Auteur: admin

Geen matiging verzuimboete omdat schulden aan familieleden geen beslag leggen op betaalcapaciteit

De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting opgelegd en gelijktijdig een verzuimboete van € 369.

Belanghebbende is ondernemer en is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2015. De aangifte moest uiterlijk op 18 november 2016 zijn ingediend en is ingekomen op 19 februari 2017. In geschil is of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende, hoewel daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, niet tijdig heeft voldaan aan zijn aangifteverplichting. Het Hof is daarom, met de Rechtbank, van oordeel dat de opgelegde verzuimboete in overeenstemming is met de wet- en regelgeving. Het Hof wijst belanghebbende erop dat de lopende procedures over 2013 en 2014 geen rechtvaardiging zijn om niet binnen de gestelde termijnen aangifte te doen over 2015. Ook niet als deze lopende procedures relevant zouden zijn voor het doen van de aangifte voor het jaar 2015.

Belanghebbende doet een beroep op matiging vanwege de financiële omstandigheden waarin hij verkeert. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit de stukken dat belanghebbende beschikte over zodanige inkomsten en vermogensbestanddelen dat zijn financiële situatie niet van invloed is op de mate van verwijtbaarheid van het door hem gepleegde aangifteverzuim en dat zijn financiële situatie evenmin aanleiding is tot matiging van de opgelegde verzuimboete. De gestelde langlopende schulden aan meergenoemde familieleden leiden niet tot een ander oordeel nu belanghebbende niet aflost en geen rente betaalt, zodat deze schulden geen beslag leggen op zijn betaalcapaciteit.

Het Hof acht de opgelegde verzuimboete van € 369 passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:2999

Auto-importeur maakt waardevermindering aannemelijk en Hof vernietigt verzuimboete wegens geslaagd beroep op pleitbaar standpunt

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag bpm en een verzuimboete opgelegd.

Belanghebbende heeft in Duitsland een personenauto gekocht. Bij de aangifte bpm heeft belanghebbende gekozen voor de methode ‘taxatierapport’. In het taxatierapport is rekening gehouden met een schadecalculatie.

De inspecteur baseert zich op een taxatie die is uitgevoerd door Domeinen Roerende Zaken. In het verslag ‘Onderzoek waardebepaling’ is geen waardevermindering toegepast in verband met schade. Derhalve is de inspecteur overgegaan tot het naheffen van bpm.

In geschil is onder meer of de verzuimboete terecht is opgelegd, meer in het bijzonder of belanghebbende een beroep kan doen op een pleitbaar standpunt.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het schadeverleden van de auto niet meegenomen moet worden in de waardebepaling, omdat de verkoper dit niet hoeft te melden aan een potentiële koper. Het Hof gaat daar aan voorbij, nu uit het Burgerlijk Wetboek voor de verkoper verplichtingen voortvloeien waarbij een schade van deze omvang wel degelijk moet worden gemeld aan de koper.

Belanghebbende heeft (met onder meer foto’s en een taxatierapport) aannemelijk gemaakt dat de door de Rechtbank in aanmerking genomen waardevermindering als gevolg van schade van € 1.000 te laag is. Naar het oordeel van het Hof heeft  belanghebbende echter niet de gehele door hem voorgestane waardevermindering van € 6.092 aannemelijk gemaakt. Het Hof bepaalt de waardevermindering in goede justitie op een bedrag van € 4.500.

Naar het oordeel van het Hof kan, mede in het licht van de uiteindelijke uitkomst van deze procedure voor het Hof, niet worden gezegd dat belanghebbende redelijkerwijs niet kon en mocht menen dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade en dat deze schade voor het door belanghebbende voorgestane gedeelte als waardevermindering had te gelden. Belanghebbende mocht afgaan op het taxatierapport van de door hem ingeschakelde gecertificeerde deskundige. Het enkele feit dat belanghebbende gespecialiseerd is in het importeren van auto’s en bpm-aangiften kan verzorgen, brengt naar het oordeel van het Hof nog niet mee dat belanghebbende op de hoogte is van alle facetten van het taxeren van auto’s en van alle wettelijke regels op het gebied van de bpm.

Het voorgaande betekent dat belanghebbende ten tijde van het betalingsverzuim een pleitbaar standpunt heeft ingekomen. Het Hof vernietigt de verzuimboete.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:6889

Geen vrijstelling bpm voor levering voedselpakketten (geen economische activiteiten); geen avas en verzuimboete (die al verminderd is tot € 50) passend en geboden

Belanghebbende is in 2014 kentekenhouder geworden van een bestelauto. Met betrekking tot de aanschaf van de auto heeft belanghebbende geen aangifte gedaan ter zake van de bpm.

De inspecteur heeft om die reden aan belanghebbende een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 11.026 en een verzuimboete van € 1.102.

Onder meer is in geschil of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende stelt dat zij ondernemer is en derhalve is vrijgesteld van bpm voor een bestelauto. De prestaties van belanghebbende worden gevormd door de levering van voedselpakketten. Hiervoor ontvangt zij van de afnemers geen op geld waardeerbare vergoeding. Naar het oordeel van de Rechtbank verricht zij derhalve geen economische activiteiten. Daarmee is belanghebbende terecht niet als ondernemer aangemerkt. Dat belanghebbende wél een vergoeding ontvangt in de vorm van veel waardering, lijdt wat betreft de Rechtbank betreft geen twijfel, maar kan aan voormeld oordeel niet afdoen.

Nu belanghebbende geen ondernemer is, komt zij niet in aanmerking voor vrijstelling van de bpm. Derhalve is in beginsel terecht een verzuimboete opgelegd van € 1.102.

Belanghebbende heeft gesteld dat de auto aan haar is geschonken en dat de betreffende autohandelaar slechts is uitgegaan van bedrijfsmatig gebruik van de bestelbus en niet wist dat belanghebbende niet voor vrijstelling van de bpm in aanmerking kon komen.

De Rechtbank oordeelt dat in een dergelijk geval geen beroep kan worden gedaan op afwezigheid van alle schuld (avas). Belanghebbende had zich immers dienen te vergewissen van de fiscale regels. De inspecteur heeft echter in de beroepsfase, gelet op voornoemde omstandigheden, nader het standpunt ingenomen dat de verzuimboete dient te worden verminderd tot € 50.

De Rechtbank acht een boete van € 50 passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2015:4447

Financial Intelligence Unit-Nederland schiet doel voorbij

Als bijlage bij zijn brief van 23 juli 2019 heeft minister Grapperhaus het rapport van Financial Intelligence Unit-Nederland (hierna: FIU) over het jaar 2018 aan de Tweede Kamer aangeboden.

De objectieve landenindicator

Het jaarverslag typeert 2018 als “een jaar van superlatieven”. De FIU-Nederland ontving in 2018 in totaal 753.352 meldingen van ongebruikelijke transacties. Het aantal meldingen is daarmee meer dan verdubbeld ten opzichte van 2017.[1] Deze enorme stijging is met name veroorzaakt door een nieuwe objectieve indicator die bij implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn is ingevoerd.[2] Daarmee werden instellingen verplicht gesteld om alle transacties met hoog-risico-landen als ongebruikelijke transactie te melden bij FIU-Nederland.[3] Als gevolg van deze nieuwe indicator zijn 358.609 transacties als ongebruikelijk gemeld in 2018. Daarvan waren slechts 222 transacties als verdacht aangemerkt door de FIU.[4] Daar komt bij dat deze transacties een relatief geringe waarde vertegenwoordigen van slechts € 94.000 op een totaal van 9,5 miljard.

In feite wordt de FIU dus overstroomd met weinig zinvolle meldingen op basis van deze objectieve indicator. Daarom heeft het Ministerie van Financiën het Wijzigingsbesluit financiële markten 2019 ter consulatie aangeboden. Onderdeel van deze voorgestelde wijzigingen betreft het schrappen van de objectieve landenindicator uit de bijlage Indicatorenlijst bij het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. Naar verwachting zal deze wijziging binnenkort in werking treden.

Tot die tijd heeft het BFT aangegeven met betrekking tot de meldingsplicht op grond van de objectieve landenindicator coulant te zullen handhaven. Meer concreet betekent dit dat “instellingen ten aanzien van mogelijke overtredingen van de objectieve landenindicator door het BFT of BTWwft niet zullen worden gesanctioneerd”, zo valt te lezen op de website van het BFT.[5]

Denkt men de transacties op basis van de onverwachte werking van de objectieve landenindicator weg, dan resteert een aantal “reguliere”[6] meldingen van 394.743. Ten opzichte van 2017 zijn 33.728 meer reguliere transacties gemeld op grond waarvan het FIU concludeert dat “het aantal ontvangen “reguliere” ongebruikelijke transacties op de lange termijn gestaag [blijft] toenemen”.

         Met de meeste meldingen wordt niets gedaan

Uit de bijna 400.000 meldingen filterde de FIU ongeveer 58.000 verdachte transacties. Dat komt neer op ongeveer 15% en 10 miljard euro. De FIU stelt deze informatie ter beschikking aan de politie, justitie en FIOD, maar volgens diverse bronnen van de Volkskrant[7] gebeurt er maar weinig met deze informatie.

Een medewerker van de FIU schat dat van die 15% verdachte transacties, niet meer dan 10% tot een vervolging leidt. Oftewel van de 58.000 verdachte transacties krijgen 5.800 een gevolg. Met de overige 52.000 wordt dus niets gedaan. Bovendien zouden de bevindingen van de FIU in de praktijk door de politie veelal alleen in lopende onderzoeken gebruikt worden.  De meeste personen die betrokken zijn bij een door de FIU verdacht verklaarde transactie komen echter nooit in aanraking met de politie.

Het wringt dat instellingen als belastingadviseurs, accountants, notarissen en bankiers grote investeringen doen om de Wwft-verplichtingen na te leven, terwijl de opsporing er nauwelijks gebruik van maakt. De reden: politie, justitie en FIOD hebben nauwelijks mankracht en beschikken over te weinig expertise van financieel rechercheren.

         FIU stelt jarenlang onbevoegd processen-verbaal op

De Minister van Justitie en Veiligheid merkt in zijn brief verder op dat de FIU feitelijk jarenlang zijn boekje te buiten is gegaan. De FIU heeft namelijk processen-verbaal opgemaakt van witwastransacties “terwijl de FIU geen opsporingstaak heeft en zij daartoe ten behoeve van de FIU-taak niet bevoegd [was]”.

De werkprocessen van de FIU zijn inmiddels zodanig aangepast dat de medewerkers van de FIU niet langer een proces-verbaal opmaken maar een rapportage. Dergelijke rapportages bevatten dezelfde informatie als de voormalige processen-verbaal en zouden bovendien nog steeds als bewijsmiddel kunnen dienen in strafzaken. Alleen dan onder het mom van een “andere geschriften” in de zin van artikel 344 Sv. De minister spreekt weliswaar over “een kleine wijziging” maar deze heeft mogelijkerwijs grote gevolgen.

Waar van processen-verbaal voldoende bewijskracht uit kan gaan voor een bewezenverklaring, ontbreekt het “andere geschriften” aan een dergelijke bewijskracht. Voornoemd wetsartikel regelt over dergelijke bescheiden namelijk dat “deze alleen [kunnen] gelden in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen”. Anders gezegd, veroordelingen die alleen zijn gestoeld op een door de FIU opgesteld proces-verbaal komen hiermee op losse schroeven te staan. Een woordvoerder van het Openbaar Ministerie heeft aangegeven geen zaken te kennen waarbij men alleen met een proces-verbaal van het FIU naar de rechter is gestapt. De beschreven bevoegdheidsoverschrijding lijkt daarmede op het eerste gezicht zonder grote gevolgen te blijven.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/07/23/tk-jaaroverzicht-fiu-2018

https://www.fiu-nederland.nl/sites/www.fiu-nederland.nl/files/documenten/jaaroverzicht_fiu-nederland_2018.pdf

 

[1] In 2017 werden 361.015 ongebruikelijke transacties gemeld aan het FIU.

[2] Op 25 juli 2018 is de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn in werking getreden.

[3] De lijst met hoog risicolanden is te raadplegen via: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:02016R1675-20181022

[4] In totaal zijn er 57.950 gemelde transacties als verdacht aangemerkt door het FIU.

[5] https://www.bureauft.nl/2019/03/21/coulant-handhavingsbeleid-wwft-met-betrekking-tot-objectieve-indicator-wwft-derde-hoog-risico-landen/

[6] Met reguliere meldingen worden meldingen bedoeld die niet zijn ontvangen op basis van de in 2018 geïmplementeerde wetswijziging waarin meldplichtige instellingen op basis van een objectieve meldgrens transacties dienen te melden in relatie tot de door de Europese Commissie aangewezen risicolanden.

[7] https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/9-5-miljard-aan-fout-geld-ontdekt-in-nederland-en-dat-is-slechts-het-topje-van-de-ijsberg~b87fc731/ en; https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/voor-bijna-tien-miljard-aan-ontdekte-frauduleuze-transacties-in-2018~b3eb77ab/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F

 

20 maanden gevangenisstraf voor het plegen van fraude, valsheid in geschrifte en witwassen

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift en (gewoonte-)witwassen. Hierbij is over een periode van vier jaar een substantieel geldbedrag van circa drie miljoen euro ten behoeve van privédoeleinden onttrokken aan rechtspersonen waarover verdachte zeggenschap had. Het aldus verkregen geld werd grotendeels omgezet in onroerende zaken in Nederland en op Bonaire.

Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan het leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift door één van zijn B.V.’s, tijdens de handel in biotickets. Bij dit strafbare handelen ging het om een bedrag van in totaal circa twee miljoen euro.

Bij de strafoplegging houdt de Rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de bepalende en leidinggevende rol die verdachte in het genoemde strafbare handelen heeft gespeeld, de omvang van de periode waarin het strafbare handelen zich heeft voorgedaan en de omvang van het witgewassen geldbedrag.

Het was verdachte die telkens het initiatief nam tot het bedoelde strafbare handelen en die anderen – personeel van zijn ondernemingen en zijn echtgenote – daarin heeft meegezogen. Zijn belangrijkste drijfveer daarbij was het eigen financieel gewin. Naar het oordeel van de Rechtbank getuigt het handelen van de verdachte van een grote mate van brutaliteit en tegelijkertijd van een ernstige mate van onverschilligheid ten aanzien van de regelgeving en het belang van een gezonde bedrijfsvoering voor zijn onderneming. De Rechtbank acht de feiten zeer ernstig en rekent deze de verdachte zwaar aan.

In het voordeel van verdachte houdt de Rechtbank er nadrukkelijk rekening mee dat verdachte, nadat hij werd betrapt en met de onderzoeksbevindingen werd geconfronteerd, goed heeft meegewerkt in het opsporingsonderzoek. Ook wordt in het voordeel van verdachte meegewogen dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel houdt de Rechtbank in het kader van samenloop er rekening mee dat tijdens deze strafrechtelijke procedure aan verdachte een strafbeschikking is opgelegd wegens overtreding van het Asbestverwijderingsbesluit alsook dat de redelijke termijn met een periode van één jaar en tien maanden is geschonden.

Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, veroordeelt de Rechtbank verdachte tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2019:3019

Inspecteur slaagt voor de boete niet in het bewijs dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan

Belanghebbende exploiteert in de vorm van een eenmanszaak een coffeeshop. Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2009 tot en met 2011 opgelegd.

In het principaal hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht correcties heeft aangebracht inzake de door belanghebbende in aanmerking genomen kosten van ‘afval/droging’ (voor 2009), kosten van ‘veilige opslag/koerier’ (voor 2009 en 2010) en kosten van ‘inkoop’ (voor 2010 en 2011), welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord. In het incidenteel hoger beroep is in geschil of de Inspecteur voor de jaren 2010 en 2011 terecht een vergrijpboete heeft opgelegd.

In het incidenteel hoger beroep stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden het niet door belanghebbende weerlegde bewijsvermoeden rechtvaardigen dat belanghebbende voor de jaren 2010 en 2011 een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan en dat hij daarbij opzettelijk heeft gehandeld.

De Inspecteur heeft daartoe gesteld dat de inkoop werd geboekt met inbegrip van centen; dat enkel de dagelijkse aanvullingen als inkoop werden geboekt; dat de inkoop vanaf 15 maart 2010 werd verhoogd met 40 procent; dat tot eind 2010 kosten van afval en droging in mindering van het resultaat werden gebracht, hoewel belanghebbende zelf heeft gesteld dat hij die kosten sinds 15 maart 2010 niet meer maakte; en dat softdrugs bij hem thuis werden aangetroffen, hetgeen niet in overeenstemming is met de verklaring van belanghebbende dat de inkoop, het wegen, verwerken en verpakken elders plaatsvond. Gezien de verhoging van de inkoopprijzen met 40 procent is, aldus de Inspecteur, het vermoeden gerechtvaardigd dat een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, welk vermoeden belanghebbende niet heeft weerlegd.

Met betrekking tot de kosten van afval en droging heeft belanghebbende gesteld dat sprake is van een vergissing van de boekhouder, die door hem niet is opgemerkt. Het Hof acht dit niet uitgesloten, in welk geval van opzet, ook in voorwaardelijke vorm, geen sprake is. De Inspecteur heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan niettemin moet worden geoordeeld dat deze kosten voor de periode na 10 maart 2010 opzettelijk in de aangifte zijn opgenomen. De administratie van dagelijkse invullingen in plaats van de inkopen zelf leidt tot een onjuist inzicht in de kosten en de voorraad, maar zonder nadere gegevens, welke ontbreken, kan niet worden gezegd dat en in hoeverre daardoor de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld, en evenmin dat de opzet van belanghebbende daarop was gericht. De omstandigheid dat belanghebbende in het principaal hoger beroep niet aan zijn bewijslast heeft voldaan, ontslaat de Inspecteur niet van het leveren van het voor de beboeting verlangde bewijs. De verhoging van de inkoopprijzen na 10 maart 2010 is volgens de Inspecteur gefingeerd, omdat belanghebbende – op wie de bewijslast voor in aftrek gebrachte kosten rust – het door hem gewijzigde beleid niet aannemelijk heeft gemaakt. Het ligt echter in het kader van de beboeting op de weg van de Inspecteur om de afwezigheid van dat gewijzigde beleid te bewijzen, en dat heeft hij naar ’s Hofs oordeel niet gedaan.

Het Hof acht de Inspecteur niet in het leveren van het van hem verlangde bewijs geslaagd en verklaart het principaal alsook incidenteel hoger beroep ongegrond.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:3266

Verzuimboete terecht nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat telefonisch uitstel was verleend

De Inspecteur heeft met dagtekening 28 februari 2018 aan belanghebbende een uitnodiging tot het doen van de aangifte inkomstenbelasting uitgereikt. In de periode 3 april 2018 tot en met 31 juli 2018 heeft belanghebbende meermaals met de Belastingtelefoon gebeld. Met dagtekening 5 juli 2018 heeft de Inspecteur een brief verzonden waarin belanghebbende wordt aangemaand uiterlijk 19 juli 2018 aangifte inkomstenbelasting te doen. Op 20 juli 2018 heeft belanghebbende haar aangifte ingediend. De Inspecteur legt vervolgens een aanslag inkomstenbelasting conform de ingediende aangifte op met een verzuimboete van € 369.

In geschil is onder meer of de Inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij telefonisch contact heeft gehad met de Belastingtelefoon en dat een medewerker van de Belastingtelefoon heeft aangegeven dat belanghebbende tijdig uitstel heeft aangevraagd.

De Inspecteur heeft aangegeven dat uitstel voor het indien van de aangifte inkomstenbelasting alleen schriftelijk mogelijk is. Hij betwist dan ook dat belanghebbende telefonisch uitstel heeft verzocht en verkregen. De Inspecteur heeft ter zitting erkend dat door een storing bij de Belastingdienst in een aantal gevallen geen bevestiging van het gevraagde uitstel is verzonden, maar dit betrof enkel uitstelverzoeken die schriftelijk waren ingediend. Dit is later alsnog hersteld en er zijn volgens de Inspecteur bevestigingen verzonden. Volgens de Inspecteur is van belanghebbende nooit een uitstelverzoek ontvangen.

Naar het oordeel van de Rechtbank is belanghebbende in verzuim. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij telefonisch uitstel heeft verzocht en verkregen, al acht de Rechtbank het niet uitgesloten dat belanghebbende dit mogelijk wel zo heeft begrepen. Belanghebbende heeft via de website van de Belastingdienst het formulier ingebrekestelling gedownload en verzonden. Dit gaat op dezelfde manier als het vragen om uitstel. Belanghebbende was dus bekend met de manier waarop via de website van de Belastingdienst formulieren kunnen worden gedownload. Bovendien heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij door de DDos aanvallen het uitstelformulier niet kon downloaden. Omdat de aangifte niet uiterlijk 19 juli 2018 is ontvangen, is sprake van een verzuim en kan in beginsel een verzuimboete worden opgelegd. Dat belanghebbende slechts één dag te laat haar aangifte heeft ingediend, is volgens de Rechtbank niet relevant.

De Rechtbank acht de verzuimboete passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:3700

Inspecteur verklaart bezwaarschrift in vreemde taal ten onrechte niet-ontvankelijk

A BV heeft op 25 april 2014 als direct vertegenwoordiger van eiseres aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van 1.616 zonnepanelen met als land van oorsprong Taiwan. Bij de aangifte is een Certificaat van Oorsprong overlegd van de New Taipei City Chamber of Commerce waarin C LTD te Taiwan als exporteur wordt vermeld. De Bill of Lading vermeldt 28 pallets solar modules met een totaalgewicht van 32.800 kg, verdeeld over twee verzegelde containers.

Het Europees bureau voor fraudebestrijding (hierna OLAF) heeft onderzoek verricht naar Chinese zonnepanelen die vanuit Taiwan naar de EU zijn uitgevoerd. Uit het onderzoek zou naar voren zijn gekomen dat de desbetreffende zonnepanelen vanuit China naar de Free Trade Zone in Taiwan zijn uitgevoerd. De Taiwanese autoriteiten hebben verklaard dat invoer in Taiwan van zonnepanelen uit China verboden is en dat Chinese zonnepanelen in Taiwan alleen tijdelijk mogen worden opgeslagen in de Free Trade Zone, alwaar geen enkele be- of verwerking is toegestaan.

Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur aan eiseres een utb uitgereikt. Hiertegen heeft eiseres een Duitstalig bezwaarschrift ingediend. Hierop heeft de inspecteur aan eiseres een maand de tijd gegeven om een Nederlandse vertaling van deze brief over te leggen, waarna eiseres wederom in het Duits heeft gereageerd en een kopie van de Nederlandse brieven heeft bijgevoegd met daarop de handgeschreven tekst: “Ich kann das nicht lesen”. Vervolgens heeft de inspecteur het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift anders dan bedoeld in art. 6:5, derde lid Awb in een vreemde taal was gesteld.

In geschil is eerst of het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en vervolgens of de utb al dan niet terecht is uitgereikt.

De rechtbank overweegt dat eiseres en verweerder elkaar enige malen voor de uitspraak op het bezwaar hebben gesproken. Deze (telefoon)gesprekken werden in het Duits gevoerd. Dientengevolge wist de inspecteur of had hij kunnen weten dat eiseres de Nederlandse taal niet machtig is. Dat eiseres de Nederlandse taal niet machtig is, blijkt ook uit de (bijlagen bij) brieven van eiseres aan verweerder. Desondanks heeft verweerder voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar eiseres niet op een voor haar begrijpelijke wijze erop gewezen dat zij een Nederlandse vertaling van haar bezwaarschrift moest indienen, omdat het bezwaarschrift anders niet-ontvankelijk zou worden verklaard.

De enkele mededeling van verweerder ter zitting, dat bij mondelinge contacten doorgaans tegen procespartijen die de Nederlandse taal niet machtig zijn, op een voor zo’n partij begrijpelijke wijze wordt gezegd dat een bezwaarschrift in het Nederlands moet worden ingediend, is – nu hierover uit de gedingstukken niets blijkt en eiseres dit gemotiveerd heeft betwist – niet voldoende om aan te nemen dat dat in dit geval ook is gebeurd. Dit alles klemt te meer nu verweerder ter zitting heeft verklaard dat zijn medewerkers die mondeling contact hadden gehad met eiseres de Duitse taal machtig zijn. Al het vorenstaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat niet kan worden gezegd dat eiseres voldoende in de gelegenheid is gesteld haar verzuim te herstellen in de zin van artikel 6:6 van de Awb. Dit betekent dat het bezwaar van eiseres naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Haar beroep is in zoverre gegrond.

De rechtbank gaat vervolgens over op de inhoudelijke behandeling van de zaak. Ten aanzien van de oorsprong overweegt de rechtbank dat nu verweerder wenst af te wijken van de aangiften, op hem de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn (vgl. Gerechtshof Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5574).

Nu in de stukken van OLAF de uitgevoerde hoeveelheid zonnepanelen niet overeenkomt met de invoeraangifte en ook niet met de zonnepanelen die door eiseres in het vrije verkeer zijn gebracht, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de 1.616 stuks zonnepanelen dezelfde zijn als die de oorsprong China zouden hebben. De rechtbank acht daarbij mede van belang dat de containers waarin de zonnepanelen zich bevonden die door eiseres in het vrije verkeer zijn gebracht in Taiwan door de rederij waren verzegeld. Verweerder heeft derhalve niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt hiermee de uitspraak op bezwaar en de utb.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:3730

 

Beroep op verdedigingsbeginsel faalt, utb’s zijn terecht opgelegd

Op 24 juni 2014 heeft A in naam en voor rekening van eiseres aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van 140 pallets zonnepanelen met als land van oorsprong en land van verzending Taiwan. Bij de betreffende aangifte wordt een Certificaat van Oorsprong overgelegd van de New Taipei City Chamber of Commerce met B gevestigd in Taiwan als exporteur en eiseres als importeur. Volgens de bill of lading zijn de zonnepanelen via Taiwan naar Rotterdam vervoerd.

Op 21 februari 2014 heeft A in naam en voor rekening van eiseres aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van 448 pallets zonnepanelen met land van oorsprong Verenigd Koninkrijk en land van verzenden Taiwan.

Beide aangiften zijn geselecteerd voor fysieke controle, waarbij het land van oorsprong moest worden gecontroleerd en de goederen moesten worden omschreven.

Het Europees bureau voor fraudebestrijding (hierna OLAF) heeft onderzoek verricht naar Chinese zonnepanelen die via Taiwan worden verhandeld. Uit het onderzoek komt naar voren dat de betreffende zonnepanelen via een Chinese verkoper in de Free Trade Zone in Taiwan terecht zijn gekomen. De Taiwanese douane bevestigt dat het be- of verwerken van goederen in de Free Trade Zone uitdrukkelijk verboden is.

In geschil is of de ten gevolgde hiervan opgelegde utb’s terecht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of het verdedigingsbeginsel is geschonden en of de oorsprong van de zonnepanelen China en niet Taiwan is.

Verdedigingsbeginsel:

Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel overweegt de rechtbank dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de verplichting om de rechten van de verdediging te eerbiedigen een beginsel van Unierecht is. Het beginsel brengt in het bijzonder mee dat eenieder het recht heeft om te worden gehoord alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden en vereist dat de geadresseerden van besluiten die hun belang aanmerkelijk raken in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Bezwarende besluiten zoals een utb vallen binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie.

Het beginsel van eerbiediging van rechten van verdediging heeft echter geen absolute gelding maar kan beperkingen bevatten, mits deze beperkingen beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd én geen sprake is van een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast. Aan de eerste voorwaarde wordt voor beschikkingen van de douaneautoriteiten altijd voldaan, omdat het algemeen belang van de Europese Unie is gediend bij een snelle inning van de eigen middelen. Wat betreft de tweede voorwaarde geldt dat geen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van eerbieding van de rechten van verdediging als de geadresseerde de mogelijkheid heeft om opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de douaneautoriteiten tot de eventuele herziening daarvan te krijgen, voor zover de voorwaarden van artikel 244, tweede alinea, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) voor opschorting van de tenuitvoerlegging niet te eng worden toegepast.

Nu de utb een beschikking is van de douaneautoriteiten, verweerder ter zitting heeft verklaard dat deze niet is betaald door eiseres en geen invorderingsmaatregelen zijn genomen en gedurende de bezwaarfase als ware uitstel van betaling is verleend is zowel aan de eerste als aan de tweede voorwaarde voldaan. Van een schending van het verdedigingsbeginsel derhalve geen sprake.

Oorsprong:

Ten aanzien van de oorsprong overweegt de rechtbank dat verweerder wenst af te wijken van de aangiften rust op hem de bewijslast om aannemelijk te maken dat de zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn (vgl. Gerechtshof Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5574).

Eiseres biedt met zijn stukken onvoldoende om de bevindingen van de OLAF en de Taiwanese autoriteiten terzijde te schuiven. De ingebrachte stukken van eiseres bieden onvoldoende zekerheid dat de onderhavige zonnepanelen ook daadwerkelijk in Taiwan zijn geproduceerd. Hetgeen overigens is aangevoerd is naar oordeel van de rechtbank speculatief van aard en ontoereikend om vraagtekens te plaatsen bij de geloofwaardigheid van de bevindingen van de OLAF

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:3541

150 uur taakstraf voor leidinggevende wegens het plegen van belastingfraude samen met de registeraccountant

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft verdachte zich – met medeverdachte, die zijn boekhouder en adviseur was – gedurende meerdere jaren schuldig gemaakt aan belastingfraude door onjuiste aangiften omzetbelasting en loonheffing te doen. Uiteindelijk hebben zij een nadeel voor de maatschappij veroorzaakt van tenminste € 229.215,18. Daarnaast heeft verdachte zich als administratieplichtige schuldig gemaakt aan het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen. Daarmee heeft verdachte het de fiscus onmogelijk gemaakt te controleren of hij aan zijn belastingverplichtingen heeft voldaan.

Ten gunste van de verdachten heeft de Rechtbank rekening gehouden met de omstandigheden dat zij door gelden te alloceren op een G-rekening wel de intentie hebben gehad om de achterstallige belasting uiteindelijk te betalen, naar eigen zeggen via suppleties als de administratie weer op orde zou zijn. Uit het dossier blijkt dat ook voldoende saldo op deze rekening heeft gestaan, maar dat andere aanslagen door de Belastingdienst met het saldo van deze rekening zijn verrekend. Daarin ziet de Rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd en aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten. Strafverzwarend heeft de Rechtbank het niet voldoen aan de administratieplicht meegewogen.

Vervolgens heeft de Rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de zeldzame auto-immuunziekte waarmee verdachte kampt en de fysieke beperkingen die hij daarvan ondervindt en die de Rechtbank ter zitting zelf heeft waargenomen. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte (mede) als gevolg van zijn ziekte verdovende middelen (als pijnstiller) is gaan gebruiken, wat echter zo problematisch werd dat verdachte zijn zakelijke verantwoordelijkheden heeft genegeerd en financiële middelen aan zijn ondernemingen heeft onttrokken om in zijn verslaving te kunnen voorzien. De reclassering adviseert voor verdachte een meldplicht, ambulante behandelverplichting en de verplichting mee te werken aan schuldhulpverlening.

De Rechtbank overweegt dat het in het geval van verdachte, die niet eerder is bestraft voor enig strafbaar feit, niet juist is om alleen vanwege zijn fysieke beperking een gevangenisstraf op te leggen in plaats van een taakstraf. Anderzijds kan vanwege de ernst van de feiten van een geheel voorwaardelijke straf of geldboete geen sprake zijn.

Alles afwegende en rekening houdend met de straf die aan medeverdachte is opgelegd, acht de Rechtbank daarom een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 150 uur passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2019:2860