Auteur: admin

Ook in hoger beroep heeft het OM niet aannemelijk gemaakt dat AA valse facturen heeft opgesteld

De FIOD heeft een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd naar het plegen van witwassen door een cliënt van het kantoor van een accountant-administratieconsulent (hierna: betrokkene). Het onderzoek door de FIOD naar betrokkene was gericht op de afspraken die betrokkene in 2013 in het kader van een betalingsregeling met de betreffende cliënt heeft gemaakt. Eén van deze afspraken hield in dat betrokkene facturen gericht aan diverse aan de cliënt gelieerde Nederlandse vennootschappen crediteerde, om vervolgens nieuwe facturen uit te reiken aan gelieerde buitenlandse vennootschappen van diezelfde cliënt.

Het Openbaar Ministerie (hierna: appellant) heeft naar aanleiding hiervan een klacht tegen betrokkene ingediend bij de Accountantskamer. Aan deze klacht lag ten grondslag dat betrokkene zich als feitelijk leidinggevende schuldig zou hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte door het opmaken en/of gebruiken van valse facturen. De Accountantskamer heeft de klacht ongegrond verklaard, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat betrokkene valsheid in geschrifte heeft gepleegd bij de beschreven wijze van factureren. De Accountantskamer heeft in haar oordeel meegenomen dat de accountmanager van het kantoor die destijds de meeste contacten met de cliënt onderhield en de daaraan bestede uren registreerde, in het strafrechtelijk onderzoek niet is gehoord, hoewel dit wel voor de hand had gelegen.

In hoger beroep bij het College beperkt appellant haar klacht tot het door betrokkene opmaken van valse facturen gericht aan gelieerde, buitenlandse vennootschappen van zijn cliënt.

Betrokkene heeft daartegen aangevoerd dat de uren doorgaans op een van de Nederlandse ondernemingen geboekt werden voor zover deze niet duidelijk toerekenbaar waren aan een vennootschap die klant van zijn kantoor was. Een volledig juiste wijze van administreren was gezien de veelheid van onderwerpen en overlappende activiteiten van de vele ondernemingen, praktisch niet uitvoerbaar. Ook heeft betrokkene administratie en gespreksaantekeningen overgelegd waaruit blijkt dat met betrekking tot de buitenlandse vennootschappen wel degelijk besprekingen met cliënt hebben plaatsgevonden en werkzaamheden zijn uitgevoerd.

Het College stelt voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan appellant is om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het College neemt daarbij in overweging dat van appellant mag worden verwacht dat alleen een tuchtrechtelijke klacht wordt ingesteld wanneer uit een zorgvuldig onderzoek, serieuze aanwijzingen van tuchtrechtelijk handelen gebleken zijn.

Naar het oordeel van het College is van een zodanig onderzoek niet gebleken. Appellant heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar het door betrokkene geschetste alternatieve scenario. Het College houdt het voor mogelijk dat de uren niet steeds op de juiste onderneming werden geboekt door de werknemers van het accountantskantoor. Hierbij neemt het College in aanmerking dat appellant het zelfs na het oordeel van de Accountantskamer niet nodig heeft gevonden om de accountmanager te horen, terwijl die meer licht op de zaak had kunnen doen schijnen. Hiermede lijkt appellante in het strafrechtelijk onderzoek slechts te hebben gezocht naar informatie die haar overtuiging dat betrokkene opzettelijke valse facturen opmaakte, kon bevestigen. Daartegenover heeft betrokkene zowel in eerste aanleg als ook in hoger beroep een plausibele verklaring gegeven voor het opnieuw opmaken van de aan de buitenlandse vennootschappen gerichte facturen.

Tenslotte verwerpt het College de stelling van appellant dat betrokkene in dit stadium tegenbewijs dient te leveren, omdat het allereerst aan appellant is om aannemelijk te maken dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarin is appellant naar het oordeel van het College niet geslaagd. Het hoger beroep is naar het oordeel van het College dan ook ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 29 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:26

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2019:26

RA hoefde werkzaamheden niet te staken na ontvangst van emailberichten uit de mailbox van klager

In 2014 hebben klager en zijn ex een echtscheidingsprocedure in gang gezet. Klager heeft ontdekt dat zijn voormalige echtgenote zonder zijn toestemming twee emailberichten uit zijn mailbox heeft gekopieerd en aan betrokkene, een registeraccountant, heeft gezonden. Klager verwijt betrokkene dat hij zijn werkzaamheden voor de vrouw niet heeft gestaakt, terwijl hij kon weten dat de emailberichten die zij naar hem doorstuurde wederrechtelijk verkregen waren.

Betrokkene heeft zich in de eerste plaats verweerd met de stelling dat de klacht niet-ontvankelijk is in verband met de overschrijding van de driejaarstermijn. Aangezien klager ter zitting echter onweersproken heeft gesteld dat hij eerst op 19 mei 2015 ontdekte dat zijn ex de e-mails uit zijn mailbox had doorgestuurd naar betrokkene en uit het dossier geen aanwijzingen zijn te vinden waaruit anderszins blijkt, is de klacht naar het oordeel van de Accountantskamer ontvankelijk.

Voorts is de vraag of betrokkene een professionele dienst als bedoeld in artikel 1 van de VGBA heeft geleverd. Volgens de Accountantskamer is gebleken dat betrokkene, die een collega is van de ex van klager, zag dat zij leed onder de situatie rondom haar echtscheiding. Hij heeft naar haar geluisterd en geprobeerd haar bij te staan. Zo heeft hij in 2015 een gesprek en daarna nog een of twee keer telefonisch contact met de advocaat van klager gehad. Verder heeft hij het concept-echtscheidingsconvenant doorgenomen en daarin enkele wijzigingen voorgesteld. De Accountantskamer is dan ook van oordeel dat betrokkene een professionele dienst heeft geleverd. Hieronder vallen ook accountantswerkzaamheden die een accountant om niet en in zijn vrije tijd voor een derde verricht. Betrokkene is dan ook voor die werkzaamheden onderworpen aan tuchtrechtspraak.

Het staat vast dat de voormalige echtgenote van klager, zonder medeweten en toestemming van klager, emailberichten uit zijn mailbox heeft doorgestuurd naar betrokkene. Betrokkene wist dat, maar stelt dat hij de ex van klager heeft gewaarschuwd dat zij niet meer in de mailbox van klager moest kijken en dat zij geen mails daaruit moest doorsturen. Verder heeft betrokkene naar voren gebracht dat hij de inhoud van de mails niet heeft gebruikt. Dit wordt bevestigd in een schriftelijke verklaring van de vrouw. De Accountantskamer ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen.

Nu betrokkene de emailberichten niet in het kader van de door hem verleende, professionele dienst heeft gebruikt, zijn de fundamentele beginselen niet in het gedrang gekomen. Betrokkene had derhalve geen maatregel als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de VGBA hoeven nemen, laat staan dat hij zijn bijstand aan mevrouw had moeten staken. Naar het oordeel van de Accountantskamer is de klacht dan ook ongegrond.

De Accountantskamer overweegt ten overvloede dat ook indien het enkel ontvangen van bedoelde mailberichten een bedreiging voor één of meer fundamentele beginselen zou inhouden, er geen grond bestaat de klacht gegrond te verklaren. De mondelinge waarschuwing door betrokkene kan in dit geval als een toereikende maatregel als bedoeld in artikel 21, lid 1, VGBA worden aangemerkt. Het verwijt dat deze waarschuwing niet schriftelijk is vastgelegd, is van zo geringe betekenis dat dit nalaten niet tuchtrechtelijk laakbaar is. Vaststaat immers dat betrokkene de voormalige echtgenote op informele wijze en slechts in beperkte mate heeft bijgestaan zonder een daartoe strekkende opdracht of vergoeding.

De Accountantskamer 1 maart 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:16.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_16

Registeraccountant veroordeeld voor belastingfraude

Een voormalig registeraccountant wordt ervan verdacht (samen met een medeverdachte) opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting te hebben ingediend (als feitelijk leidinggever).

Verdachte stelt zich op het standpunt dat sprake is van dubbele bestraffing omdat hij is geschrapt uit het accountantsregister. Het is hem niet mogelijk gebleken zich na een jaar weer in te schrijven, omdat een daartoe benodigde Verklaring Omtrent het Gedrag hem is geweigerd. Daarmee heeft de schrapping een punitief karakter gekregen en is verdachte reeds gestraft. Deze tuchtrechtelijke sanctie staat daarmee in de weg aan strafvervolging.

De Rechtbank acht het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de strafvervolging. De procedure die heeft geleid tot schrapping uit het accountantsregister betreft een tuchtrechtelijke maatregel die beoogt de kwaliteit van de beroepsgroep te waarborgen. Dat is een ander beschermd belang dan de belangen waarop het strafrecht ziet. De maatregel staat dan ook naar het oordeel van de Rechtbank niet aan strafvervolging in de weg.

De Rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die namens de rechtspersonen – waarvan hij de feitelijk leidinggever was – onjuiste aangiften omzetbelasting heeft opgemaakt en ingediend. De in die aangiften opgegeven omzet en de daarover af te dragen omzetbelasting waren aanzienlijk lager dan, de (ook uit de administratie blijkende) omzet die in werkelijkheid was gerealiseerd. De ingediende aangiften omzetbelasting waren dan ook onjuist.

Dat verdachte zich daarvan bewust is geweest volgt uit zijn eigen verklaring. Daarmee is komen vast te staan dat verdachte deze aangiften opzettelijk onjuist heeft ingediend. Het feit dat verdachte naar eigen zeggen van plan was achteraf suppletieaangiften te doen, doet er naar het oordeel van de Rechtbank niet aan af dat verdachte wist dat de door hem ingediende aangiften onjuist waren. Daarmee heeft verdachte reeds een strafbaar feit gepleegd.

De gedragingen van verdachte hebben plaatsgevonden in het kader van de normale bedrijfsuitoefening van de rechtspersonen en zijn aan die rechtspersonen dienstig geweest. Het fiscale nadeel bedraagt in totaal ongeveer € 316.000. De Rechtbank rekent het verdachte aan dat hij ten tijde van het begaan van de strafbare feiten registeraccountant was, een beschermd beroep waarvan een hoge mate van integriteit en professionaliteit verwacht wordt.

De Rechtbank veroordeelt – alles afwegend – verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren en 240 uur taakstraf. Ook de medeverdachte en de rechtspersonen zijn veroordeeld.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:2072
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:2074
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:2073
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:2075

Aan betaaldvoetbalorganisatie opgelegde vergrijpboetes wegens ten onrechte geclaimde aftrek van voorbelasting door Rechtbank verminderd

Belanghebbende is een betaaldvoetbalorganisatie en biedt tegen vergoeding business seats aan waar thuiswedstrijden kunnen worden bijgewoond en gebruik kan worden gemaakt van catering.

Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om uitsluiting van aftrek van omzetbelasting te voorkomen (goedkeuring) door de cateringkosten afzonderlijk op de factuur te vermelden en de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van deze cateringkosten in aftrek te brengen. Belanghebbende heeft de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting met betrekking tot de cateringkosten echter wel in aftrek gebracht.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek is de inspecteur tot de conclusie gekomen dat belanghebbende ten onrechte aftrek van voorbelasting met betrekking tot de cateringkosten heeft geclaimd waardoor te weinig omzetbelasting is voldaan. Om die reden heeft de inspecteur vergrijpboetes opgelegd, welke onder meer in geschil zijn.

Gelet op de brief van de inspecteur aan belanghebbende, de fiscale nieuwsbrief van de KNVB alsmede het feit dat belanghebbende in een eerder tijdvak gebruik heeft gemaakt van de goedkeuring, is de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende ten minste had moeten weten dat zij, indien zij niet handelde overeenkomstig de goedkeuring geen recht had op de geclaimde vooraftrek. Door de omzetbelasting van de cateringkosten desondanks in aftrek te brengen, is bij belanghebbende sprake van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. De inspecteur heeft derhalve terecht een vergrijpboete opgelegd ter zake van grove schuld.

Belanghebbende stelt naar het oordeel van de Rechtbank terecht dat het algemene uitgangspunt van de omzetbelasting is dat deze het consumptieve eindgebruik belast. Dat betekent echter niet dat belanghebbende in haar geval ervan uit mocht gaan dat zij recht op de geclaimde aftrek had. Belanghebbende mag immers geacht worden bekend te zijn met de jurisprudentie op dit punt. Het beroep op een pleitbaar standpunt faalt derhalve.

Gelet op de hoogte van de verschuldigde belasting, de ernst van de gedraging, de coöperatieve opstelling van belanghebbende en het feit dat zij maatregelen heeft getroffen voor de toekomst, is de Rechtbank van oordeel dat een boete van 10% passend en geboden is. De Rechtbank vermindert de boetes verder in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:6939

 

Rechtbank matigt vergrijpboetes wegens ellendige situatie van belanghebbende

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2010 tot en met 2016 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Daarbij heeft de inspecteur vergrijpboetes van 50% opgelegd voor de jaren 2010 tot en met 2014.

Naar aanleiding van signalen over de levensstijl van belanghebbende en zijn gezin heeft de inspecteur een onderzoek bij belanghebbende ingesteld. Dit onderzoek is met name gericht geweest op de contante stortingen die belanghebbende heeft gedaan op diverse eigen bankrekeningen en op bankrekeningen van de kinderen.

Volgens de inspecteur heeft belanghebbende te kwader trouw gehandeld door aanzienlijke inkomsten uit nevenwerkzaamheden niet in zijn aangiften op te nemen. Hierdoor wist belanghebbende dat (er een aanmerkelijke kans was dat), indien de aangiften zouden worden gevolgd, de aanslagen tot te lage bedragen zouden worden opgelegd.

De Rechtbank volgt het standpunt van de inspecteur en acht aannemelijk dat belanghebbende inkomsten heeft genoten die niet zijn opgegeven. Voor zover er sprake zou zijn van een negatieve kas, is bij gebrek aan andere plausibele verklaringen over de herkomst aannemelijk dat sprake is van belastbaar inkomen uit nevenwerkzaamheden. De Rechtbank oordeelt dat er terecht vergrijpboetes zijn opgelegd.

De Rechtbank ziet wel aanleiding om de opgelegde boetes te matigen als gevolg van de toepassing van de omkering van de bewijslast en gezien de persoonlijke, financiële omstandigheden van belanghebbende. Belanghebbende zit in een ellende situatie, ziet door de bomen het bos niet meer, is zijn baan verloren en ondervindt bij het vinden van een nieuwe baan de negatieve gevolgen van zijn leeftijd en de negatieve berichten die over hem de ronde doen op het internet. De Rechtbank matigt de boetes met 30%.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:5959

 

Verzuimboete voor aangifte die acht seconden te laat is binnengekomen bij de inspecteur

Belanghebbende is door de inspecteur uitgenodigd, (na verleend uitstel) herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2016. In de aanmaning stond vermeld dat de aangifte uiterlijk 17 november 2017 binnen moet zijn en anders een boete kan worden opgelegd van € 369.

Belanghebbende heeft op 17 november 2017 om 23:59:29 haar aangifte elektronisch verstuurd. De inspecteur heeft de aangifte op 18 november 2017 om 00:00:08 ontvangen. De inspecteur heeft – vanwege het niet tijdig indienen van aangifte inkomstenbelasting – een verzuimboete opgelegd van € 369.

In geschil is of de verzuimboete terecht is opgelegd.

De Rechtbank overweegt dat in de aanmaning duidelijk is vermeld dat de aangifte uiterlijk 17 november 2017 bij de inspecteur binnen moest zijn en dus door de inspecteur uiterlijk op die dag moest zijn ontvangen. De aangifte is op 18 november 2017 binnengekomen bij de inspecteur. De aangifte is daarmee niet tijdig ingediend. Dat de aangifte wel is verzonden op 17 november 2017 doet daar naar het oordeel van de Rechtbank niets aan af.

Van afwezigheid van alle schuld acht de Rechtbank geen sprake. Door de aangifte pas op het allerlaatste moment elektronisch te verzenden, is bewust het risico genomen dat deze te laat zou kunnen worden ontvangen.

De boete acht de Rechtbank verder passend en geboden. Omstandigheden op grond waarvan de boete zou moeten worden gematigd zijn niet gesteld of gebleken.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:14063

 

Verdachte wordt samen met boekhouder veroordeeld voor belastingfraude

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij opzettelijk – met zijn boekhouder – valse aangiften omzetbelasting heeft ingediend en geld heeft witgewassen.

Verdachte stelt zich op het standpunt dat de Belastingdienst heeft aangekondigd een vergrijpboete op te leggen en dat dit aan de vervolgingsbevoegdheid van het OM in de weg staat. De Rechtbank constateert dat weliswaar een vergrijpboete is aangekondigd, maar deze niet daadwerkelijk is opgelegd. De enkele aankondiging is onvoldoende om in de weg te staan aan de vervolgingsbevoegdheid van het OM. De officier van justitie is derhalve ontvankelijk.

De Rechtbank stelt vast dat verdachte, samen met een mededader, leiding heeft gegeven aan het plegen van belastingfraude. De door de verdachte bestuurde rechtspersonen hebben samen met hun boekhouder jarenlang en stelselmatig opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting met een aanzienlijk te laag bedrag aan omzet en te betalen omzetbelasting ingediend bij de Belastingdienst. Door deze handelwijze is de Belastingdienst benadeeld voor een bedrag van in totaal € 649.000. De verdachte en boekhouder hadden enkel oog voor eigen financieel gewin, zonder zich te bekommeren om de schadelijke gevolgen van dit handelen.

Verdachte heeft zich daarbij naar het oordeel van de Rechtbank ook schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen door bedragen die niet werden opgegeven contant op te nemen van de bankrekeningen.

De Rechtbank weegt mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De Rechtbank weegt verder mee dat sprake is van een langdurige fraudeperiode en slaat acht op het financieel voordeel dat verdachte als direct begunstigde hiervan heeft gehad. Tot slot weegt de Rechtbank mee dat de redelijke termijn is overschreden.

De Rechtbank veroordeelt – alles afwegende – verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:1947

Verdachte probeert schuld van onjuist ingediende aangiften omzetbelasting op boekhouder (medeverdachte) af te schuiven

De Rechtbank stelt vast dat er over de periode van 26 februari 2011 tot en met 22 mei 2014 namens verdachte onjuiste digitale aangiften omzetbelasting zijn ingediend bij de Belastingdienst. De aangegeven omzet met de daarbij behorende af te dragen omzetbelasting was hierbij structureel te laag ten opzichte van de daadwerkelijk gefactureerde omzet en omzetbelasting.

Verdachte is naar het oordeel van de Rechtbank verantwoordelijk voor het juist en volledig indienen van deze aangiften bij de Belastingdienst. Indien hij het opstellen van de aangiften uitbesteedt aan een ander, rust op verdachte de verplichting om de in te dienen aangiften vooraf op juistheid en volledigheid te controleren. De Rechtbank volgt verdachte niet in zijn standpunt dat hij mocht vertrouwen op zijn boekhouder. Daar komt bij dat verdachte wist dat het in 2008 en 2010 ook al fout was gegaan omdat de medeverdachte (X) toen lagere bedragen had opgegeven en dit tot nabetalingen aan de Belastingdienst had geleid.

Verdachte had inzicht in de maandelijkse omzet, de af te dragen omzetbelasting en de voorbelasting die leveranciers hem in rekening brachten. Gelet op de grote verschillen tussen enerzijds de aangegeven omzet en anderzijds de gefactureerde omzet had verdachte telkens direct kunnen en moeten constateren dat de aangiften omzetbelasting niet klopten met de facturen. Bovendien wist verdachte dat de maandelijkse aangiften die door X waren opgesteld niet waren gebaseerd op omzetgegevens, omdat hijzelf maandelijkse aan X doorgaf hoeveel er aan omzetbelasting kon worden betaald.

De werkwijze tussen verdachte en X behelst naar het oordeel van de Rechtbank een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat gesproken kan worden van medeplegen. De Rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk en onjuist doen van aangiften omzetbelasting. Het daarmee gerealiseerde voordeel is door verdachte onttrokken aan zijn onderneming en gebruikt voor het aflossen van privéschulden en de aanschaf van privégoederen. Daarmee heeft verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan witwassen.

De Belastingdienst is benadeeld voor een bedrag van € 217.155. Verdachte heeft dit bedrag, anders dan medeverdachte X, geheel in eigen zak gestoken. Verdachte heeft er geen enkel blijk van gegeven zijn verantwoordelijkheid te nemen en de laakbaarheid van zijn handelen in te zien, maar is blijven wijzen naar medeverdachte X. De Rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat de redelijke termijn is overschreden.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:2026

Datum van verzuim is bepalend bij de vraag of (inmiddels vervallen) werkinstructie van toepassing is

Aan belanghebbende is een verzuimboete opgelegd van € 344 wegens het niet (tijdig) doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2014.

De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte inkomstenbelasting. De uiterste datum was 18 november 2015. Omdat de aangifte niet was ingediend, is het verzuim per 19 november 2015 ingetreden.

Tot 1 januari 2016 was er regelgeving waarbij de inspecteur – in strafmatigende zin – rekening kon houden met het feit dat de aangifte alsnog werd ingediend kort nadat het verzuim was ingetreden; uiterlijk op de dag dat de inspecteur uitspraak doet op het bezwaar tegen de boetebeschikking. Op basis van deze regelgeving werd in april 2014 tussen de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën een werkwijze afgesproken over de behandeling van aangifteverzuimboetes. Daarbij werd onder meer bepaald dat als de aangifte werd gedaan voordat een ambtshalve aanslag was opgelegd, de verzuimboete werd teruggebracht naar € 49. Met ingang van 1 januari 2016 is het boetebeleid gewijzigd.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aangifte eerst na 1 januari 2016 alsnog is ingediend en dat derhalve geen beroep (meer) kan worden gedaan op de werkinstructie. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het verzuim in 2015 is ingetreden en dat de werkinstructie wel degelijk toepassing dient te vinden.

Het Hof stelt vast dat, na het verstrijken van de aanmaningstermijn, alsnog de aangifte is ingediend en voordat een ambtshalve aanslag is opgelegd. Uit de werkinstructie blijkt dat in een dergelijk geval de verzuimboete wordt teruggebracht naar € 49. Het Hof is van oordeel dat de werkinstructie – hoewel deze was vervallen ten tijde van het doen van aangifte – van toepassing is. Het Hof acht het moment waarop het beboetbare feit is begaan, derhalve 19 november 2015, bepalend voor de vraag of de werkinstructie van toepassing is.

Het Hof vermindert de verzuimboete tot € 49 en acht dit bedrag passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:5349

 

Vergrijpboete vervallen omdat inspecteur te weinig naar voren heeft gebracht waaruit opzet blijkt voor niet-opgegeven winst

Belanghebbende exploiteert in de vorm van een eenmanszaak een coffeeshop. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting gedaan en daarin een bedrag van € 31.328 aan inkomen uit werk en woning opgegeven en de zelfstandigenaftrek opgevoerd.

De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld en zichtwaarnemingen in de buurt van de coffeeshop laten plaatsvinden. De (zicht)waarnemingen leiden volgens de Inspecteur tot de conclusie dat slechts 25% van de omzet werd verantwoord in de administratie. De inspecteur heeft om die reden een aanzienlijke winstcorrectie toegepast van € 770.804. De inspecteur onderbouwt deze schatting door te stellen dat de Belastingdienst een significant hogere omzet heeft waargenomen ter plaatse en de explosieve stijging van de aangegeven omzet vanaf het moment dat bij belanghebbende bekend werd dat door de Belastingdienst zichtwaarnemingen werden ingesteld.

Belanghebbende verricht verder niet of nauwelijks activiteiten in de onderneming en verblijft – volgens de bedrijfsleider – grote delen van het jaar in het buitenland. Omdat belanghebbende daarmee niet voldoet aan het urencriterium bestaat er geen recht op zelfstandigenaftrek. De inspecteur heeft winstcorrecties toegepast, de zelfstandigenaftrek teruggedraaid en vergrijpboetes opgelegd omdat sprake zou zijn van opzet aan de zijde van belanghebbende.

In geschil is onder meer de vraag of de vergrijpboetes terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Belanghebbende heeft niet ontkend dat hij geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek. De Rechtbank stelt vast dat belanghebbende dit ten onrechte heeft geclaimd terwijl van meet af aan duidelijk was dat belanghebbende geen recht had op de zelfstandigenaftrek. De Rechtbank acht een vergrijpboete van 50% passend en geboden voor zover het gaat om het ten onrechte claimen van de zelfstandigenaftrek.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voor het overige onvoldoende heeft aangevoerd om de aanwezigheid van opzet te bewijzen. Het enkele feit dat volgens de berekeningen van de inspecteur de te weinig aangegeven omzet aanzienlijk is, is daarvoor onvoldoende. De Rechtbank vernietigt de vergrijpboete voor zover deze ziet op de door de inspecteur toegepaste winstcorrectie.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:14910