Auteur: admin

Gedeeltelijke vernietiging vergrijpboetes wegens bewijsgebrek en pleitbaar standpunt

Belanghebbende is een onderneming met als voornaamste bedrijfsactiviteit het in- en verkopen van jonge gebruikte exclusieve auto’s. Uit onderzoek van de inspecteur blijkt dat er auto’s zijn verhandeld met bedrijven waar btw-fraude is vastgesteld. Belanghebbende is volgens de inspecteur een schakel in een btw-keten geweest. Daarom heeft de inspecteur naheffingsaanslagen alsmede boetebeschikkingen voor de jaren 2008 tot en met 2012 opgelegd.

In geschil zijn de naheffingsaanslagen alsmede de boetebeschikkingen.

De correcties kunnen worden onderverdeeld in twee soorten, namelijk de correcties die erin bestaan dat aftrek van inkoop-btw wordt geweigerd wegens betrokkenheid bij btw-fraude (de fraude-correcties) en correcties in verband met de weigering van het 0%-tarief ter zake van leveringen die belanghebbende heeft behandeld als intracommunautaire leveringen (ICL-correcties).

Voor de fraude-correcties is vereist dat belanghebbende ‘had moeten weten’ dat ergens in de btw-keten voor hem sprake was van btw-fraude. Dit is het geval geweest in die transacties waaruit de facturen onregelmatigheden bevatten waarna bij belanghebbende vragen hadden moeten rijzen. Zo is bijvoorbeeld een onverklaarbare prijsval tussen dezelfde auto die twee keer is ingekocht reden om verdere vragen te stellen.  Wat betreft de ICL-correcties ligt de bewijslast bij belanghebbende. Met een kentekenregistratie in het land van levering (Duitsland) is de ICL niet voldoende aannemelijk gemaakt. Er moeten specifieke documenten zijn inzake de levering in het buitenland. Alleen die leveringen zijn van correctie uitgezonderd. De ICL-correcties worden door de Rechtbank deels gevolgd.

In het bijzonder is de boete in het jaar 2010 relevant. De Rechtbank benadrukt dat bij een vergrijpboete zoals hier het er niet omgaat of belanghebbende wist of had moeten weten van de btw-fraude. Het verwijt dat aan belanghebbende wordt gemaakt, is het in aftrek brengen van voorbelasting terwijl belanghebbende wist of had moeten weten van btw-fraude in de keten. In de nationale wet is niet voorzien dat in zulke gevallen aftrek van voorbelasting wordt geweigerd. Pas in het arrest Italmoda is door het Hof van Justitie bepaald dat in zulke gevallen op grond van de Europese BTW-richtlijnen aftrek mag worden geweigerd, ook als de nationale wet daarin niet voorziet. Nu de onderhavige gedraging is gedaan vóór de uitspraak in arrest Italmoda was het aftrekken van voorbelasting nog pleitbaar. Het beroep tegen de boetes in 2010 is daarmee gegrond. Ook de overige beroepen tegen de boetes worden gegrond verklaard.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:1400

Verzuimboete wegens het ten onrechte aanmerken van personenauto als bestelauto

Belanghebbende heeft als ondernemer naar het lage tarief van een bestelauto de verschuldigde motorrijtuigenbelasten voldaan. Door controlemedewerkers van de Belastingdienst is vervolgens geconstateerd dat de auto niet voldeed aan de wettelijke inrichtingseisen voor bestelauto’s. De auto zou niet aan de eis van een dubbele cabine voldoen en beschikken over een achterbank, waardoor deze als personenauto in de heffing had moeten betrokken. De inspecteur legt daarom een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete van 100% ten bedrage € 585 voor het tijdvak 18 november 2017 tot en met 2 april 2018  op.

De Rechtbank oordeelt dat de inspecteur de auto van belanghebbende terecht heeft aangemerkt als personenauto. De bezwaren tegen de naheffingsaanslag zijn dan ook ongegrond. Als uitgangspunt geldt dat voor dergelijke overtredingen een verzuimboete van 100% (€ 585 ) wordt opgelegd.

Volgens de Rechtbank is er geen sprake van afwezigheid van alle schuld nu belanghebbende, als ondernemer, bekend moest zijn met de strengere eisen die voor het lagere tarief van bestelauto’s gelden. Wel ziet de Rechtbank reden tot matiging van de boete. De (achter)bank in de auto is er voor een bepaalde periode handmatig ingezet. Het is onduidelijk voor welke periode de auto onterecht als bestelauto is aangemerkt. Aangezien het onduidelijk is voor welke periode de auto onterecht als bestelauto’s is aangemerkt, is er gebruikt gemaakt van een berekeningsvoorschrift waarbij een bewijsvermoeden is gehanteerd. Hoewel belanghebbende niet overtuigend heeft weten aan te tonen voor welke periode dit wél het geval is geweest, acht de Rechtbank wel aannemelijk gemaakt dat dit een beperkte periode is geweest. Dit op basis van overlegde foto’s en verklaringen van belanghebbende.

Gezien de bovengenoemde omstandigheden acht de Rechtbank in dit geval een boete van 100% over het gehele naheffingstijdvak niet passend en geboden. De Rechtbank verlaagt de boete naar € 100.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:2546

OM probeert rechtbank te misleiden: geen straf of maatregel voor verdachte ondanks betrokkenheid bij omvangrijke belastingfraude

De verdachte geeft leiding aan een concern van sushi-restaurants uit de hierna vermelde uitspraak. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat in de jaren 2008 tot en met 2015 feitelijk leiding heeft gegeven aan belastingfraude, het voeren van een ondeugdelijke administratie en dat hij deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie met als doel het plegen van belastingfraude en gewoontewitwassen. Aan de rechtspersonen waaraan de verdachte leiding gaf zijn fiscale boetes opgelegd, evenals – mogelijk – aan de verdachte zelf voor zijn handelen als privé-persoon. De rechtbank oordeelt echter dat het ne bis in idem-beginsel er desondanks niet aan in de weg staat dat de verdachte als feitelijk leidinggever wordt vervolgd.

Gedurende de strafzaak heeft een documentairemaker in opdracht van de FIOD en het OM gewerkt aan een documentaire over de zaak. Deze zou na de uitspraak worden uitgezonden op televisie. Volgens de verdediging is de vervolging van verdachte (mede) ingegeven door de documentaire waardoor er sprake is van onzuiver oogmerk (van de vervolging). Dit leidt volgens de verdediging tot schending van de goede procesorde en daarmee tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank overweegt dat het openbaar ministerie gelet op de omvang van de belastingfraude en het nadeelbedrag slechts het eigen vervolgings-protocol heeft gevolgd. Bovendien zou uit het mediacontract blijken dat er ook rekening werd gehouden met een transactie of sepot. Concluderend acht de rechtbank het niet aannemelijk dat er sprake is geweest van onzuiverheid van oogmerk en daarmee is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Verder stelt de verdediging dat door het meelopen van de journalisten met de FIOD het recht op de persoonlijke levenssfeer is geschonden. De rechtbank gaat hier in mee en overweegt dat er geen (juiste) afweging is geweest tussen de privacy van verdachte en een (maatschappelijk) zwaarwegend belang. Volgens de rechtbank is met deze schending echter geen strafprocessueel voorschrift geschonden en is de ernst van de inbreuk beperkt gebleven. Wel vindt de rechtbank het kwalijk dat het openbaar ministerie opzettelijk heeft geprobeerd om de documentaire geheim te houden en daarmee de verdediging belet heeft in het voeren van een verweer. De rechtbank beschouwt dit streven tot misleiding van de rechtbank en de verdediging als een ernstig verzuim dat leiden tot vergaande compensatie in de straf.

Door de rechtbank wordt het ten laste gelegde vervolgens (grotendeels) bewezen verklaard. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de documentaire en met het feit dat de verdachte het concern heeft moeten sluiten. De rechtbank overweegt voorts dat een veroordeelde na het ondergaan van de straf weer als volwaardig lid van de samenleving mag meedoen maar dat dat strafdoel in deze zaak is gefrustreerd door Bibob-procedures. Al met al heeft verdachte groot financieel nadeel geleden en is zijn terugkomst in de samenleving gefrustreerd. De rechtbank weegt al deze omstandigheden mee en legt daarom op grond van artikel 9a Sr geen verdere straf of maatregel op.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:6585

Beroep op ne bis in idem gegrond: fiscale boete belet strafrechtelijke veroordeling

De verdachte, een rechtspersoon, maakt deel uit van een groot concern dat sushi-restaurants exploiteert. Uit FIOD-onderzoek is gebleken dat het concern (omzet)belastingfraude heeft gepleegd door contante omzetten uit de kas te verwijderen. Aan het administratiekantoor van het concern werd vervolgens een valse administratie verstrekt waardoor er onjuiste aangiften werd gedaan. De afgeroomde omzet werd gebruikt om werknemers ‘zwart’ te betalen. De verdachte is ten laste gelegd dat deze zich in de jaren 2008 tot en met 2015 schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude, het voeren van een ondeugdelijke administratie en aan het deel uitmaken van een criminele organisatie met als doel het plegen van belastingfraude en gewoontewitwassen.

Vaststaat dat voor de jaren 2011 tot en met 2014 al een fiscale boete is opgelegd en betaald. Volgens de in november 2017 gesloten vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst is de boete opgelegd wegens belastingfraude ten aanzien van inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en loonbelasting, maar niet ten aanzien van omzetbelasting.

In geschil is onder meer in hoeverre de fiscale boete aan vervolging van de verdachte in de wegstaat.

De verdediging beroept zich op het ne bis in idem-beginsel en stelt dat niet voor hetzelfde feit nogmaals een sanctie kan volgen. De officier van justitie zou niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De Rechtbank overweegt dat in dit geval aan artikel 243 Sv moet worden getoetst. Beoordeeld zal worden of de hierboven genoemde ten laste gelegde feiten ‘hetzelfde feit’ betreffen als het feit dat ten grondslag lag aan de fiscale boete.

Wat betreft belastingfraude is volgens de Rechtbank irrelevant dat als grondslag van de boete niet ook de omzetbelasting is gekozen. Ook maakt het indienen van verschillende soorten belastingaangiften, op verschillende momenten, geen verschil nu alle onjuiste aangiften in de ten laste gelegde periode zijn gedaan. Gelet op de niet-restrictieve uitleg van het ne bis in idem-beginsel is het rechtsbelang van een juiste heffing in dit geval doorslaggevend. Dit belang geldt zowel voor de omzetbelasting als de andere belastingen waarvoor de boete is opgelegd. Hierdoor is er sprake van ‘hetzelfde feit’.

Ook de ondeugdelijke administratie valt volgens de Rechtbank onder ‘hetzelfde feit’ nu het feitelijk hetzelfde handelen betreft. De administratie ligt namelijk geheel ten grondslag aan de onjuiste aangiften. Dat de strafmaat van beide overtredingen (belastingfraude en het voeren van een ondeugdelijke administratie) niet overeenkomen doet hier niets aan af, aldus de Rechtbank.

Ten aanzien van de criminele organisatie is onder meer ten laste gelegd dat deze (gewoonte)witwassen ten doel had. Dat is volgens de Rechtbank wel wezenlijk een ander feit. De Rechtbank merkt op dat witwasbepalingen niet gaan om een juiste belastingheffing maar om de integriteit van het financiële verkeer en om het adagium dat misdaad niet mag lonen. Het niet-ontvankelijkheidsverweer gaat dus niet op wat betreft het (gewoonte)witwassen. Wel wordt de verdachte hiervan vrijgesproken, nu de rechtbank niet is gebleken van enige afstemming of onderlinge verdeling van werkzaamheden tussen de verdachte rechtspersoon en zijn medeverdachten ter zake van de afroomactiviteiten.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2020:6589

Vernietiging verzuimboete omdat de inspecteur de ‘wijziging uitsteltermijn-brief’ niet heeft opgenomen bij de gedingstukken

Belanghebbende is enig aandeelhouder van een holding. Hij heeft daaraan aan lening verstrekt waarop de verschuldigde rente is bijgeschreven. Daarnaast heeft hij een schuld in rekening-courant aan de holding. De holding is in 2013 failliet verklaard. Belanghebbende heeft de rentevordering van ruim € 190.000 in 2013 wegens oninbaarheid afgewaardeerd ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur heeft belanghebbende ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting opgelegd en gelijktijdig een verzuimboete opgelegd van € 984 wegens het niet tijdig doen van aangifte.

Zowel de rechtbank als het Hof zijn van oordeel dat een afwaardering van de rentevordering erop afstuit dat belanghebbende in faillissement zijn vordering had kunnen verrekenen met zijn schuld aan de holding. Het is niet aannemelijk dat de rekening-courantschuld lager is dan de rentevordering, zodat niet aannemelijk is geworden dat de waarde in het economische verkeer van de rentevordering lager is dan de nominale waarde.

Wat betreft de verzuimboete is in hoger beroep gesteld dat deze ten onrechte is opgelegd, omdat ten tijde van het opleggen van de aanslag nog uitstel voor het indienen van de aangifte was verleend. Vaststaat dat de inspecteur belanghebbende heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte en dat de inspecteur belanghebbende daartoe heeft herinnerd en aangemaand. De inspecteur heeft ter zitting bij het Hof verklaard dat de uitsteltermijn is ingekort omdat belanghebbende niet aan zijn fiscale verplichtingen voldeed.

Belanghebbende betwist echter dat hij per brief op de hoogte is gesteld van een afwijzing van de uitstelaanvraag of een inkorting van de uitsteltermijn. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat belastingplichtigen normaliter per brief op de hoogte worden gesteld van een wijziging van de uitsteltermijn, maar een dergelijke brief behoort niet tot de gedingstukken.  De inspecteur heeft daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het verleende uitstel op een voor belanghebbende duidelijk kenbare en ondubbelzinnige wijze was ingetrokken of verkort ten tijde van het opleggen van de aanslag. Het Hof vernietigt daarom de verzuimboete.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:1320

Accountant wist van contante commissiebetalingen en controleert onvoldoende

Naar aanleiding van berichtgeving in NRC Handelsblad over fraude bij een onderneming is de AFM een onderzoek gestart naar het accountantskantoor dat de jaarrekeningen van die onderneming controleerde. Voor het onderzoek heeft de AFM door middel van informatievorderingen de beschikking gekregen over onder meer de papieren en elektronische controledossiers, de e-mailboxen en -archieven van (oud) partners en medewerkers van het accountantskantoor. Tevens hebben er diverse interviews met betrokken (voormalige) medewerkers plaatsgevonden.

In 2018 diende de AFM tuchtklachten in tegen de accountant van de groep en de accountant van de dochtervennootschap waar de vermoedelijke fraude heeft plaatsgevonden.

Klachten accountant dochtervennootschap

Het verwijt van de AFM aan de accountant van de dochtervennootschap is dat hij geen frauderisico’s heeft geïdentificeerd en naliet voldoende controlewerkzaamheden te verrichten. Over meerdere boekjaren is volgens de AFM onvoldoende gekeken naar de contante commissiebetalingen aan derden. Deze betalingen vertoonden kenmerken van fraude en corruptie. De accountant wordt ook verweten hierover geen melding van fraude te hebben gedaan aan een opsporingsambtenaar.

De klachten tegen de accountant van de dochtervennootschap zijn deels gegrond. De Accountantskamer is van oordeel dat de accountant van de dochtervennootschap bij de start van ieder van de te controleren jaren niet het juiste uitgangspunt heeft gehanteerd door al bij het begin van de controle te stellen dat het issue van de contante betalingen aan derden was opgelost. Uitgangspunt voor ieder controlejaar dient te zijn dat een accountant zich behoort af te vragen of er een risico op fraude is. Een dergelijk risico kan zich immers – ook na een beëindiging van een eerdere controle – ieder jaar opnieuw voordoen. Juist in deze controlejaren was bij de te controleren rechtspersonen sprake van voldoende concrete aanwijzingen om hieraan bijzondere aandacht te besteden.

Volgens de Accountantskamer is de accountant op meerdere momenten gewezen op de contante betalingen die plaatsvonden aan derden en ook dat deze in de controlejaren nog altijd voorkwamen. Zeker nu het de accountant bekend was dat commissiebetalingen in het Midden-Oosten gebruikelijk zijn, had het op zijn weg gelegen om meer inzicht te krijgen in de aard van deze contante betalingen. Bovendien waren de contante betalingen vanwege het risico op fraude en omkoping als ‘critical matter’ benoemd. Volgens de Accountantskamer heeft de accountant niet zo zeer zijn ogen gesloten voor de aanwezige contante betalingen, maar heeft hij ze niet open gedaan.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel oordeelt de Accountantskamer dat de accountant weliswaar zijn controle ten aanzien van de commissiebetalingen onvoldoende heeft uitgevoerd, maar dat daarmee nog niet aannemelijk is geworden dat sprake was van gegevens die het redelijk vermoeden rechtvaardigden dat sprake was van fraude van materieel belang. Nu dit niet aannemelijk is geworden, is evenmin aannemelijk geworden dat de accountant melding had moeten doen bij een opsporingsambtenaar.

Voor het met onvoldoende diepgang uitvoeren van zijn controlewerk acht de Accountantskamer een berisping passend en geboden.

Klachten tegen groepsaccountant

De groepsaccountant werd door de AFM verweten dat hij bij de controles van de jaarrekening naliet in de groepsinstructies voldoende te wijzen op fraudesignalen en dat hij naliet om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen over de commissiebetalingen bij groepsmaatschappijen, ondanks signalen dat die betalingen mogelijk in strijd waren met de wet- en regelgeving.

De Accountantskamer acht de klachten ongegrond nu betrokkene voldoende opvolging had gegeven aan de signalen en hij mocht vertrouwen op de informatie die hij in zijn rol als groepsaccountant had verkregen. In het licht van de controlematerialiteit van de groep was het bedrag dat gemoeid was met de contante betalingen bij de dochtervennootschap zeer gering. Fraude en corruptie zijn onderdeel geweest van de uitgevoerde controles, het Board Report en de besprekingen met het management van de groep, zij het dat dit niet specifiek gericht was op de situatie bij de dochtervennootschap. Onderzoek had geen aanwijzingen opgeleverd dat de ‘scoping’ van de controle van de groepsjaarrekening tekortschoot. Betrokkene mocht zich hierdoor gesterkt voelen in de opvatting dat het plaatsvinden van dergelijke contante betalingen van een op groepsniveau zo geringe omvang niet direct meebracht dat sprake was van een frauderisicofactor op het niveau van de groep. Betrokkene mocht onder de gegeven bijzondere omstandigheden afgaan op de informatie die hij van de accountant van de dochtervennootschap had ontvangen.

Accountantskamer 17 juni 2020, ECLI:NL:TACAKN:2020:42

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2020/ECLI_NL_TACAKN_2020_42

Klachten SOBI over kennis van fraude bij dochteronderneming van klant ongegrond

Deze klachtzaak is verbonden met de klachtzaken van de AFM tegen twee accountants inzake commissiebetalingen. Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie is de klaagster en zij verwijt twee accountants dat zij jarenlang kennis hebben gehad van omkopingsfraude bij de dochteronderneming van een door hen gecontroleerde onderneming en hebben nagelaten de fraude aan de bevoegde autoriteiten te melden.

Klaagster heeft daarbij alleen gewezen op drie in het NRC gepubliceerde krantenartikelen, welke maar deels zijn overgelegd. Daarmee heeft klaagster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkenen kennis hadden van de beweerdelijke fraude. Daarnaast overweegt de Accountantskamer dat voor zover zij al kennis zouden hebben gehad van de beweerde fraude en op (één van) hen een wettelijke verplichting tot melding van fraude aan bevoegde autoriteiten zou rusten, dat klaagster nog niet het begin van bewijs heeft aangedragen dat betrokkenen ook daadwerkelijk geen melding hebben gedaan.

Daarbij tekent de Accountantskamer aan dat de Wwft aan een accountant geheimhouding oplegt over het feit of door hem of zijn accountantsorganisatie een FIU-melding is gedaan. Het zou strijdig zijn met de eisen van een goede tuchtprocesorde, indien een ieder door het indienen van een (niet met voldoende feiten onderbouwde) tuchtklacht een accountant ter afwering van die tuchtklacht zou kunnen dwingen deze geheimhoudingsplicht te doorbreken. Dat zou neerkomen op een ‘fishing expedition’ door de klager.

De Accountantskamer verklaart de klacht ongegrond.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2020/ECLI_NL_TACAKN_2020_41

De Rechtbank acht geen grond aanwezig tot matiging van de verzuimboete wegens te laat betalen loonheffingen

Belanghebbende betaalt de verschuldigde loonheffing 15 dagen te laat en krijgt daarvoor een boete van € 2.209. Op 25 juni 2019 is aangifte loonheffingen gedaan voor het tijdvak juni 2019. Op basis van de aangifte is een bedrag van € 73.654 verschuldigd. Belanghebbende betaalt dit echter niet vóór de uiterste betaaldatum van 31 juli 2019 maar pas op 15 augustus 2019. De inspecteur legt op 22 augustus 2019 een naheffingsaanslag op van € 73.654 met een verzuimboete van € 2.209.

In geschil is de hoogte van de verzuimboete waarbij belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de verzuimboete niet in verhouding staat tot het verzuim.

Voor de beantwoording van de vraag of de boete in verhouding staat tot de ernst van het gepleegde feit dient naar het oordeel van de Rechtbank te worden nagegaan onder welke feiten en omstandigheden het verzuim is gepleegd. Belanghebbende heeft aangevoerd dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Door miscommunicatie en de vakantieperiode zou de verschuldigde loonheffingen te laat zijn voldaan.

In de door belanghebbende aangedragen feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de te late betaling ziet de Rechtbank geen aanleiding om de boete te matigen. Het is de inspecteur toegestaan om bij een verzuim een boete op te leggen van 3% van het bedrag aan belasting dat niet is betaald. De Rechtbank acht de boete, gelet op de hoogte van de verschuldigde loonheffingen, proportioneel. De Rechtbank begrijpt dat de boete een fors bedrag is, maar ziet geen grond om de boete te verminderen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:5123

Gevangenisstraf van 10 maanden maar geen beroepsverbod voor onder meer belastingfraude, schending ambtsgeheim en medeplichtigheid aan ambtelijke corruptie

Verdachte was medewerker van de Belastingdienst en tevens belastingadviseur. Hij wordt verdacht van het opzettelijk onjuist doen van aangiftes inkomstenbelasting, van schending van het ambtsgeheim door informatie uit systemen van de Belastingdienst aan te wenden ten behoeve van ongeoorloofde nevenwerkzaamheden als belastingadviseur, van valsheid in geschrift en van ambtelijke corruptie.

Samen met een medeverdachte werkte de verdachte bij de Belastingdienst. Ook werkten zij samen bij een belastingadvieskantoor met de naam Belasthink. Verdachte ontving op zijn Belastingdienst-e-mailadres een bezwaarschrift van een cliënt van Belasthink en zorgde er voor dat dit bij de medeverdachte terecht kwam, die het vervolgens honoreerde. Medeverdachte ontving hier € 500 voor. Hoewel verdachte niet van die vergoeding wist, vindt de rechtbank wel dat hij op zijn minst globale wetenschap heeft gehad van het feit waar hij bij behulpzaam is geweest. Dat levert ambtelijke corruptie op.

Ook was bij verdachte thuis informatie gevonden van de Belastingdienst. Dit betrof een cliënt van Belasthink, waardoor de Rechtbank er vanuit gaat dat de verdachte deze informatie gebruikt heeft voor zijn belastingadvies-werk. De verdachte had die informatie geraadpleegd en geprint uit systemen van de Belastingdienst waar hij als medewerker toegang toe had. Aangezien dit vertrouwelijke informatie is, heeft hij hiermee zijn ambtelijke geheimhoudingsplicht geschonden.

Wat betreft de valsheid in geschrift heeft verdachte een bezwaarschrift in naam van persoon X ingediend terwijl verdachte het bezwaarschrift zelf heeft opgesteld en ondertekend. Verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat hij het bezwaarschrift zelf heeft opgesteld en ondertekend, maar dit niet met zijn eigen naam kon ondertekenen aangezien hij belastingambtenaar was. De Rechtbank vindt dat hij daarmee opzettelijk in strijd met de waarheid de naam van persoon X onder het bezwaarschrift heeft vermeld, en dus valsheid in geschrift heeft gepleegd.

Verder heeft de verdachte in totaal € 3.000 aan donaties als aftrekpost in aangiften inkomstenbelasting opgevoerd, terwijl die donaties niet zijn gedaan. De Rechtbank acht het opzettelijk onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting daarmee bewezen.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk. Wel ziet de Rechtbank af van het opleggen van een beroepsverbod als belastingadviseur. De verdachte is inmiddels ontslagen bij de Belastingdienst en heeft geen toegang meer tot de systemen van de Belastingdienst om de daaruit voortvloeiende informatie aan te wenden voor zijn huidige werkzaamheden als Belastingadviseur.

De medeverdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk. Hij werd alleen vervolgd voor, en veroordeeld wegens, schending van een ambtsgeheim en ambtelijke corruptie verweten.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:6161

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:6162

Taakstraf van 180 uur wegens het doen plegen van het niet voeren van een deugdelijke administratie en valsheid in geschrift

Verdachte is fiscalist en oud-advocaat. Hij werkt voor een juridisch advieskantoor dat op naam van zijn vrouw staat en laat zijn aangiften omzetbelasting verzorgen door zijn boekhouder. Hij wordt na een onderzoek naar omzetbelastingfraude vervolgd wegens valsheid in geschrift en het niet voeren van een deugdelijke administratie voor het juridisch advieskantoor.

In juli 2014 werd door de Belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld bij het juridisch advieskantoor omdat er twijfel was ontstaan over wie bij deze onderneming als ondernemer kon worden gezien. Bij het inleidend gesprek heeft de vrouw verklaard dat zij de onderneming niet zelf heeft geëxploiteerd aangezien zij daar de kennis niet voor heeft. Zij heeft nooit als ondernemer daadwerkelijk werkzaamheden verricht in de onderneming. De werkzaamheden van verdachte bestonden uit het beheren van de onderneming. De Belastingdienst concludeert dan ook dat de inschrijving van de vrouw als ondernemer niet aansluit bij de feitelijke situatie.

Uit het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat de administratie dusdanige gebreken bevat dat deze niet voldoet aan de aan een bedrijfsadministratie te stellen eisen. De administratie is daardoor niet binnen een redelijke termijn te controleren. Volgens de Rechtbank strekken de geconstateerde gebreken er daarmee toe dat er te weinig belasting is geheven. De Rechtbank komt tot dit oordeel omdat de ondeugdelijke administratie als basis mocht dienen voor het doen van aangiftes omzetbelasting.

De Rechtbank staat voor de vraag wat de rol van verdachte is geweest bij het voeren van die gebrekkige administratie. De strafbaarstelling van art. 69 AWR richt zich tot degene die op grond van de belastingwet verplicht is tot het voeren van de vereiste administratie en dat is in het onderhavige geval alleen de vrouw. Verdachte kan niet als pleger worden aangemerkt, omdat hij niet op grond van de AWR verplicht is tot het voeren van die administratie.

De vraag die zich vervolgens voordoet is of verdachte kan worden aangemerkt als doen pleger. Van doen plegen is sprake wanneer iemand een ander een delict laat uitvoeren waarvoor die ander niet zelf kan worden gestraft. De Rechtbank is van oordeel dat de vrouw zonder opzet, schuld of toerekenbaarheid heeft gehandeld. Daarnaast moet er sprake zijn van opzet bij verdachte. Gelet op het feit dat verdachte fiscaal jurist is, met jarenlange ervaring als ondernemer, is de Rechtbank van oordeel dat verdachte bekend moet zijn geweest met de administratieve en fiscale eisen die aan een onderneming worden gesteld. De Rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde doen plegen van het niet voeren van een deugdelijke administratie kan worden bewezen.

Door het niet voeren van de vereiste administratie is het onmogelijk geweest om de omzet te bepalen en daarmee is het ook onmogelijk geweest om de juiste bedragen in te vullen in de aangiften omzetbelasting. Verdachte liet de aangiften opmaken door zijn boekhouder. De ingediende aangiften zijn, omdat zij zijn gebaseerd op deze ondeugdelijke administratie, dan ook per definitie gebaseerd op onjuiste bedragen aan omzet en daarmee vormen het valse geschriften. De Rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het valselijk laten opmaken hiervan en dat valsheid in geschrift kan worden bewezen.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Hoewel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel past bij het geschatte nadeelbedrag, vindt de rechtbank dat nu niet passend omdat het gaat om oude feiten, de zaak lang heeft geduurd en wegens de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:3311