Auteur: admin

Vergrijpboetes voor aanzienlijke winsten (door fraude) uit gastouderbureau

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd en vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 264.976 en € 206.385.

Naar aanleiding van signalen van de GGD heeft de Belastingdienst een controle ingesteld bij een gastouderbureau. Vervolgens is de FIOD naar aanleiding van deze controle in 2014 een strafrechtelijk onderzoek gestart naar onder meer belanghebbende in verband met mogelijke fraude bij het gastouderbureau. Uit het strafrechtelijk onderzoek is naar voren gekomen dat doorgaans door (of met behulp van) belanghebbende onjuiste aanvragen kinderopvangtoeslag werden ingediend, waarbij te veel aan opvanguren werd opgevoerd of waarbij ten aanzien van één of meerdere kinderen in het geheel geen opvang werd genoten. Belanghebbende is daarvoor strafrechtelijk veroordeeld en tevens is belanghebbende veroordeeld tot betaling aan de Staat van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, omdat de inspecteur niet zelf de voor de belastingheffing relevante stukken uit het FIOD-dossier heeft geselecteerd en daarmee niet het nodige onderzoek heeft verricht naar de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Het Hof verwerpt het verweer. Anders dan belanghebbende stelt, kan naar het oordeel van het Hof in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel niet van de inspecteur worden verlangd dat deze zelf een selectie maakt uit het FIOD-dossier.

Het Hof onderschrijft verder de overwegingen van de Rechtbank waarbij ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende aanzienlijke bedragen aan winst uit onderneming heeft genoten, hij wist dat die inkomsten aangegeven moesten worden en dat hij – door deze inkomsten ten onrechte niet in de aangiften op te nemen – willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting is geheven. De Rechtbank ziet wel aanleiding om de opgelegde vergrijpboetes van 50% te matigen tot 30% omdat de navorderingsaanslag inkomstenbelasting met toepassing van omkering van de bewijslast is vastgesteld. De Rechtbank heeft de vergrijpboetes verder gematigd tot 20%, omdat de redelijke termijn met meer dan zes maanden is overschreden.

Het Hof acht de boete, met inachtneming van de door de Rechtbank toegepaste matiging, passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:1183

Inkomsten uit verzekeringsfraude ten onrechte niet opgegeven in aangiften inkomstenbelasting

Belanghebbende werkte bij een overheidsinstantie op de afdeling risicobeheer en verzekering. Verschillende keren heeft belanghebbende aangifte gedaan van vernieling en diefstal van motorvoertuigen, terwijl uiteindelijk is gebleken dat dit valse aangiftes waren. Belanghebbende is daarvoor ook strafrechtelijk veroordeeld. Belanghebbende heeft de verzekeringspenningen – die hij heeft ontvangen naar aanleiding van de valse aangiftes – niet in zijn aangiften inkomstenbelasting opgegeven.

De inspecteur heeft om die reden (navorderings)aanslagen en vergrijboetes opgelegd. In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Het Hof is – met de Rechtbank – van oordeel dat de omstandigheid dat een strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden er niet aan afdoet dat belanghebbende gehouden was de genoten resultaten in zijn aangiften te verantwoorden. Van een ongeoorloofde samenloop is evenmin sprake, nu de strafrechtelijke veroordeling ziet op oplichting en witwassen en de vergrijpboetes zijn opgelegd wegens het ten onrechte niet aangeven van belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (row).

Door deze inkomsten niet te verantwoorden heeft belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij onjuist en onvolledig aangifte zou doen en dat als gevolg daarvan de aanslagen tot te lage bedragen zouden worden vastgesteld. Het voor opzet vereiste bewustzijn bij belanghebbende berust met name op de bewezenverklaring in het strafvonnis waaruit volgt dat belanghebbende zich wederrechtelijke aanzienlijke voordelen heeft toegeëigend en hiervoor de nodige inspanningen heeft verricht. Gelet op de aard en omvang van de door belanghebbende in dit verband gedurende vijf jaar verrichte werkzaamheden, de bij belanghebbende beroepsmatig aanwezige kennis en ervaring op het gebied van verzekeringen en de omvang van de hieruit voorgekomen voordelen is het voor opzet vereiste bewustzijn bij belanghebbende aanwezig geweest ten tijde van het doen van de betreffende aangiftes.

Het Hof vindt echter – anders dan de Rechtbank – in de financiële omstandigheden van belanghebbende aanleiding de boetes (verder) te matigen dan de Rechtbank reeds heeft gedaan. Belanghebbende is aangewezen op aanvullende bijstand, had tot voor kort een WW-uitkering en voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht van het griffierecht.

De Rechtbank heeft de vergrijpboetes gematigd met 20% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof ziet aanleiding de vergrijpboetes verder te matigen met 10%.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:517

 

Boete wegens gebruik maken van de openbare weg tijdens schorsing als gevolg van een voorcontrole voor de APK

Belanghebbende is houder van een auto, waarvan de geldigheid van het kenteken geschorst is geweest van 22 november 2015 tot en met 7 november 2016 en van 8 november 2016 tot en met 24 juli 2017.

Op 16 maart 2017 is de auto door een controleambtenaar aangetroffen op de openbare weg. Naar aanleiding van deze constatering is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 248.

Belanghebbende had geen keuringsbewijs aangevraagd op grond waarvan de auto aan een zogenoemde apk-keuring zou worden onderworpen. Wel bevindt zich onder de stukken van het geding een formulier waarop is vermeld dat op die datum een voorcontrole heeft plaatsgevonden, dat enkele gebreken aan de auto zijn aangetroffen en dat een herkeuring binnen zeven dagen moest plaatsvinden. In geschil is of de boete terecht is opgelegd.

Vaststaat dat met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg, terwijl sprake was van een schorsing. Eveneens staat vast dat belanghebbende ten tijde van het gebruik van de openbare weg op 16 maart 2017 geen keuringsbewijs had aangevraagd op grond waarvan de auto op die datum aan een keuring zou worden onderworpen. Belanghebbende kon en mocht naar het oordeel van het Hof naar objectieve maatstaven gemeten redelijkerwijs niet menen dat de (fiscale) regelgeving, waarin de aanvraag van een keuringsbewijs en het onderwerpen aan een keuring als vereisten voor de vrijstelling zijn opgenomen, in een geval als het onderhavige, waarin geen keuringsbewijs is aangevraagd, doch slechts sprake is van een voorcontrole, niettemin leidt tot vrijstelling bij gebruik van de openbare weg tijdens een schorsing. Derhalve is geen sprake van een verdedigbaar standpunten is de boete terecht opgelegd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:4544

Forse vergrijpboetes voor handelaar in drugs

Belanghebbende was betrokken in een strafrechtelijk onderzoek naar het in georganiseerd verband grootschalig produceren van synthetische drugs en handel in drugs. In dat kader is door de politie een proces-verbaal opgemaakt met betrekking tot de verdenking van witwassen. De officier van justitie heeft de inspecteur toestemming gegeven voor het gebruik van gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek.

De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd om over de gevolgen van het strafrechtelijk onderzoek voor de inkomstenbelasting te spreken. Belanghebbende heeft daar niet op gereageerd. De inspecteur heeft vervolgens navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd over de jaren 2010 tot en met 2013. Ook zijn er vergrijpboetes opgelegd over 2010 en 2011 van € 100.000 en over 2012 en 2013 van € 125.000.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur erin is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van opzet aan de zijde van belanghebbende. De Rechtbank acht het aannemelijk dat belanghebbende grote bedragen aan contanten heeft genoten en deze op geen enkele wijze heeft verantwoord in zijn aangiften terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat die verplichting bestaat, ook als het gaat om inkomsten uit criminele activiteiten. De Rechtbank acht echter niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende zich daarnaast schuldig heeft gemaakt aan listigheid, hetgeen wel door de Inspecteur als strafverzwarende omstandigheid was gesteld. Weliswaar heeft belanghebbende gebruik gemaakt van een buitenlandse bankrekening, maar de verweten gedraging in deze procedure ziet op het gebruik daarvan in Nederland.

Belanghebbende heeft geen persoonlijke feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de boetes zouden moeten worden gematigd. De Rechtbank ziet daarvoor ook geen aanknopingspunten in het dossier. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat voor het jaar 2010 sprake is van een schatting. In dit geval is de schatting voor het grootste gedeelte gebaseerd op concrete gegevens. Wat de schatting betreft van de kosten voor het levensonderhoud is het naar het oordeel van de Rechtbank volledig aan belanghebbende te wijten dat de schatting op dit punt ‘ruw’ is. Alles bijeengenomen is dit onvoldoende om de boetes te matigen. De Rechtbank overweegt dat een andersluidend oordeel op dit punt ook weinig gevolg zou hebben aangezien de inspecteur de vergrijpboetes al flink heeft gematigd.

De vergrijpboete voor het jaar 2010 die door de inspecteur (uiteindelijk) is vastgesteld op € 100.000 blijft in stand. De vergrijpboete over 2011 is naar aanleiding van een nieuw ingenomen standpunt van de inspecteur in het verweerschrift vernietigd. Uit de uitspraak blijkt echter niet wat daarvan de achtergrond is. De boetes over 2012 en 2013 zullen worden verminderd tot 50%, omdat listigheid niet aannemelijk is gemaakt. De Rechtbank ziet ambtshalve aanleiding de boetes (verder) te verminderen met 5% (met een maximum van € 2.500) vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:2168

 

Geen matiging van aanslag motorrijtuigenbelasting en verzuimboete ter hoogte van twee maandsalarissen

Op 11 oktober 2016 stond de auto van belanghebbende, terwijl deze was geschorst, op het talud in de berm naast een onverharde weg geparkeerd. De onverharde weg en de plek waar de auto stond, is niet afgesloten en er staan geen (verkeers)borden waarmee de toegang wordt verboden.

Een controleambtenaar van de Belastingdienst heeft melding gemaakt van de aanwezigheid van belanghebbendes auto op die plek. In die melding is opgenomen dat sprake is van een geschorst motorrijtuig dat op de openbare weg is aangetroffen. Op grond daarvan is aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 2.086 en voor hetzelfde bedrag een verzuimboete.

In geschil is onder meer of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende stelt dat de plek waar zijn auto is aangetroffen geen deel uitmaakt van de openbare weg, dat autodealers waarbij geschorste auto’s op het terrein staan geen aanslagen krijgen, dat de rechter eerder heeft aangegeven dat de auto aldaar goed zou hebben gestaan en dat de bedragen van de naheffingsaanslag en boete samen te hoog zijn in verhouding tot zijn inkomsten.

Het Hof is van oordeel dat er geen afsluiting is geplaatst en evenmin enige bebording waaruit voor een bestuurder van een auto duidelijk moet zijn dat de eigenaar het oogmerk had het parkeren door derden op de plek waar de auto is aangetroffen niet te dulden. Nu de auto van belanghebbende op die plek geparkeerd stond, is gebruik gemaakt van de openbare weg.

De stelling van belanghebbende dat in gevallen waarin auto’s met geschorste kentekens van autodealers op hun niet afgesloten terreinen staan, geen naheffingsaanslagen worden opgelegd, merkt het Hof aan als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft zijn stelling echter niet – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – feitelijk onderbouwd en derhalve niet aannemelijk gemaakt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen.

Het Hof merkt de stelling dat de rechter in een eerdere zaak heeft aangegeven dat ‘’de auto beneden aan de zeekant goed stond’’ aan als een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas). De inspecteur heeft die stelling weersproken en naar voren gebracht dat de inspecteur bij die gelegenheid had gezegd dat er geen gebruik van de openbare weg is als belanghebbende de auto op zijn eigen terrein achter de woning zet. Reeds omdat de juistheid van de stelling van belanghebbende niet is komen vast te staan, faalt het beroep op avas.

De verzuimboete is in overeenstemming met de regelgeving opgelegd. Het Hof acht de hoogte van de boete passend en geboden. In de door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de bedragen van de naheffingsaanslag en de boete samen circa twee maandsalarissen van belanghebbende belopen, ziet het Hof geen grond voor matiging.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:4320

 

Verzuimboete vanwege te late aangifte terecht opgelegd omdat adviseur geen uitstel had gevraagd

Op 15 september 2017 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2016 ingediend. Met dagtekening 2 februari 2018 heeft de inspecteur de definitieve aanslag inkomstenbelasting opgelegd en een verzuimboete van € 369 omdat de aangifte niet binnen de gestelde termijn is ingediend.

In geschil is of de verzuimboete terecht is opgelegd en of deze boete passend en geboden is.

Belanghebbende stelt dat de boete ten onrechte is opgelegd, omdat zij de uitnodiging tot het doen van aangifte, de herinnering en de aanmaning niet heeft ontvangen en omdat namens haar uitstel tot het doen van aangifte is gevraagd op grond van de uitstelregeling voor belastingconsulenten (Beconregeling). Subsidiair betoogt belanghebbende dat de boete naar nihil moet worden verminderd, omdat de inspecteur te laat uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

De inspecteur stelt dat hij geen uitstelverzoek heeft ontvangen en dat er geen uitstel is verleend. Verder stelt de inspecteur dat er wel degelijk een uitnodiging, herinnering en aanmaning naar het woonadres van belanghebbende is verzonden, waarbij een uiterste datum is gegeven tot 28 juli 2017.

De Rechtbank overweegt dat de inspecteur kopieën heeft overgelegd van de brieven van de Belastingdienst met daarop het juiste adres van belanghebbende en een schermprint van het systeem van de Belastingdienst dat de brieven zijn geregistreerd. Hoewel dit naar het oordeel van de Rechtbank geen hard bewijs is dat de brieven daadwerkelijk zijn verzonden, acht de Rechtbank toch aannemelijk dat ze zijn verzonden gelet op de wijze waarop de verzending is georganiseerd. Daarbij weegt ook mee dat belanghebbende zelf niet op de zitting was om een verklaring af te leggen en haar gemachtigde niet met zekerheid kon zeggen of belanghebbende de stukken echt niet had ontvangen. De Rechtbank gaat er daarom vanuit dat de stukken wel zijn verzonden en ook zijn ontvangen. De inspecteur kon dan ook een verzuimboete opleggen.

Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij voor al zijn cliënten uitstel vraagt en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat dit voor belanghebbende ook was gebeurd en ook was verleend. Hij heeft dit destijds niet gecontroleerd omdat op de desbetreffende lijst van de Belastingdienst 1100 tot 1200 namen van cliënten staan en die controle te veel tijd zou vergen. Inmiddels heeft de gemachtigde geconstateerd dat belanghebbende niet op de uitstellijst voorkomt. De Rechtbank is van oordeel dat in deze situatie het risico bij belanghebbende ligt, omdat geen sprake kan zijn geweest van gerechtvaardigd vertrouwen op verleend uitstel.

De argumenten voor verlaging van de boete verwerpt de Rechtbank. Een verzuimboete is aan de orde zodra te laat aangifte wordt gedaan. De lange bezwaarduur is geen reden voor matiging omdat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. De boete van € 369 acht de Rechtbank passend en geboden voor het verzuim dat door belanghebbende is begaan.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:2140

Omzetbelastingfraude met valse facturen

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij als feitelijk leidinggever belastingfraude zou hebben gepleegd door opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting in te dienen en dat hij facturen valselijk zou hebben opgemaakt.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, omdat sprake is van een onrechtmatige start van het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte. Zij stelt dat uit stelselmatig onderzoek naar voren is gekomen dat sprake was van mogelijke strafrechtelijke fraude bij verdachte en daarbij is een redelijk vermoeden van schuld ontstaan. In plaats van het Wetboek van Strafvordering in acht te nemen bij de toepassing van dwangmiddelen, is ervoor gekozen om een belastingambtenaar naar verdachte te sturen. Verdachte heeft toen zijn volledige boekhouding aan de Belastingdienst verstrekt. Door deze gang van zaken is verdachte doelbewust en onherstelbaar in zijn belangen geschaad, waardoor het Openbaar Ministerie het recht op vervolging zou hebben verspeeld.

Het Hof is van oordeel dat verdachte zijn boekhouding vrijwillig ter beschikking heeft gesteld aan de Belastingdienst. Gezien het feit dat de aangiften omzetbelasting zijn gebaseerd op vermoedelijk vervalste verkoopfacturen, ontstaat op dat moment het redelijk vermoeden dat verdachte opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting heeft gedaan. Hierna is een gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte gestart. Het verweer wordt verworpen.

Verdachte heeft zich als bestuurder van een BV gedurende een periode van bijna 4 jaar schuldig gemaakt aan belastingfraude. De fraude bestond eruit dat verdachte in deze periode vrijwel alle verkoopfacturen op een zodanige manier vervalste dat het leek alsof er door de onderneming veel minder omzetbelasting verschuldigd was dan in werkelijkheid het geval was. Op basis van deze vervalste facturen diende de verdachte de aangiften omzetbelasting in. De fiscus is hierdoor een bedrag van € 665.000 misgelopen. Verdachte heeft uiteindelijk een schikking met de Belastingdienst getroffen, op grond waarvan hij een bedrag van € 100.000 heeft terugbetaald. De rest van het geld zal vermoedelijk nooit meer geïnd kunnen worden.

Verdachte is zijn frauduleuze handelingen pas gestopt nadat de Belastingdienst onderzoek is gaan doen naar de juistheid van de aangiften. Nergens blijkt dat hij van plan is geweest er eerder mee op te houden. Zijn onderneming heeft jaren geprofiteerd van de fraude en zou het volgens verdachte zonder die fraude niet hebben gered. Aldus heeft verdachte jarenlang, in feite gesubsidieerd door de Staat, een oneerlijke concurrentiepositie tegenover andere marktpartijen kunnen innemen. Verdachte heeft daarvan zelf, als bestuurder van de onderneming, ook jarenlang geprofiteerd. De aangevoerde omstandigheid dat verdachte niet het oog heeft gehad op zelfverrijking snijdt naar het oordeel van het Hof geen hout. Omdat sprake is van oude feiten ziet het Hof aanleiding om, in afwijking van het vonnis van de Rechtbank en thans door de Advocaat-Generaal gevorderde, een groter deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:727

 

Rechtbank matigt boetes wegens geslaagd beroep op vrijwillige verbetering verzwegen vermogen bij de UBS bank

De inspecteur heeft over verschillende jaren vergrijpboetes opgelegd aan belanghebbende vanwege in het buitenland verzwegen aangehouden gelden (bij de UBS bank en andere bankinstellingen). Voor de jaren 2005 tot en met 2008 bedraagt de boete die ziet op de gelden bij UBS 40% en de boete die ziet op gelden bij overige bankinstellingen 30%. Voor de jaren 2009 tot en met 2014 bedraagt de boete die ziet op de gelden bij UBS 100%. Voor de jaren 2009 tot en met 2013 bedraagt de boete die ziet op de gelden bij overige bankinstellingen 60%. De inspecteur heeft ten aanzien van alle opgelegde boetes een matiging toegepast vanwege het meewerken van belanghebbende aan het vaststellen van de juiste omvang van de belastingschuld. Verder heeft de inspecteur rekening gehouden met vrijwillige verbetering (inkeer), maar alleen ten aanzien van de boetes die zien op gelden die werden gehouden bij andere bankinstellingen dan de UBS bank.

In geschil is of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De Rechtbank overweegt dat het erom gaat of op het moment van de inkeer louter objectief bezien de serieuze mogelijkheid bestond dat de buitenlandse bankrekening niet zou worden achterhaald. Als dat het geval is, is sprake van een vrijwillige verbetering. De inspecteur dient naar het oordeel van de Rechtbank aannemelijk te maken dat belanghebbende in de concrete omstandigheden van het geval er op het moment van de inkeer objectief gezien niet vanuit mocht gaan dat er een serieuze kans bestond dat de inspecteur zijn bankrekening bij de UBS bank niet op het spoor zou komen.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende destijds redelijkerwijs moest vermoeden dat de Nederlandse Belastingdienst lucht zou krijgen van het bij de UBS bank aangehouden vermogen. Met name heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat er geen serieuze mogelijkheid bestond dat zijn buitenlandse bankrekeningen bij het onderzoek van de Belastingdienst niet zou worden achterhaald. De Rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de feiten en omstandigheden van dit geval (de handelwijze van belanghebbende) weliswaar aanleiding geven tot het vermoeden dat is geanticipeerd op het onderzoek van de inspecteur, maar dat dit vermoeden door belanghebbende voldoende is ontzenuwd door (onweersproken) te stellen dat UBS zelf al eerder een beleid was gaan voeren om de relatie met klanten die vermogen verzwegen voor de Belastingdienst, op te zeggen. De Rechtbank wijst er hierbij op, dat tussen de klantcontacten van belanghebbende met de UBS bank en de ruime media-aandacht over het groepsverzoek geruime tijd is verstreken. Verder overweegt de Rechtbank dat de omstandigheid dat belanghebbende eind 2013/begin 2014 wellicht bewust heeft getracht het verzwegen vermogen buiten het zicht van de Nederlandse Belastingdienst te blijven houden, niets zegt over de relevante omstandigheden ten tijde van de inkeer op 30 juni 2016.

Ook als de Rechtbank ervan uit gaat dat belanghebbende naar aanleiding van het aangekondigde beleid van de UBS bank zijn rekening heeft opgezegd met als doel om het vermogen bij een ander bank (met een minder streng beleid) onder te brengen, bewijst dat niet meer dan dat belanghebbende opzettelijk vermogen is blijven verzwijgen, iets wat in deze zaak niet in geschil is en dus geen (nader) bewijs behoeft.

De Rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat (ook) ten aanzien van de bankrekening van belanghebbende bij de UBS bank sprake is van een vrijwillige verbetering. De Rechtbank sluit daarbij aan bij de matiging die de inspecteur heeft toegepast bij de boetes die zien op de overige bankrekeningen, waarvoor reeds een vrijwillige verbetering werd aangenomen. Zo zal de boete voor het jaar 2014 in zijn geheel komen te vervallen, zullen de boetes voor de jaren 2009 tot en met 2013 worden gematigd tot 60% en voor de jaren 2005 tot en met 2008 tot 30%. De Rechtbank acht deze boetes passend en geboden, aangezien er op deze manier rekening is gehouden met zowel de vrijwillige verbetering als met het meewerken na de inkeer. De Rechtbank matigt de vergrijpboetes verder met 10% matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:2017

Grove schuld bij toepassen afdrachtvermindering onderwijs niet aangetoond door inspecteur

Belanghebbende exploiteert een timmerfabriek. Haar activiteiten bestaan uit het vervaardigen van houten deuren, ramen en kozijnen en het verhandelen van de producten uit de timmerfabriek. Verschillende werknemers hebben een opleidingsprogramma bij belanghebbende gevolgd.

Belanghebbende heeft in haar loonaangiften voor de werknemers die het opleidingsprogramma hebben gevolgd, de afdrachtvermindering onderwijs toegepast. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende de afdrachtvermindering onderwijs ten onrechte heeft toegepast en is overgegaan tot het opleggen van naheffingsaanslagen loonheffingen over de jaren 2010 en 2011. De inspecteur heeft over 2010 en 2011 voorts vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 3.277 en € 7.227 waarbij is uitgegaan van grove schuld. Vanwege het tijdsverloop tussen de bekendmaking van het boetevoornemen en het opleggen van de boetes en de omstandigheid dat belanghebbende tijdens het onderzoek heeft meegewerkt, zijn de boetes gematigd tot 10% van de nageheven belasting.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Naar het oordeel van de Rechtbank rust op de inspecteur de bewijslast dat sprake is van grove schuld. De Rechtbank overweegt dat belanghebbende ten onrechte de afdrachtvermindering onderwijs heeft toegepast, omdat het opleidingsprogramma niet is gekwalificeerd als een beroepsopleiding in de zin van de WEB. Dit leidt tot het oordeel dat belanghebbende de loonheffingen die zij op aangifte moest afdragen gedeeltelijk niet heeft betaald.

Naar het oordeel van de Rechtbank is echter geen sprake van grove schuld. Belanghebbende verkeerde, op basis van informatie die zij had gekregen van een stichting, in de veronderstelling dat het opleidingsprogramma wel degelijk aan de eisen van de WEB voldeed. Zij mocht op die informatie vertrouwen, nu deze afkomstig is van een stichting die door de minister is erkend. Naar het oordeel van de Rechtbank kon en mocht belanghebbende – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs menen dat haar standpunt en daarmee de door haar gedane aangiften loonheffingen juist waren. Voor zover de boetes zijn gestoeld op de omstandigheid dat aan de praktijkovereenkomsten formele gebreken zouden kleven dan wel dat stukken ontbreken, is de Rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat die gebreken te wijten zijn aan de grove schuld van belanghebbende.

De Rechtbank vernietigt de opgelegde vergrijpboetes.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3890

De vierde ‘Dag van de belastingadviseur’

Op dinsdag 16 april jl. organiseerde De Bont Advocaten voor de vierde keer de ‘Dag van de belastingadviseur’ in het sfeervolle Paushuize te Utrecht. Het thema was ‘aandacht van overheid = aandacht intern?!’. De dag liet zien dat de nieuwe Wwft-regels bevestigen hoe belangrijk het is om interne compliance processen op orde te hebben. Het helpt daarbij heel erg om binnen de organisatie open te discussiëren over dossiers waarin een ‘niet pluis’ gevoel bestaat en hierbij tijdig op de ‘stop’ knop te drukken en de eigen positie als adviseur kritisch te bepalen.

Dit maal hebben een viertal sprekers – vanuit verschillende werkvelden – het woord gekregen:

Mr. Marijke Kapteijn (directeur van het Bureau Financieel Toezicht)

Mr. Nico Zwikkers (oprichter van Zwikker Compliance Associates)

Drs. Angela Hofman (compliance officer bij Van Oers Accountants en Belastingadviseurs)

Mr. Annabel Vissers (advocate bij De Bont Advocaten)

Marijke Kapteijn trapte af namens het Bureau Financieel Toezicht. Zij is uitvoerig ingegaan op de manier waarop toezicht wordt gehouden op de nieuwe Wwft-regels. Soms is er een concreet signaal op basis waarvan een toezichtsbezoek wordt gepland, soms is het BFT meer thematisch op een bepaald gebied ‘awareness’ aan het kweken door middel van vragenbrieven en eventueel een vervolg toezichtsbezoek. In de kern genomen was haar boodschap dat de adviseur bij cliëntonderzoek, cliëntmonitoring en gedurende de advieswerkzaamheden tijdig op de zogeheten STOP-knop moet drukken om zo het ‘spel’ stil te leggen als er een ‘niet pluis’ gevoel ontstaat. Maar, wanneer dient zo een moment zich aan? Aan de hand van een ‘uit het leven gegrepen’ casus is een welkome invulling gegeven aan deze vraag.

Nico Zwikker dook vervolgens met de aanwezigen de wereld van de financiële instellingen in. Hij besteedde aandacht aan de integriteitsrisico’s waar financiële instellingen mee te maken hebben op AML- en sanctiegebied, zowel binnen als buiten Nederland. De recente ING-strafzaak vormt in dit verband het schoolvoorbeeld van hoe deze risico’s zich kunnen manifesteren en hoe zij ook in Nederland gesanctioneerd kunnen worden. De zaak vormt daarmee een wijze les voor de financiële sector. Ook de adviessector kan dergelijke handhaving tegemoet zien. Afsluitend ging Nico in op de vraag hoe de adviessector baat kan hebben bij een ‘systematische integriteitsrisico analyse’ (Sira), een instrument dat in de financiële sector al gemeengoed is. Zo biedt het de mogelijkheid tot sturing van gedrag, zelfreflectie, awareness en kennisoverdracht.

Angela Hofman sloot naadloos aan op het onderwerp van de Sira en lichtte toe hoe deze een belangrijke rol kan spelen in het kader van de te vervullen Wwft-verplichtingen. In de praktijk van Van Oers is de Sira ingezet en een waardevol instrument gebleken. Tijdens een dergelijke analyse is het belangrijk (wwft)risico’s te onderkennen, beheersmaatregelen te treffen, alsook een inschatting te maken van welke risico’s al dan niet aanvaard worden (‘risk appetite’). Het publiek werd aan de hand genomen door de verschillende fasen, te weten: de offerte fase, de klantacceptatie en -continutatie alsmede de opdrachtacceptatie. Daarbij werd inzicht gegeven in de wijze waarop de processen bij Van Oers zijn ingericht conform de Wwft- en andere verplichtingen, alsook de gevolgen van een melding. Het creëren van kennis en awareness onder de medewerkers, zoals het delen van praktijkvoorbeelden of een doeltreffend onboarding programma, is daarbij voortdurend van belang.

Tenslotte heeft Annabel Vissers met concrete voorbeelden laten zien wat het voor de praktijk betekent dat de Wwft ‘principle-based’ is en er geen vastomlijnd stappenplan bestaat dat in alle gevallen afgelopen kan worden bij een ‘niet pluis’ gevoel. Om de aanwezigen daarom meer gevoel te geven bij de te maken day-to-day afwegingen, zijn de concrete voorbeelden in de vorm van stellingen behandeld. Deze stellingen werden vanuit de gebundelde expertise van ook de andere inleiders belicht en dit zorgde voor een levendig debat met de zaal.

De dag is uiteraard afgesloten door middel van een gezellige borrel, die in de prachtige Balzaal van het Paushuize, en op het terras van de daaraan grenzende binnentuin plaatshad.

Wij kijken terug op een waardevolle vierde editie van “De dag van de Belastingadviseur”.

Namens iedereen bij De Bont Advocaten:

Graag tot volgend jaar!