Auteur: admin

Nieuw Wwft-meldformulier voor accountants

De FIU-Nederland heeft om het melden makkelijker te maken speciaal voor accountants een nieuw en vereenvoudigd meldformulier ontwikkeld. In het formulier voor de accountants staan alleen velden en waarden (zoals indicatoren) die specifiek voor deze meldergroep van toepassing zijn. Het nieuwe meldformulier is afgestemd met de toezichthouder en getest door diverse accountants. Zij hebben het nieuwe formulier beoordeeld als positief, gebruiksvriendelijk én tijdbesparend.

Het meldformulier vindt u onder FIU-Nederland.nl/meldformulier en via de homepage (na inloggen) van het meldportaal van de FIU-Nederland.

Herziene richtsnoeren Wwft 2020

De NOB, NBA en RB hebben de Richtsnoeren Wwft voor accountants en belastingadviseurs herzien waarin de wetswijzingen in 2020 tevens zijn verwerkt. De herziene richtsnoeren zijn tot stand gekomen in samenwerking met de NBA en het RB.

Op de website van de NOB is te lezen dat een aantal keren is overlegd met het BFT en de ministeries van Justitie en Veiligheid en van Financiën omdat partijen over bepaalde standpunten van mening verschillen. Zoals ook volgt uit de Richtsnoeren is het nog niet gelukt om over alle standpunten overeenstemming te bereiken, maar men blijft met elkaar in gesprek.

Bericht NOB 18 december 2020

On the Spot: Is inkeren na groepsverzoek wel mogelijk?

”Net sluit zich rond Nederlandse spaarders in Zwitserland”. Met dergelijke krantenkoppen gaat een doorsnee belastingplichtige met vermogen in Zwitserland rechter op zitten. Groepsverzoeken van de Belastingdienst aan buitenlandse banken trekken de nodige aandacht. De vraag is vaak of iemand na het bekend worden van een groepsverzoek nog een beroep kan doen op de inkeerregeling.

Onlangs heeft de Hoge Raad een lezenswaardig arrest gewezen. Maar eerst, hoe zat het ook al weer met de inkeerregeling?

De inkeerregeling voorziet in de situatie waarin een belastingplichtige als gevolg van voortschrijdend inzicht zijn tot dan toe verzwegen fiscale inkomen of vermogen overziet en deze alsnog vrijwillig meldt bij de Belastingdienst. Als gevolg hiervan kan hem geen vergrijpboete (67n AWR) worden opgelegd en vervalt tevens het recht op strafvervolging (69, lid 3, AWR).

In 2018 is de inkeerregeling voor het buitenlands box 3-vermogen beperkt voor aangiften die ná 1 januari 2018 werden ingediend.[1] Per 1 januari 2020 is de inkeerregeling ook ten aanzien van het AB-inkomen (box 2) en in het binnenlands box 3 vermogen niet meer van toepassing.[2] Inkeren voor de inkomstenbelasting is vanaf 1 januari 2020 dus alleen mogelijk voor box 1 inkomen en alle andere aanslagbelastingen zoals de vennootschap-, schenk- en erfbelasting.[3] Wel blijft inkeer een belangrijke strafverminderende omstandigheid.[4]

Bepalend voor de toepassing van de inkeerregeling is de vraag of belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet weten dat de Belastingdienst hem ‘op de hielen zit’, oftewel is de inkeer vrijwillig? De heersende leer is uiteengezet in een arrest van de Hoge Raad van 2 mei 2001[5], waarin dit vereiste niet wordt ingevuld door de subjectieve ‘angst’ van een belastingplichtige dat de Belastingdienst met verzwegen inkomsten of vermogen bekend raakt maar of de belastingplichtige ”objectief gezien – redelijkerwijs moest vermoeden dat de Inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid van belanghebbendes aangifte voor het onderhavige jaar bekend was of bekend zou worden.” De Hoge Raad heeft dit objectieve element zodanig uitgelegd dat er voor tijdig inkeren “een serieuze mogelijkheid moet bestaan dat de onjuistheid of onvolledigheid niet wordt achterhaald.

In relatie tot groepsverzoeken van de Belastingdienst aan buitenlandse autoriteiten met betrekking Nederlandse spaarders oordeelden feitenrechters[6] reeds over de vraag of de media-aandacht voor een dergelijk groepsverzoek voldoende is om aan de inkeerregeling in de weg te staan. Op 22 januari 2021 wees de Hoge Raad arrest in een inkeer-zaak waarin de Belastingdienst in juli 2015 een groepsverzoek (via de Zwitserse autoriteiten) deed bij de Zwitserse bank UBS.[7]

Op 7 augustus 2014 heeft de Zwitserse bank UBS aan rekeninghouders een brief gestuurd waarin wordt gevraagd om toestemming te geven om relevante informatie te delen. Vervolgens doet de Belastingdienst een groepsverzoek bij de Zwitserse autoriteiten. Gevraagd wordt om de rekeningoverzichten van de rekeninghouders met een Nederlands adres.  In het groepsverzoek wordt expliciet verwezen naar de brief van 7 augustus 2014. Deze brief is niet naar belanghebbende verstuurd. Belanghebbende heeft overigens de rekening opgeheven in 2014, maar het is onduidelijk of als gevolg hiervan de brief van 7 augustus 2014 belanghebbende niet is toegezonden.

Op grond van het groepsverzoek zouden alleen gegevens van rekeninghouders worden verstrekt aan wie de UBS de brief van 7 augustus 2014 heeft verzonden. De belanghebbende viel aldus niet formeel onder het groepsverzoek. Zijn gegevens zouden dus niet worden verstrekt. Wel is over het groepsverzoek door Zwitserse en Nederlandse media gepubliceerd. In 2016 keert belanghebbende ten aanzien van o.a. de voormalige UBS rekening in. Als gevolg daarvan worden aan hem over diverse jaren navorderingaanslagen alsmede vergrijpboetes opgelegd. De vraag die voorligt: kan een belastingplichtige in zo een geval beroep doen op de inkeerregeling?

Door de Staatssecretaris van Financiën wordt geprobeerd om het redelijk vermoeden dat de inspecteur met de onjuiste aangifte bekend zou raken ‘te objectiveren’. Daartoe voert hij onder meer aan dat de belanghebbende aan de kenmerken van het groepsverzoek voldoet, er nader onderzoek naar aanleiding van het groepsverzoek in de rede lag (waardoor de rekening later wel bekend zou worden), alsook het feit dat de bank actief de gegevens van deze belastingplichtige aan de Belastingdienst zou verstrekken. In dat verband verwees hij ook naar het feit dat vanaf 2017 een uitwisseling van fiscaal relevante gegevens mogelijk is op basis van een verdrag tussen de Europese Unie en Zwitserland. ”Het net sloot zich voor de belanghebbenden’‘, aldus de Staatssecretaris.

De uitspraak van het Hof[8] wordt in standgehouden door de Hoge Raad. De Hoge Raad benadrukt nog maar eens dat de subjectieve vrees van een belastingplichtige in dit verband niet relevant is:

”Anders dan het middel betoogt is niet van belang of een subjectief vermoeden aan publicaties in de media zou kunnen worden ontleend”[9]

Dit arrest leert de praktijk dat streng aan de objectieve leer wordt vastgehouden. Het feit dat aan een groepsverzoek aandacht is besteed door de media is op zichzelf onvoldoende voor het ‘redelijk vermoeden’, in de zin van de inkeerregeling. Indirecte omstandigheden, zoals de veranderende rol van (Zwitserse) banken en de (Zwitserse) autoriteiten maken ook niet dat er vanuit moet worden gegaan dat de Belastingdienst redelijkerwijs met een concrete bankrekening bekend zal raken. Bepalend is of een cliënt formeel onder een groepsverzoek valt. Hierbij is het relevant of de desbetreffende bank een meldingsbrief hierover aan zijn cliënt heeft gestuurd en de gegevens ook zou hebben gedeeld met de Nederlandse autoriteiten. Dat laatste is in ieder geval niet het geval als de Belastingdienst slechts heeft duidelijk gemaakt geïnteresseerd te zijn in bepaalde groep spaarders maar deze buiten het formele verzoek vallen. Een actieve gegevensverstrekking vanuit de bank (zonder verplichting of noodzaak) met betrekking tot deze groep spaarders is volstrekt onaannemelijk. Enkel de omstandigheid dat een bepaald groepsverzoek in de media is geweest maakt dus niet dat een beroep op de inkeerregeling onmogelijk is geworden. Het is dus opportuun om na te gaan of een cliënt over het groepsverzoek is bericht en/of hierover navraag te doen bij de bank.

[1] 1 januari 2018 is de inkeerregeling gewijzigd (Wet Overige fiscale maatregelen 2018).

[2] Wet Overige fiscale maatregelen 2020.

[3] Voor aangiftebelastingen geldt de wettelijke inkeerregeling van artikel 67n AWR niet. De strafrechtelijke inkeerregeling in artikel 67, lid 3, AWR ziet wel ook op de aangiftebelastingen.

[4] https://www.taxlive.nl/media/3959/bijlage-bij-besluit-wob-verzoek-om-geactualiseerde-versie-van-het-memo-aandachtspunten-projecten-vermogen-in-het-buitenland-vib-projecten.pdf

[5] ECLI:NL:HR:2001:AB1375.

[6] Rechtbank Den Haag 22 mei 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5920 en Rechtbank Gelderland 14 september 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3953. In de Gelderse-zaak had de belastingplichtige overigens in het midden gelaten of hij de brief had ontvangen.

[7] Hoge Raad 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:103, BNB 2020/50 m.nt. F.J.P.M. Haas.

[8] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2677.

[9] Hoge Raad 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:103.

Een zwarte administratie is nog geen valse administratie

Het voeren van een dubbele administratie (zwart en wit), waarvan beide delen juist zijn doch één onvolledig, leidt volgens het Hof niet tot het oordeel dat er geen administratie is gevoerd overeenkomstig de in de belastingwet gestelde eisen. De verdachte wordt vrijgesproken.

De verdachte in deze zaak hield de administratie bij van een escortbureau. Deze administratie bestond uit een ‘wit’ deel en een ‘zwart’ deel. De ‘zwarte’ administratie bevatte de daadwerkelijk door het escortbureau geleverde prestaties en gerealiseerde omzet. De ‘witte’ administraties bevatte slechts een deel.

Na eerst te zijn veroordeeld door de Rechtbank spreekt het Hof de verdachte vrij voor het medeplegen van valsheid in geschrifte en van het doen van onjuiste aangifte. Ten aanzien van het eerste feit wordt de verdachte primair verweten dat hij niet zou hebben voldaan aan de administratieplicht ex artikel 52 AWR. Hierover overweegt het Hof dat – nog afgezien van de vraag of de verdachte als administratieplichtige in deze zaak kan worden beschouwd – niet kan worden gezegd dat er geen administratie is gevoerd. Er was immers sprake van zowel een witte als een zwarte administratie, waarvan beide delen juist waren en alleen de witte administratie onvolledig was. Daarnaast is volgens het Hof ook geen sprake van een vals opgemaakte administratie.

Het strafrechtelijk verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt is dat hij slechts de ‘witte’ administratie aan de externe boekhouder heeft gegeven, op basis waarvan deze de aangiften opmaakte. Dat is echter een ander verwijt.

Ook wordt de verdachte vrijgesproken van het medeplegen van het onjuist doen van aangiften omzetbelasting. Er was volgens het Hof geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, mede omdat de verdachte niet als aangifteplichtige of als belastingplichtige kan worden aangemerkt. De onjuiste aangiften werden verder door hem enkel doorgeven aan de externe boekhouder die deze vervolgens indiende.

Het subsidiair tenlastegelegde slaagt evenmin, omdat – in tegenstelling zoals in de tenlastelegging vermeld – het niet de verdachte was die de aangiften valselijk opmaakte, maar de externe boekhouder. Het hof spreekt de verdachte dus ook ten aanzien van het tweede feit vrij.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 26 januari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:213

FIOD-accountant berispt door Accountantskamer

Op 12 februari 2021 heeft de Accountantskamer in twee tuchtzaken een berisping opgelegd aan een accountant die als coördinator tuchtrecht in dienst is bij de FIOD. Vanuit die hoedanigheid assisteert hij het Openbaar Ministerie bij onder meer het opstellen van tuchtklachten.

Achtergrond

De onderhavige zaken betreffen klachten van een accountant die een dergelijke tuchtklacht tegen zich ingediend zag, alsmede van een advocaat die een bedrijf bijstaat dat verdachte is in een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD. De klachten komen voort uit een strafrechtelijk onderzoek naar een vermogensbeheerder die door de advocaat-klager wordt bijgestaan. Er zijn stukken in beslag zijn genomen die onder zijn verschoningsrecht vallen. Deze stukken werden door de FIOD-accountant gebruikt in een tuchtklacht tegen de accountant-klager en twee van zijn voormalige collega’s. Ook na een sommatie van de advocaat weigerde de FIOD-accountant om de tuchtklacht met die stukken in te trekken. Beklaagde vond dat het verschoningsrecht niet geëerbiedigd behoefde te worden, aangezien sprake zou zijn van een schijnconstructie.

De klagers verwijten de FIOD-accountant het onrechtmatig gebruik van deze stukken. Ook verwijten zij hem dat hij vergaande beschuldigingen heeft geuit aan hun adres.

Gebruik van verschoningsgerechtigde stukken

De accountantskamer vindt dat beklaagde er tot op zekere hoogte en tot enig moment vanuit mocht gaan dat de door hem gebruikte correspondentie tussen advocaat en cliënt niet verschoningsgerechtigd was. Hij mocht daarbij afgaan op het oordeel van de officier van justitie daarover. Dat werd echter anders toen de advocaat-klager hem direct aanschreef en gemotiveerd sommeerde om de stukken niet te gebruiken. Vanaf dat moment had hij zich (nogmaals) moeten beraden hoe hij het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid (art. 16 VGBA) kon waarborgen. Indien dat niet mogelijk zou zijn, had hij zijn werkzaamheden moeten beëindigen.

Door toch de stukken te blijven gebruiken, heeft de FIOD-accountant daarom volgens de Accountantskamer inderdaad klachtwaardig gehandeld.

Woordgebruik richting klagers

Daarnaast heeft de FIOD-accountant volgens de klagers onevenredig zware bewoordingen en lichtvaardige beschuldigingen jegens hen geuit. Ook hier gaat de accountantskamer in mee. De FIOD-accountant heeft volgens de accountantskamer ongeclausuleerde stellingen ingenomen die onvoldoende deugdelijk onderbouwd en onnodig grievend waren; zij berustten op een wankele basis. Door zo te handelen heeft de FIOD-accountant het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden. Ook de klachten hierover worden daarom toegewezen.

Enkele andere klachten van de klagers over onder meer de schending van zijn ambtelijke geheimhoudingsplicht en misbruik van (tucht)procesrecht worden ongegrond verklaard.

De Accountantskamer vindt dat de maatregel van berisping passend en geboden is. Juist betrokkene had zich als coördinator tuchtrecht van de betekenis en reikwijdte van de door hem geschonden fundamentele beginselen bewust moeten zijn.

Accountantskamer Zwolle 12 februari 2021, ECLI:NL:TACAKN:2021:15 en ECLI:NL:TACAKN:2021:17

Hof Amsterdam oordeelt dat een trustkantoor en zijn bestuurders toch geen schadevergoeding hoeven te betalen aan de Staat.

Wanneer het opleggen van een aanslag niet meer mogelijk is door toedoen van een derde, biedt het privaatrecht in beginsel niet de mogelijkheid om het mogelijk misgelopen bedrag te verhalen.

In deze civiele procedure is aan de orde of de vermeende – niet formaliseerde – belastingschuld van de vennootschappen van twee broers kan worden verhaald op (de bestuurders van) een trustkantoor op grond van een onrechtmatige daad jegens de Belastingdienst.

De Rechtbank gaf de Staat gelijk en oordeelde dat de vorderingen konden worden toegewezen. Het Hof beslist anders voor wat betreft de aanslagen die niet zijn of kunnen worden vastgesteld. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad oordeelt het Hof dat verhaal van niet vastgestelde belastingschulden via het privaatrecht een onaanvaardbare doorkruising vormt van de publiekrechtelijke regeling van de belastingheffing en -invordering. Indien het belastingrecht geen mogelijkheden (meer) biedt om – kort gezegd – een aanslag vast te stellen, biedt het privaatrecht in beginsel niet de mogelijkheid om het mogelijk misgelopen bedrag te verhalen op een derde wegens een door die derde gepleegde onrechtmatige daad. Dit geldt ook als opzettelijk is verhinderd dat tijdig belastingaanslagen kunnen worden opgelegd.

Aan de buitenlandse vennootschappen waren wel aanslagen opgelegd, zodat voor die situatie nog wel relevant kan zijn of onrechtmatig is gehandeld. Daarom hebben betrokkenen een rechtmatig belang op het verkrijgen van een afschrift van alle op de zaak betrekking hebbende stukken uit de heffings- en invorderingsdossiers. De Staat dient de stukken daarom binnen vier maanden beschikbaar te stellen. De stukken mogen alleen in die procedure worden gebruikt. Opmerkelijk is dat het Hof “in verband met de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR” bepaalt dat de bestuurders de te ontvangen stukken alleen in de procedure mogen gebruiken en niet aan derden mogen worden verstrekt.

Gerechtshof Amsterdam 15 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2020:3461

Hoge schulden en een jong gezin leiden bij belastingfraude tot een taakstraf i.p.v. een onvoorwaardelijke gevangenisstraf

Verdachte heeft een ‘contracting bureau’ en leende via een eenmanszaak en later via een vennootschap (medeverdachte in een aanverwante zaak) Roemeens personeel uit. De voornaamste opdrachtgever van de onderneming bouwden vakantiehuisjes in Nederland. Uit een boekenonderzoek is gebleken dat over de facturatie te weinig omzetbelasting is afgedragen alsmede dat er door de vennootschap geen loonheffing is ingehouden. Aan verdachte en de vennootschap is tenlastegelegd het gedurende meerdere jaren doen van onjuiste aangiften.

De Rechtbank acht ten aanzien van verdachte bewezen verklaard het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting en loonbelasting en ten aanzien van de vennootschap het indienen van onjuiste aangiften loonbelasting.

Wat betreft de straftoemeting rekent de Rechtbank verdachte en de vennootschap aan 2,5 jaar lang belastingfraude te hebben gepleegd. Verdachte en de vennootschap hebben verklaard niet de financiële middelen te hebben om de belasting te betalen. Ook zouden zij niet geweten hebben hoe de belastingen op juiste wijze zou moeten worden ingediend en geen middelen voorhanden te hebben gehad om een boekhouder te betalen. De Rechtbank stapt hier gemakkelijk overheen en overweegt dat verdachte en de vennootschap te lang zijn doorgegaan met het niet juist indienen van de aangiften. Een gebrek aan liquide middelen kan niet worden opgelost door geen aangiften te doen en de verschuldigde belasting niet betalen.

Normaal gesproken zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd worden, maar de Rechtbank legt een forse werkstraf op. Hierdoor krijgt verdachte de mogelijkheid om zijn belastingschulden af te betalen. Overigens zou het (jonge) gezin lijden onder het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel legt de Rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op om te voorkomen dat verdachte nog eens zulke feiten zal plegen. Verdachte krijgt een taakstraf van 240 uur opgelegd alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Aan de vennootschap wordt een voorwaardelijke geldboete van € 10.000 opgelegd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:4461

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:4463

Opzet en grove schuld zijn twee van elkaar te onderscheiden kwalificaties; inspecteur bewijst opzet in plaats van grove schuld: vergrijpboetes vernietigd

Belanghebbende, een maatschap, verricht werkzaamheden als accountants- en belastingadvieskantoor. Belanghebbende verzorgt zelf haar jaarrekeningen en aangiften omzetbelasting. Uit een boekenonderzoek is gebleken dat over de jaren 2014 tot en met 2016 een totaal van € 40.782 aan omzetbelasting te weinig is afgedragen. Uit het dossier blijkt dat belanghebbende bewust te weinig omzet heeft opgegeven wegens liquiditeitsproblemen. De inspecteur legt naheffingsaanslagen op alsmede vergrijpboetes van 25%, met als schuldkwalificatie grove schuld.  In het controlerapport is niet onomwonden toegelicht of belanghebbende grove schuld of opzet wordt verweten.

In geschil is of de boetes terecht zijn opgelegd en zo ja, of de boetes dienen te worden gematigd.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat ten aanzien van de verwijtbaarheid opzet kan worden bewezen maar dat is gekozen voor de kwalificatie grove schuld, waarbij de strafverzwarende en strafverminderende omstandigheden in acht zijn genomen. In dat verband wijst de inspecteur op het feit dat belanghebbende een financieel dienstverlener is.

De Rechtbank overweegt dat de bewijslast voor grove schuld bij de inspecteur ligt. Gelet op de geldende rechtspraak (o.a. ECLI:NL:HR:2003:AE3220) ligt in de kwalificatie opzet geen grove schuld besloten. Het zijn twee van elkaar te onderscheiden kwalificaties. De Rechtbank concludeert louter te zullen toetsen of er sprake is geweest van grove schuld. De bewijsmiddelen uit het dossier – specifiek het hoorverslag en controlerapport – onderbouwen opzet bij belanghebbende, maar niet grove schuld. Het betoog van verweerder dat het niet mogelijk was meer informatie te krijgen voor het opleggen van de boete kan hem niet baten nu de bewijslast ongewijzigd bij de inspecteur ligt.

De Rechtbank vernietigt de vergrijpboetes.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:4450

Niet ten laste gelegde onjuiste aangiften leiden tot een benadelingsbedrag van € 2.225.240; gevangenisstraf van 30 maanden

Verdachte heeft een eenmanszaak en drie vennootschappen. De eenmanszaak fungeerde als afnemer van de drie vennootschappen. Bij de eenmanszaak werd omzetbelasting in aftrek gebracht terwijl bij de vennootschappen de verkopen en omzetbelasting niet in de administratie werden verwerkt. In dit verband zijn teven valse facturen opgemaakt om toch voorbelasting terug te vragen bij de eenmanszaak. Ook de loonbetalingen zijn uit de loonadministratie gehouden. Aan verdachte wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard; het medeplegen aan het doen van onjuiste aangiften, het feitelijk leiding geven aan het doen van onjuiste aangiften en valsheid in geschrifte.

Uit cijfers van de FIOD blijkt dat het benadelingsbedrag op basis van het bewezenverklaarde € 1.605.111 bedraagt (omzetbelasting € 1.121.717 en loonheffing € 483.394). Wanneer de onjuiste aangiften welke niet ten laste zijn gelegd, maar wel ter terechtzitting zijn behandeld, in acht worden genomen, komt het nadeel neer op € 2.225.240. Het Hof overweegt dat met het totale benadelingsbedrag rekening mag worden gehouden omdat de niet tenlastegelegde aangiften zijn voorgehouden op zitting en aan verdachte de mogelijkheid is gegeven hierover een verklaring af te leggen.

Wat betreft de straftoemeting overweegt het Hof dat verdachte nooit eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten. Daarnaast wordt rekening gehouden met het faillissement van zijn onderneming als gevolg van de strafzaak, de executoriale verkoop van zijn woning en zijn echtscheiding. Ook wordt opgemerkt dat verdachte werkt in de verpakkingsindustrie waarmee hij inkomen verkrijgt en zijn schulden afbetaalt. Gelet op de ernst van de delicten kunnen deze persoonlijke omstandigheden echter niet leiden tot een lichtere straf, aldus het Hof.

Het Hof acht een gevangenisstraf van 32 maanden passend en geboden. Wel is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 7 maanden. Hierdoor wordt een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:3870