Auteur: admin

Blog Voortdurende cliëntcontrole: geen sinecure

De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is meer dan een jaar geleden ingrijpend gewijzigd. Accountants en andere poortwachters dienen deze nieuwe regels sinds 25 juli 2018 toe te passen. Inmiddels zullen dus alle cliëntdossiers aan de nieuwe regels moeten voldoen. Dit betekent bijvoorbeeld dat altijd een Ultimate Beneficial Owner van de cliënt moet zijn geïdentificeerd. Ook het stelsel van risicobeheersing dat de accountant toepast moet aan de nieuwe eisen voldoen. Verder geldt – in beginsel alleen voor organisaties met 50 werknemers of meer –  de verplichting om een compliance functie (compliance officer) te hebben. Last but not least moet altijd iemand uit de dagelijkse leiding aanspreekbaar zijn op het naleven van de Wwft-regels.

Toezicht Wwft wordt strenger

Helaas houdt het hier niet op. Het toezicht op de Wwft wordt strenger. Eind september werd bekend dat het OM opnieuw een Nederlandse systeem-bank, nu de ABN AMRO, verdenkt van het onvoldoende naleven van de Wwft-regels. DNB had hiervan melding  gedaan bij het OM na diverse onderzoeken en indringende gesprekken met de bank. Het betreft, evenals bij ING, zowel het onvoldoende verrichten van cliëntcontrole als het niet of niet tijdig melden van ongebruikelijke transacties. Bij ING mondde dit uit in een verdenking van schuldwitwassen, die verdenking is bij ABN AMRO (nog) niet aan de orde volgens de persberichten.

Na het bekend worden van het strafrechtelijk onderzoek tegen ABN AMRO was er weer volop aandacht voor de vraag wat er eigenlijk gebeurt met meldingen die banken, accountants en andere meldingsplichtigen doen. De klacht is dat meldingsplichtige instellingen daar bar weinig van zien. Hoewel de focus vaak ligt op de melding van ongebruikelijke transacties moet, gelet op de verwijten die aan ING zijn gemaakt en die bij de ABN AMRO nog worden onderzocht, ook de cliëntcontrole niet worden vergeten. Veel van de opgelegde sancties houden daar mee verband. Immers zonder voortdurende cliëntcontrole worden ongebruikelijke transacties ook minder snel geconstateerd. En juist om het toezicht daarop te verstevigen worden in de Wwft de bevoegdheden uitgebreid om informatie uit te wisselen tussen de verschillende Wwft-toezichthouders.

De voortdurende cliëntcontrole (of ‘monitoring’) die de Wwft vereist, is omschreven als de ‘voortdurende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties (…) teneinde te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de instelling heeft van de cliënt en diens risicoprofiel’. Het is dus zaak om de cliënt kritisch te blijven volgen tijdens het bestaan van de relatie. Maar wanneer wordt deze verplichting nou goed nagekomen?

Continuering en voortdurende cliëntcontrole

De Wwft-verplichting van de voortdurende cliëntcontrole vertoont van afstand enige gelijkenis met de verplichting die accountants hebben om te beoordelen of zij een (controle)opdracht kunnen continueren (NVCOS 210, 4410 en NVKS, om maar eens enkele voorschriften te noemen). Het lijkt daarom een kleine, maar wel heel praktische, stap om de ‘continueringsbeoordeling’ gelijk op te laten lopen met de cliëntmonitoring die de Wwft vereist en dit ook zo in het eigen compliance programma vast te leggen. Daarbij helpt het natuurlijk ook als accountants goed vastleggen dat zij, met een Wwft-bril, daadwerkelijk kritisch naar de cliënt en zijn transacties hebben gekeken en dat zij, als dit aan de orde is, bevindingen met de compliance officer en zo nodig de verantwoordelijk leidinggevende hebben besproken.

De Wwft-cliëntmonitoring wordt hiermee dicht op het primaire proces van een accountantsorganisatie vorm gegeven. Bovendien leidt het tot minder administratieve lasten dan wanneer de Wwft-cliëntmonitoring als afzonderlijk proces wordt vormgegeven. Veel onderzoeken van Wwft-toezichthouders leiden tot sancties omdat ‘evidence’ van cliëntmonitoring eenvoudigweg niet aanwezig is. Dan is het moeilijk te reproduceren of een accountant zijn poortwachtersrol wel goed heeft uitgeoefend. Als de beoordeling die gemaakt wordt voor een continuering van de opdracht mede als basis dient voor de Wwft-cliënt-monitoring en het compliance-programma dit ook zo vastlegt, zou dat in praktische zin aanzienlijk helpen. Een eventuele vervolgstap is dan om, zoveel mogelijk risico-gebaseerd uiteraard, bepaalde cliënten na de continueringsbeslissing nog eens extra onder de Wwft-loep te nemen.

Duidelijkheid gewenst

De Wwft is ‘principle based’ en de vraag is dan of het kantoorbeleid ten aanzien van de cliëntcontrole voldoet. Richtlijnen van Wwft-toezichthouders over waar een afdoend Wwft-risicobeheersingsmodel al dan niet aan moet voldoen ontbreken tot op heden. Dergelijke richtlijnen zouden zeer welkom zijn. Dit is temeer het geval omdat tot recent door de AFM te weinig onderscheid werd gemaakt tussen een systeem van kwaliteitsbeheersing en eventuele concrete fouten die – ondanks dat systeem – in controledossiers kunnen voorkomen. Twee accountantskantoren hebben hierover behoorlijk met de AFM in de clinch gelegen. Deze kantoren vonden, anders dan de AFM, dat uit enkele concrete fouten in controledossiers niet mag worden afgeleid dat het systeem van kwaliteitsbeheersing niet voldoet. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven moest er toen uiteindelijk aan te pas komen om duidelijkheid te scheppen. Dit College was het met de accountantskantoren eens.

Het blijft natuurlijk wel zaak dat het beheersingssysteem goed wordt uitgevoerd. Ook het handelen van een enkeling kan soms roet in het eten gooien. Rechtbank Rotterdam oordeelde recent dat de overtredingen van de Wwft in één dossier aan een accountantskantoor konden worden toegerekend, omdat het ging om het nalaten van een medewerker die afweek van de geldende kantoorprocedures. De Rechtbank wijst in dat verband op een arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2012. Die verwijzing is lastig te volgen, omdat het in dat arrest van de Hoge Raad ging om een bedrijfsleider die niet de zorg had betracht die van hem in zijn leidinggevende positie mocht worden gevergd. Een bedrijfsleider heeft een andere positie als het gaat om het nakomen van de wettelijke verplichtingen. Als een (willekeurige) medewerker afwijkt van de geldende interne procedures van het kantoor, maar die procedures op zichzelf voldoen en op de naleving daarvan op juiste wijze wordt toegezien, dan zou een toerekening aan het kantoor niet zonder meer aan de orde moeten zijn.

Het zou helpen als de verschillende Wwft-toezichthouders in hun richtlijnen expliciet tot uitdrukking brengen dat ook voor de Wwft een systeem van kwaliteits- of risicobeheersing afzonderlijk van eventuele concrete ‘gevallen steekjes’ wordt beoordeeld. Als inspiratie kunnen bijvoorbeeld de richtlijnen uit de Verenigde Staten dienen over handhaving van de corruptie-wetgeving (FCAP). Daarover schrijven de Department of Justice en de Securities and Exchange Commission: “DOJ and SEC understand that “no compliance program can ever prevent all criminal activity by a corporation’s employees,” and they do not hold companies to a standard of perfection.” Een compliance programma wordt mede beoordeeld op “its design and good faith implementation and enforcement”. En: “DOJ and SEC may decline to pursue charges against a company based on the company’s effective compliance program (…) even when that program did not prevent the particular underlying FCPA violation that gave rise to the investigation.” Dit soort expliciete uitlatingen zouden ook behulpzaam zijn in Wwft-land.

Het timmermansoog van de Wwft-poortwachter

Wim Mijs, directeur van de European Banking Federation (EBF) verwoordde het in het FD naar aanleiding van het bekend worden van het onderzoek naar ABN AMRO aldus: ‘De nadruk bij banken is komen te liggen op kwantiteit boven kwaliteit (…) Er is een vinkjescultuur ontstaan. Ondertussen weten criminelen precies hoe ze moeten voorkomen dat er een rode vlag omhoog gaat bij de bank. Wat we nodig hebben is dat mensen met jarenlange ervaring met hun timmermansoog kijken naar wat echt verdacht is.’ Inderdaad: een door de gehele organisatie omarmd systeem van timmermansogen, gezond verstand en risicogebaseerde beheersingsmaatregelen, dat is wat goed poortwachterschap vereist. Dat geldt niet alleen voor het beoordelen van transacties en het doen van meldingen, maar ook voor de cliëntmonitoring en de Wwft-risicobeheersing in brede zin. Het zou een goede zaak zijn als toezichthouders dat expliciet uitdragen zodat Wwft-instellingen zich daarin gesteund zien.

Niet (tijdig) geven van cautie heeft (ook) in fiscale zaken geen gevolgen als belanghebbende niet is benadeeld

Aan belanghebbende zijn vergrijpboetes opgelegd, welke in hoger beroep in geschil waren. Het Hof heeft verzuimd de zogenoemde cautie te geven, de aan een ondervraging voorafgaande mededeling dat belanghebbende niet verplicht is vragen te beantwoorden. Het cassatiemiddel komt op tegen het feit dat de cautie niet (tijdig) is gegeven door het Hof.

De Hoge Raad is van oordeel dat uit de wet en de parlementaire geschiedenis volgt dat de mededeling dat antwoorden niet verplicht is, moet worden gedaan in alle gevallen waarin anders dan schriftelijk vragen aan de belanghebbende worden gesteld die betrekking hebben op een bestuurlijke boete.

Dat strookt met de betekenis en uitleg van verhoorvoorschriften uit het Wetboek van Strafvordering. Daaruit blijkt dat – tijdens de terechtzitting – verdachte het recht heeft om vragen betreffende diens betrokkenheid bij het vermoedelijke begane strafbare feit onbeantwoord te laten. Bij een mondelinge behandeling wordt de cautie gezien als een zo wezenlijk voorschrift dat het verzuim die cautie te geven in de regel ertoe zal leiden dat de verkregen antwoorden voor het bewijs onbruikbaar zijn.

De Hoge Raad overweegt dat ook in (hoger) beroep in zaken waarin een bestuurlijke boete aan de orde is, de voorschriften ter bescherming van de verklaringsvrijheid behoren tot de wezenlijke waarborgen voor een behoorlijk proces. De cautie dient daarmee tijdig te worden gedaan. De rechtspraak betreffende strafzaken erkent dat het verzuim die cautie (tijdig) te geven zonder gevolgen kan blijven indien de rechter kan vaststellen dat de verdachte daardoor niet in zijn belangen is geschaad. De Hoge Raad is van oordeel dat er geen grond is een andere maatstaf te hanteren, ten aanzien van een fiscaal geding waarbij (ook) een boete moet worden beoordeeld. Omdat niet is gebleken dat het bewijs van het beboetbare feit is ontleend aan een ter zitting van het Hof namens belanghebbende afgelegde verklaring, kan het middel niet tot cassatie leiden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1786

Vergrijpboetes voor belanghebbende bij wie meermaals contante geldbedragen en henneptoppen zijn aangetroffen

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2009 tot en met 2013 aanslagen inkomstenbelasting opgelegd en zijn voor de jaren 2012 en 2013 vergrijpboetes opgelegd, die onder meer in geschil zijn.

Bij belanghebbende zijn bij een doorzoeking van de woning contante geldbedragen, een vuurwapen en plastic zakken met resten van henneptoppen aangetroffen. Enige tijd later is belanghebbende door de politie tijdens een controle staande gehouden. In de auto zijn onder meer een schietvest, contant geld, gripzakjes met henneptoppen en een plastic zak met henneptoppen aangetroffen.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur kasopstellingen gemaakt aan de hand van bankrekeningen die bij de recherche zijn ingezien. In de kasopstelling zijn voor elk van de jaren de contante stortingen op de bankrekeningen van belanghebbende, de contant bij belanghebbende aangetroffen geldbedragen en de contante aankopen bij elkaar opgeteld. Daarop zijn de contante opnamen en stortingen waarvoor belanghebbende een toereikende verklaring had in mindering gebracht.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende in 2012 en 2013 inkomsten uit werkzaamheden heeft genoten. Door nihilaangiften in te dienen heeft belanghebbende onjuiste aangiften gedaan. Door deze handelwijze heeft belanghebbende willens en wetens het risico genomen dat van hem te weinig inkomstenbelasting zou worden geheven en kan belanghebbende opzet worden verweten. Gelet op de hoogte van de inkomsten acht het Hof bewezen dat belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat sprake was van inkomsten die hij in de aangiften had dienen te vermelden. Het Hof acht niet geloofwaardig dat belanghebbende niet bekend zou zijn geweest met de in Nederland, evenals in vele – zo niet alle – andere landen van Europa, bestaande wettelijke verplichting om genoten belastbare inkomsten op te geven in de aangiften.

Het Hof acht boetes van 50% passend en geboden. De boetegrondslagen zijn niet vastgesteld met omkering van de bewijslast, maar gebaseerd op het kasverschil dat is ontstaan door de contante stortingen op de bankrekeningen, de contant aangetroffen bedragen en de contante aankopen, verminderd met de bedragen waarvoor belanghebbende een toereikende verklaring had. Het Hof ziet geen aanleiding om rekening te houden met de door belanghebbende veronderstelde ruwheid van het systeem waarmee de belastbare inkomsten zijn berekend. Het Hof ziet geen aanleiding de boetes verder te verminderen dan de Rechtbank reeds heeft gedaan vanwege een onjuist toegepaste boetegrondslag en de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:3249

Vergrijpboetes in inkeerzaak niet in strijd met het nulla poena-beginsel opgelegd

Aan belanghebbende zijn verschillende vergrijpboetes opgelegd omdat belanghebbende geen melding had gemaakt van de door hem aangehouden Zwitserse bankrekening.

Belanghebbende heeft in 2015 een beroep gedaan op de inkeerregeling. Daarbij zijn geen gegevens van de aangehouden bankrekening verstrekt. De inspecteur en belanghebbende hebben met betrekking tot de hoogte van de navorderingsaanslagen een vaststellingsovereenkomst getekend.

In geschil is of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd, meer specifiek of de boetes in strijd met art. 7 van het EVRM dan wel art. 15 IVBPR zijn opgelegd. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het nulla poena-beginsel eveneens geldt ten aanzien van het BBBB. Gelet op de tekst van het BBBB kon hij erop vertrouwen dat bij inkeer nadien geen hogere boete zou worden opgelegd dan de boete die gold ten tijde van die indiening. Dat geldt ook in het geval dat na wijziging van de beleidsregels wordt ingekeerd.

De Rechtbank is van oordeel dat het in art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR vervatte nulla poena-beginsel, dat inhoudt dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan de straf die van toepassing was ten tijde van het begaan van de overtreding, eveneens geldt ten aanzien van de toepassing van beleidsregels. De bepalingen in het BBBB zijn naar het oordeel van de Rechtbank te beschouwen als regels van sanctierecht, waarmee binnen het bereik wordt gekomen van art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR.

De stelling van belanghebbende dat de beleidsregels van toepassing blijven zoals die luidden ten tijde van het begaan van het beboetbare feit, volgt de Rechtbank evenwel niet. Naar het oordeel van de Rechtbank zijn de wettelijke bepalingen en de beleidsregels onlosmakelijk met elkaar verbonden. Aangezien de vrijwillige inkeer pas in 2015 heeft plaatsgevonden en op die inkeer art. 67n van toepassing is zoals dat artikel luidde in 2015, dienen naar het oordeel van de Rechtbank eveneens de beleidsregels tot uitgangspunt te worden genomen zoals die golden ten tijde van de inkeer. Het per 1 januari 2014 ingevoerde vierde lid van paragraaf 1 van het BBBB verhindert de toepassing van de vóór 1 januari 2014 geldende beleidsregels.

De Rechtbank stelt vast dat de inspecteur terecht vergrijpboetes heeft opgelegd en de Rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:11232

Verdachte met blanco strafblad veroordeeld tot 20 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens grootschalige belastingfraude

De verdenking luidt dat verdachte – als feitelijk leidinggever – valse facturen heeft opgemaakt, opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan en opzettelijk een valse administratie heeft verstrekt aan de Belastingdienst.

Verdachte stelt dat een aantal facturen correct zijn en dat hem ten onrechte wordt verweten dat de facturen valselijk zijn opgemaakt. De betaling van de facturen zou niet terug te vinden zijn op de bankafschriften doordat de in- en verkoopfacturen zijn gesaldeerd.

De Rechtbank acht bewezen dat verdachte een periode van 4 jaar feitelijk leiding heeft gegeven aan het opmaken van valse facturen. Verdachte heeft zich daarnaast langdurig en op grote schaal schuldig gemaakt aan belastingfraude door de op de valse facturen vermelde btw-bedragen op te voeren in de maandaangiften omzetbelasting. Het is aannemelijk dat verdachte daardoor een totaalbedrag van minstens bijna 2 miljoen euro heeft terug ontvangen van de Belastingdienst, terwijl hij daar geen recht op had. Verdachte heeft vervolgens, nadat de Belastingdienst een onderzoek was gestart naar de juistheid van de aangiften omzetbelasting,  feitelijk leiding gegeven aan het opzettelijk verstrekken van valse facturen en administratie aan de Belastingdienst.

Door het handelen van verdachte is de integriteit van het financiële en economische verkeer geschonden enkel ten behoeve van de belangen van verdachte. Aan dit handelen is pas een einde gekomen nadat de Belastingdienst een onderzoek heeft ingesteld naar de juistheid van de ingediende aangiften.

Gezien de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de Rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij dergelijke feiten past in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, ook voor iemand met een blanco strafblad. De Rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat de redelijke termijn is overschreden.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:8750

Vergrijpboetes voor het ten onrechte aanmerken van woning als ‘eigen woning’ en niet-aangegeven inkomsten in box 3

De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd voor de jaren 2011 t/m 2014 en vergrijpboetes van respectievelijk € 1.328, € 1.326, € 1.303 en € 50.

Belanghebbende is betrokken geweest bij een onderzoek van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente naar bijstandsfraude. Uit het onderzoek is gebleken dat belanghebbende een woning heeft verhuurd aan derden. In de aangiften inkomstenbelasting heeft belanghebbende hypotheekrenteaftrek geclaimd. De inspecteur heeft de in aftrek gebrachte bedragen aan negatieve inkomsten uit eigen woning gecorrigeerd. Ook heeft belanghebbende ten onrechte geen inkomen uit box 3 opgegeven, waarna de inspecteur is overgegaan tot het opleggen van navorderingsaanslagen en vergrijpboetes.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Evenals de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd. Naar het oordeel van het Hof is het aan de grove schuld van belanghebbende te wijten dat de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld en daardoor te weinig belasting is geheven. Belanghebbende verhuurde het pand aan derden en verbleef feitelijk op een ander adres. Vanwege deze omstandigheden diende belanghebbende er zich van bewust te zijn dat de woning, die belanghebbende verhuurde, niet als eigen woning kon worden aangemerkt.

Door desondanks in zijn aangiften negatieve inkomsten uit eigen woning op te voeren is het aan de grove schuld van belanghebbende te wijten dat daardoor te weinig belasting is geheven. Belanghebbende heeft voorts, terwijl hij eigenaar was van een in het buitenland gelegen woning en tevens houder was van een buitenlandse bankrekening met een aanzienlijk saldo, de inkomsten uit vermogensbestanddelen niet opgegeven in box 3. Ook in zoverre is het naar het oordeel van het Hof aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat de aanslagen te laag zijn vastgesteld. Gelet op de aard van het vergrijp en de hoogte van de boetes ziet het Hof in de omstandigheid dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast geen aanleiding de boetes te matigen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:2246

 

Door inspecteur opgelegde vergrijpboete van 50% wegens grove schuld met strafverzwarende omstandigheden houdt geen stand

Belanghebbende, een vennootschap, is in beroep gekomen ten aanzien van een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en een naheffingsaanslag omzetbelasting mét vergrijpboete van € 36.165.

De inspecteur voert aan dat het stelselmatig geen aangiften indienen, het accepteren van ambtshalve opgelegde naheffingsaanslagen (wetende dat deze te laag zijn) en het niet afdragen van de aan derden op factuur in rekening gebrachte omzetbelasting dermate aan opzet grenzende laakbare onzorgvuldige gedragingen zijn, dat deze gedragingen een hogere boete rechtvaardigen. Volgens de inspecteur is sprake van het omvangrijk of verhoudingsgewijs omvangrijk ontgaan van omzetbelasting. De inspecteur heeft om die reden vergrijpboetes opgelegd op basis van grove schuld en – vanwege strafverzwarende omstandigheden – deze vastgesteld op 50%.

Belanghebbende bestrijdt dit omdat volgens haar het beboetbare feit het niet doen van aangiften is. Daarom zouden gedragingen na het beboetbare feit niet mogen meewegen. Ook voert belanghebbende aan dat de onderneming is gestaakt, hetgeen een strafverminderende omstandigheid vormt.

De Rechtbank overweegt dat het aan grove schuld van belanghebbende te wijten is dat ten onrechte verschuldigde omzetbelasting niet is betaald. De Rechtbank stelt het percentage vast op 25% en acht geen zodanig strafverzwarende omstandigheden aanwezig die een hogere boete rechtvaardigen. Daarbij merkt de Rechtbank op dat de hoogte van de niet aangegeven en betaalde omzetbelasting reeds in de straftoemeting is verdisconteerd aangezien de boete een percentage is van de verschuldigde belasting. De Rechtbank matigt de vergrijpboete tot € 18.082.

Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn met elf maanden matigt de Rechtbank de vergrijpboete (verder) met 10%, tot € 16.273.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:3096

Blog: Schrapping van de objectieve landenindicator vergt extra aandacht van Wwft-instellingen

Zoals wij eerder schreven werd de FIU in 2018 overstroomd met weinig zinvolle meldingen op basis van de objectieve indicator. Op basis van deze objectieve landenindicator dienden instellingen sinds 25 juli 2018 alle transacties van of ten behoeve van een (rechts)persoon die woonachtig of gevestigd is in een derde-hoogrisicoland, te worden gemeld aan de FIU. Als gevolg van deze indicator zijn in 2018 in totaal 358.609 transacties als ongebruikelijk gemeld. Daarvan zijn slechts 222 transacties als verdacht aangemerkt door de FIU.[1] Daarbij komt dat deze transacties een relatief geringe waarde vertegenwoordigen van € 94.000 op een totaal van € 9,5 miljard.

Op 25 februari 2019 heeft het Ministerie van Financiën het Wijzigingsbesluit financiële markten 2019 ter consultatie aangeboden. Onderdeel van deze voorgestelde wijzigingen betreft het schrappen van de objectieve landenindicator uit de bijlage Indicatorenlijst bij het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018

Tot die tijd heeft het BFT aangegeven met betrekking tot de meldingsplicht op grond van de objectieve landenindicator een coulant handhavingsbeleid te zullen voeren. Meer concreet betekent dit dat “instellingen ten aanzien van mogelijke overtredingen van de objectieve landenindicator door het BFT of BTWwft niet zullen worden gesanctioneerd”, zo valt te lezen op de website van het BFT.

Op 3 oktober 2019 is het besluit om de objectieve landenindicator te laten vervallen door middel van bekendmaking in het Staatsblad van kracht geworden.[2] Kennelijk was bij het schrappen van deze indicator toch enige haast gemoeid, zo blijkt uit het aankondigingsbesluit van 3 september 2019:

Een spoedige inwerkingtreding van deze wijziging is gewenst. Ten eerste omdat uit de praktijk is gebleken dat deze objectieve indicator leidt tot een enorme hoeveelheid meldingen die weinig zinvol zijn bij het voorkomen van witwassen of financieren van terrorisme, terwijl het een forse investering van de FIU zou vergen om deze meldingen goed te kunnen verwerken. Het vraagt eveneens een forse investering van Wwft-instellingen in hun systemen om te kunnen melden op grond van deze objectieve indicator

De bal ligt weer bij de instelling

Door het schrappen van de objectieve landenindicator is de bal wederom bij de Wwft-instellingen komen te liggen. Waar zij voorheen transacties van of ten behoeve van een derde-hoogrisicoland zonder enige verdere beoordeling aan de FIU dienden te melden, moeten zij nu (weer) zelfstandig beoordelen of sprake is van een ongebruikelijke transactie aan de hand van de subjectieve indicator. Het besluit vermeldt hieromtrent:

Dit betekent niet dat Wwft-instellingen geen transacties meer hoeven te melden die verband houden met derde-hoogrisicolanden. Zoals hiervoor aangegeven dient op basis van de subjectieve indicator elke transactie te worden gemeld die aanleiding geeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme

De Wwft-instelling dient ter zake van transacties die verband houden met derde-hoogrisicolanden de lijst van factoren genoemd in de bijlagen bij de vierde anti-witwasrichtlijn in ogenschouw te nemen. Op grond van artikel 3, onderdeel a van bijlage III bij de genoemde richtlijn worden als potentieel hoger risico landen aangemerkt:

landen die op basis van geloofwaardige bronnen zoals wederzijdse beoordelingen, gedetailleerde evaluatierapporten, of gepubliceerde follow-uprapporten, worden aangemerkt als een land zonder effectieve AML/CFT-systemen

Daarmee rijst de vraag wie deze “geloofwaardige bronnen” zijn? In het aankondigingsbesluit wordt in dat verband verwezen naar de Financial Action Task Force (hierna ook: FATF). Dit intergouvernementeel orgaan laat in zijn berichtgevingvan 21 juni 2019 weten dat de navolgende landen tekortkomingen vertonen in hun anti-witwasbeleid[3]:

De Bahama’s                             Ghana                                       Syrië

Botswana                                  Pakistan                                    Trinidad en Tobago

Cambodja                                 Panama                                    Tunesië

Ethiopië                                     Sri Lanka                                  Yemen

Tijdens de consultatieronde van 25 februari tot 25 maart 2019 hebben meerdere partijen benadrukt dat het (her)beoordelen van alle transacties met hoogrisicolanden een verhoging van de administratieve lasten voor Wwft-instellingen met zich brengt. Naar aanleiding daarvan is de toelichting op het onderhavige besluit aangepast. Daarin wordt thans opgemerkt dat een Wwft-instelling:

bij het monitoren van transacties specifiek aandacht moet hebben voor transacties met betrekking tot hoogrisicolanden. Indien een Wwft-instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat een dergelijke transactie verband houdt met witwassen of terrorismefinanciering, moet deze worden gemeld bij de FIU-Nederland

Het is niet duidelijk wat precies wordt verstaan onder het hebben van specifieke aandacht voor transacties met betrekking tot hoogrisicolanden. Het is dan ook wachten op de in het aankondigingsbesluit toegezegde verduidelijking van de FIU:

De FIU-Nederland zal in afstemming met de leidraden van de toezichthouders guidance verschaffen over wanneer een Wwft-instelling een transactie met betrekking tot een derde-hoogrisicoland dient te melden op grond van de subjectieve indicator

Tot op heden heeft de FIU die ‘guidance’ nog niet verschaft.

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2019-310.html

 

[1] In totaal zijn er 57.950 gemelde transacties als verdacht aangemerkt door het FIU.

[2] Het betreft het Besluit van 9 september 2019 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 in verband met het vervallen van de objectieve indicator derde-hoogrisicolanden.

[3] http://www.fatf-gafi.org/publications/high-risk-and-other-monitored-jurisdictions/documents/fatf-compliance-june-2019.html

Hof oordeelt dat vergrijpboete door de Rechtbank ten onrechte is vernietigd

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2010 tot en met 2013 aanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Over de jaren 2010 en 2011 zijn tevens vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk  €  1.342 en € 1.414.

Belanghebbende verricht voor de werkmaatschappij werkzaamheden, waaronder het voeren van de administratie, de planning en het ad hoc verrichten van koeriers- en postservicediensten (hoofdactiviteit van de werkmaatschappij). Uit een boekenonderzoek is naar voren gekomen dat de werkmaatschappij aan belanghebbende in de jaren 2010 tot en met 2013 een bestelbus ter beschikking heeft gesteld die privé mocht worden gebruikt. Een kilometeradministratie ontbreekt.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes van 25% terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Ten aanzien van de boete over 2010 is het Hof – met de Rechtbank – van oordeel dat het voor belanghebbende (als ondernemer) bekend had moeten zijn dat bij het ter beschikking stellen van een auto, een sluitende kilometeradministratie moet worden bijgehouden om het privégebruik aan te tonen. Belanghebbende kan in ernstige mate worden verweten dat hij ervan is uitgegaan dat met het niet aangeven van het voordeel wegens privégebruik auto te weinig belasting zou worden geheven. Het Hof acht de boete ook passend en geboden wegens grove schuld.

De Rechtbank heeft de boete over 2011 vernietigd. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur in hoger beroep terecht aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat belanghebbende, door loon van de BV aan te geven dat boven het privégebruik auto uitgaat, daarmee tevens het privégebruik auto van de door de BV aan hem ter beschikking gestelde auto heeft aangegeven in 2011. Het Hof stelt vast dat dit niet het geval is.

Belanghebbende heeft de terbeschikkingstelling en het privégebruik in het geheel niet in zijn aangifte vermeld. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat er geen privégebruik was. Het Hof is echter van oordeel dat wel degelijk sprake is van een privégebruik en het oordeel van de Rechtbank, dat de bijtelling geacht moet worden in het aangegeven loon te zijn begrepen, wordt niet gesteund door de feiten. De Rechtbank had de boete voor het jaar 2011 niet mogen vernietigen.

Het Hof acht een boete van 25% wegens grove schuld voor het jaar 2011 passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:2749

Directeur van accountancy- en adviesbureau voert ten onrechte ‘zakelijke’ kosten op

X is directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende. X verricht als werknemer van belanghebbende accountancy- en adviesdiensten voor een coöperatie waarvan belanghebbende de ledencertificaten houdt. Y, de echtgenote van X, is eveneens in dienstbetrekking bij belanghebbende en verricht de dagelijkse administratie.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur correcties toegepast omdat de zakelijkheid van kosten niet is aangetoond, onvoldoende is aangetoond dat sprake is van zakelijke relatiegeschenken en er afschrijvingskosten dienen te worden gecorrigeerd.

Tevens zijn vergrijpboetes opgelegd, welke in geschil zijn.

De Rechtbank stelt vast dat, zoals uit het rapport van het boekenonderzoek volgt, de boetes zien op de door belanghebbende bij het bepalen van haar belastbare winst ten onrechte in aanmerking genomen bedragen, waaronder afschrijvingskosten, verantwoorde kosten en kosten van relatiegeschenken.

De Rechtbank acht aannemelijk dat X, mede gelet op de aard van bedoelde kosten en de omstandigheid dat X accountancy- en adviesdiensten verricht, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat belanghebbende haar aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2015 tot een onjuist bedrag heeft gedaan. Dit is naar het oordeel van de Rechtbank dan ook aan voorwaardelijk opzet van X te wijten. Nu X directeur en aandeelhouder, alsmede, zo volgt uit de stukken, feitelijk leidinggevende van belanghebbende is, is de Rechtbank van oordeel dat de opzet van X moet worden aangemerkt als opzet van belanghebbende.

De Rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes van 25%, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden van het geval, passend en geboden. De boetes zullen wel worden verminderd vanwege het verlagen van de grondslag. De omstandigheid dat de opgelegde boetes voor onder andere de loonbelasting zijn teruggebracht tot nihil acht de Rechtbank niet relevant voor de beoordeling van de bij de aanslagen vennootschapsbelasting opgelegde boetes.

De Rechtbank vermindert de boetes met 5% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:4059