Auteur: admin

Omzetbelastingfraude met valse facturen

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij als feitelijk leidinggever belastingfraude zou hebben gepleegd door opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting in te dienen en dat hij facturen valselijk zou hebben opgemaakt.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, omdat sprake is van een onrechtmatige start van het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte. Zij stelt dat uit stelselmatig onderzoek naar voren is gekomen dat sprake was van mogelijke strafrechtelijke fraude bij verdachte en daarbij is een redelijk vermoeden van schuld ontstaan. In plaats van het Wetboek van Strafvordering in acht te nemen bij de toepassing van dwangmiddelen, is ervoor gekozen om een belastingambtenaar naar verdachte te sturen. Verdachte heeft toen zijn volledige boekhouding aan de Belastingdienst verstrekt. Door deze gang van zaken is verdachte doelbewust en onherstelbaar in zijn belangen geschaad, waardoor het Openbaar Ministerie het recht op vervolging zou hebben verspeeld.

Het Hof is van oordeel dat verdachte zijn boekhouding vrijwillig ter beschikking heeft gesteld aan de Belastingdienst. Gezien het feit dat de aangiften omzetbelasting zijn gebaseerd op vermoedelijk vervalste verkoopfacturen, ontstaat op dat moment het redelijk vermoeden dat verdachte opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting heeft gedaan. Hierna is een gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte gestart. Het verweer wordt verworpen.

Verdachte heeft zich als bestuurder van een BV gedurende een periode van bijna 4 jaar schuldig gemaakt aan belastingfraude. De fraude bestond eruit dat verdachte in deze periode vrijwel alle verkoopfacturen op een zodanige manier vervalste dat het leek alsof er door de onderneming veel minder omzetbelasting verschuldigd was dan in werkelijkheid het geval was. Op basis van deze vervalste facturen diende de verdachte de aangiften omzetbelasting in. De fiscus is hierdoor een bedrag van € 665.000 misgelopen. Verdachte heeft uiteindelijk een schikking met de Belastingdienst getroffen, op grond waarvan hij een bedrag van € 100.000 heeft terugbetaald. De rest van het geld zal vermoedelijk nooit meer geïnd kunnen worden.

Verdachte is zijn frauduleuze handelingen pas gestopt nadat de Belastingdienst onderzoek is gaan doen naar de juistheid van de aangiften. Nergens blijkt dat hij van plan is geweest er eerder mee op te houden. Zijn onderneming heeft jaren geprofiteerd van de fraude en zou het volgens verdachte zonder die fraude niet hebben gered. Aldus heeft verdachte jarenlang, in feite gesubsidieerd door de Staat, een oneerlijke concurrentiepositie tegenover andere marktpartijen kunnen innemen. Verdachte heeft daarvan zelf, als bestuurder van de onderneming, ook jarenlang geprofiteerd. De aangevoerde omstandigheid dat verdachte niet het oog heeft gehad op zelfverrijking snijdt naar het oordeel van het Hof geen hout. Omdat sprake is van oude feiten ziet het Hof aanleiding om, in afwijking van het vonnis van de Rechtbank en thans door de Advocaat-Generaal gevorderde, een groter deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:727

 

Rechtbank matigt boetes wegens geslaagd beroep op vrijwillige verbetering verzwegen vermogen bij de UBS bank

De inspecteur heeft over verschillende jaren vergrijpboetes opgelegd aan belanghebbende vanwege in het buitenland verzwegen aangehouden gelden (bij de UBS bank en andere bankinstellingen). Voor de jaren 2005 tot en met 2008 bedraagt de boete die ziet op de gelden bij UBS 40% en de boete die ziet op gelden bij overige bankinstellingen 30%. Voor de jaren 2009 tot en met 2014 bedraagt de boete die ziet op de gelden bij UBS 100%. Voor de jaren 2009 tot en met 2013 bedraagt de boete die ziet op de gelden bij overige bankinstellingen 60%. De inspecteur heeft ten aanzien van alle opgelegde boetes een matiging toegepast vanwege het meewerken van belanghebbende aan het vaststellen van de juiste omvang van de belastingschuld. Verder heeft de inspecteur rekening gehouden met vrijwillige verbetering (inkeer), maar alleen ten aanzien van de boetes die zien op gelden die werden gehouden bij andere bankinstellingen dan de UBS bank.

In geschil is of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De Rechtbank overweegt dat het erom gaat of op het moment van de inkeer louter objectief bezien de serieuze mogelijkheid bestond dat de buitenlandse bankrekening niet zou worden achterhaald. Als dat het geval is, is sprake van een vrijwillige verbetering. De inspecteur dient naar het oordeel van de Rechtbank aannemelijk te maken dat belanghebbende in de concrete omstandigheden van het geval er op het moment van de inkeer objectief gezien niet vanuit mocht gaan dat er een serieuze kans bestond dat de inspecteur zijn bankrekening bij de UBS bank niet op het spoor zou komen.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende destijds redelijkerwijs moest vermoeden dat de Nederlandse Belastingdienst lucht zou krijgen van het bij de UBS bank aangehouden vermogen. Met name heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat er geen serieuze mogelijkheid bestond dat zijn buitenlandse bankrekeningen bij het onderzoek van de Belastingdienst niet zou worden achterhaald. De Rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de feiten en omstandigheden van dit geval (de handelwijze van belanghebbende) weliswaar aanleiding geven tot het vermoeden dat is geanticipeerd op het onderzoek van de inspecteur, maar dat dit vermoeden door belanghebbende voldoende is ontzenuwd door (onweersproken) te stellen dat UBS zelf al eerder een beleid was gaan voeren om de relatie met klanten die vermogen verzwegen voor de Belastingdienst, op te zeggen. De Rechtbank wijst er hierbij op, dat tussen de klantcontacten van belanghebbende met de UBS bank en de ruime media-aandacht over het groepsverzoek geruime tijd is verstreken. Verder overweegt de Rechtbank dat de omstandigheid dat belanghebbende eind 2013/begin 2014 wellicht bewust heeft getracht het verzwegen vermogen buiten het zicht van de Nederlandse Belastingdienst te blijven houden, niets zegt over de relevante omstandigheden ten tijde van de inkeer op 30 juni 2016.

Ook als de Rechtbank ervan uit gaat dat belanghebbende naar aanleiding van het aangekondigde beleid van de UBS bank zijn rekening heeft opgezegd met als doel om het vermogen bij een ander bank (met een minder streng beleid) onder te brengen, bewijst dat niet meer dan dat belanghebbende opzettelijk vermogen is blijven verzwijgen, iets wat in deze zaak niet in geschil is en dus geen (nader) bewijs behoeft.

De Rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat (ook) ten aanzien van de bankrekening van belanghebbende bij de UBS bank sprake is van een vrijwillige verbetering. De Rechtbank sluit daarbij aan bij de matiging die de inspecteur heeft toegepast bij de boetes die zien op de overige bankrekeningen, waarvoor reeds een vrijwillige verbetering werd aangenomen. Zo zal de boete voor het jaar 2014 in zijn geheel komen te vervallen, zullen de boetes voor de jaren 2009 tot en met 2013 worden gematigd tot 60% en voor de jaren 2005 tot en met 2008 tot 30%. De Rechtbank acht deze boetes passend en geboden, aangezien er op deze manier rekening is gehouden met zowel de vrijwillige verbetering als met het meewerken na de inkeer. De Rechtbank matigt de vergrijpboetes verder met 10% matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:2017

Grove schuld bij toepassen afdrachtvermindering onderwijs niet aangetoond door inspecteur

Belanghebbende exploiteert een timmerfabriek. Haar activiteiten bestaan uit het vervaardigen van houten deuren, ramen en kozijnen en het verhandelen van de producten uit de timmerfabriek. Verschillende werknemers hebben een opleidingsprogramma bij belanghebbende gevolgd.

Belanghebbende heeft in haar loonaangiften voor de werknemers die het opleidingsprogramma hebben gevolgd, de afdrachtvermindering onderwijs toegepast. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende de afdrachtvermindering onderwijs ten onrechte heeft toegepast en is overgegaan tot het opleggen van naheffingsaanslagen loonheffingen over de jaren 2010 en 2011. De inspecteur heeft over 2010 en 2011 voorts vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 3.277 en € 7.227 waarbij is uitgegaan van grove schuld. Vanwege het tijdsverloop tussen de bekendmaking van het boetevoornemen en het opleggen van de boetes en de omstandigheid dat belanghebbende tijdens het onderzoek heeft meegewerkt, zijn de boetes gematigd tot 10% van de nageheven belasting.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Naar het oordeel van de Rechtbank rust op de inspecteur de bewijslast dat sprake is van grove schuld. De Rechtbank overweegt dat belanghebbende ten onrechte de afdrachtvermindering onderwijs heeft toegepast, omdat het opleidingsprogramma niet is gekwalificeerd als een beroepsopleiding in de zin van de WEB. Dit leidt tot het oordeel dat belanghebbende de loonheffingen die zij op aangifte moest afdragen gedeeltelijk niet heeft betaald.

Naar het oordeel van de Rechtbank is echter geen sprake van grove schuld. Belanghebbende verkeerde, op basis van informatie die zij had gekregen van een stichting, in de veronderstelling dat het opleidingsprogramma wel degelijk aan de eisen van de WEB voldeed. Zij mocht op die informatie vertrouwen, nu deze afkomstig is van een stichting die door de minister is erkend. Naar het oordeel van de Rechtbank kon en mocht belanghebbende – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs menen dat haar standpunt en daarmee de door haar gedane aangiften loonheffingen juist waren. Voor zover de boetes zijn gestoeld op de omstandigheid dat aan de praktijkovereenkomsten formele gebreken zouden kleven dan wel dat stukken ontbreken, is de Rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat die gebreken te wijten zijn aan de grove schuld van belanghebbende.

De Rechtbank vernietigt de opgelegde vergrijpboetes.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3890

De vierde ‘Dag van de belastingadviseur’

Op dinsdag 16 april jl. organiseerde De Bont Advocaten voor de vierde keer de ‘Dag van de belastingadviseur’ in het sfeervolle Paushuize te Utrecht. Het thema was ‘aandacht van overheid = aandacht intern?!’. De dag liet zien dat de nieuwe Wwft-regels bevestigen hoe belangrijk het is om interne compliance processen op orde te hebben. Het helpt daarbij heel erg om binnen de organisatie open te discussiëren over dossiers waarin een ‘niet pluis’ gevoel bestaat en hierbij tijdig op de ‘stop’ knop te drukken en de eigen positie als adviseur kritisch te bepalen.

Dit maal hebben een viertal sprekers – vanuit verschillende werkvelden – het woord gekregen:

Mr. Marijke Kapteijn (directeur van het Bureau Financieel Toezicht)

Mr. Nico Zwikkers (oprichter van Zwikker Compliance Associates)

Drs. Angela Hofman (compliance officer bij Van Oers Accountants en Belastingadviseurs)

Mr. Annabel Vissers (advocate bij De Bont Advocaten)

Marijke Kapteijn trapte af namens het Bureau Financieel Toezicht. Zij is uitvoerig ingegaan op de manier waarop toezicht wordt gehouden op de nieuwe Wwft-regels. Soms is er een concreet signaal op basis waarvan een toezichtsbezoek wordt gepland, soms is het BFT meer thematisch op een bepaald gebied ‘awareness’ aan het kweken door middel van vragenbrieven en eventueel een vervolg toezichtsbezoek. In de kern genomen was haar boodschap dat de adviseur bij cliëntonderzoek, cliëntmonitoring en gedurende de advieswerkzaamheden tijdig op de zogeheten STOP-knop moet drukken om zo het ‘spel’ stil te leggen als er een ‘niet pluis’ gevoel ontstaat. Maar, wanneer dient zo een moment zich aan? Aan de hand van een ‘uit het leven gegrepen’ casus is een welkome invulling gegeven aan deze vraag.

Nico Zwikker dook vervolgens met de aanwezigen de wereld van de financiële instellingen in. Hij besteedde aandacht aan de integriteitsrisico’s waar financiële instellingen mee te maken hebben op AML- en sanctiegebied, zowel binnen als buiten Nederland. De recente ING-strafzaak vormt in dit verband het schoolvoorbeeld van hoe deze risico’s zich kunnen manifesteren en hoe zij ook in Nederland gesanctioneerd kunnen worden. De zaak vormt daarmee een wijze les voor de financiële sector. Ook de adviessector kan dergelijke handhaving tegemoet zien. Afsluitend ging Nico in op de vraag hoe de adviessector baat kan hebben bij een ‘systematische integriteitsrisico analyse’ (Sira), een instrument dat in de financiële sector al gemeengoed is. Zo biedt het de mogelijkheid tot sturing van gedrag, zelfreflectie, awareness en kennisoverdracht.

Angela Hofman sloot naadloos aan op het onderwerp van de Sira en lichtte toe hoe deze een belangrijke rol kan spelen in het kader van de te vervullen Wwft-verplichtingen. In de praktijk van Van Oers is de Sira ingezet en een waardevol instrument gebleken. Tijdens een dergelijke analyse is het belangrijk (wwft)risico’s te onderkennen, beheersmaatregelen te treffen, alsook een inschatting te maken van welke risico’s al dan niet aanvaard worden (‘risk appetite’). Het publiek werd aan de hand genomen door de verschillende fasen, te weten: de offerte fase, de klantacceptatie en -continutatie alsmede de opdrachtacceptatie. Daarbij werd inzicht gegeven in de wijze waarop de processen bij Van Oers zijn ingericht conform de Wwft- en andere verplichtingen, alsook de gevolgen van een melding. Het creëren van kennis en awareness onder de medewerkers, zoals het delen van praktijkvoorbeelden of een doeltreffend onboarding programma, is daarbij voortdurend van belang.

Tenslotte heeft Annabel Vissers met concrete voorbeelden laten zien wat het voor de praktijk betekent dat de Wwft ‘principle-based’ is en er geen vastomlijnd stappenplan bestaat dat in alle gevallen afgelopen kan worden bij een ‘niet pluis’ gevoel. Om de aanwezigen daarom meer gevoel te geven bij de te maken day-to-day afwegingen, zijn de concrete voorbeelden in de vorm van stellingen behandeld. Deze stellingen werden vanuit de gebundelde expertise van ook de andere inleiders belicht en dit zorgde voor een levendig debat met de zaal.

De dag is uiteraard afgesloten door middel van een gezellige borrel, die in de prachtige Balzaal van het Paushuize, en op het terras van de daaraan grenzende binnentuin plaatshad.

Wij kijken terug op een waardevolle vierde editie van “De dag van de Belastingadviseur”.

Namens iedereen bij De Bont Advocaten:

Graag tot volgend jaar!

Beroep op vertrouwensbeginsel op grond van e-mail inspecteur niet gehonoreerd

Op 10 juni 2014 deed X als directe vertegenwoordiger van eiseres aangifte voor in het vrije verkeer brengen van een partij zonnepanelen onder TARIC-code 8541 40 90 90 met als land van oorsprong China. Op 10 juni 2014 is toestemming verleend tot wegvervoer van de goederen. Op 23 juni 2014 vond een fysieke controle plaats. Hieruit volgde dat de goederen onder code 8541 40 90 10 vielen waarvoor eveneens een tarief van 0% toepasselijk is. De inspecteur legde dat vast in een e-mail van 1 juli 2014: “In de beantwoording van mijn controleopdracht heb ik de correcte goederencode opgenomen alsmede een goederenomschrijving die voldoet aan de omschrijving in het tarief onder 8541 40 90 10“.

De inspecteur laat vervolgens aan eiseres weten dat toch een andere goederencode 8541 40 90 21 B999 van toepassing is, waarvoor niet het 0%-tarief geldt en tevens antidumpingrechten toepassing vinden. Ten gevolge hiervan wordt aan eiseres een uitnodiging tot betaling opgelegd van ruim 24.000,- euro.

Hierop stelt eiseres beroep in en voert aan dat zij mocht vertrouwen op de mededeling van de inspecteur dat de genoemde code 8541 40 90 10 de van toepassing zijnde code was. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 220, lid 2, letter b, CDW, niet tot navordering kan worden overgegaan indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: (i) inning van de rechten is achterwege gebleven als gevolg van de vergissing van de douane (ii) de belastingschuldige moet de vergissing redelijkerwijs niet hebben kunnen ontdekken, en (iii) de belastingschuldige was te goeder trouw en heeft aan alle bepalingen inzake de douaneaangifte voldaan.

Nu de betreffende mail waarin code 8541 40 90 10 werd bevestigd van een datum is die is gelegen nadat de fysieke controle had plaatsgevonden, is er sprake van een vergissing op basis van een actieve gedraging van de inspecteur. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiseres deze vergissing redelijkerwijze had kunnen ontdekken. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat op uiterlijk 8 juni 2014 door de douane aan eiseres is medegedeeld dat voor het brengen in het vrije verkeer van zonnepanelen TARIC-code 8541 40 90 21 B999 moet worden gebruikt. Nu de onderhavige aangifte op 10 juni 2014 is aanvaard, had eiseres redelijkerwijze kunnen weten dat de in de e-mail van 1 juli 2014 genoemde TARIC-code op een vergissing berust. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.

Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of aan de derde voorwaarde is voldaan.

De rechtbank verklaard het beroep ongegrond.

Rechtbank Noord-Holland 01 februari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:582

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:582

In hoger beroep 30 maanden gevangenisstraf voor leidinggeven aan accijnsfraude

Na een veroordeling tot 24 maanden gevangenisstraf door de rechtbank, stelde X hoger beroep in. De fiscale fraudekamer van het hof Den Bosch oordeelt onder het appel dat X schuldig is als feitelijk leidinggevende van BV Y aan accijnsfraude, waarbij met vals opgemaakte AGD’s opzettelijk onjuiste aangiften accijns werden ingediend.

De modus operandi hield in dat partijen alcoholhoudende drank door Y BV naar het buitenland vervoerd waarbij afhankelijk van een mogelijke douanecontrole tijdens het vervoer, de partijen drank een afwijkende bestemming konden krijgen.

Het Hof gaat uitvoerig op de modus operandi in. De chauffeur van het expeditiebedrijf deed dit onder dekking van een AGD met doorgaans als bestemming het Verenigd Koninkrijk. Indien er door de Douane een controle werd uitgevoerd dan werd de drank afgeleverd bij de betreffende accijnsgoederenplaats. Wanneer er geen controle werd uitgevoerd, dan werd de drank op een andere locatie – die door X aan de chauffeur zou zijn gecommuniceerd – afgeleverd.

In het laatste geval werd er geen aangifte gedaan ten aanzien van de vervoerde drank. Het in Nederland opgemaakte AGD werd vervolgens vervangen door een vals exemplaar. Met de fraude zou een bedrag bijna 7 miljoen euro gemoeid zijn geweest.

De verdediging had integrale vrijspraak bepleit met name omdat strafbare wetenschap aan de tenlastegelegde feiten zou ontbreken. Het Hof acht strafbare wetenschap van de valsheid van de AGD’s wel aanwezig o.a. op basis van getuigenverklaringen en getapte telefoongesprekken.

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat X als feitelijk leidinggevende van Y BV schuldig is aan de accijnsfraude en veroordeelt X tot 30 maanden celstraf. Voorts worden 52 pallets met ruim 40.000 flessen wodka verbeurd verklaard.

Hof Den Bosch 2 april 2019 20-003781-16

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:1243

Voormalig gemeenteraadslid veroordeeld voor omzetbelastingfraude en gewoontewitwassen

Verdachte, voormalig gemeenteraadslid, wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan twee stichtingen waarvoor hij alleen en zelfstandig bevoegd was, die belastingfraude pleegden. Vervolgens zou het daarvan afkomstige geld zijn witgewassen door het over te boeken naar andere (privé)rekeningen.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan btw-fraude en gewoontewitwassen. Verdachte heeft jarenlang, ieder kwartaal, opzettelijk ten onrechte omzetbelasting teruggevraagd en heeft dat geld vanaf de rekeningen van zijn stichtingen overgeboekt naar onder meer zijn privérekening en rekeningen van zijn gezinsleden. Het benadelingsbedrag voor de Nederlandse Staat bedraagt ruim € 300.000.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de Rechtbank in zijn nadeel rekening met de omstandigheid dat verdachte als voormalig gemeenteraadslid een voorbeeldfunctie bekleedde, en in die rol mee besliste over de besteding van middels belastingheffing verkregen publieke middelen. Daartegenover heeft hij jarenlang de gemeenschap benadeeld door een eerlijke belastingheffing te frustreren met het doen van onjuiste aangiften en het privé aanwenden van de verkregen belastinggelden . De Rechtbank merkt op dat het onderwerp integriteit van politieke ambtsdragers de afgelopen jaren frequent aandacht heeft gekregen. Verdachte heeft met zijn handelen het aanzien van het openbaar bestuur beschadigd.

Anderzijds houdt de Rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte op zijn 63e jaar nog niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De Rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:2544

 

Vergrijpboetes voor opvoeren fictieve kosten als voorbelasting

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2009 tot en met 2013 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Daarbij zijn tevens vergrijpboetes opgelegd.

Belanghebbende drijft een eenmanszaak en handelt in richtmiddelen voor schietsportwapens en in messen. Naar aanleiding van een bedrijfsbezoek en een boekenonderzoek door de inspecteur is een controlerapport opgemaakt. Daaruit blijkt dat belanghebbende vrijwel niets van de primaire administratie kan tonen. De administratie zou dan ook niet voldoen om te dienen als basis voor de aangiften omzetbelasting. Over de jaren 2009 tot en met 2013 zou een bedrag van € 49.698 ten onrechte als voorbelasting zijn geclaimd.

In geschil is onder meer of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij door hem gemaakte kosten, waaronder fictieve kosten in aftrek heeft gebracht. Ook heeft belanghebbende verklaard dat hij aan hem uitgereikte facturen abusievelijk bij het oud papier heeft gezet, op grond waarvan hij het bewijs van de aan voorbelasting aan hem in rekening gebrachte bedragen niet meer kan leveren.

Het Hof is van oordeel dat bij het doen van de kwartaalaangiften het belanghebbende niet vrij stond in plaats van de daadwerkelijke bedragen aan voorbelasting, bedragen aan gemaakte en fictieve kosten in zijn aangiften op te nemen. Dat belanghebbende door het weggooien van de facturen thans niet meer over de juiste gegevens beschikt, behoort volgens het Hof tot zijn risico. Nu belanghebbende geen enkel inzicht heeft kunnen verschaffen in de beweerdelijk aan hem in rekening gebrachte voorbelasting en de hoogte daarvan, heeft de inspecteur de aftrek van de als zodanig in de kwartaalaangiften opgenomen bedragen terecht geweigerd.

De grondslag voor de boetes wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat als gevolg van opzet van belanghebbende niet is betaald. De boetes dienen derhalve te worden berekend over de naheffingsaanslagen, zoals deze luiden na de door het Hof aan te brengen vermindering. Het Hof bepaalt de boetes op € 6.955,50 voor de jaren 2010 en 2011 en op € 4.272,50 voor de jaren 2012 en 2013. In de financiële omstandigheden van belanghebbende ziet het Hof grond tot matiging van de boetes tot € 6.000 respectievelijk € 3.500. Het Hof acht deze boetes passend en geboden. Wegens het tijdverloop tussen de kennisgeving van de boetes en de uitspraak van de Rechtbank is een vermindering van 10% geïndiceerd. De boetes worden daarmee vastgesteld op € 5.400 respectievelijk € 3.150.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:3911

 

Geen geslaagd beroep op avas of pleitbaar standpunt; verzuimboetes terecht opgelegd

Aan belanghebbende zijn twee naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd alsmede twee verzuimboetes van € 61 en € 79.

Belanghebbende is als communicatieadviesbureau opgericht in 2008. De activiteiten van belanghebbende bestaan voornamelijk uit het samenstellen van ‘’De verloskundigentas’’. Deze tas bevat informatie voor zwangere vrouwen en is op verzoek van de samenwerkende verloskundigen en kraamzorgstichtingen ontwikkeld. Belanghebbende heeft op de door haar ingediende aangiften omzetbelasting naar een tarief van 21% aangegeven over de vergoeding die zij factureert. Belanghebbende heeft de verschuldigde omzetbelasting niet betaald, maar een verzoek tot vrijstelling ingediend. Dit verzoek is door de inspecteur afgewezen.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op vrijstelling alsmede of de verzuimboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De Rechtbank overweegt ten aanzien van de vrijstelling dat er geen gronden zijn de activiteiten van belanghebbende in aanmerking te laten komen voor vrijstelling. De Rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van een pleitbaar standpunt dan wel afwezigheid van alle schuld (avas).

Het Hof overweegt dat het vooroverleg met de Belastingdienst over de in geschil zijnde kwestie is begonnen op 12 april 2015. Kort na een bedrijfsbezoek is belanghebbende door de Belastingdienst geïnformeerd over het feit dat de betaalde werkzaamheden door de inspecteur worden gezien als het verstrekken van reclame. Belanghebbende kende het standpunt van de inspecteur dus al voordat uiterlijk aangifte moest worden gedaan. Belanghebbende heeft geen jurisprudentie naar voren gebracht die het door belanghebbende ingenomen standpunt rechtvaardigt.

Overigens heeft belanghebbende aangevoerd dat een medewerkster van de Belastingdienst heeft geadviseerd om de op aangifte verschuldigde belasting niet te betalen, maar eerst de beslissing van de inspecteur af te wachten. Het Hof beschouwt deze stelling als een beroep op avas en wijst dit af, omdat de inspecteur ontkent dat zulke toezeggingen zijn gedaan en belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit wel het geval was.

De verzuimboetes zijn terecht aan belanghebbende opgelegd en de hoogte daarvan is passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:549

 

Blog: Het wetsvoorstel UBO-register: een palet aan verplichtingen

Op 4 april 2019 heeft minister Hoekstra van Financiën het wetsvoorstel ‘UBO-register’ aan de Tweede Kamer aangeboden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de verplichting voor iedere lidstaat om een centraal register in te voeren met informatie over uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) van vennootschappen en andere juridische entiteiten. Deze verplichting vloeit voort uit de vierde Europese anti-witwasrichtlijn, zoals gewijzigd door de Europese richtlijn (EU) 2018/84. De implementatie dient uiterlijk op 10 januari 2020 te zijn voltooid.

Voornoemd wetsvoorstel is zeer kritisch ontvangen in de (vak)pers. Zo kopt het Financieel dagblad “Eigendomsregister schendt privacy voor niets”. Anderen noemen het “een weinig doordacht moetje”.[1] Toch is het goed dat “moetje” eens nader onder de loep te nemen. De lidstaten zijn namelijk door Brussel verplicht tot het instellen van een UBO-register. Het zal er hoe dan ook komen. Maar, welke verplichtingen brengt dit met zich? En waar moet u als Wwft-instelling op letten?

De wijzigingsrichtlijn 2018/843 in a nutshell

De gewijzigde richtlijn behelst onder meer een verplichting voor EU-lidstaten ervoor te zorgen dat op hun grondgebied opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten toereikende, accurate en actuele informatie over uiteindelijk belanghebbenden inwinnen en bijhouden, alsmede registreren in een openbaar toegankelijk register. Hiertoe worden de Handelsregisterwet 2007, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Wet op de economische delicten (hierna: WED) gewijzigd.

In de Handelsregisterwet 2007 zal voor een aantal rechtsvormen[2], te weten vennootschappen en andere juridische entiteiten, de verplichting worden opgenomen hun UBO’s te registreren in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK).[3] Deze verplichting geldt uitdrukkelijk niet voor buitenlandse rechtspersonen, ook niet wanneer deze een hoofd- of nevenvestiging in Nederland hebben. Wel geldt die verplichting voor de niet (meer) in Nederland gevestigde onderneming toebehorende aan een in Nederland opgerichte maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of rederij. Deze dienen zich volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel eveneens (opnieuw) in te schrijven in het Handelsregister.

De UBO-informatie moet worden opgenomen in het Handelregister. De KvK is aangewezen als beheerder en wordt tevens verantwoordelijk voor de controle op de aanlevering van en de juistheid en de volledigheid van de UBO-informatie in het Handelsregister.

Als ‘Ultimate Beneficial Owner’ wordt aangemerkt de natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of zeggenschap heeft over een vennootschap of een andere juridische entiteit.[4] De persoon die (direct of indirect) een eigendoms- of zeggenschapsbelang heeft van meer dan 25% in één van de betreffende rechtsvormen kwalificeert als UBO. In de situatie dat op basis hiervan geen privépersoon kan worden aangewezen als UBO, moet een pseudo-UBO worden geregistreerd. Dat is iemand van het bestuur dan wel dan wel degene(n) die met de dagelijkse leiding is (zijn) belast. De betreffende entiteiten dienen daartoe toereikende, accurate en actuele informatie over hun UBO’s in te winnen en bij te houden. Het betreft aldus een verplichting doorlopend in tijd.

Welke informatie dient te worden geregistreerd?

Daarbij rijst dan direct de vraag op welke informatie de genoemde verplichting ziet. Blijkens het wetsvoorstel moet de navolgende UBO-informatie bijgehouden en centraal geregistreerd worden:

  1. Naam
  2. Geboortedag, -plaats en -land
  3. Adres (inclusief woonstaat)
  4. Nationaliteit
  5. Burgerservicenummer (indien toegekend)
  6. Afschrift documentatie op grond waarvan de identiteit is geverifieerd
  7. Afschrift documentatie waarmee wordt onderbouwd waarom een persoon de status van UBO heeft
  8. Afschrift documentatie betreffende de aard en omvang van het gehouden economisch belang van de UBO

Blijkens de memorie van toelichting rust de verplichting tot het doen van inschrijving van de UBO-informatie op “degene aan wie de vennootschap of een andere juridische entiteit toebehoort of ieder der bestuurders of – als die er niet zijn – degene die met de dagelijkse leiding is belast.”

In dit verband zal ingevolge het voorgestelde artikel 15a Handelsregisterweg 2007 aansluiting worden gezocht bij de bij de systematiek van de wetsartikelen 5 en 6 van de Handelregisterwet 2007. Dit betekent dat, voor zover de entiteiten die onder de registratieplicht vallen rechtspersoonlijkheid hebben, de verplichting tot het inschrijven van de UBO-informatie zal rusten op elk van de bestuurders. Ontbreekt rechtspersoonlijkheid – zoals bijvoorbeeld bij de maatschap het geval is – dan zal de inschrijvingsverplichting in eerste instantie komen te rusten op degene aan wie die maatschap toebehoort – in dat geval op de maten.

Voor wie is de UBO-informatie toegankelijk?

Een deel van de te registeren gegevens is niet openbaar, namelijk het BSN/buitenlands fiscaal identificatienummer (TIN), de geboortedag, het geboorteland en- plaats, het woonadres, het afschrift van een geldig identiteitsdocument en afschriften van documenten waaruit de aard en omvang van het economische belang van de UBO blijkt.

De naam, de geboortemaand en -jaar, de woonstaat, de nationaliteit en de aard en omvang van het gehouden economische belang door de UBO, zijn wél openbaar toegankelijk. Met betrekking tot het economisch belang, zal niet de exacte omvang van het belang openbaar inzichtelijk zijn, maar zullen slechts bandbreedtes van 25%, 50%, 75% en 100% worden vermeld. Geldbedragen worden niet vermeld.

De aanvullende informatie zal alleen toegankelijk zijn voor de bevoegde autoriteiten[5] en de Financiële inlichtingen eenheid (FIU).[6] Zij zijn verplicht deze informatie geheim te houden. In het geval dat de genoemde autoriteiten UBO-informatie opvragen, wordt de betreffende UBO daarvan niet op de hoogte gesteld door de KvK.

De UBO-informatie zal gedurende een termijn van tien jaar toegankelijk blijven, gerekend vanaf het moment dat de betreffende entiteit is geschrapt uit het UBO-gedeelte van het Handelsregister. Het kabinet acht het van belang dat de historische gegevens betreffende een uiteindelijk belanghebbende gedurende een zo lang mogelijke periode voorhanden blijven. Onderzoeken naar witwassen, de daaraan ten grondslag liggende delicten, en het financieren van terrorisme zien namelijk op gebeurtenissen in het verleden.

Het afschermen van UBO-informatie

Bij de KvK kan een verzoek tot afscherming van UBO-informatie worden ingediend. Daarbij zal moeten worden aangetoond dat één van de in de Richtlijn genoemde situaties aan de orde is zoals het risico op fraude, ontvoering of pesterijen.[7] Tegen de (afwijzende) beslissing op dit verzoek staat bezwaar en beroep open.

Het schenden van UBO-verplichtingen: een economisch delict

Als niet aan de verplichting tot het doen van een opgave voor inschrijving in het Handelsregister wordt voldaan, levert dat een economisch delict op dat kan worden bestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden, een taakstraf of geldboete van de vierde categorie (per 1 januari 2018: € 20.750).[8]

Daarnaast geeft het wetsvoorstel ook de mogelijkheid om bestuursrechtelijk te handhaven door het opleggen van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete voor het niet registeren van de UBO-informatie. Wat de hoogte van de bestuurlijke boete betreft wordt aansluiting gezocht bij de strafrechtelijke boetecategorie die geldt bij overtreding van artikel 47 van de Handelsregisterwet 2007: een boete van de vierde categorie.[9]

Naast het doen van opgave voor de inschrijving van UBO-informatie worden – ten behoeve van strafrechtelijke handhaving – de volgende verplichtingen eveneens bij overtreding als economisch delict opgenomen in de WED:

  1. Het inwinnen en bijhouden door vennootschappen en andere juridische entiteiten van toereikende, accurate en actuele informatie over hun UBO’s;[10]
  2. Het voorzien in alle informatie door een uiteindelijk belanghebbende die voor de vennootschap of andere juridische entiteit noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de onder 1 genoemde verplichting;[11]
  3. De terugmeldplicht[12] voor Wwft-instellingen (zie onderdeel: de gevolgen voor Wwft-instellingen).[13]

Blijkens de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordt het overtreden van de hierboven vermelde verplichtingen aangemerkt als een misdrijf, voor zover opzettelijk begaan, anders is zij een overtreding.[14] De misdrijfvariant kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, een taakstraf of geldboete van de vierde categorie.[15] Op de overtredingsvariant staat een hechtenis van ten hoogste zes maanden, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie.[16]

Het Bureau Economische Handhaving (BEH) zal worden belast met de handhaving van de genoemde UBO-verplichtingen. Handhaving zal plaats vinden op basis van signalen die het BEH ontvangt van de KvK.

Op grond van de ernst van het feit zal worden gedifferentieerd in sanctie. Bij relatief eenvoudig te constateren en lichte overtredingen bestaat er geen noodzaak tot strafrechtelijke afdoening. Hierbij moet worden gedacht aan het niet tijdig aanleveren van UBO-informatie. Strafrechtelijke afdoening kan echter geïndiceerd zijn, indien verzwarende omstandigheden zich voordoen. Hierbij dient onder meer gedacht te worden aan het opzettelijk doorgeven van onjuiste UBO-informatie.

Ten aanzien van de terugmeldplicht krijgen de Wwft-toezichthouders de bevoegdheid om hun handhavingsinstrumentarium in te zetten wanneer zij een overtreding van deze terugmeldplicht door een onder hun toezicht staande Wwft-instelling constateren. Dat instrumentarium bestaat uit het opleggen van een bestuurlijke boete of last onder dwangsom of het geven van een aanwijzing.

De gevolgen voor Wwft-instellingen

Instellingen die op grond van de Wwft verplicht zijn cliëntenonderzoek te verrichten, worden verplicht fouten die zij in het register constateren aan de KvK te melden.[17] Deze bepaling komt als volgt te luiden:

“Een instelling doet melding aan de Kamer van Koophandel van iedere discrepantie die zij aantreft tussen een gegeven omtrent een uiteindelijk belanghebbende dat zij verstrekt heeft gekregen uit het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, en de informatie over die uiteindelijk belanghebbende waarover zij uit anderen hoofde beschikt.”

Aan de Wwft wordt tevens toegevoegd dat Wwft-instellingen zich bij hun cliëntenonderzoek niet uitsluitend mogen verlaten op UBO-informatie in het Handelsregister.[18] Van Wwft-instellingen wordt verwacht dat zij in het kader van het door de Wwft verplicht gestelde risicogebaseerde cliëntenonderzoek meer UBO-informatie verzamelen en bewaren dan de UBO-informatie die zij uit het Handelsregister kunnen halen.

De terugmeldplicht staat los van de reeds bestaande meldplicht als bedoeld in artikel 16 Wwft. Op grond van dit artikel moet een instelling een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld melden aan de FIU. In de memorie van toelichting wordt hierover het volgende opgemerkt:

“Indien een meldingsplichtige instelling derhalve in het kader van het cliëntenonderzoek informatie over een UBO heeft verzameld die tot de conclusie leidt dat sprake is van een ongebruikelijke transactie – nu de instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme -, dient de meldingsplichtige instelling dit onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden te melden aan de Financiële inlichtingen eenheid en niet aan de Kamer van Koophandel.”

De terugmeldplicht aan de KvK is dan blijkens het voorgestelde artikel 10c Wwft niet van toepassing. De Wwft-instelling zal dus bij een eenmaal geconstateerde discrepantie moeten afvragen of een melding moet worden gedaan bij de KvK (terugmeldplicht) of de FIU (melding ongebruikelijke transactie).

Het onderscheid zal niet altijd even makkelijk te maken zijn. Als een Wwft-instelling in het kader van het cliëntenonderzoek constateert dat door de UBO onjuiste informatie is geregistreerd in het Handelsregister, kan dat aanleiding zijn om nader te onderzoeken of een transactie verband kan houden met witwassen en er een melding moet worden gedaan bij de FIU. Constateert de Wwft-instelling meer ‘onschuldige’ discrepanties tussen de UBO-informatie bij de KvK en de informatie die hijzelf beschikbaar heeft, dan ligt een melding aan de KvK voor de hand. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het niet tijdig doorgegeven van wijzigingen.

Uitvoeringstoets wetsvoorstel

Inmiddels heeft ook de Belastingdienst het ingediende wetsvoorstel onder de loep genomen. Haar oordeel, zoals weergeven in de op 4 april 2019 gepubliceerde uitvoeringstoets, is op onderdelen zeer kritisch: “Het voorstel is fraudegevoelig” en “de handhaving is naar verwachting beperkt effectief”.

Volgens de Belastingdienst zal het naar verwachting in de praktijk ingewikkeld en zelfs onmogelijk blijken om relevante informatie uit het buitenland te krijgen. Ook zal het niet in alle gevallen mogelijk blijken door te dringen in bewust opgezette niet-transparante constructies. Het blijft aldus maar de vraag of de voorgenomen maatregelen de UBO daadwerkelijk in beeld brengen.

Verder acht de Belastingdienst het wetsvoorstel fraudegevoelig. Uiteindelijk belanghebbenden die zich om fiscale of andere redenen achter niet-transparante constructies willen verschuilen, zullen (eerder) onjuiste of onvolledige UBO-gegevens aanleveren. Bovendien ontstaat met de voorgenomen verplichting een prikkel uit te wijken naar bepaalde rechtsfiguren, nu zij enkel gelden voor de specifiek in het voorstel genoemde rechtsvormen, aldus de Belastingdienst.

Nu Nederland eenmaal verplicht is tot het instellen van een (openbaar) register is het niet de vraag of, maar hoe en wanneer het register zal worden ingevoerd. De UBO’s en Wwft-instellingen doen er aldus goed aan de op termijn aan te leveren informatie scherp op het netvlies te hebben en de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten te houden. Inwerkingtreding staat immers voor de deur: de eerste opgave zal in het geval dat de voorgestelde wet per 10 januari 2020 in werking treedt uiterlijk op 10 juli 2021 dienen plaats te vinden.

https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-financien/documenten/kamerstukken/2019/04/04/bijlage-1.-wetsvoorstel-ubo-register

[1] Tax Live, “Implementatie UBO-register: Een te weinig doordacht moetje!

[2] Deze registratieverplichting zal komen te gelden voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, de naamloze vennootschap, de Europese naamloze vennootschap, het Europees economisch samenwerkingsverband, de Europese coöperatieve vennootschap, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de vereniging, de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, de vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid die een onderneming drijft, de stichting, de maatschap, de commanditaire vennootschap, de vennootschap onder firma en de rederij.

[3] Voorgesteld wordt artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 uit te breiden met een nieuw onderdeel d, waarmee duidelijk wordt dat het centraal registreren van uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten in een register wordt ingevoerd.

[4] Wat betreft de definitie van de uiteindelijk belanghebbende zal in de Handelsregisterwet 2007 worden terugverwezen naar de Wwft. In de Wwft wordt, in afwijking van de definitie in artikel 1, eerste lid van de huidige Wwft, de UBO-definitie van het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende’ neergelegd in artikel 10a, eerste lid, Wwft.

[5] Thans wordt in de volgende bevoegde autoriteiten voorzien: De Nederlandsche Bank, de Autoriteit Financiële Markten, het Bureau Financieel Toezicht, het Bureau Toezicht Wwft, de Kansspelautoriteit, de dekens van de Orde van Advocaten in hun rol van toezichthouder Wwft, de Belastingdienst, de Douane, de Dienst Justis, het Bureau Bibob, de Nationale Politie, het Openbaar Ministerie, de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst, de Militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst, de Koninklijke Marechaussee, de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD), de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW-DO), de Inlichtingen- en opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA-IOD), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT/IOD), de Rijksrecherche en het Bureau Economische Handhaving.

[6] De term ‘Financiële inlichtingen eenheid’ wordt zowel in de richtlijn als in de Wwft gehanteerd. Hiermee wordt de ‘Financial Intelligence Unit Nederland’ of FIU-Nederland’ bedoeld.

[7] De UBO dient aan te tonen dat van één van de navolgende gevallen sprake is: blootstelling aan een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie, minderjarigheid of andersoortige handelingsonbekwaamheid.

[8] Ingevolge artikel 47 Handelsregisterwet 2007 jo. artikel 2, lid 4, en 6, lid 1, onderdeel 5 WED.

[9] Voorgesteld Artikel 47a Handelsregisterwet 2007.

[10] Voorgesteld artikel 10b, lid 1, Wwft.

[11] Voorgesteld artikel 10b, lid 2, Wwft.

[12] Inzake de terugmeldplicht krijgen de Wwft-toezichthouders de bevoegdheid om hun handhavingsinstrumentarium in te zetten wanneer zij een overtreding van deze terugmeldplicht door een onder hun toezicht staande Wwft-instelling constateren. Dat instrumentarium bestaat uit het opleggen van een bestuurlijke boete of last onder dwangsom of het geven van een aanwijzing. In artikel 13 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector zal hiervoor de boetecategorie worden vastgesteld.

[13] Voorgesteld artikel 10c Wwft.

[14] Artikel 1, onderdeel 2° juncto artikel 2, eerste lid, van de WED. Vreemd genoeg levert het opzettelijk niet registreren van UBO-informatie geen misdrijf op.

[15] Artikel 6 lid 1, onderdeel 2 van de WED.

[16] Artikel 6 lid 1, onderdeel 5 van de WED.

[17] Voorgesteld artikel 10c, lid 1, Wwft.

[18] Voorgesteld artikel 3, lid 15, Wwft.