Auteur: admin

Klachten over ten onrechte opvoeren van zakelijke kosten ongegrond, maar waarschuwing voor niet controleren gegevens

Een man en een vrouw (klagers) drijven samen een praktijk in psychotherapie respectievelijk managementadvies. Naar aanleiding van een boekenonderzoek in 2015 heeft de Belastingdienst de aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting gecorrigeerd met vergrijpboeten. De genoemde aangiften zijn ingediend door betrokkene, een accountants-administratieconsulent.

In de onderhavige klachtprocedure stellen klagers dat zij hebben vertrouwd op de expertise van betrokkene, maar dat hij dat vertrouwen ernstig heeft beschaamd door frauduleus te handelen bij de belastingaangiften. Daarnaast zou betrokkene zich niet hebben voorbereid op het gesprek met de controlerend belastingambtenaar en zich jegens hem arrogant hebben gedragen.

De Accountantskamer is echter van oordeel dat het voor klagers duidelijk had moeten zijn dat zij alleen zakelijke kosten in hun aangiften konden opvoeren. Voor zover klagers in deze zin ten onrechte deze kosten hebben opgevoerd, moesten zij weten dat dit onjuist was. Klagers stellen dat betrokkene hen hiertoe heeft aangezet. Voor zover dit het geval mocht zijn geweest – betrokkene betwist dit –, geldt dat klagers zich aanstonds bewust hadden moeten zijn van de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van dit door hen gestelde handelen van betrokkene. Dit betekent dat de klacht in zoverre buiten de driejaarstermijn is ingediend en niet ontvankelijk is.

Met betrekking tot de kosten van kleine consumpties thuis, reiskosten, lijfrentes, de kosten van de auto, de omzet van de man en de voorbelasting in verband met de verbouwing, hoefden klagers niet te begrijpen dat betrokkene deze niet correct verwerkte. Het eerste klachtonderdeel is in zoverre dan ook ontvankelijk.

Naar het oordeel van de Accountantskamer hebben klagers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de betrokkene moest hebben geweten dat de consumptiekosten te hoog waren. Daarnaast hebben klagers betrokkene niet juist en volledig hebben geïnformeerd over de reiskosten, zodat de onjuistheden in de aangiften hem niet te verwijten vallen.

Ook de stelling van klagers dat betrokkene de aangifte op het punt van de aftrek van de lijfrentepremie ten onrecht niet heeft gecontroleerd, volgt de Accountantskamer niet. Zij hebben immers niet weersproken dat betrokkene hen op dit punt hulp aangeboden heeft en dat de premie voor lijfrente op hun eigen aangeven in de aangifte is verwerkt. Ook de overige verwijten zijn door klagers onvoldoende onderbouwd. De Accountantskamer acht het eerste klachtonderdeel dan ook in zoverre ongegrond.

De Accountantskamer is verder van oordeel dat betrokkene bij het doen van de aangiftes inkomstenbelasting voor klagers zonder meer is afgegaan op de door klagers opgegeven omzet en (voorgenomen) zakelijke toerekening van verbouwingskosten, zonder de juistheid respectievelijk aannemelijkheid van enkele van deze opgaves voldoende te verifiëren. Daardoor heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. In zoverre is het eerste klachtonderdeel gegrond.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel van klagers – dat ziet op het gedrag van betrokkene – overweegt de Accountantskamer dat klagers hun stellingen dat betrokkene zich niet voorbereidde en bij gelegenheid dronken was, onvoldoende hebben onderbouwd. Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van de Accountantskamer dan ook ongegrond.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Anderzijds is meegewogen dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.

De Accountantskamer 22 februari 2019, 18/736 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2019:14.

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI__NL__TACAKN__2019__14

Accountant handelt (onbewust) in strijd met gedrags- en beroepsregels: waarschuwing passend en geboden

Betrokkene is werkzaam als accountant op de Nederlandse Antillen en heeft in die hoedanigheid de jaarrekeningen 2010, 2011 en 2012 van een onderneming (NV1) op Curaçao samengesteld en voorzien van samenstellingsverklaringen.

Deze onderneming hield zich aanvankelijk bezig met de handel in lingerie en is zich vanaf 2004 gaan toeleggen op dienstverlening op het gebied van het omwisselen van dollars (hierna: swipen). Betrokkene was ervan op de hoogte de onderneming vanaf 2007 daarin actief was. Gaandeweg is de omzet uit deze dienstverlening, die grotendeels via (sub)agenten plaatsvond, de omzet uit hoofde van handel in lingerie gaan overvleugelen.

In 2014 is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen onder meer NV1 en haar moedervennootschap NV2. Naar aanleiding van dit onderzoek wordt betrokkene door het Openbaar Ministerie in de onderhavige klachtprocedure verweten in strijd te hebben gehandeld met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Volgens klager heeft betrokkene (a) samenstellingsverklaringen afgegeven zonder voldoende deugdelijke grondslag, (b) bij het samenstellen de relevante bepalingen uit Standaard 240 en 205 onvoldoende nageleefd en (c) verzuimd tijdig melding te doen van ongebruikelijke transacties.

Betrokkene stelt dat de klachten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat deze niet tijdig zijn ingediend door klager. Volgens de Accountantskamer zijn echter geen zes jaren verstreken sinds de ondertekening van de samenstellingsverklaringen als zijnde het moment van het verweten handelen. Evenmin zijn er drie jaren verstreken sinds klager het verweten handelen heeft kunnen constateren. De klachten zijn daarmede naar het oordeel van de Accountantskamer ontvankelijk.

In het licht van het gemotiveerde verweer van betrokkene heeft klager niet voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene omtrent de verdichte boekingen, het niet aansluiten van de Exactadministratie en het ontbreken van een kasadministratie, zijn samenstelwerkzaamheden niet heeft verricht in overeenstemming met Standaard 4410. In zoverre is klachtonderdeel a. dan ook ongegrond.

Volgens de Accountantskamer had betrokkene echter de in artikel 13 van Standaard 4410 bedoelde werkzaamheden moeten uitvoeren met betrekking tot de brutowinstmarge en de crediteuren. De onverklaarbaar lage brutowinstmarge gaf daar onder de gegeven omstandigheden aanleiding toe. Nu betrokkene dat achterwege heeft gelaten, heeft hij niet in lijn gehandeld met Standaard 4410 en het beginsel van zorgvuldig- en vakbekwaamheid als bedoeld in de artikelen A-100.4 jo. A.130 VGC geschonden.

Voorts overweegt de Accountantskamer dat betrokkene gemotiveerd heeft toegelicht dat de betreffende autoriteiten swipe-diensten in de betreffende periode stimuleerden. Mede in dat licht heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat de betreffende swipe-diensten in de bestreden periode als illegaal bankieren konden worden aangemerkt. Nu betrokkene evenmin op de overige door klager genoemde signalen had behoeven te stuiten, bestond voor betrokkene geen reden voor toepassing van artikel 16A van Standaard 4410. De Accountantskamer acht dit klachtonderdeel eveneens ongegrond.

Naar het oordeel van de Accountantskamer is klachtonderdeel c – voor zover ontvankelijk – ongegrond. De door betrokkene verrichte samenstellingsopdracht is namelijk geen meldingsplichtige dienst in de zin van artikel 1 van de Landsverordening.

Gelet op de aard en de ernst van het verzuim van betrokkene acht de accountantskamer de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij is meegewogen dat betrokkene weliswaar niet overeenkomstig Standaard 4410 en in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid heeft gehandeld, maar dat niet is gebleken dat hij dit bewust niet heeft gedaan. Verder heeft de Accountantskamer er acht op geslagen dat betrokkene niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.

De accountantskamer 25 januari 2019, 17/2276 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2019:8.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_8?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=7

Hoger beroep tegen berisping voor accountant wegens overtreden meldingsplicht en onvoldoende voortvarend handelen ongegrond

Appellant heeft als accountant-administratieconsulent gedurende een aantal jaren ten behoeve van een onderneming de jaarrekeningen en aangiften vennootschapsbelasting verzorgd. Het betreft een onderneming waarin door verschillende personen – via hun houdstermaatschappij – is geïnvesteerd.

Bij brief van 3 mei 2013 schrijft appellant aan de directeur dat hij niet over de benodigde informatie beschikt om de jaarrekening over 2010 af te ronden en dat hij het vermoeden heeft dat leningen worden aangetrokken om daarmee de verplichtingen van andere leningen te kunnen voldoen. Appellant geeft daarbij aan dat dit niet is toegestaan indien de onderneming niet voldoende activiteiten ontwikkelt om rendement te realiseren en daardoor de terugbetaling van de aangetrokken financieringen niet mogelijk zal zijn.

Wanneer de onderneming uiteindelijk in 2015 failleert, zien de betreffende investeerders hun investering verloren gaan met forse verliezen als gevolg. Dit vormt de aanleiding voor de – door twee van hen – bij de klachtencommissie van de Nba ingestelde klacht jegens appellant. De Accountantskamer heeft op 15 december 2017 geoordeeld dat appellant de samenstellingsopdracht over het jaar 2010 niet tijdig heeft teruggeven en dat ten onrechte geen melding is gedaan in het kader van de Wwft. Appellant heeft hiertegen hoger beroep aangetekend bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

In zijn eerste grief voert appellant onder meer aan dat de Accountantskamer de klacht over het ten onrechte niet melden had moeten aanmerken als een ontoelaatbare uitbreiding van de klacht. De grief faalt, omdat het ter zitting benoemen van de wettelijke voorschriften die op het betreffende klachtonderdeel van toepassing zijn, geen ontoelaatbare uitbreiding van de klacht vormt. Dat de samenvatting van de klacht onjuist is weergeven, doet daar niet aan af.

Daarnaast oordeelt het College, in navolging op de Accountantskamer, dat appellant de meldingsplicht heeft overtreden, nu appellant in 2013 frauduleus handelen vermoedde. Nu appellant ten overstaande van de Accountantskamer heeft verklaard dat hij in 2013 een vermoeden had van fraude, acht het College de ontkenning van dat vermoeden door appellant in hoger beroep niet aannemelijk. Het vermoeden van fraude is ook niet weggenomen door later ontvangen informatie. Het overleg dat na de brief van 3 mei 2013 plaatsvond met de directeur, leverde immers onvoldoende informatie op om een goed oordeel over de obligaties te kunnen vormen.

Ook verwerpt het College het standpunt van appellant, dat de Accountantskamer te veel nadruk heeft gelegd op de brief van 3 mei 2013. Juist het in die brief uitgesproken vermoeden van fraude gaf namelijk aanleiding voor appellant de samenstellingsopdracht overeenkomstig Standaard 240 terug te geven. Bovendien zijn ook latere informatieverzoeken onbeantwoord gebleven. Door de betreffende opdracht pas op 2 november 2014 terug te geven, heeft appellant naar het oordeel van het College onvoldoende voortvarendheid betracht. Ook de stelling van appellant dat het teruggeven van een opdracht in niemands belang is, snijdt geen hout. Het is namelijk in het belang van de accountant zelf, niet geassocieerd te worden met frauduleus handelen. Bovendien gaat er van het teruggeven van een opdracht een beschermend signaal uit naar derden.

Het College acht de door de accountantskamer opgelegde maatregel van berisping in dit geval – gelet op alle omstandigheden – passend en geboden en oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 19 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:69.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2019:69

Accountantskamer geeft accountant die onzorgvuldig handelde waarschuwing

Het accountantskantoor van betrokkene heeft in de jaren 2011 tot en met 2014 onder meer de aangiften omzetbelasting verzorgd van drie vennootschappen, waarvan de aandelen werden gehouden door twee broers. Het tweetal exploiteerde tevens een vennootschap onder firma totdat deze in 2012 – met wetenschap van betrokkene – in staat van faillissement werd verklaard.

Begin 2015 is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de drie vennootschappen. Uit het onderzoek zou zijn gebleken dat in de administraties tientallen valse facturen waren opgenomen, op grond waarvan gedurende de periode 2012 tot en met 2014 ten onrechte een bedrag van € 128.411 aan voorbelasting is geclaimd.

In de onderhavige klachtprocedure stelt het Openbaar Ministerie dat betrokkene in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels heeft gehandeld. Hem wordt meer specifiek verweten dat hij onvoldoende zorgvuldig is geweest bij het verwerken van de aangeleverde gegevens met het oog op de aangiften omzetbelasting.

Klager verwijt betrokkene uitdrukkelijk niet dat hij of zijn medewerkers had(den) moeten zien dat de facturen vals waren. Wel waren er volgens klager de nodige signalen die voor betrokkene en zijn medewerkers aanleiding hadden moeten zijn nader onderzoek te doen naar deze facturen. Zo werden de bewuste facturen nooit betaald en werden er (desondanks) geen aanmaningen ontvangen. Daardoor bleven de facturen lange tijd als schuld op de balans staan. Geen van de drie vennootschappen genereerde in deze periode enige omzet van betekenis, terwijl de post crediteuren wel opliep, met name in 2014.

De Accountantskamer overweegt dat betrokkene de aangiften omzetbelasting niet zonder meer had mogen indienen op basis van de aangeleverde gegevens. Het geheel van feiten en omstandigheden gaf – in ieder geval in 2014 – namelijk aanleiding tot het stellen van nadere vragen aan de beide broers. Zo had betrokkene bekend kunnen en moeten zijn met de oplopende crediteurenstand in 2014. Bovendien was betrokkene op de hoogte van het faillissement van de VOF in 2012 en als crediteur bekend met de slechte financiële situatie van de betreffende vennootschappen. Volgens de Accountantskamer heeft betrokkene gedurende een aantal jaren signalen die rezen rond facturen van zijn cliënten die vragen hadden moeten oproepen, genegeerd. Verder heeft betrokkene zijn medewerkers onvoldoende geïnstrueerd en begeleid, waardoor zij niet in staat zijn gebleken hun werkzaamheden uit te voeren op de wijze die van hen mocht worden verwacht.

Het één en ander brengt de Accountantskamer tot het oordeel dat betrokkene tekort is geschoten in de van hem te verlangen opmerkzaamheid en in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 2 VGBA.

De Accountantskamer acht de maatregel van waarschuwing dan ook passend en geboden. In die beslissing neemt de Accountantskamer mee dat betrokkene reeds meer ervaren personeel heeft aangetrokken, zijn werkwijzen heeft aangepast en lering heeft getrokken uit het gebeurde.

De accountantskamer 25 januari 2019, 18/488 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2019:9.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_9?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=8

BFT verwijt belastingadviseur ten onrechte dat zij de verplichtingen uit de Wwft niet is nagekomen

In 2015 heeft het BFT bij een belastingadviseur onderzoek gedaan naar de naleving van de ingevolgde de Wwft geldende verplichtingen. Het BFT concludeert aan de hand van het onderzoek dat de adviseur geen onderzoek heeft gedaan naar de herkomst van een in de jaarrekening 2014 van een autorijschool opgenomen langlopende schuld van € 9.000. Daarmee heeft appellante volgens het BFT onvoldoende invulling gegeven aan het cliëntenonderzoek.

Verder stelt het BFT dat de adviseur ten onrechte geen melding heeft gemaakt van een contante betaling van € 1.250 verricht door deze cliënt aan een derde. Daarmee heeft zij volgens het BFT ook de verplichting geschonden van artikel 16 Wwft. Het door de adviseur ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

In hoger beroep is het College echter van oordeel dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de adviseur zou hebben nagelaten om de herkomst van het bedrag van € 9.000 te onderzoeken. De adviseur heeft consistent verklaard dat zij de herkomst van dit bedrag heeft onderzocht bij de acceptatie van het bedrijf als cliënt.

Ter zitting van het College heeft de adviseur toegelicht dat zij gedurende het onderzoek van het BFT niet direct kon beschikken over de informatie waaruit bleek dat zij onderzoek had gedaan naar de herkomst van het bedrag van € 9.000. Hierdoor kon zij het BFT in eerste instantie geen duidelijkheid verschaffen over de herkomst van dit bedrag. Het College ziet onvoldoende reden voor twijfel aan de juistheid van deze met stukken onderbouwde verklaringen. Gelet hierop bestond naar het oordeel van het College geen aanleiding om de herkomst van het bedrag nogmaals te onderzoeken in 2014. Dat boekhoudkundig alternatieve oplossingen denkbaar waren geweest is onvoldoende voor een andere conclusie. Van een overtreding van het cliëntenonderzoek c.q. monitoringsverplichting is geen sprake.

Voorts acht het College de verklaring van de adviseur dat de contante betaling van € 1.250 verband houdt met de betaling van lesgeld, niet onaannemelijk. Uit een overgelegd overzicht blijkt dat de verrichte betaling betrekking heeft op een door een andere rijschool gedane examenaanvraag. Daarbij is van belang dat uit de stukken naar voren komt dat een constructie waarbij rijscholen die niet bevoegd zijn om voor hun leerlingen rijexamens aan te vragen, samenwerken met rijscholen die daartoe wel bevoegd zijn niet ongebruikelijk is. De door de adviseur gegeven verklaring dat haar cliënt deze betaling vanwege onnauwkeurig administreren op een later moment heeft geadministreerd dan de rijschool van wie dit geld afkomstig is, acht het College evenmin onaannemelijk. Het College acht de herkomst van de betreffende betaling voldoende duidelijk, zodat deze betaling niet had hoeven te worden gemeld aan het FIU. Van een schending van artikel 16 Wwft is geen sprake.

Het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de Rechtbank is daarmee gegrond. Het College veroordeelt het BFT in de proceskosten en stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op totaal € 2.560.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 5 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:58

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2019:58

Fiscaal advocaat veroordeeld voor het niet voldoen aan de inlichtingenplicht

Aan verdachte, een fiscaal advocaat, is ten laste gelegd dat hij zich (als feitelijk leidinggever) heeft schuldig gemaakt aan het niet verstrekken van informatie aan de Belastingdienst, door op diverse mails en brieven niet (voldoende) te reageren in het kader van de Invorderingswet.

Verdachte heeft zich ter zitting op zijn geheimhoudingsplicht beroepen, omdat sprake is van klantgegevens die niet verstrekt mogen worden. De Rechtbank volgt verdachte niet in het verweer. Verdachte heeft meermalen gegevens die geen betrekking hebben op klanten geweigerd te verstrekken. Voor wat betreft de gegevens waarop wel specifieke klantgegevens staan, heeft verdachte onvoldoende onderbouwd dat de gevraagde gegevens inderdaad onder de geheimhoudingsplicht vallen. Ook had verdachte, eventueel in overleg met de Belastingdienst, aan de inlichtingenplicht kunnen voldoen zónder de geheimhoudingsplicht te schenden.

De Rechtbank stelt vast dat verdachte als feitelijk leidinggever van drie verschillende vennootschappen opzettelijk niet heeft voldaan aan de verplichting de Belastingdienst inlichtingen te verschaffen en medewerking te verlenen. Hij had gemakkelijk kunnen bewerkstelligen dat wel aan de verplichtingen zou worden voldaan door openheid van zaken te geven.

De Rechtbank vindt dit extra kwalijk omdat verdachte van beroep belastingadviseur en advocaat is. Juist bij deze beroepsgroepen mag ervan uit worden gegaan dat zij zich aan de regels houden. Door dit niet te doen heeft verdachte het vertrouwen in zijn beroepsgroep geschaad.

De Rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen wat het benadelingsbedrag voor de Belastingdienst is. Verder houdt de Rechtbank – in het voordeel van verdachte – rekening met het motief van verdachte. Anders dan in de meeste andere zaken waarin de inlichtingenplicht is geschonden, was het verdachte er niet om te doen zich aan zijn belastingplicht te onttrekken, maar eerder om zijn klanten uit de wind te houden toen hem bleek dat zij benaderd werden voor het opleggen van derdenbeslag. Daarnaast weegt de Rechtbank mee dat ook de vennootschappen zijn veroordeeld voor het niet voldoen aan hun inlichtingenplicht.

In deze omstandigheden ziet de Rechtbank aanleiding om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uren. De vennootschappen zijn veroordeeld tot geldboetes van elk € 10.000.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1535
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1532
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1536
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1537

 

Gewijzigd standpunt van de inspecteur in beroep leidt tot vernietiging vergrijpboetes

Belanghebbende is architect. Hij is niet ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, maar wel in het architectenregister. Vanaf 2007 is belanghebbende ondernemer voor de omzetbelasting en heeft hij in de aangiften inkomstenbelasting winst uit onderneming aangegeven.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur correcties opgelegd. Dit heeft geleid tot navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboetes van 50%.

Eerst in beroep stelt de inspecteur zich op het standpunt dat geen sprake is van ondernemerschap. De Rechtbank stelt vast dat belanghebbende geen geld hoefde te ontvangen, dat het hem gaat om het verspreiden van zijn ideeën en gedachtegoed en dat het een passie is van belanghebbende. De Rechtbank stelt dan ook vast dat er geen sprake is van een bron van inkomen waardoor belanghebbende niet kan worden aangemerkt als ondernemer in de zin van de inkomstenbelasting. Omdat ook niet aannemelijk is dat belanghebbende economische activiteiten heeft verricht tegen een vergoeding is belanghebbende evenmin aan te merken als ondernemer in de zin van de omzetbelasting.

De inspecteur heeft vergrijpboetes opgelegd, omdat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende zou zijn te wijten dat de aanslagen inkomstenbelasting tot te lage bedragen zijn vastgesteld en de verschuldigde omzetbelasting niet op aangifte is voldaan. Daarbij heeft de inspecteur gesteld dat ter zake van de inkomstenbelasting het iedere ondernemer bekend is dat hij bedragen van niet gemaakte onkosten niet mag opvoeren als aftrekpost in zijn administratie. Ter zake van de omzetbelasting heeft de inspecteur gesteld dat het iedere ondernemer bekend is dat hij geen recht heeft op aftrek van voorbelasting van kosten die niet gemaakt zijn en van bonnen die niet voldoen aan de factuurvereisten.

Nu de inspecteur eerst in beroep heeft betoogd dat belanghebbende geen ondernemer is (en de Rechtbank dit standpunt heeft gevolgd) is de feitelijke grondslag waarop de boetes zijn gebaseerd gewijzigd. De belastingwet verplicht de inspecteur belanghebbende tijdig in kennis te stellen tot het opleggen van de boetes en de grondslag daarvoor (mededelingsplicht). In dit geval is de Rechtbank van oordeel dat met de in het controlerapport beschreven feiten en omstandigheden die aanleiding gaven de vergrijpboetes op te leggen niet is voldaan aan de mededelingsplicht die op de inspecteur rust (vanwege het gewijzigde standpunt). De Rechtbank zal de vergrijpboetes dan ook vernietigen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:6749

 

Autorijschool beboet voor het niet doorgeven van aanzienlijke omzetten

Belanghebbende exploiteert een autorijschool. De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld met als doel het vaststellen van de aanvaardbaarheid van de omzetverantwoording in de inkomsten- en omzetbelasting.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek en een opgelegde informatiebeschikking heeft de inspecteur een theoretische omzetberekening gemaakt op basis van een gesprek met belanghebbende, het uurtarief, het aantal personen dat lessen heeft gevolgd en het aantal lessen per persoon. De inspecteur heeft voorts vergrijpboetes opgelegd van 50% omdat het aan opzet van belanghebbende zou zijn te wijten dat te weinig belasting is geheven.

De inspecteur heeft ter onderbouwing van de opgelegde boetes aangevoerd dat uit de aansluiting tussen de gegevens van het CBR en die van belanghebbende blijkt dat omzetten niet zijn aangegeven. Het is volgens de inspecteur van algemene bekendheid dat alle lesomzetten en ontvangen examengelden in de omzet en de aangiften moeten worden verantwoord. Door het niet voeren van een adequate boekhouding waaruit alle omzet blijkt en het daardoor niet verantwoorden van alle omzet heeft belanghebbende willens en wetens te lage aangiften gedaan. Wellicht heeft zijn administrateur te weinig actief opgetreden in de begeleiding van belanghebbende, maar door het niet verwerken van omzetgegevens in zijn kasstaten heeft belanghebbende zelf schuld aan het niet kunnen verwerken van de gegevens door de administrateur.

Volgens belanghebbende is onvoldoende bewijs geleverd voor de stellingen van de inspecteur en zouden vormvereisten niet in acht zijn genomen bij het verhoor, zoals het onthouden van het consultatierecht en het niet geven van de cautie.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van voorwaardelijk opzet door het niet voeren van een adequate boekhouding en het aanleveren van onjuiste dan wel onvolledige gegevens aan de boekhouder. De administratie bestond uit een losbladig (klas)kasboek, CBR-overzichten en bankafschriften. De theoretische omzetberekeningen wijken aanzienlijk af van de omzetten die zijn doorgegeven, zodat moet worden geoordeeld dat belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de aangiften de omzetten en winsten op te lage bedragen zouden worden gesteld.

De Rechtbank ziet geen reden de opgelegde boetes verder te verminderen dan de inspecteur reeds heeft gedaan. De Rechtbank acht deze boetes passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:920

 

Taakstraf en geldboete voor laten opmaken van valse facturen

De Rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door valse facturen op te laten maken en in de administratie van A BV op te nemen. Verdachte heeft hier anderen, namelijk opdrachtnemers, bij betrokken door hen te vragen valselijk de facturen op naam van A BV te stellen.

De valse facturen heeft verdachte in rekening gebracht bij de vennootschap. Hierdoor heeft hij onjuiste aangiften inkomstenbelasting ingediend, waardoor hij ten onrechte te weinig inkomstenbelasting heeft betaald. Ook heeft hij zich als feitelijk leidinggever gedurende deze jaren meermalen schuldig gemaakt aan belastingfraude, doordat de door hem ingediende valse facturen ten grondslag lagen aan de door A BV ingediende aangiften omzet- en vennootschapsbelasting waardoor die aangiften onjuist zijn ingediend. Door zo te handelen is de staatskas benadeeld.

De Rechtbank hanteert bij verdachte een benadelingsbedrag van € 55.069,98 conform de berekening van de FIOD. Bij verdachte is sprake van een lager benadelingsbedrag dan bij zijn medeverdachten, omdat hij niet wordt veroordeeld voor het onjuist aangifte doen van aangifte vennootschapsbelasting over 2009. De Rechtbank vindt echter strafverzwarend dat verdachte de initiator is geweest van het plan om privéuitgaven zakelijk weg te boeken. Om die reden zoekt de Rechtbank aansluiting bij de straffen die aan de medeverdachten worden opgelegd.

De Rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, het tijdsverloop en dat er volledige medewerking is verleend aan het strafrechtelijk onderzoek.

Een gevangenisstraf acht de Rechtbank niet passend. De Rechtbank ziet in deze zaken aanleiding om een geldboete op te leggen omdat de bewezenverklaarde feiten financieel van aard zijn en het benadelingsbedrag niet wordt teruggevorderd door de fiscus. Hierbij weegt eveneens mee dat de financiële situatie van verdachte anders is dan die van de medeverdachten. De Rechtbank ziet daarin aanleiding om een lagere geldboete op te leggen en om deze te laten voldoen in termijnen.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor 120 uren en tot een geldboete € 2.400, welke in 24 maandelijkse termijnen mag worden voldaan.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1191
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1192
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1190

Computerhandelaar verzwijgt omzet en brengt privé-uitgaven ten laste van de winst

Belanghebbende is betrokken bij de exploitatie van een handel in computers en computeronderdelen. De activiteiten bestaan uit de exploitatie van een webshop en twee winkels.

Aan belanghebbende zijn onder meer vergrijpboetes omzet- en inkomstenbelasting opgelegd. De inspecteur is van oordeel dat belanghebbende bewust kosten ten laste van het resultaat heeft gebracht die geen betrekking hebben op de onderneming en dat hij daarmee bewust omzet buiten de boeken heeft gehouden.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende opzettelijk zijn bron van inkomen heeft verzwegen en heeft getracht te doen voorkomen dat de voordelen uit die bron door X CV werden genoten. Het Hof stelt om die reden vast dat belanghebbende opzettelijk de omzet van de handel in computers en computeronderdelen niet heeft opgegeven voor de jaren 2007 en 2008. Daarnaast zijn voor het jaar 2009 privé-uitgaven en kosten die niet zien op de eenmanszaak in aftrek gebracht. De combinatie van de niet aangegeven omzet, de ten onrechte in aftrek gebrachte kosten en de (ondernemers)ervaring van belanghebbende, leidt volgens het Hof tot het oordeel dat belanghebbende wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De ervaring van belanghebbende blijkt uit zijn betrokkenheid bij andere vennootschappen.

Het Hof ziet evenwel aanleiding de vergrijpboetes te matigen van 50% tot 20% in verband met het feit dat de aanslagen met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast zijn opgelegd en het feit dat de redelijke termijn is overschreden.

Ten aanzien van de vergrijpboetes ter zake van de omzetbelasting overweegt het Hof dat de omvang van de in aftrek gebrachte voorbelasting ten aanzien van facturen die op naam van anderen staan of niet in de onderneming thuishoren en de ervaring van belanghebbende leiden tot het oordeel van het Hof dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de omzetbelasting niet is betaald. Gelet op de specifieke feiten en omstandigheden en rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn zal het Hof de boete – overeenkomstig de Rechtbank – verder matigen met 20%.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:1860