Auteur: admin

Forse schorsing voor advocaat die wwft-verplichtingen schendt

Op 17 december 2018 legt de Raad van Discipline (hierna: de Raad), naar aanleiding van een klacht van de deken, aan een advocaat een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 24 weken op. Volgens de Raad van Discipline had de advocaat in kwestie (hierna: verweerder) de voor hem geldende wwft-verplichtingen geschonden en misbruik gemaakt van hem als advocaat toekomende privileges, ten behoeve van het witwassen van gelden.

Het feitencomplex

Verweerder heeft in de hoedanigheid van advocaat verschillende (rechts)personen vertegenwoordigd zonder een cliëntenonderzoek te verrichten. Verweerders cliënten waren als verdachten betrokken in een strafrechtelijk onderzoek dat onder meer zag op illegaal gokken en witwassen.

In opdracht van zijn cliënten heeft verweerder in het kader van de terugbetaling van een lening, gelden op zijn derdengeldenrekening ontvangen van een Panamese, respectievelijk een Monegaskische vennootschap. Hoewel de betaling de titel van ‘terugbetaling’ had, heeft verweerder deze gelden vervolgens vanaf zijn derdengeldenrekening overgeboekt naar een bankrekening in Dubai op naam van een ander dan verweerders cliënten.

Het dekenbezwaar

Het bezwaar van de deken richt zich in de eerste plaats op het niet naleven van meerdere wwft-verplichtingen door verweerder. In dit verband wordt verweerder in de eerste plaats verweten met verschillende partijen een zakelijke relatie te zijn aangegaan, zonder een cliëntonderzoek te hebben verricht. Daarnaast wordt verweerder verweten dat hij zou hebben nagelaten melding te maken van een ongebruikelijke transactie aan het FIU.

De deken verwijt verweerder ook dat hij aan hem als advocaat toekomende privileges heeft ingezet ten behoeve van het witwassen van gelden.

De beoordeling

Vooropgesteld zij volgens de Raad dat de door verweerder verrichte werkzaamheden onder het bereik van de Wwft vallen. De betreffende werkzaamheden zagen immers op het beheren van geld, het beheren van vennootschappen en het verlenen van bijstand bij het aan- of verkopen van aandelen in vennootschappen. Daarmee kwalificeert verweerder als instelling in de zin van de voormelde wet. Voorts is volgens de Raad niet in geschil dat verweerder vanuit Nederland zakelijke relaties is aangegaan. Derhalve was verweerder ertoe gehouden cliëntenonderzoek te verrichten. Verweerder heeft een dergelijk onderzoek niet verricht. Daarmee is verweerder niet staat geweest de betreffende cliënten te identificeren. Daarnaast heeft verweerder geen inzicht verworven in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van zijn cliënten. Verder heeft verweerder evenmin een voortdurende controle op de zakelijke relaties uitgeoefend. Tenslotte heeft verweerder nagelaten te verifiëren of de natuurlijke persoon die de betreffende cliënt vertegenwoordigde daartoe bevoegd was.

Voorts volgt de Raad het betoog van de deken luidende dat verweerder ten onrechte geen melding heeft gemaakt van een ongebruikelijke transactie aan de FIU. Gelet op de omstandigheden als beschreven in het feitencomplex is de raad van oordeel dat er voor verweerder aanleiding bestond te veronderstellen dat de betreffende transactie verband zou kunnen houden met witwassen of terrorismefinanciering. Door het ongebruikelijke karakter van deze transactie niet tijdig aan het FIU te melden, heeft verweerder zijn meldingsplicht in het kader van de wwft geschonden.

De raad acht de bezwaren van de deken over – kort samengevat – misbruik van advocaten-privileges eveneens gegrond.

De maatregel

Verweerder heeft aan meerdere wwft-verplichtingen niet voldaan en heeft zijn advocaten-privileges misbruikt. Derhalve acht de Raad de maatregel van een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 24 weken passend en geboden.

Raad van Discipline 17 december 2018, ECLI:NL:TADRAMS:2018:240

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI__NL__TADRAMS__2018__240

Aanslagen en boetes voor KB-Lux-houder die tegoeden op bankrekeningen achterhield voor de fiscus

Aan belanghebbende zijn over de jaren 1990 tot en met 1999 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd en over de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen (toen nog van toepassing zijnde) vermogensbelasting. Tevens zijn boetes opgelegd van 100%.

In geschil is of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. De inspecteur heeft de boetes opgelegd omdat belanghebbende rekeninghouder was van een of meer bankrekeningen bij KB-Lux, daaruit inkomsten heeft genoten en de rekeningen bij de Belastingdienst niet zijn opgegeven. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende er bewust voor gekozen een bankrekening te openen in een land met een bankgeheim teneinde de banktegoeden en de inkomsten daaruit op een listige wijze voor de Belastingdienst verborgen te houden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende houder was van de bankrekeningen bij de KB-Lux, dat de tegoeden aanzienlijk waren en dat deze ten onrechte niet zijn vermeld in de aangiften. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende het tegoed op en de inkomsten genoten van de bankrekeningen opzettelijk niet in zijn aangifte heeft vermeld. De verkregen gegevens zijn op rechtmatige wijze verkregen zodat deze ook in de procedure kunnen worden gebruikt.

De Rechtbank heeft de boetes gematigd met 10%, nu de aanslagen met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast zijn opgelegd. Anders dan in eerste aanleg, zijn de verschuldigde belastingbedragen in hoger beroep niet berekend met omkering en verzwaring van de bewijslast, maar gebaseerd op de door de KB-Lux verstrekte gegevens, zodat het Hof geen aanleiding ziet om op grond daarvan een matiging toe te passen. De Rechtbank heeft de boetes reeds gematigd met 20% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof ziet geen reden voor een verdergaande vermindering dan de 20%.

Het Hof merkt op dat de vastgestelde boetes, hoewel wordt uitgegaan van een hoger resterend percentage (namelijk 80% in plaats van 70% welke door de Rechtbank was vastgesteld), door de vermindering van de boetegrondslagen lager zijn dan door de Rechtbank waren vastgesteld.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:59

 

Heffing griffierecht in bestuursrechtelijke (fiscaal)sanctiezaken toegestaan

De Rechtbank heeft het betoog van belanghebbende dat voor het instellen van beroep tegen een (verzuim)boete geen griffierecht mag worden geheven verworpen. Tegen dat oordeel is beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad is van oordeel dat het heffen van griffierecht in (bestuursrechtelijke) boetezaken niet in strijd is met Europeesrechtelijke wetgeving. Het heffen van griffierecht is slechts in de gevallen waarbij dit – mede gelet op de voor de belastingplichtige in het geding zijnde belangen – een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt, niet toegestaan. Daarvan is echter niet gebleken.

Belanghebbende betoogt voorts dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Immers is voor de behandeling door de bestuursrechter van beroepen tegen opgelegde bestuurlijke boetes griffierecht verschuldigd, maar niet bij de behandeling van strafrechtelijke geschillen door de strafrechter.

De Hoge Raad verwerpt het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Met de heffing van het griffierecht in bestuursrechtelijke zaken heeft de wetgever onder meer beoogd dat rechtzoekenden aan de hand van de daaraan verbonden kosten een zorgvuldige afweging maken of het zin heeft om een zaak aan de rechter voor te leggen. Niet kan worden gezegd dat dit oordeel van de wetgever evident van iedere redelijke grond is ontbloot. Gelet op de aan de wetgever toekomende ruime beoordelingsvrijheid kan daarom naar het oordeel van de Hoge Raad niet worden gezegd dat het onderscheid met strafzaken, als al kan worden gesproken van gelijke gevallen, een objectieve rechtvaardiging ontbeert. Van een ongelijke behandeling is volgens de Hoge Raad geen sprake.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:30

 

Fiscale fraude met omgekatte auto’s

Ten laste van de (hoofd)verdachte is bewezen verklaard dat hij zich als feitelijk leidinggever schuldig heeft gemaakt aan het meermaals plegen van valsheid in geschrift en het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Voorts acht het Hof bewezen dat hij zich als natuurlijk persoon schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

Door valse verkoopfacturen op te maken en deze vervolgens in de administratie van zijn ondernemingen op te (laten) nemen heeft verdachte zich naar het oordeel van het Hof schuldig gemaakt aan BTW-fraude. Er is voordeel genoten door gebruik te maken van onder het reguliere BTW-regime vallende personenauto’s die waren omgekat naar marge-auto’s. Bij verkoop van een auto leidt deze fraudeleuze handelwijze ertoe dat de heffing van omzetbelasting alleen over de winstmarge van de transactie wordt afgedragen, terwijl zonder deze omkatting omzetbelasting over de totale vergoeding in rekening gebracht had moeten worden aan de eindverbruiker. Hierbij is gebruik gemaakt van plofbedrijven. Omdat deze plofbedrijven nauwelijks aangiften omzetbelasting indienden, verdwenen de door beginleveranciers in de keten aan deze plofbedrijven intracommunautair geleverde auto’s uit het zicht van de betrokken belastingdiensten. De auto’s zijn vervolgens door het plofbedrijf als margeauto aan de onderneming van verdachte verkocht, die de auto’s op zijn beurt doorverkocht als margeauto’s terwijl verdachte wist dat dit geen margeauto’s waren. Aangezien de auto in feite een auto was die onderworpen was aan het reguliere BTW-regime, rustte er op de volledige verkoopsom een BTW-claim en niet enkel op de winstmarge.

Voorts heeft verdachte, met betrekking tot de auto’s die aan Italiaanse bedrijven werden verkocht, naar het oordeel van het Hof zwaar verwijtbaar gehandeld door de door een bemiddelaar aangereikte gegevens van afnemers niet te verifiëren en deze vervolgens op zijn verkoopfacturen op te nemen. Verdachte heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij betrokken was bij BTW-carrouselfraude.

De verdediging heeft het Hof verzocht om uit te gaan van het in de belastingprocedure gestelde nadeelbedrag, zijnde ongeveer € 880.000. Het Hof zal evenwel niet dit concrete bedrag in de straftoemeting betrekken, nu het Hof niet beschikt over de stukken die ten grondslag liggen aan die nadeelberekening en de belastingkamer van het Hof nog geen uitspraak heeft gedaan. Voorts hoeft volgens het Hof hetgeen fiscaalrechtelijk is nageheven niet per definitie hetzelfde te zijn als het strafrechtelijk nadeel. Laatstgenoemd nadeelbedrag staat namelijk slechts in verband met de strafbare verwijten die de verdachte zijn gemaakt. Die verwijten kunnen uit opportuniteitsoverwegingen door het Openbaar Ministerie in tijd en omvang beperkt zijn tenlastegelegd. De feiten en omstandigheden die aan de fiscaalrechtelijke procedure ten grondslag liggen kunnen daarvan afwijken, omdat deze betrekking hebben op een andere periode en/of andere transacties.

Het Hof houdt voorts – in het voordeel van verdachte – rekening met het feit dat de redelijke termijn (fors) is overschreden. Het Hof oordeelt evenwel dat – gelet op de ernst van het bewezen verklaarde – niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het Hof veroordeelt de (hoofd)verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden. Ook overige verdachten zijn veroordeeld ter zake van de (fiscale) fraude met omgekatte auto’s.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:5463
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:5484
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:5485
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:5483

Twee jaar gevangenisstraf en beroepsverbod voor fraude met HIR

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in verschillende periodes belastingfraude heeft gepleegd, waaronder het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting alsmede valsheid in geschrift.

De Rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude met betrekking tot drie vennootschappen waarbij steeds sprake was van een ten onrechte opgevoerde herinvesteringsreserve (HIR). Het gevolg daarvan is geweest dat er te weinig belasting werd geheven bij verdachte en bij de vennootschappen waarvoor verdachte feitelijk verantwoordelijk was.

Het totale benadelingsbedrag van de bewezen verklaarde feiten is € 947.523. De Rechtbank overweegt dat daar in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden bij hoort. De Rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van strafverzwarende of -verlagende omstandigheden.

Uit door het Openbaar Ministerie verstrekte gegevens blijkt dat een deel van het veroorzaakte nadeel ongedaan is gemaakt. Ruim € 600.000 is ingevorderd bij een voormalig aandeelhouder. Hoewel het ongedaan maken van het veroorzaakte nadeel in beginsel een strafverlagende omstandigheid is, vindt de Rechtbank dat in dit geval niet. Daarvoor is van belang dat het nadeel niet door of namens verdachte ongedaan is gemaakt. Bij het feit waarbij de belastingplicht op verdachte als natuurlijk persoon rust is in het geheel geen sprake van het ongedaan maken van het nadeel.

De (forse) overschrijding van de redelijke termijn van 2,5 jaar neemt de Rechtbank als een strafverlagende factor mee. De Rechtbank vindt de strafverzwarende en -verlagende omstandigheden tegen elkaar opwegen en komt uit op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden.

Daarnaast ziet de Rechtbank aanleiding een beroepsverbod aan verdachte op te leggen, in die zin dat verdachte het beroep van statutair- of feitelijk bestuurder van rechtspersonen niet mag uitoefenen voor de duur van 5 jaren. Daarvoor is van belang dat verdachte zich als bestuurder van verschillende rechtspersonen schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrift en dat verdachte ook al eerder is veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen voor dit soort feiten. Kennelijk waren die eerdere straffen onvoldoende om verdachte ervan te weerhouden zich weer schuldig te maken aan fraude.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:9378

Vergrijpboetes voor belanghebbende die geen inkomsten heeft opgegeven terwijl uit kasopstellingen het tegendeel blijkt

In de woning van belanghebbende heeft een doorzoeking plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Daarbij zijn contante geldbedragen van in totaal € 16.000, een vuurwapen, munitie en plastic zakken met resten van henneptoppen aangetroffen.

Op 1 april 2014 is belanghebbende door de politie staande gehouden. Belanghebbende was op dat moment bestuurder van een personenauto. In de auto zijn onder meer een schietvest, contant geld voor een bedrag van € 28.000, gripzakjes met henneptoppen en een plastic zak met hennepplantenresten aangetroffen. Belanghebbende is toen aangehouden op verdenking van witwassen en overtreding van de Opiumwet.

De inspecteur heeft in 2014 de Officier van Justitie verzocht om inzage in de onderzoeksgegevens uit het strafrechtelijk onderzoek. De Belastingdienst is vervolgens een fiscaal onderzoek gestart. Daarbij zijn kasopstellingen gemaakt. In de kasopstelling zijn voor elk van de jaren 2009 tot en met 2013 de contante stortingen op bankrekeningen van belanghebbende, de contant bij belanghebbende aangetroffen bedragen en de contante aankopen bij elkaar opgeteld. Daarop zijn de contante opnamen in de betreffende jaren en de contante stortingen waar belanghebbende een toereikende verklaring voor had, in mindering gebracht.

Omdat belanghebbende voor elk van de jaren 2009 tot en met 2013 had aangegeven dat zijn inkomsten nihil waren, heeft de inspecteur (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting opgelegd alsmede vergrijpboetes. In geschil is of de opgelegde vergrijpboetes van respectievelijk € 12.076 en € 23.998 over 2012 en 2013 terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Ten aanzien van de opgelegde vergrijpboete over 2012 is de Rechtbank van oordeel dat deze op de juiste wijze is aangekondigd en terecht aan belanghebbende is opgelegd. Naar het oordeel van de Rechtbank is het aan de opzet van belanghebbende te wijten dat hij een onjuiste aangifte heeft gedaan. De Rechtbank acht bewezen dat belanghebbende inkomsten uit werkzaamheden heeft gehad en dat dit om een zodanig hoog bedrag gaat dat de Rechtbank tevens bewezen acht dat belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat sprake was van inkomsten die hij in de aangifte had dienen te vermelden. De stelling van belanghebbende dat hij niet bekend was met de wettelijke verplichting belastbaar inkomsten te melden in zijn aangifte, acht de Rechtbank niet geloofwaardig. Door zijn handelwijze heeft belanghebbende willens en wetens (op zijn minst) het risico genomen dat van hem te weinig belasting zou worden geheven. Wel ziet de Rechtbank aanleiding de vergrijpboete te matigen met 10% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

De vergrijpboete van 2013 zal worden verlaagd, omdat deze berust op een onjuiste grondslag. Bij het vaststellen van de vergrijpboete was abusievelijk uitgegaan van het inkomen uit werk en woning als grondslag in plaats van het bedrag van de aanslag. Verder zal de Rechtbank de boete (verder) matigen met 5% in verband de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:3756

 

Gevangenisstraf voor groeiende ondernemer met privéproblemen wegens indienen onjuiste belastingaangiften

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011, 2012 en 2015 waardoor te weinig belasting is geheven, het opzettelijk niet voeren van een administratie alsmede witwassen.

Verdachte heeft de feiten bekend. De Rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte gedurende vijf belastingjaren heeft gefraudeerd met betrekking tot de inkomstenbelasting. In de jaren 2011 en 2012 heeft verdachte onjuiste belastingaangiften gedaan en in 2015 heeft verdachte helemaal geen aangifte gedaan. Over de jaren 2013 tot en met 2015 heeft verdachte geen administratie bijgehouden, waardoor niet goed controleerbaar is wat verdachte verdiende.

Uit berekeningen van de Belastingdienst volgt dat verdachte in de jaren 2011-2015 in totaal € 399.617 aan belasting had moeten betalen. In plaats van die belasting te betalen heeft verdachte het geld naar het oordeel van de Rechtbank naar eigen goeddunken besteed. Uitgaande van een benadeling van ongeveer € 400.000 neemt de Rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden als uitgangspunt.

Verdachte lijkt volgens de Rechtbank niet doelbewust op zoek te zijn geweest naar mogelijkheden om de Belastingdienst te benadelen. Veeleer lijkt verdachte onvoldoende in staat te zijn geweest om te gaan met zijn groeiende onderneming(en) en zijn problemen in de privésfeer. Dit laat naar het oordeel van de Rechtbank onverlet dat door het handelen van verdachte de gemeenschap voor een groot bedrag is benadeeld.

Ter zitting heeft verdachte verklaard bereid te zijn de belastingschulden alsnog te betalen en gesteld dat hij hiertoe in de toekomst in staat te zijn, gelet op de verwachte opbrengsten van zijn ondernemingen. De Rechtbank moet echter vaststellen dat deze stelling van verdachte niet wordt ondersteund door stukken en dat ook niet is gebleken dat verdachte eind 2018 daadwerkelijk al een begin heeft gemaakt met het afbetalen van zijn belastingschuld. Ook blijkt uit het dossier dat verdachte niet altijd in staat is geweest om zijn toezeggingen in daden om te zetten. Zo heeft verdachte eerder voor belastingschulden gespaard, maar het geld toch aan iets anders uitgegeven.

Desalniettemin ziet de Rechtbank aanleiding om – in het voordeel van verdachte – af te wijken van het uitgangspunt. De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:9379

 

Ontnemingsvordering tóch mogelijk indien naast fiscale feiten ook sprake is van niet-fiscale feiten

Tegen veroordeelde is een ontnemingsvordering aanhangig gemaakt naar aanleiding van opzettelijk ingediende belastingaangiften, waardoor te weinig belasting is geheven.

Veroordeelde heeft als belastingadviseur namens klanten aangiften inkomstenbelasting gedaan en die klanten betaalden hem voor het doen van die aangiften. Vast is komen te staan dat in een groot aantal gevallen sprake was van een onjuiste belastingaangifte en dat daarmee sprake was van valsheid in geschrift. De vordering tot ontneming gaat uit van een wederrechtelijk voordeel dat veroordeelde heeft behaald doordat de klanten hem betaalden voor het opmaken van de valse geschriften en het doen van de onjuiste aangiften.

Omdat sprake is van een veroordeling op basis van onder meer de bij de belastingwet gestelde feiten, is het de vraag in hoeverre het Openbaar Ministerie ontvankelijk is, omdat de wet bepaalt dat geen ontnemingsvordering kan worden gestart ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten.

De Rechtbank komt tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.

De Rechtbank stelt voorop dat de wettekst duidelijk is: er wordt geen ontnemingsmaatregel opgelegd ter zake van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit. De wettekst maakt geen onderscheid in de wijze van deelnemen aan strafbare feiten noch in de aard van het verkregen voordeel. Bepalend is of sprake is van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit en of daarvan sprake is volgt uit de kwalificatie die de rechter aan het feit heeft gegeven.

Het is naar het oordeel van de Rechtbank voorstelbaar dat deze categorale uitsluiting van de bij belastingwet strafbaar gestelde feiten ertoe zou kunnen leiden dat bij een concreet feitencomplex sprake is van een onwenselijke uitkomst. De Rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om de wettekst zo uit te leggen dat het daarin geformuleerde toetsingsverbod in dergelijke gevallen niet zal gelden. Het moet ervoor worden gehouden dat de wetgever bij de totstandkoming van artikel 74 AWR de onderhavige situatie waarin geld wordt verdiend aan het doen van onjuiste aangiften voor een ander in ogenschouw heeft gehad, aangezien dit geregeld voorkomt.

Desalniettemin heeft de wetgever voor dergelijke gevallen geen uitzondering geformuleerd op de algemene regel dat ontneming niet mogelijk is bij een veroordeling voor een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit.

In de onderhavige zaak is echter sprake van niet alleen fiscale feiten, maar ook van valsheid in geschrift. De wettekst en jurisprudentie van de Hoge Raad verzetten zich er niet tegen dat wanneer ook sprake is van niet bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten, het op grond van die feiten verkregen voordeel wordt ontnomen.

Op grond van de dossierstukken bepaalt de Rechtbank het te ontnemen bedrag op € 81.690,36.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:9380