Auteur: admin

27 maanden gevangenisstraf en beroepsverbod voor gepleegde (belasting)fraude

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich (onder meer) schuldig heeft gemaakt aan het opdracht geven of leiding geven aan het doen van valse aangiften omzetbelasting, valsheid in geschrift en faillissementsfraude.

De Belastingdienst heeft een derdenonderzoek verricht naar aanleiding van de ingediende aangiften omzetbelasting over de 4 kwartalen in 2013. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door een jaar lang namens de vennootschap waarvan hij feitelijk bestuurder was, onjuiste aangiften omzetbelasting in te dienen waardoor de fiscus een aanzienlijk bedrag aan belastinginkomsten, namelijk ruim € 200.000 is misgelopen.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vervalsing van een zogenaamd WKA-verklaring en het gebruik maken van deze verklaring. Deze had verdachte nodig om bij een factormaatschappij aan te tonen dat hij aan al zijn belastingverplichtingen had voldaan terwijl dit niet het geval was, waardoor de factormaatschappij door deze valse voorstelling van zaken te bewegen de onderneming van verdachte bleef financieren.

Eveneens heeft verdachte zich naar het oordeel van de Rechtbank schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Verdachte heeft zich niet gehouden aan de hem wettelijk opgedragen plicht om een volledige en juiste administratie aan de curator over te leggen. Met zijn handelen heeft verdachte het de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen en heeft hij schuldeisers van het failliete bedrijf benadeeld. Volgens de Rechtbank is gebleken dat de schuldeisers van alleen deze vennootschap voor bijna 2,5 miljoen euro zijn benadeeld.

De Rechtbank overweegt dat het niet in het voordeel van verdachte pleit dat hij eerder is veroordeeld voor fraude. Omdat dit feit echter dateert van bijna 10 jaar geleden vóór de feiten waarvoor verdachte nu wordt veroordeeld, zal de Rechtbank de recidive niet als strafverzwarende factor meewegen.

De redelijke termijn is met ongeveer 12 maanden overschreden hetgeen voor de Rechtbank aanleiding is om een korting van 10% toe te passen op de op te leggen straf. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten begaan in de uitoefening van het beroep van feitelijk bestuurder. Om de maatschappij verder te beschermen zal de Rechtbank tevens een beroepsverbod opleggen.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 27 maanden. Tevens wordt verdachte ontzet om als bestuurder van een rechtspersoon op te treden voor de duur van 3 jaren met ingang van het moment dat de opgelegde straf is uitgezeten.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:7201

Miljoenenfraude met onterechte aanvragen kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst via gastouderbureau

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD is verdachte tenlastegelegd dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd ten einde ten onrechte de Belastingdienst ertoe te bewegen toeslagen uit te betalen terwijl daar geen recht op bestond, en gelden heeft witgewassen.

De Rechtbank oordeelt dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift en oplichting. Verdachte heeft via zijn gastouderbureau ouders benaderd met de vraag of zij ook van oppas gebruik maakten voor hun kinderen. Indien dat het geval was, werd door de consulenten van het gastouderbureau aan de ouders voorgehouden dat zij voor kinderopvangtoeslag in aanmerking konden komen als zij zich door middel van een overeenkomst bij het gastouderbureau aansloten. Tevens werd aan een groot aantal ouders voorgehouden dat de toeslag met terugwerkende kracht kon worden aangevraagd, ook al waren er in het verleden geen kosten gemaakt voor de oppas, er destijds nog geen overeenkomst met een gastouderbureau was en op het moment van de aanvraag ook aan de andere wettelijke voorwaarden nog niet werd voldaan.

De overeenkomsten met de vraag- en gastouders werden vervolgens geantedateerd om een toeslag met terugwerkende kracht te verkrijgen. Op deze wijze werd tegenover de Belastingdienst voorgedaan alsof reeds vanaf de datum van aanvraag sprake was geweest van een overeenkomst met een gastouderbureau. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat de in de bewezenverklaring beschreven werkwijze breed werd toegepast en niet beperkt was tot de in de bewezenverklaring genoemde gevallen. Het Hof houdt daarmee rekening bij de strafoplegging.

Het handelen van verdachte is naar het oordeel van verdachte buitengewoon kwalijk te noemen. Via het gastouderbureau is op grote schaal misbruik gemaakt van een toeslagregeling. Ook zijn veel ouders de dupe geworden omdat zij uiteindelijk door de Belastingdienst zijn verplicht het geld terug te betalen. Met de door bemiddeling van het gastouderbureau aangevraagde toeslagen zijn vele miljoenen gemoeid. Daar komt bij dat verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep volgens het Hof geen enkel inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen.

Het Hof acht – alle omstandigheden in aanmerking genomen – een gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:8833

 

Inspecteur maakt niet aannemelijk dat er meer aan de hand is dan ‘gewone slordigheid’; vergrijpboete vernietigd

De inspecteur heeft aan belanghebbende naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over 2012 en 2013. Tevens zijn er vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 1.259 en € 10.446.

Belanghebbende werd verdacht van (betrokkenheid bij) valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan een criminele organisatie tezamen met een aantal andere (rechts)personen. Ter zake van deze verwijten is rechtsbijstand gezocht. De advocaten hebben de diensten gefactureerd aan belanghebbende en belanghebbende heeft de omzetbelasting van deze diensten in aftrek gebracht.

De vergrijpboete is onder meer onderwerp van geschil.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat zij ten onrechte omzetbelasting in aftrek heeft gebracht op facturen die niet aan haar zijn gericht, die onjuist te naam zijn gesteld dan wel die betrekking hebben op diensten die ten behoeve van andere personen zijn verricht. Bovendien had de inspecteur belanghebbende al eind 2012 laten weten dat de voorbelasting op de rechtsbijstand voor andere personen niet aftrekbaar is.

In lijn met Europeesrechtelijke jurisprudentie dient een belastingplichtige een redelijke termijn te worden gegund om kennis te nemen van nieuwe rechtspraak, de inhoud tot zich te nemen en eventuele wijzigingen door te voeren binnen de eigen organisatie. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet meer tijd heeft genomen dan redelijkerwijs nodig was om haar handelwijze aan te passen. Belanghebbende heeft na ontvangst van het controlerapport immers direct haar handelwijze aangepast. Dat het standpunt van belanghebbende onjuist is bevonden, betekent niet dat sprake is van grove schuld.

De inspecteur heeft verder volstaan met de opmerking dat belanghebbende de voorbelasting ten onrechte in aftrek heeft gebracht, gezien de onjuiste tenaamstelling. De inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van ernstige nalatigheid of laakbare slordigheid aan de zijde van belanghebbende. De enkele conclusie dat de facturen bij een ander lijken thuis te horen, onderbouwt het verwijt van grove schuld niet.

Het Hof vernietigt de aan belanghebbende opgelegde vergrijpboete.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:8471

 

Ook belastingschulden moeten worden meegewogen bij opgelegde fiscale boetes in het kader van een verminderde draagkracht

Aan belanghebbende zijn vergrijpboeten opgelegd wegens het opzettelijk niet binnen de wettelijke termijnen betalen van de verschuldigde omzetbelasting. De boetes bedragen 30% van de niet tijdig betaalde omzetbelasting. De inspecteur heeft als strafverminderende omstandigheid in aanmerking genomen dat belanghebbende op jaarbasis bezien de juiste bedragen aan omzetbelasting heeft voldaan. De boetes belopen in totaal € 16.998.

Over de hoogte van de boetes heeft het Hof geoordeeld dat, alles afwegende, boetes van elk 30% passend en geboden zijn. Daartegen richten zich de cassatiemiddelen.

De Hoge Raad stelt voorop dat de rechter in belastingzaken in het kader van de straftoemeting, bij een geschil over het wel of niet in aanmerking nemen van een omstandigheid, hetzij strafverzwarende hetzij strafverminderende, daarover een oordeel moet geven. Dat oordeel mag niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en mag niet onbegrijpelijk zijn. De beoordeling of een boete in het licht van alle omstandigheden passend en geboden is, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.

Het Hof heeft alle door belanghebbende aangevoerde omstandigheden voor strafvermindering verworpen. De klachten slagen naar het oordeel van de Hoge Raad voor zover zij inhouden dat het Hof ten onrechte niet als strafverminderende omstandigheid in aanmerking heeft genomen de door belanghebbende naar voren gebrachte omstandigheid dat haar belastingschulden ruim € 100.000 belopen. De financiële positie van belanghebbende wordt mede bepaald door diens verplichting belastingschulden te betalen. Het karakter van deze schulden vormt geen grond om dit element van zijn draagkracht buiten beschouwing te laten bij de bepaling van de proportionaliteit van een boete.

Het oordeel van het Hof, dat klaarblijkelijk berust op de opvatting dat het bestaan van belastingschulden nimmer een matigende rol kan spelen bij de beoordeling van de hoogte van een opgelegde boete, getuigt in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting.

De Hoge Raad verwijst de zaak voor een nieuwe beoordeling van de hoogte van de boetes.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1895

 

Vergrijpboete van € 50.000 voor onzakelijke huurpenningen

De inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2010 tot en met 2013 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Voorts zijn er vergrijpboetes van 50% opgelegd van respectievelijk € 12.023, € 12.729, € 12.953 en € 12.295.

Naar aanleiding van een ingesteld boekenonderzoek bij belanghebbende is de inspecteur tot de conclusie gekomen dat belanghebbende te kwader trouw heeft gehandeld door willens en wetens een onzakelijke huurprijs overeen te komen met een gelieerde partij en deze ten laste van de winst te brengen. De boetes zijn gematigd tot € 50.000 en pondspondsgewijs verdeeld over de verschillende jaren.

De Rechtbank acht aannemelijk dat de door belanghebbende gedane uitgaven die in de aangiften inkomstenbelasting als ‘overige kosten’ zijn gepresenteerd in het geheel hun grondslag vinden in de persoonlijke verhouding tussen belanghebbende en Stichting X, van wie belanghebbende een pand huurde. Deze uitgaven kunnen naar het oordeel van de Rechtbank niet als (zakelijke) ondernemingskosten in aanmerking worden genomen en de inspecteur heeft deze kostenaftrek terecht niet geaccepteerd.

Ten aanzien van de opgelegde boetes is de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende door de wijze van presentatie van de kosten heeft getracht de werkelijkheid te verhullen, nu deze zijn geboekt als ‘overige kosten’. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de Rechtbank opzettelijk kosten voor de huur van een loods die hij nodig had voor de uitoefening van zijn hobby geboekt als ondernemingskosten en een kostenaftrek gecreëerd door het opstellen van een huurcontract met een stichting waarvan belanghebbende zelf een van de bestuurders is. Belanghebbende wist dat hij hierdoor ten onrechte aanzienlijke bedragen aan kosten in mindering op het resultaat bracht, met als gevolg dat de belastingaanslagen over deze jaren tot zeer aanzienlijk te lage bedragen zouden worden vastgesteld.

De Rechtbank neemt verder nog in aanmerking dat belanghebbende zichzelf presenteert als certified public controller. De Rechtbank is van oordeel dat de boetes reeds afdoende zijn gematigd en ziet geen aanleiding deze verder te matigen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:7953

 

Vergrijpboete houdt geen stand omdat sprake is van een negatief belastbaar bedrag

De inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2012 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een negatief belastbaar bedrag van € 153.351. Het verlies is bij separate beschikking vastgesteld door de inspecteur. Naar aanleiding van opgevoerde jachtkosten heeft de inspecteur deze gecorrigeerd omdat de kosten niet zakelijk zouden zijn. De inspecteur heeft daarbij een vergrijpboete opgelegd van € 3.987 (75%).

De Rechtbank heeft de vergrijpboete vernietigd, waarna de inspecteur hoger beroep heeft ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet in haar bewijslast geslaagd. Tegenover de gemotiveerde betwisting van het zakelijke karakter door de inspecteur is belanghebbende er niet in geslaagd aan te tonen dat de jachtkosten zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Dat belanghebbende, gelet op de branche waarin zij werkzaam is en die zich volgens haar afspeelt op de grens van legaliteit en illegaliteit, geen openheid van zaken wil geven, doet daar niet aan af.

Uit de memorie van toelichting bij de invoering van art. 67d AWR blijkt dat de grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat op grond van de aanslag verschuldigd is. In het geval van een aanslag met een negatief belastbaar bedrag is geen belasting verschuldigd en kan derhalve geen boete worden opgelegd. De vraag of belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk de aangifte onjuist of onvolledig heeft gedaan, behoeft om die reden geen behandeling.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank de vergrijpboete terecht heeft vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:2548

 

Accountants berispt voor tekortkomingen bij controle jaarrekeningen en het niet naleven van de wwft-regelgeving voor een klant met een Cypriotische-trustconstructie

De FIOD heeft in 2014 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld nadat het vermoeden is ontstaan dat een klant van een accountancy en belastingadvieskantoor zich schuldig had gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrifte. Uit dit onderzoek zou blijken dat de (Nederlandse ondernemingen van de) klant op basis van een licentieovereenkomst royalty’s hebben betaald aan een op Cyprus gevestigde vennootschap die onderdeel uitmaakte van een door de klant ingestelde trustconstructie. Daarnaast zou de klant uit de trust in privé gelden hebben ontvangen.

In de onderhavige tuchtprocedure verwijt het Openbaar Ministerie (O.M.) de registeraccountant (RA) en de accountant-administratieconsulent (AA) van het kantoor dat zij:

  • de controle van de materiële post ‘royalty’s in de jaarrekeningen over 2010, 2011 en 2012 met onvoldoende diepgang en onvoldoende professioneel-kritische instelling uitgevoerd;
  • bij deze jaarrekeningen goedkeurende verklaring hebben afgegeven die berusten op een ondeugdelijke grondslag;
  • de Wwft-regelgeving niet hebben nageleefd door geen melding te doen van de ongebruikelijke transactie;

Voorts verwijt het O.M. dat de AA ten behoeve van een boekenonderzoek door de Belastingdienst factuurspecificaties van het kantoor aan de klant heeft aangepast, met als doel de werkelijke aard van de werkzaamheden van het kantoor ten behoeve van de klant verborgen te houden voor de Belastingdienst.

De royaltybetalingen

De Accountantskamer acht het standpunt van het O.M., dat betrokkenen (van meet af aan of op een later moment) hebben geweten of hebben moeten beseffen dat de trustconstructie door de organisatie is opgezet met het vooropgezette doel de heffing van de vennootschaps- en de inkomstenbelasting te ontduiken onvoldoende aannemelijk.

Dat neemt niet weg dat betrokkenen wel bedacht hadden dienen te zijn op (de) aan de op te zetten truststructuur klevende (fiscale) voetangels en klemmen en die onder ogen had moeten zien bij de controle van de post royalty’s op de winst- en verliesrekening.

Betrokkenen hadden in het kader van de controle van de post royalty’s in de jaarrekeningen, meer controle-informatie moeten vergaren en moeten vastleggen dan zij hebben gedaan. De omstandigheid dat betrokkenen naar eigen zeggen niet deskundig waren op het gebied van trusts had, nu juist reden moeten zijn om zich nader in de materie te verdiepen, zodat zij (ook met het oog op de beoordeling of voldaan is aan de eisen die hiervoor zijn omschreven) niet louter op de mededelingen van fiscalisten van het kantoor hoefden af te gaan. Door dit na te laten hebben zij meermalen gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag. Daarnaast hebben betrokkenen goedkeurende verklaringen in het maatschappelijk verkeer gebracht die op een ondeugdelijke grondslag berusten. Die handelwijze van betrokkenen levert ook herhaalde schendingen op van de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en professioneel gedrag.

Ongebruikelijke transactie

Voorts is de Accountantskamer van oordeel dat betrokkenen het aangaan van de licentieovereenkomst, die de basis vormen voor de royaltybetalingen,  in samenhang met het opzetten van de truststructuur hadden moeten beschouwen als een ongebruikelijke transactie. Nu er onduidelijkheid bestond over de fiscale toelaatbaarheid van de truststructuur, was er ook aanleiding om te veronderstellen dat de transactie mogelijk verband hield met witwassen, aldus de Accountantskamer.

De Accountantskamer laat in het midden wanneer het ongebruikelijke karakter van de transactie voor het eerst aan betrokkenen bekend is geworden, omdat zij van oordeel is dat betrokkenen jaarlijks in het kader van de controle van de jaarrekeningen over 2010, 2011 en 2012 opnieuw bekend zijn geworden met het ongebruikelijke karakter van de transactie, omdat zij zich telkens hadden dienen te realiseren dat er indicaties bestonden die noopten tot het vergaren van meer controle-informatie over het aangaan van de licentieovereenkomst in samenhang met het opzetten van de truststructuur.

Het herhaaldelijk niet naleven van de op betrokkenen rustende plicht tot het melden van een ongebruikelijke transactie levert schendingen op van de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en professioneel gedrag, zodat ook dit klachtonderdeel gegrond is.

Facturen

Volgens de AA dient het O.M. niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van het verwijt met betrekking tot het aanpassen van de factuurspecificaties, omdat deze kwestie strafrechtelijk is afgedaan met een transactie door de officier van justitie en er daarom sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel (dat is – kort gezegd – het verbod op dubbele berechting en bestraffing voor hetzelfde feit). Dit betoog faalt echter, omdat de tuchtprocedure geen ‘criminal charge’ is en het verbod daarom niet opgaat, aldus de Accountantskamer.

De AA heeft ter zitting erkend dat hij de omschrijving op de bijlagen van de facturen heeft aangepast, maar dat dit op verzoek van de klant is gedaan en nadat overleg met partners van het kantoor heeft plaatsgevonden. Dat laat volgens de Accountantskamer onverlet dat dit handelen hoe dan ook strijd oplevert met het fundamentele beginsel van integriteit, zoals bedoeld in de VGBA.

Strafmotivering

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak voor beide betrokkenen de maatregel van berisping passend en geboden, omdat beide betrokkenen herhaaldelijk de fundamentele beginselen van deskundigheid, zorgvuldigheid en professioneel gedrag hebben geschonden.

Wat betreft de AA is meegewogen dat niet naleving van het fundamentele beginsel van integriteit een ernstig verzuim is, maar tevens dat hij al strafrechtelijk is vervolgd vanwege dezelfde gedraging en dat die gedraging uiteindelijk ook heeft geleid tot zijn vertrek bij het kantoor. Daarnaast heeft hij betreffende dit klachtonderdeel er blijk van gegeven dat hij anders had moeten handelen.

Tot slot is ten voordele van betrokkenen in aanmerking genomen dat deze uitspraak lang op zich heeft laten wachten en dat betrokkenen lang in onzekerheid hebben verkeerd over de uitkomst van deze zaak.

Accountantskamer 17 september 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:66

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TACAKN_2018_66

Bureau Financieel Toezicht: nieuwsberichten over handhaving Wwft

Het Bureau Financieel Toezicht is in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) belast met de uitvoering en handhaving als het gaat om belastingadviseurs, accountants en notarissen. In september heeft het BFT twee voor de praktijk belangrijke nieuwsberichten laten uitgaan. Op 21 september 2018 liet het BFT weten dat tot 1 januari 2019 een soepel handhavingsbeleid zal worden toegepast op de nieuwe Wwft-regels die vanaf 25 juli 2018 gelden. Een week later, op 28 september 2018 werd bericht dat administratiekantoren in Noord-Brabant extra aandacht van het BFT kunnen verwachten.

Soepel handhavingsbeleid nieuwe Wwft-regels

In onze Blog van 7 september 2018 zetten wij de belangrijkste wijzigingen van de Wwft per 25 juli 2018 op een rij. De nieuwe regels vragen om aanpassingen van het huidige Wwft-beleid van organisaties met betrekking tot het cliëntenonderzoek en de screening van ongebruikelijke transacties. De inrichting van het nieuwe risicomanagementproces, waaronder ook de schriftelijke vastlegging van het proces, de aanwijzing van een Wwft-verantwoordelijk beleidsbepaler en de inrichting van een compliance- en auditfunctie, kan de nodige tijd vergen. Ook is het zaak om na te denken over de vraag hoe bij bestaande cliënten de nieuwe regels voor cliëntenonderzoek alsnog toegepast gaan worden; hier is slechts beperkt overgangsrecht op van toepassing.

Opmerking verdient dat nog niet duidelijk is welke criteria het BFT zal hanteren bij de vraag wanneer sprake is van een compliance en audit functie die “passend [is] bij de aard en omvang van de instelling”. Het BFT heeft een leidraad hiervoor aangekondigd, maar die is nog niet verschenen. Te verwachten valt dat die leidraad binnenkort zal verschijnen. Ook de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) heeft voor de maand oktober een aanpassing van de Richtsnoeren Wwft en het Model Risicobeleid Wwft aangekondigd.

Het valt op dit moment niet uit te sluiten dat enige vorm van een compliance- en auditfunctie al snel vereist zal worden door het BFT. Het verdient daarom aanbeveling om als organisatie alvast na te denken over een model voor risicobeheersing dat is toegesneden op de cliëntenkring en de aard en omvang van de organisatie.

Extra aandacht voor administratiekantoren in Noord-Brabant

Het BFT gaat administratiekantoren in de provincie Noord-Brabant monitoren. Dat houdt in dat dergelijke kantoren een informatiebrief met een toelichting op de Wwft krijgen toegezonden en dat zij later gevraagd kunnen worden om een online vragenlijst in te vullen. Het BFT beoogt hiermee de Wwft onder de aandacht te brengen en de naleving van de Wwft bij administratiekantoren op een hoger niveau te tillen.

Aannemelijk is dat het BFT deze monitoring opstart vanwege de aanhoudende signalen over verwevenheid van onder- en bovenwereld (‘ondermijning’) in relatie tot de productie van en handel in drugs in deze regio. Van administratiekantoren wordt verlangd dat zij alert zijn op ongebruikelijke handelsstromen of (contante) transacties die zich bijvoorbeeld kunnen uiten in ongebruikelijke verhuur of ongebruikelijk gebruik van panden en vervoersmiddelen. Het is te verwachten dat in het kader van de monitoring op enig moment ook boetes worden opgelegd als Wwft-regels zijn overtreden, zoals het niet (voldoende) monitoren van de cliëntrelatie of het niet (tijdig) melden van ongebruikelijke transacties die voor het administratiekantoor zichtbaar waren.

Administratiekantoren in Noord-Brabant doen er goed aan om zich voor te bereiden op deze monitoring door de eigen processen en transactie-beoordelingen nog eens kritisch tegen het licht te houden.

FATF publiceert twee witwas-onderzoeken

De FATF is de Financial Action Task Force, een in 1989 opgericht samenwerkingsverband van – inmiddels – 37 landen en organisaties met als doel de bestrijding van witwassen, terrorismefinanciering en daarmee verband houdende dreigingen van het financiële stelsel. De FATF verricht onder meer onderzoeken op dit gebied en dit leidde in juli 2018 tot twee rapporten over verhulling van eigenaarschap (“Concealment of Beneficial Ownership”) en beroepsmatig witwassen (“Professional Money Laundering”).

Beide rapporten bieden inzicht in hoe witwassers werken. Voor de praktijk relevant omdat het helpt om de al dan niet ongebruikelijkheid van een transactie te beoordelen in verband met de wettelijke meldplicht op grond van de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme). De rapporten laten ook zien hoe accountants, belastingadviseurs en andere beroepsgroepen – gewild of ongewild – betrokken kunnen worden bij witwassen.

Het rapport van 18 juli 2018 over verhulling van eigenaarschap bevat 106 voorbeelden, waarvan 19 uit de Nederlandse opsporingspraktijk. De voorbeelden laten zien hoe criminele gelden rond gaan over buitenlandse bankrekeningen van veelal eveneens buitenlandse rechtspersonen en hoe zij worden besteed aan bijvoorbeeld Nederlands onroerend goed. Vaak ontbreekt een duidelijke zakelijke reden of zijn er valse titels gecreëerd. Bij de voorbeelden in het rapport zijn witwas-indicatoren vermeld. Dergelijke indicatoren helpen financieel adviseurs, banken en notarissen om te bepalen of sprake is van een ongebruikelijke transactie die bij de FIU gemeld dient te worden.

In het rapport van 26 juli 2018 wordt uit de doeken gedaan hoe beroepsmatige witwassers te werk gaan. Criminele organisaties gebruiken witwas-specialisten om hun criminele verdiensten te kunnen uitgeven. Het gaat niet alleen om drugsgelden, maar vaak ook om steekpenningen, gelden uit (belasting)fraude en opbrengsten van oplichting zoals beleggingsfraude.

Witwassen verloopt in het algemeen in 3 fasen: plaatsing (in het financiële systeem – vaak het storten op een bankrekening), verhulling (van de herkomst) en besteding. Bij fraudedelicten ligt bij witwassen het accent op de verhulling en de besteding. Daarbij komen diensten van bankiers, accountants, belastingadviseurs,  trustkantoren, advocaten en notarissen goed van pas. Bovendien creëert de betrokkenheid van een dergelijke professional verderop in de witwas-keten vaak een schijn van legitimiteit, zo blijkt uit het onderzoek.

http://www.fatf-gafi.org/publications/methodsandtrends/documents/professional-money-laundering.html

http://www.fatf-gafi.org/publications/methodsandtrends/documents/concealment-beneficial-ownership.html

ING betaalt € 775 miljoen vanwege ernstige nalatigheden bij voorkomen witwassen

Op 4 september 2018 is bekend gemaakt dat ING Bank N.V. (ING) een strafrechtelijke transactie van € 775 miljoen heeft geaccepteerd die was aangeboden door het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie. De transactie ziet op overtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en op schuldwitwassen (artikel 420quater Wetboek van strafrecht).

De overtredingen van de Wwft betreffen de artikelen 3, 5, 8 en 16 Wwft. Deze artikelen zien op: het niet of onvoldoende uitvoeren van cliëntonderzoek, het uitvoeren van transacties zonder afdoende cliëntonderzoek, het niet of onvoldoende uitvoeren van verscherpt cliëntonderzoek, en het niet of niet tijdig melden van ongebruikelijke transacties. Uit het door het OM gepubliceerde feitenrelaas kan worden afgeleid dat ING op papier een afdoend Financieel Economische Criminaliteit/Customer Due Diligence (FEC/CDD) beleid had, maar dat de uitvoering daarvan structureel te kort schoot binnen alle cliënt segmenten. Naast onvoldoende aandacht en prioriteit voor een juiste uitvoering van het FEC/CDD beleid, werd bij bepaalde investeringsbeslissingen ‘business boven compliance’ gesteld en ontbrak een escalatiecultuur. Al met al heeft ING hiermee volgens het OM een gewoonte gemaakt van opzettelijke overtreding van de genoemde bepalingen van de Wwft.

De transactie met ING ziet ook op schuldwitwassen. In het feitenrelaas worden vier casus beschreven waarin gelden via ING daadwerkelijk zijn witgewassen. Zo was er een Curaçaos bedrijf dat € 150 miljoen creditcard betalingen ontving over een periode van 5 jaar. Deze onderneming was ten onrecht geclassificeerd als midden- en kleinbedrijf, het CDD dossier was niet op orde en diverse witwassignalen werden zonder nader onderzoek afgedaan als niet ongebruikelijk. Ook bij een Surinaamse eenmanszaak met 15 pinautomaten en een importeur / handelaar van groente en fruit werden diverse signalen genegeerd. Tot slot vermeldt het feitenrelaas de betrokkenheid van ING bij betalingen van steekpenningen die door een bedrijf zijn verricht, waarbij ING ook diverse signalen had genegeerd. ING had volgens het OM redelijkerwijs moeten vermoeden dat bepaalde geldstromen afkomstig waren uit enig misdrijf, hetgeen het misdrijf van schuldwitwassen oplevert.

De strafzaak tegen ING is in februari 2016 gestart na overleg met DNB. ING heeft aan het onderzoek meegewerkt en ook zelf intern onderzoek verricht. ING belooft dat het onder toezicht van DNB een nieuw herstelplan zal ontwikkelen en implementeren.

Het OM rekent de strafbare feiten toe aan de organisatie als geheel en niet aan personen. De verantwoordelijkheid voor naleving van de Wwft was belegd bij drie verschillende onderdelen van de bank. Geen van deze onderdelen overzag het geheel. Het hogere management heeft mede daardoor onvoldoende de ernst van de tekortkomingen en het voortduren ervan onderkend.

Het OM komt op basis van het onderzoek tot de conclusie dat geen strafrechtelijke verwijten aan natuurlijke personen kunnen worden gemaakt. Volgens het OM wordt niet voldaan aan de hiervoor geldende eis dat zij wetenschap hebben gehad van de gedragingen en daarnaast ook bewust hebben aangezet tot strafbare feiten of bewust nalatig zijn geweest om strafbare feiten te stoppen. Dit lijkt mede een gevolg van de verdeling van de verantwoordelijkheid over de drie onderdelen van de bank.

https://www.om.nl/vaste-onderdelen/zoeken/@103953/ing-betaalt-775/