3-heffing in strijd is met art. 1 EP EVRM, rechtvaardigt niet dat in het geheel geen box 3-vermogen is aangegeven

Belanghebbende heeft in haar aangifte inkomstenbelasting voor de jaren 2005 tot en met 2016 geen melding gemaakt van de door haar in Zwitserland aangehouden bank- en effectenrekening. Vervolgens heeft belanghebbende in verband met haar bankrekening in Zwitserland een beroep gedaan op de inkeerregeling. De inspecteur heeft naar aanleiding hiervan aan belanghebbende voor de jaren 2005 tot en met 2016 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Daarnaast zijn er ook vergrijpboetes voor de jaren 2006 tot en met 2014 opgelegd.

Ten aanzien van de vergrijpboetes is in geschil of voor de jaren 2006 tot en met 2008 sprake is van vrijwillige inkeer alsmede of er sprake is van een pleitbaar standpunt voor de jaren 2006 tot en met 2014. Belanghebbende stelt dat de vergrijpboetes die voor de jaren 2006 tot en met 2008 zijn opgelegd in strijd zijn met art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR. Ter onderbouwing stelt belanghebbende dat zij voor het doen van onjuiste aangiftes begaan vóór 31 december 2009, op grond van de inkeerregeling zoals die luidde tot 2 juli 2009, kan inkeren zonder dat vergrijpboetes werden opgelegd. Daarnaast stelt belanghebbende dat er sprake is van een pleitbaar standpunt voor de jaren 2006 tot en met 2014 voor het niet vermelden van de Zwitserse bankrekening.

Wat betreft de inkeerregeling heeft de Hoge Raad al eerder geoordeeld dat de aan de inkeerregeling te ontlenen verwachting omtrent het al dan niet belopen van een boete, niet moet worden beoordeeld naar het moment waarop de onjuiste aangifte wordt gedaan, maar naar het moment waarop de betrokkene inkeert. Nu belanghebbende op 3 mei 2017 heeft ingekeerd, heeft de inspecteur de wet juist toegepast door aan belanghebbende vergrijpboetes op te leggen voor de jaren 2006 tot en met 2008.

Vervolgens stelt de rechtbank dat het beroep op een pleitbaar standpunt niet slaagt. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende de bankrekening opzettelijk voor de inspecteur verborgen heeft gehouden met het oogmerk heffing van inkomstenbelasting over het tegoed te ontlopen. Het standpunt dat er sprake is van strijd met artikel 1 van het EP ontslaat een belastingplichtige namelijk niet van zijn plicht de vraag naar zijn vermogen in de aangifte naar waarheid te beantwoorden, aldus de rechtbank.

De rechtbank acht de opgelegde boetes gelet op de ernst van het feit passend en geboden. De boetes zijn terecht en tot de juiste bedragen opgelegd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:1328

Geen sprake van een geaccepteerd bewijsvermoeden ten aanzien van opzet of grove schuld omdat deze enkel is gebaseerd op verklaringen van derden

Belanghebbende heeft in zijn aangiftes inkomstenbelasting voor de jaren 2012 en 2013 onder meer giften aan de Islamitische Universiteit van Europa (IUE) opgenomen. Door de belastingdienst is geconstateerd dat diverse belastingplichtigen in hun aangiftes inkomstenbelasting een veel groter bedrag aan giften aan de IUE hebben opgenomen dan in de jaarstukken van de IUE is verantwoord. Door de penningmeester van de IUE is verklaard dat de kwitanties op grote schaal werden verkocht en in de regel niet (volledig) werden betaald. Er zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd waarbij de aangegeven giften aan IUE zijn gecorrigeerd. Ook heeft de inspecteur vergrijpboetes opgelegd.

In geschil is of de inspecteur de giftenaftrek met betrekking tot de IUE terecht heeft gecorrigeerd en of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij de gestelde giften heeft gedaan. Gezien de verklaringen van de penningmeester, die worden bevestigd door anderen, kan aan de overgelegde kwitanties op zichzelf onvoldoende bewijskracht worden toegekend. De inspecteur heeft dan ook op goede gronden de giften met de navorderingsaanslagen gecorrigeerd.

Wat betreft de vergrijpboete onderbouwt de inspecteur zijn stelling met het verschil tussen de door de IUE afgegeven kwitanties en de door IUE verantwoorde giften, en de verklaringen van de penningmeester. Op zichzelf mag de inspecteur gebruikmaken van bewijsvermoedens, maar die vermoedens moeten wel redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen. Daarvan is in dit geval geen sprake omdat het bewijsvermoeden slechts is gebaseerd op verklaringen van derden over wat de kennelijk gebruikelijke werkwijze was binnen de IUE. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de administratie van het IUE gelet op de frauduleuze handelingen van de penningmeester niet betrouwbaar is. Een bewijsvermoeden in het voordeel van de inspecteur gebaseerd op deze administratie zou feitelijk betekenen dat bewijslast voor de boete op de belanghebbende komt te rusten. De inspecteur is dan ook niet geslaagd in het bewijs dat het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De rechtbank heeft om die reden de vergrijpboetes vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:1964