Auteur: admin

Accountant enkel tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor eigen handelen of nalaten: klacht ongegrond

Betrokkene is accountant-administratieconsulent en mede-eigenaar van A Accountants en Belastingadviseurs B.V. (hierna: het accountantskantoor). Klager drijft een eenmanszaak – een administratiekantoor – en is gehuwd met C. Klager en C zijn in een echtscheidingsprocedure verwikkeld. In het kader van de afwikkeling van de echtscheiding heeft C de belastingadviseur van het accountantskantoor gevraagd om een indicatie van de waarde van de onderneming van klager. De belastingadviseur heeft C daarom de “Berekening van de goodwill bij benadering iz Administratiekantoor B” toegezonden.

Klager heeft op zijn beurt een medewerker van het accountantskantoor laten weten dat de berekening niet correct is en hij heeft deze medewerker verzocht ofwel daarvan afstand te nemen ofwel de bijlage op papier van het kantoor te printen en te laten ondertekenen door een tekenbevoegde persoon. Hierop heeft de betreffende medewerker aangegeven het verzoek niet in behandeling te nemen omdat niet klager, maar C de opdrachtgever is. Vervolgens heeft klager een ander accountantskantoor opdracht gegeven de goodwill van zijn onderneming te berekenen. Dit andere accountantskantoor heeft klager een geheel andere waardering van de goodwill toegezonden.

Bij de Accountantskamer verwijt klager betrokkene dat het accountantskantoor moedwillig een verkeerd beeld heeft gegeven van de waarde van het administratiekantoor waardoor klager onnodig hoge advocaatkosten heeft moeten maken.

De Accountantskamer overweegt dienaangaande dat een accountant alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor eigen handelen of nalaten, tenzij de accountant als vaktechnisch verantwoordelijke voor handelen of nalaten van een ander heeft te gelden. In het onderhavige geval ziet de klacht op werkzaamheden betreffende de goodwill-berekening die niet door betrokkene, maar door de belastingadviseur (van hetzelfde kantoor) zijn uitgevoerd. Deze belastingadviseur is daarvoor zelfstandig als Register Belastingadviseur tuchtrechtelijk bij een ander college (de Raad van Tucht van de Vereniging Register Belastingadviseurs) aan te spreken. In beginsel is een accountant niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor handelen van een kantoorgenoot die zelf onder het bereik van accountantstuchtrecht of ander (fiscaal) tuchtrecht valt.

Naar het oordeel van de Accountantskamer staat vast dat betrokkene niet betrokken is geweest bij de advisering aan C of de waardering van de onderneming van klager. Dat betrokkene achteraf kennis heeft gekregen van het bestaan van de berekening en de inhoudelijke bezwaren van klager daartegen maakt evenmin dat betrokkene als gevolg daarvan toch tuchtrechtelijk verantwoordelijk is te houden. De klacht is naar het oordeel van de Accountantskamer dan ook ongegrond.

De Accountantskamer 12 augustus 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:56.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_56?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=4

Berisping voor accountant die onzorgvuldig en niet vakbekwaam rapporteert over zijn werkzaamheden

Betrokkene is als openbaar accountant werkzaam bij een accountantskantoor, dat sinds 2007 jaarlijks rapport uitgebracht heeft omtrent de jaarrekening van een stichting. Betrokkene is sinds 2015 de tekenend accountant van de stichting en heeft een samenstellingsopdracht aanvaard. Derhalve heeft betrokkene een accountantsrapport met betrekking tot de stichting opgesteld waarin tevens een samenstellingsverklaring is opgenomen.

Klager heeft tegen betrokkene een klacht ingediend en kan naar het oordeel van de Accountantskamer in zijn klacht worden ontvangen. In zijn klacht verwijt klager betrokkene dat hij bij de uitvoering van de samenstellingsopdracht onzorgvuldig en onbekwaam heeft gehandeld.

De Accountantskamer overweegt dat de vermeldingen in de samenstellingsverklaring van betrokkene dat hij is nagegaan dat een aantal posten juist is weergegeven in de jaarrekening en dat hem geen andere zaken bekend zijn geworden die in dit rapport tot uitdrukking moeten worden gebracht, duiden op beoordelingswerkzaamheden in het kader van een assurance-opdracht. Hierdoor heeft betrokkene onduidelijkheid laten bestaan over de aard van zijn werkzaamheden, waarbij hij de indruk heeft gewekt dat zekerheid wordt verstrekt. Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene hiermede niet vakbekwaam en zorgvuldig gerapporteerd over zijn werkzaamheden en derhalve het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Voorts had betrokkene gelet op het bepaalde in de statuten van de stichting in zijn samenstellingsverklaring duidelijk moeten vermelden dat hij geen oordeel kan geven over de getrouwheid van de jaarrekening, opdat voor derden voldoende duidelijk zou zijn geweest dat met de samenstellingsverklaring geen rapport omtrent de getrouwheid is afgegeven. Door dit na te laten heeft betrokkene het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet in acht genomen.

Tenslotte heeft betrokkene in de jaarrekening slechts vermeld dat deze is samengesteld in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde verslaggevingsregels, zonder dat hij daarbij heeft vermeld welke specifieke regels hij daarmee bedoelt. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de opdrachtbevestiging staat vermeld dat de jaarrekening zal worden samengesteld in overeenstemming met de van toepassing zijnde grondslagen voor financiële verslaggeving en de wettelijke voorschriften volgens titel 9 van boek 2 BW, terwijl betrokkene de jaarrekening (grotendeels) op grond van RJK-C1 heeft samengesteld. Aangezien de jaarrekening een andere grondslag heeft dan genoemd in de opdrachtbevestiging, kon betrokkene niet volstaan met een verwijzing naar de algemeen aanvaarde verslaggevingsregeling. Betrokkene had in dit geval duidelijk moeten vermelden op welke grondslag de jaarrekening was gebaseerd. Nu betrokkene dat niet heeft gedaan, heeft hij het voor hem geldende fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet in acht genomen.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van berisping passend en geboden.

De Accountantskamer 5 augustus 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:55.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_55?dateperiodstart=01-08-2019&dateperiodend=31-08-2019&dateperiod=tussen&DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=2

Waarschuwing voor bestuursvoorzitter Ernst & Young wegens tekortkomingen in kwaliteitssysteem

Betrokkene is als partner-registeraccountant en bestuursvoorzitter van Ernst & Young Accountants LLP (hierna: EY Accountants)er voor verantwoordelijk dat binnen de organisatie een stelsel van kwaliteitsbeheersing geldt.

DNB heeft klager 1 (hierna: X1) een boete opgelegd van € 4.977.500 in verband met niet-toegestane nevenactiviteiten door de aan haar gelieerde klaagster 2 (hierna: X2). X1 heeft tegen dit besluit bij DNB bezwaar gemaakt omdat de hoogte van het door haar behaalde voordeel minder dan € 2 miljoen zou zijn. Haar standpunt in die procedure heeft ze onderbouwd met een door C opgesteld rapport (hierna: het rapport). EY Accountants heeft het rapport van C beoordeeld en daarover een rapport opgeleverd. Op basis van de bevindingen van EY Accountants neemt DNB de conclusie van C, dat het behaalde voordeel minder dan EUR 2 miljoen zou zijn, niet over.

Naar aanleiding van het rapport hebben klagers tegen betrokkene een klacht ingediend bij de Accountantskamer. In het klaagschrift houden klagers betrokkene op het niveau van het kwaliteitssysteem van EY Accountants verantwoordelijk voor de wijze waarop de opdracht is uitgevoerd.

Ter zitting is de Accountantskamer gebleken dat voor de adviesopdrachten die namens EY Accountants door niet-accountants worden uitgevoerd symptomatisch niet dezelfde borging van de kwaliteit geldt als voor adviesopdrachten die (zouden) worden uitgevoerd door accountants, terwijl cliënten over deze gevolgen van het toepasselijke kwaliteitssysteem niet duidelijk worden geïnformeerd. Betrokkene had hetna kennisneming daarvan moeten opvallen dat, zonder duidelijke in het kwaliteitssysteem op te nemen waarborgen, verwarring bij gebruikers het gevolg zou kunnen zijn. Aldus had een maatregel genomen moeten worden met als strekking dat bij dergelijke opdrachten duidelijk wordt vermeld dat zij worden of zijn uitgevoerd door niet-accountants en zonder dat de voor accountants geldende wet- en regelgeving van toepassing is. Omdat een dergelijke maatregel ontbreekt, kent het kwaliteitssysteem een (zonder meer kenbare) tekortkoming die strijdig is met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. In zoverre is de klacht naar het oordeel van de Accountantskamer gegrond.

Voorts is naar het oordeel van de Accountantskamer niet gebleken dat betrokkene, nadat hij daarop is aangesproken door klagers, tot stappen is gekomen om een maatregel te treffen om de door het rapport gewekte onjuiste, onvolledige of misleidende indruk weg te nemen. Daarom is de Accountantskamer met klagers van oordeel dat er sprake was van in ieder geval materieel onvolledige informatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de VGBA. Betrokkene had als de voor dit kwaliteitssysteem verantwoordelijke accountant een passende maatregel dienen te treffen, hetgeen hij, daartoe aangesproken, heeft nagelaten. Ook in zoverre is de klacht naar het oordeel van de Accountantskamer gegrond.

Aangezien betrokkene verantwoordelijk moet worden gehouden voor de opzet en werking voor het kwaliteitssysteem van EY accountants en naar aanleiding van onderhavige kwestie, daartoe door klagers aangesproken, geen maatregel (c.q. waarborg) in dit individuele geval heeft getroffen om de klaarblijkelijke, materiële onvolledigheden op te heffen, is de Accountantskamer van oordeel dat aan betrokkene een maatregel dient te worden opgelegd. De Accountantskamer acht alle omstandigheden van het geval afwegende dat kan worden volstaan met de maatregel van waarschuwing.

De Accountantskamer 6 september 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:59.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_59

Vrijspraak voor verdachte die niet als aangifteplichtige kan worden aangemerkt noch als medepleger kan worden aangemerkt omdat hij geen werknemer maar zzp’er is, wel veroordeling voor (medeplegen van) valsheid in geschrifte

Verdachte staat onder meer terecht ter zake van het (mede)plegen van het opzettelijk onjuist indienen van aangiften loonheffing ten name van X BV.

Uit de bewijsmiddelen komt naar het oordeel van het Hof naar voren dat een deel van de aan de uitzendkrachten uitbetaalde lonen niet in de loonadministratie van X BV werd opgenomen. Daarmee is sprake van een valselijk opgemaakte loonadministratie en deze administratie diende als basis voor de gedane aangiften loonheffing. Verdachte wist dat slechts een deel van het loon van de uitzendkrachten werd opgenomen in de loonadministratie en heeft die te lage lonen ingevoerd in het boekhoudprogramma. Vervolgens heeft zij, via dat programma, de aangiften loonheffing ten name van X BV ingediend bij de Belastingdienst.

Het Hof overweegt dat de norm van de wetsbepaling zich richt op degene die de kwaliteit van belastingplichtige bezit. Het Hof stelt vast dat de tenlastelegging is toegesneden op de feitelijkheid dat ‘zij (…) tezamen en in vereniging met X BV en/of anderen, althans alleen (…) aangifte loonheffingen onjuist en/of onvolledig heeft gedaan’. De verweten gedraging ziet aldus in de kern op het doen van de aangiften loonheffing.

Het Hof stelt voorop dat verdachte slechts als pleger van het ten name van X BV onjuist doen van de aangiften loonheffing kan worden aangemerkt, indien verdachte degene was die tot het doen van die aangiften gehouden was. Van dat laatste kan alleen sprake zijn als de verdachte is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Uit het dossier komt naar voren dat X BV als inhoudingsplichtige voor de loonheffing is uitgenodigd tot het doen van aangiften loonheffing. Niet is gebleken dat verdachte (eveneens) is uitgenodigd tot het doen van de in de tenlastelegging bedoelde aangiften. Mitsdien kan zij naar het oordeel van het Hof niet worden aangemerkt als pleger van het onjuist doen van die aangiften.

De bijdrage van verdachte in de constellatie van de door X BV begane belastingfraude bestaat naar het oordeel van het Hof uit het onterecht niet opnemen van de juiste loonbedragen in het boekhoudprogramma waarop de aangiftebiljetten zijn gebaseerd. Verdachte was werkzaam voor X BV als zzp’er en zij heeft dan ook niet voor de BV opgetreden als werknemer. Verdachte kan daarmee niet als medepleger van het opzettelijk onjuist doen van aangiften loonheffing worden aangemerkt.

Door het Hof is wel het medeplegen van het valselijk opmaken van een loonadministratie en het valselijk opmaken van aangiften loonheffing bewezen verklaard. In het kader van de straftoemeting is acht geslagen op onder andere de rol van verdachte [zij was als zzp’er met haar administratieve werkzaamheden ondergeschikt aan haar opdrachtgevers (medeverdachten)] alsmede op de wijze waarop de zaken tegen haar medeverdachten zijn afgedaan [de strafzaak tegen de directeur is getransigeerd voor € 5.000 en een taakstraf van 120 uur en de strafzaken tegen de bedrijven zijn geseponeerd en de directe collega’s van verdachte op de afdeling administratie zijn niet vervolgd]. De verdachte heeft, anders dan de directeuren van de bedrijven in kwestie, geen financieel voordeel uit de strafbare feiten genoten.

Alles afwegende veroordeelt het Hof verdachte tot een geldboete van € 5.000, waarvan € 3.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:3314

12 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk indienen van vele onjuiste aangiften omzetbelasting namens een goede doelenstichting

Bewezen verklaard is dat verdachte zich als feitelijk leidinggever schuldig heeft gemaakt aan het door een goede doelenstichting opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting. Verdachte, voorzitter van de stichting, heeft op basis van valse facturen onterecht voorbelasting geclaimd en omzetbelasting teruggevraagd over het tweede kwartaal van 2016. De stichting had daarop geen recht, omdat de inkopen van kantoorartikelen in werkelijkheid nooit hadden plaatsgevonden. In andere tijdvakken is voorbelasting teruggevraagd terwijl daaraan geen inkoopfacturen ten grondslag lagen.

Als gevolg van het handelen van verdachte hebben de Staat en de Europese Unie een belastingnadeel van € 257.848 geleden. Dit bedrag is enerzijds gebaseerd op het nadeel dat is ontstaan als gevolg van het doen van 22 onjuiste aangiften omzetbelasting in de bewezenverklaarde periode en anderzijds op het nadeel dat in de daaraan voorafgaande periode is ontstaan door het indienen van onjuiste aangiften.

Hoewel in de tenlastelegging slechts 5 aangiften zijn gespecificeerd en bewezen zijn verklaard, is het Hof van oordeel dat bij de straftoemeting rekening kan worden gehouden met het nadeel dat is ontstaan als gevolg van het indienen van alle onjuist gedane aangiften van de stichting. Uit het procesdossier blijkt dat sprake is van een identiek fraudepatroon. De fiscus is als financier gebruikt voor eigen geldelijk gewin. Niet aannemelijk is geworden dat (het overgrote deel van) de onterecht ontvangen gelden zijn geschonken aan goede doelen in Afrika, al doet dit niet af aan de ernst van de belastingfraude.

Verdachte is volgens het Hof nog steeds niet doordrongen van het kwalijke van zijn gedrag. Aanvankelijk gaf verdachte geen volledige openheid van zaken over de fictieve aankopen. Aan de onjuiste aangiften omzetbelasting liggen dan ook valse facturen ten grondslag of ontbreken de benodigde facturen. Pas na doorvragen ter zitting heeft verdachte erkend dat hij de inkopen, waarvoor hij voorbelasting heeft teruggevraagd, nimmer heeft verricht.

Het Hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:3313

Verdachte vrijgesproken nu op de ten laste gelegde datum nog geen sprake was van het niet (tijdig) doen van aangifte (er volgde nog een herinnering en een aanmaning)

Verdachte wordt verdacht van het op of omstreeks 1 mei 2016 niet (tijdig) hebben gedaan van aangifte inkomstenbelasting over 2015.

Verdachte moest vóór 1 mei 2016 aangifte inkomstenbelasting doen, maar heeft dat niet gedaan. Op 17 juni 2016 volgde een herinneringsbrief dat de aangifte vóór 1 juli 2016 moest zijn ingediend. Nadat verdachte de aangifte nog niet indiende heeft de inspecteur hem op 29 juli 2016 een aanmaning gestuurd met het verzoek de aangifte uiterlijk 12 augustus 2016 in te dienen. De aangifte bleef uit.

Het Hof ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte al op 1 mei 2016 niet, of niet binnen de gestelde termijn, aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan.

Het Hof is van oordeel dat voordat de conclusie kan worden getrokken dat niet (tijdig) aangifte is gedaan, een belastingplichtige eerst aan de aangifteplicht herinnerd en vervolgens daartoe aangemaand moet worden. Derhalve kan pas na de laatst genoemde termijn worden gesproken van een voltooid delict.

Verdachte kan daarom slechts een strafrechtelijk verwijt worden gemaakt na afloop van de door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn voor het alsnog doen van de aangifte, te weten vanaf 13 augustus 2019. Dit is niet ten laste gelegd. Het Hof zal verdachte om die reden vrijspreken van het op of omstreeks 1 mei 2016 niet, althans niet binnen de door de inspecteur gestelde termijn, doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2015.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:3311

Trustkantoor Vistra betaalt € 350.000 voor het niet melden van ongebruikelijke transacties

Het trustkantoor Vistra heeft een door het Openbaar Ministerie (OM) aangeboden transactie in de vorm van een betaling van € 350.000 geaccepteerd en betaald voor het niet tijdig melden van ongebruikelijke transacties bij de Financial Intelligence Unit (FIU-NL).

De betreffende transacties werden verricht door een dochteronderneming van een bedrijfsgroep uit Oekraïne, actief in de energie- en grondstoffensector. Deze dochteronderneming was een cliënt van Vistra. Volgens het OM heeft Vistra vier transacties door de bedrijvengroep in 2013 niet tijdig gemeld bij de FIU-NL. Daarnaast heeft Vistra volgens het OM nagelaten afdoende onderzoek te verrichten naar de UBO’s van de verkopende partij en de transacties en zijn de integriteitsrisico’s onvoldoende onderkend.

Feiten

Trustkantoor Vistra was medebestuurder van de Nederlandse dochteronderneming van een bedrijfsgroep. De dochteronderneming sloot in 2013 een deal met een vijftal op de BVI gevestigde bedrijven om zeggenschap te verkrijgen in een belangrijke speler in de Oekraïense energie en grondstoffensector. De onderneming kocht voor ruim 200 miljoen euro vier andere Cypriotische bedrijven. De betaling van deze koop bestond uit vier samenhangende transacties en vonden plaats via Zwitserse en Oostenrijkse banken.

Vistra had de betreffende voorgenomen transactie nader onderzocht vanwege de betaling via een Zwitserse bankrekening. Zowel medewerkers van het cliënt-team als de afdeling Compliance hebben beoordeeld of de transactie verband zou kunnen houden met witwassen. Naar het oordeel van Vistra was daar geen sprake van.

Onderzoek DNB

DNB verrichtte in juni 2014 een themaonderzoek naar political exposed persons (PEPs) of politiek prominente personen uit hoogrisicolanden, met specifieke aandacht voor Rusland en Oekraïne. In dit kader werd ook Vistra onderzocht. DNB heeft tijdens haar onderzoek een eerste betaling met betrekking tot de hierboven genoemde aandelenkoop beoordeeld. DNB is van oordeel dat de betreffende transactie als ongebruikelijk aangemerkt had moeten worden en vervolgens bij de FIU had moeten worden gemeld. Ook vindt DNB dat Vistra te weinig onderzoek heeft gedaan naar de achtergrond van deze transactie en was zij niet op de hoogte wie de UBO’s waren van de verkopende partijen. In maart 2015 heeft DNB aangifte gedaan en de bevindingen van het onderzoek met het OM gedeeld.

De FIOD heeft deze transacties onderzocht en komt tot hetzelfde oordeel als DNB. Van enig nader onderzoek door Vistra is niet gebleken. Daarnaast is de FIOD van oordeel dat ook drie andere transacties – die hadden plaatsgevonden om de deal compleet te maken – hadden moeten worden gemeld.

Vistra had bij de cliëntacceptatie de klant aangemerkt als een ‘High Risk’ klant, zodat Vistra de cliënt doorlopende diende te controleren. Desondanks heeft Vistra de deal door laten gaan en de betalingen daarvoor laten verrichten, terwijl zij slechts summier op de hoogte was van de achtergrond van de deal.

Naar aanleiding van het onderzoek van DNB heeft Vistra alsnog nadere vragen gesteld aan haar cliënt over onder andere de bestemming van de betalingen en de omstandigheden waaronder de transacties plaatsvonden. Toen de cliënt geen bevredigende antwoorden gaf op de vragen, besloot Vistra in 2014 alsnog over te gaan tot het melden.

Afdoening

Vistra heeft volgens het OM rond de betrokken transacties in 2013 de poortwachtersfunctie niet goed vervuld. Het OM ziet de betaling van € 350.000 als een passende en effectieve afdoening. Vistra is niet eerder vervolgd voor dit soort feiten en heeft medewerking verleend aan het onderzoek. In de zittingszaal zou het OM een vergelijkbare straf hebben geëist. Verder heeft meegespeeld dat het bedrijf inmiddels compliance maatregelen heeft genomen en dat de huidige organisatie ten opzichte van 2013 geheel is veranderd en verbeterd.

Openbaar Ministerie 3 september 2019

https://www.om.nl/@106596/trustkantoor-vistra/

Mate van verwijtbaarheid speelt geen rol bij hoogte van verzuimboete, wel vermindering tot € 500 overeenkomstig nader standpunt inspecteur

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 december 2017 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Gelijktijdig heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd van € 1.260.

Ter zitting heeft de inspecteur de stelling ingenomen dat de boete dient te worden verminderd tot € 500. In geschil is nog of de verzuimboete op een lager bedrag dan € 500 dient te worden vastgesteld.

Belanghebbende is ter zake van de afkoop van in eigen beheer opgebouwd pensioen eenmalig aangifteplichtig voor de loonbelasting. Belanghebbende heeft ter zake van de afkoop aangifte gedaan. Tegelijkertijd is aangifte gedaan voor een met belanghebbende gelieerde vennootschap. De loonheffing op de laatste is tijdig afgedragen, maar de aangifte van belanghebbende is niet tijdig betaald waarna de inspecteur een verzuimboete heeft opgelegd.

De aangifte van belanghebbende is, zoals zij stelt, abusievelijk ‘weggeklikt’ waardoor  de verschuldigde loonheffing niet op aangifte is afgedragen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gezien het eenmalige karakter van de afdracht loonheffing en de omstandigheid dat overigens alle andere loonheffingen altijd stipt op tijd zijn afgedragen, er grond bestaat voor matiging van de boete.

Het Hof stelt vast dat sprake is van een betaalverzuim. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, speelt de mate van verwijtbaarheid geen rol bij de bepaling van de hoogte van de verzuimboete. De aangevoerde omstandigheden zijn naar het oordeel van het Hof onvoldoende voor het concluderen tot afwezigheid van alle schuld om een boete achterwege te laten. De achtergrond van het te laat betalen, door belanghebbende bestempeld als ‘foutje’, komt -mede gelet op het door de Inspecteur in het verweerschrift genoemde en door belanghebbende in zijn nadere stuk niet betwiste, contact met de Belastingdienst over de te volgen stappen en het feit dat belanghebbende daardoor op de hoogte was van haar betalingsplicht- voor rekening en risico van belanghebbende.

Belanghebbende is eerst na oplegging van de naheffingsaanslag tot betaling van de loonheffing over gegaan. Weliswaar is dit direct geweest nadat zij, door deze naheffingsaanslag, tot de conclusie kwam dat abusievelijk niet was betaald, maar belanghebbende was volgens het Hof wel degelijk op de hoogte van de verschuldigdheid van de loonheffing. Het Hof oordeelt dat het aan een belastingplichtige is om bij de aangifte en afdracht van belasting zorgvuldig te werk te gaan.

Het Hof acht een boete van (het door de inspecteur voorgestelde bedrag van) € 500 passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:2019

Gebruik van de weg tijdens een schorsing vanwege een defect alarm leidt niet tot avas

Belanghebbende is kentekenhouder van een personenauto. De geldigheid van het kentekenbewijs was van 10 juni 2014 tot en met 22 mei 2015 geschorst. Op 11 november 2015 is geconstateerd dat de auto stond geparkeerd op een parkeervak voorzien van een blauwe streep terwijl de auto niet voorzien was van een duidelijk zichtbare parkeerschijf.

Ter zake van deze constatering is een controleformulier opgesteld en is melding gedaan bij de inspecteur. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd en een verzuimboete van € 824 (100% van de nageheven belasting).

In geschil is onder meer of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende zijn auto tijdens een periode dat de geldigheid van het kenteken was geschorst, stond geparkeerd op een aan de weg gelegen openbare parkeerplaats. Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat met het parkeren gebruik gemaakt is van de openbare weg, is aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag opgelegd. De stellingen van belanghebbende dat hij beschikt over een eigen parkeerplaats en dat hij slechts één dag gebruik heeft gemaakt van de openbare weg, omdat het alarm van de auto defect was, kunnen hem niet baten. De tijdsduur van het parkeren is naar het oordeel van het Hof niet van belang voor het antwoord op de vraag of met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg.

Slechts als sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) wordt geen verzuimboete opgelegd. De stelling van belanghebbende dat bij hem sprake is van afwezigheid van alle schuld omdat hij de auto vanwege de problemen met het alarm en het bezoek aan de garage dat daardoor noodzakelijk was wel moest parkeren op de openbare weg, verwerpt het Hof. Belanghebbende is bekend met de schorsingsregeling en wist of had kunnen weten dat hij de schorsing digitaal had kunnen opheffen. Voorts stonden belanghebbende alternatieven ter beschikking om het alarm uit te schakelen. Het Hof is gelet hierop van oordeel dat geen sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Het Hof oordeelt dat de verzuimboete terecht is opgelegd en acht een boete van € 824 passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:1257

Boeteoplegging aan fiscale eenheid op grond van de wet mogelijk

Belanghebbende is sinds 1 juli 2016 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Belanghebbende heeft voor het eerste kwartaal van 2018 aangifte omzetbelasting gedaan naar een te betalen bedrag van € 249.993. Dit bedrag is niet tijdig voldaan. De inspecteur heeft om die reden een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd en een verzuimboete opgelegd van het wettelijk maximum, zijnde € 5.278.

In geschil is of aan belanghebbende een boete kan worden opgelegd en zo ja, of de boete gematigd moet worden.

De Rechtbank overweegt dat de verzuimboete is opgelegd op grond van art. 67c van de Awr. Uit dat artikel volgt dat aan de belastingplichtige die aan de daar omschreven voorwaarden voldoet een boete kan worden opgelegd. Dit artikel regelt niet alleen voor welk feit een boete kan worden opgelegd, maar richt zich ook tot het rechtssubject. Bij kwaliteitsdelicten is het rechtssubject met de specifieke hoedanigheid of kwaliteit waartoe de boetebepaling zich richt, in dit geval de belastingplichtige, de pleger. Omdat in dit geval de fiscale eenheid de belastingplichtige is, is zij degene tot wie het artikel zich richt en degene die de beschreven overtreding begaat en derhalve beboet kan worden. De Rechtbank is om die reden van oordeel dat er een wettelijke grondslag is om aan de fiscale eenheid een boete op te leggen.

Met betrekking tot de hoogte van de boete overweegt de Rechtbank dat financiële omstandigheden aanleiding kunnen zijn om tot matiging van de boete over te gaan. Dat belanghebbende bij de ontvanger een beroep op betalingsonmacht is gedaan, doet naar het oordeel van de Rechtbank aan het verzuim niet af. Of de boete passend en geboden is moet de Rechtbank beoordelen met inachtneming van de omstandigheden waarin belanghebbende ten tijde van de beroepsprocedure verkeert. Alleen wanneer sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het ontbreken van draagkracht, is de Rechtbank gehouden zijn uitspraak op dat punt van een nadere motivering te voorzien. Belanghebbende heeft op dit punt geen stukken overgelegd, zodat de draagkracht van belanghebbende niet kan worden beoordeeld. De Rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding de boete te matigen. De Rechtbank acht de boete passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:3640