Auteur: admin

Vrijspraak btw-fraude: geen sprake van feitelijk leiding geven aan of (mede)plegen van het doen van (onjuiste) aangifte

In een keten van verschillende intracommunautaire leveringen is ten onrechte het 0%-tarief toegepast. Ten behoeve van deze leveringen maakte verdachte facturen valselijk op. Hem wordt het onjuist doen van aangiften omzetbelasting verweten, maar de Rechtbank spreekt hem voor dit ‘meest ernstige verwijt’ vrij, omdat hij niet over de vereiste kwalificatie beschikt.

Aan verdachte zijn drie feiten tenlastegelegd (i) het feitelijk leidinggeven aan dan wel (mede)plegen van het onjuist doen van aangiften omzetbelasting (ii), het medeplegen van valsheid in geschriften en (iii) het bezit van harddrugs. Voor feit 2 en 3 legt verdachte een bekennende verklaring af.

De Rechtbank overweegt ten aanzien van het eerste feit, dat voldoende is gebleken dat verdachte wetenschap had van de bij de transacties aanwezige indicatoren voor btw-carrouselfraude en er in ieder geval sprake is van voorwaardelijk opzet op het onjuist toepassen van het 0%-tarief. Hoewel de verdachte volgens de Rechtbank de enige was die de onjuiste gegevens ten behoeve van de aangiften heeft aangeleverd, kan zijn handelen en opzet niet aan de rechtspersoon worden toegerekend. De verdachte was destijds namelijk geen bestuurder van de rechtspersoon of daar in dienst. Hij werkte via zijn eigen rechtspersoon op commissiebasis. Verder is niet gebleken dat de wijze waarop verdachte bij de transacties heeft geopereerd, bekend was bij de vennootschap. Dit betekent ook dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt.

De Rechtbank spreekt de verdachte vervolgens integraal vrij voor het eerste feit. Vanwege de bekennende verklaringen met betrekking tot het tweede en derde feit, acht zij deze feiten wettig en overtuigend bewezen. Bij het bepalen van de strafmaat wijkt de Rechtbank af van de oriëntatiepunten voor strafoplegging. Voor het bezit van de harddrugs vermelden die oriëntatiepunten een taakstraf van 80 uur. Wat betreft de vervalsing van de facturen en het ter beschikking stellen voor gebruik daarvan, heeft de Rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor fraude. Daarbij is de Rechtbank gelet op de verklaring van verdachte uitgegaan van een benadelingsbedrag van € 87.000. Bij dat benadelingsbedrag vermelden de oriëntatiepunten een gevangenisstraf van vijf tot negen maanden of een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De Rechtbank kiest echter voor een taakstraf van 200 uur, omdat uit het dossier blijkt dat het benadelingsbedrag ten voordele zou zijn gekomen van de relaties van verdachte in Engeland. Het voordeel van verdachte was het bestendigen van die relaties.

Rechtbank Amsterdam 26 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2707

 

Hoge celstraffen voor witwassende paardenhandelaar en adviseur

Rechtbank Oost-Brabant heeft een paardenhandelaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk. De paardenhandelaar zou geld hebben witgewassen met de bouw van een stal van enkele miljoenen in Valkenswaard. Zijn bedrijven moeten in totaal ruim € 750.000 boete betalen. Ook zijn 70-jarige financieel adviseur die in België woont krijgt 8 maanden cel, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, voor zijn betrokkenheid bij het witwassen.

De verdachte is al jarenlang actief als paardenhandelaar. Het Openbaar Ministerie (OM) zette echter vraagtekens bij de herkomst van al zijn investeringen. Volgens de verdachte deed hij dit met de handel in paarden en met beleggingen. Die verklaring heeft hij in de loop van de procedure onderbouwd, waarmee hij volgens de Rechtbank een concreet, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven.

De Rechtbank oordeelt echter dat er sterke aanwijzingen zijn dat verdachte zich aan een of meer fiscale delicten schuldig heeft gemaakt en dat er geen fiscaal gronddelict noodzakelijk is in het kader van een witwasverdenking. De paardenhandelaar deed tussen 2004 en 2016 nergens ter wereld aangifte van zijn inkomen en/of zijn vermogen en betaalde ook nergens belasting. Ook niet in Nederland. Dit, terwijl hij al sinds 2004 een groot deel van het jaar in Nederland verbleef en daar vanaf 2010 bedrijfsactiviteiten ontplooide.

Volgens de Rechtbank deed de verdachte er alles aan de herkomst van de gelden verborgen te houden voor de fiscus. Zo had hij een offshore-vennootschap op de Britse Maagdeneilanden en bankierde hij zakelijk en privé in Zwitserland, een land met bankgeheim. Ook hinderden hij en zijn fiscaal adviseurs het OM actief onderzoek te doen naar de herkomst van het geld. De Rechtbank concludeert daarom dat het niet anders kan dan dat de verdachte jarenlang belasting ontdook en dit geld vervolgens investeerde in onder meer de bouw van een paardenstal en de huur van dure auto’s en een appartement. Daardoor is sprake van witwassen.

De adviseur van de verdachte heeft een gevangenisstraf opgelegd gekregen voor de duur van 8 maanden waarvan 4 voorwaardelijk wegens medeplegen van gewoontewitwassen. De Rechtbank oordeelt dat de adviseur wist dat verdachte een offshore-vennootschap had, waarvan hij UBO en feitelijk leidinggever was en dat verdachte zowel zakelijk als privé bankierde in Zwitserland. Daarnaast speelde de adviseur een actieve en belangrijke rol in de wijze waarop het witwassen heeft plaatsgevonden door gebruik te maken van twee van zijn bedrijven om de stal te kunnen bouwen.

Rechtbank Oost-Brabant 24 juni 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:2949 en Rechtbank Oost-Brabant 24 juni 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:2950

De adviseur, cliënt en rechtsbescherming

1 juli jl. is de eerste editie van onze digitale uitgave ‘De adviseur, cliënt en rechtsbescherming’ verzonden aan onze Zuidelijke relaties uit de belastingadviespraktijk! Deze uitgave zal eens per kwartaal worden aangevuld met een nieuw hoofdstuk van wisselende schrijvers, waardoor uiteindelijk een steeds omvangrijkere bundel ontstaat. Voor professionals boven de rivieren zeker ook interessante kost!

Benieuwd, klik hier om het hoofdstuk ‘Ontwikkelingen rondom het pleitbaar standpunt’ te ontvangen.

Over Malta en Medeplegers!

Onder fiscalisten zal een verwijzing naar Malta niet snel doen denken aan bijvoorbeeld de megalithische Tempels van Tarxien. Alhoewel Malta een rijke culturele geschiedenis kent, is het eiland in de Middellandse Zee in fiscalibus met name bekend vanwege het gunstige belastingklimaat Het verplaatsen van de zetel van een vennootschap naar het rotsachtige Malta leverde zelfs de term ‘Malta-structuur’ op.

In de procedures die naar aanleiding hiervan (veelvuldig) zijn gevoerd staat doorgaans de vraag naar de plaats waar de feitelijke leiding gevestigd is centraal. De zaak die resulteerde in de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van 10 juni 2021 ging ook over een Malta-structuur.[1] In deze zaak lag de adviseur die de structuur geadviseerd had onder vuur. Het verwijt dat werd gemaakt was dat de betreffende adviseur als gevolmachtigde van de vennootschap ten onrechte niet zou hebben gevraagd om uitnodigingen tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting. De Belastingdienst vond dat dermate verwijtbaar dat aan de adviseur in privé een boete werd opgelegd van € 300.000 (na bezwaar verminderd tot € 125.000).

In de uitvoerig gemotiveerde uitspraak komt allereerst de vraag aan de orde of beboeting van de medepleger mogelijk is, aangezien het memo waarin de opzet van de constructie is vastgelegd dateert van 14 december 2008 en derhalve van vóór de inwerkingtreding van de vierde tranche van de Awb op 1 juli 2009. De Rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat ook het nalaten te voldoen aan een wettelijke fiscale verplichting, een zogenaamd omissie delict, een gedraging in de zin van artikel 5:1 Awb kan opleveren. De belastingschuld die betrekking heeft op het verlengde boekjaar 2008/2009 ontstaat pas op 1 januari 2010. Uiterlijk op 14 juli 2010 had, ingeval de vennootschappen inderdaad in Nederland zouden zijn gevestigd, om een uitnodiging moeten zijn verzocht. Aangezien de verwijtbare gedraging is gelegen ná invoering van de vierde tranche, staat dit volgens de Rechtbank niet aan beboeting in de weg. Na te hebben vastgesteld dat het opleggen van een boete mogelijk is, volgt een interessante overweging over de vaststellingsovereenkomst die, zo volgt uit de uitspraak, door de betreffende vennootschappen werd gesloten. De Inspecteur had klaarblijkelijk gesteld dat met het sluiten van die vaststellingsovereenkomst vast zou staan dat de vennootschappen in Nederland zouden zijn gevestigd. Een opmerkelijk standpunt aangezien in de vaststellingsovereenkomst ook zou zijn opgenomen dat de Maltese vennootschappen niet erkennen dat hun werkelijke vestigingsplaats in Nederland ligt. Bovendien was vastgelegd dat de Maltese vennootschappen niet erkennen verwijtbaar te hebben gehandeld. De Rechtbank maakt dan ook korte metten met het betreffende standpunt en overweegt dat de adviseur in kwestie niet bij de vaststellingsovereenkomst betrokken was en dat de inhoud daarvan haar op geen enkele wijze kan worden tegengeworpen in het kader van de onderhavige boeteprocedure.

Ten aanzien van de invulling van het begrip ‘medeplegen’[2] zoekt de Rechtbank uitdrukkelijk aansluiting bij de strafrechtelijke jurisprudentie. Vereist is dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Om dit vast te stellen moet worden gekeken naar de daadwerkelijke bijdrage en niet zozeer naar de formele relatie. Wat opvalt is dat het vereiste van dubbel opzet hier (nog) niet uitdrukkelijk aan de orde komt. Dat is waarschijnlijk gelegen in het feit dat de Rechtbank ervoor kiest de kwalificatie van medeplegen te parkeren en eerst het materiële geschilpunt te behandelen. De Rechtbank overweegt in dat verband “De rechtbank zal vooralsnog volstaan met de constatering dat niet kan worden uitgesloten dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking die als medeplegen valt aan te merken en dit geschilpunt voor nu onbehandeld laten.” In de literatuur is veel te doen geweest over de nauwe en bewuste samenwerking tussen een adviseur en belastingplichtige en de vraag of daar niet ‘automatisch’ sprake van is. In andere gepubliceerde medeplegerszaken werd die nauwe en bewuste samenwerking telkens aangenomen.[3] In zoverre zou het interessant zijn geweest als de Rechtbank dit element wel inhoudelijk zou hebben behandeld.

Wat daar ook van zij, de inhoudelijk discussie spitst zich vervolgens toe op de vraag of ten aanzien van de vestigingsplaats sprake was van een pleitbaar standpunt. De Belastingdienst heeft in dit verband gesteld dat de Maltese vennootschappen met betrekking tot de vestigingsplaats een niet-pleitbaar standpunt hebben ingenomen en dat uit het arrest HR BNB 1993/193 ‘a contrario’ is af te leiden dat niet-pleitbaar handelen boetewaardig is. De Rechtbank verwerpt dit standpunt van verweerder. De enkele vaststelling dat naar objectieve maatstaven beoordeeld geen pleitbaar standpunt is ingenomen, betekent nog niet dat daarmee opzet of grove schuld is bewezen. Dat standpunt lijkt mij logisch, aangezien ook om andere redenen opzet of grove schuld bij de adviseur kan ontbreken.

De Hoge Raad heeft bovendien in de Credit Suisse-arresten overwogen dat er ook andere gevallen dan een pleitbaar standpunt mogelijk zijn waarin de betrokkene kon en mocht menen dat de aangifte juist en volledig was.[4] In dat arrest werd door de Hoge Raad overwogen:

“3.4.7. Met betrekking tot een mogelijke strafvervolging geldt het volgende. Indien een onjuiste of onvolledige belastingaangifte wordt gedaan, maar de betrokkene ten tijde van het doen van die aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze aangifte juist en volledig was, bijvoorbeeld omdat deze gebaseerd was op een pleitbaar standpunt als hiervoor in 3.4.5 bedoeld, kan niet worden gezegd dat hij opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan die ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, een en ander in de zin van artikel 69, lid 2, AWR.”

Uit het gebruik van het woord ‘bijvoorbeeld’ volgt dat er ook andere situaties dan die van een pleitbaar standpunt mogelijk zijn waarin men kon en mocht menen dat de aangifte juist en volledig was.

Terug naar de uitspraak van de Rechtbank. Er volgt een uitvoerige uiteenzetting waarin de genomen beslissingen worden behandeld en telkens wordt vastgesteld of de beslissingen daadwerkelijk werden genomen door het bestuur op Malta of door de familieleden in Nederland. De Rechtbank concludeert dat ondanks het feit dat de bevoegdheden van de bestuurders op Malta statutair waren beperkt, niet kan worden gezegd dat de statutaire bevoegdheden van het bestuur volledig waren uitgehold. De statutaire beperkingen staan er naar het oordeel van de Rechtbank niet aan in de weg om aan te nemen dat de adviseur een pleitbaar standpunt had over de vestigingsplaats.

Een impliciete overweging naar de Credit Suisse-arresten vinden we tevens in de afsluitende overwegingen van de Rechtbank. De handelingen worden geplaatst binnen het tijdsgewricht van het betreffende moment. De Rechtbank overweegt:

Dat dit advies heden ten dage niet meer zou worden gegeven zoals gedaan, heeft te maken met de veranderende belastingmoraal en het groeiende besef dat dergelijke structuren ethische bezwaren kennen, maar komt niet voort uit een veranderde rechtskundige opvatting over de vestigingsplaats van lichamen.

En concluderend:

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat beoordeeld naar de omstandigheden in redelijkheid en naar objectieve maatstaven gemeten, in de periode waarin eiseres nalatig zou zijn geweest te verzoeken om uitreiking van Nederlandse aangiftebiljetten, kon worden verdedigd dat de fiscale vestigingsplaats van de Maltese vennootschappen in Malta lag. Het standpunt dat de Maltese vennootschappen in Malta waren gevestigd is dus pleitbaar.

Een mooie uitspraak ten aanzien van een opgelegde medeplegersboete. Een onderwerp dat in de jurisprudentie nog steeds relatief weinig aan bod komt. Deze uitvoerig gemotiveerde uitspraak draagt dan ook bij aan de rechtsontwikkeling op dat vlak en is bijzonder welkom.

 

[1] Rb. Noord-Holland 10 juni 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:4643.

[2] De Rechtbank besteed tevens aandacht aan het eerst in hoger beroep ingenomen standpunt dat sprake zou zijn van feitelijk leidinggeven, de Rechtbank overweegt in dat verband: “Daargelaten of het in het kader van een goede procesorde en de waarborgen zoals neergelegd in artikel 6 van het EVRM (fair trial) mogelijk is eerst in beroep een andere onderbouwing te geven aan de opgelegde vergrijpboete, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft aangedragen om de boete te baseren op feitelijk leidinggeven van eiseres.”

[3] Rb. Noord-Holland 30 november 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:9859 en Rb. Gelderland 24 april 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:2297.

[4] HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638 (Credit-Suisse).

Inspecteur is niet gehouden tot een verdergaande onderzoeksplicht

Hof Amsterdam oordeelt na verwijzing dat er geen sprake is van een verdergaande onderzoeksplicht bij gemeenschappelijke bestanddelen. De inspecteur heeft dan ook geen ambtelijk verzuim begaan door niet de aangifte van de echtgenoot of de aangifte erfbelasting te raadplegen voorafgaand aan het opleggen van de aanslag aan belanghebbende.

De echtgenoot van belanghebbende is in december 2010 overleden. Zij waren in gemeenschap van goederen getrouwd. Ten tijde van het overlijden was belanghebbende enig aandeelhouder van een BV. In de aangiften IB 2010 van belanghebbende en haar echtgenoot zijn geen vervreemdingsvoordelen aangegeven ter zake van de aandelen die tot het aanmerkelijk belang behoren. De aangiften zijn door de Belastingdienst geautomatiseerd afgedaan en conform de ingediende aangiften vastgesteld. Op 12 maart 2016 is er vervolgens een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij de inspecteur het fictieve vervreemdingsvoordeel (ingevolge art. 4.16, lid 1, onderdeel e, IB 2001) heeft nagevorderd. Onder meer in geschil is of de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan.

Het Hof (vóór verwijzing) oordeelde dat het onderzoek van de inspecteur verder had moeten reiken dan slechts het raadplegen van het (digitale) dossier van de echtgenoot. Het Hof kwam tot dit oordeel omdat de aangifte bestond uit een F-biljet, de echtgenoot voor het gehele jaar opteerde voor partnerschap met belanghebbende, en melding werd gemaakt van een aanmerkelijk belang. Volgens het Hof was er sprake van een aanmerkelijke kans dat als gevolg van het overlijden van de echtgenoot een voordeel uit de fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang in aanmerking zou moeten worden genomen.

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het Hof met zijn oordeel een te vergaande onderzoeksplicht van de inspecteur heeft aangenomen. De inspecteur is in beginsel niet gehouden tot nader onderzoek, tenzij hij na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig in die aangifte opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is volgens de Hoge Raad geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.

Na verwijzing oordeelt Hof Amsterdam dat er geen strikter toetsingscriterium moet worden gehanteerd bij het beoordelen van een door middel van een F-biljet ingediende aangifte dan bij een reguliere aangifte. Tevens verwerpt het Hof het standpunt van belanghebbende dat de onderzoeksplicht van de inspecteur verder reikt bij gemeenschappelijke inkomensbestanddelen van fiscale partners. Ook in die gevallen geldt hetzelfde toetsingscriterium.

Het Hof oordeelt voorts dat de inspecteur in het onderhavige geval niet in redelijkheid behoefde te twijfelen aan de juistheid van enig in die aangifte opgenomen gegeven. Door de inspecteur is terecht aangevoerd dat in dit geval de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist zou zijn, reeds omdat een eventueel inkomen uit aanmerkelijk belang in de aangifte van de echtgenoot zou kunnen zijn opgenomen. De inspecteur heeft volgens het Hof dan ook geen ambtelijk verzuim begaan door voorafgaand aan het opleggen van de aanslag IB 2010 aan belanghebbende niet de aangifte van de echtgenoot of de aangifte erfbelasting te raadplegen.

Gerechtshof Amsterdam 11 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1318 en ECLI:NL:GHAMS:2021:1319

Hof laat informatiebeschikking voor Zwitserse UBS-rekening grotendeels in stand

Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk hoeft te maken dat belanghebbende tegoeden aanhield bij de UBS bank of een andere buitenlandse bank. Hij moet zich slechts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door hem verlangde informatie voor de genoemde jaren ten aanzien van de belastingplichtige van belang kan zijn.

Sinds februari 2016 zijn door de inspecteur vragen aan belanghebbende gesteld over zijn buitenlandse bankrekening. Belanghebbende heeft aangegeven niet te willen voldoen aan de verzoeken om informatie, omdat de opgevraagde bescheiden zouden kunnen worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek en de inspecteur eerst een garantie moet stellen dat de informatie niet voor punitieve doeleinden zal worden gebruikt. Vervolgens geeft de inspecteur een informatiebeschikking af over de jaren 2003 tot en met 2014.

Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de informatiebeschikking voor het jaar 2003 moet worden vernietigd, omdat de inspecteur ten tijde van het geven van de informatiebeschikking over 2003 niet meer kon navorderen. Volgens hem heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de navorderingstermijn over 2003 is verlengd vanwege een verzoek tot uitstel voor het indienen van de aangifte. Het bewijs daarvoor ontbreekt. Het Hof stelt belanghebbende op dit onderdeel in gelijk en oordeelt dat de inspecteur met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat kenbaar en op verzoek uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte IB 2003, zodat de wettelijke aanslagtermijn (van in dit geval twaalf jaar) daarmee niet wordt verlengd.

Het Hof laat de informatiebeschikking voor de jaren 2004 tot en met 2014 echter wel in stand. Gelet op de van de bevoegde Zwitserse belastingautoriteit verkregen informatie omtrent een door belanghebbende bij de UBS in 2013 en 2014 aangehouden bankrekening met daarop aanzienlijke tegoeden, heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kan zijn voor de heffing. Het Hof merkt hierbij op dat niet is vereist dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat belanghebbende in de jaren 2004 t/m 2014 tegoeden aanhield bij UBS of een andere buitenlandse bank. Het gaat, aldus het Hof, om de vraag of de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem verlangde informatie voor de genoemde jaren ten aanzien van belanghebbende van belang kan zijn. De informatiebeschikking die ziet op de jaren 2004 t/m 2014 blijft in stand.

Gerechtshof Amsterdam 13 april 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1656

 

FIU-Nederland publiceert jaarverslag 2020

Het jaaroverzicht van 2020 van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) is gepubliceerd. De trend van de afgelopen jaren was een toename in het aantal ongebruikelijke transacties. Op basis van de genormaliseerde aantallen zet deze trend door in 2020.

Kern cijfers

In totaal zijn er 722.247 ongebruikelijke transacties gemeld, waarvan 57% op basis van de subjectieve indicator. Dit lijkt in eerste instantie een flinke afname ten opzichte van de 2,4 miljoen in 2019, maar dit heeft te maken met het vervallen van de objectieve indicator voor derde hoog-risico landen. Wanneer deze indicator buiten beschouwing wordt gelaten in 2019, is sprake van 541.236 transacties in 2019 en daarmee een toename van 33% in 2020.

In onderstaande tabel is het aantal ongebruikelijke transacties op basis van de subjectieve indicator van enkele instellingen weergegeven in de periode 2018-2020.

Instelling 2018 2019 2020
Accountant 1.879 2.502 2.466
Belastingadviseur 298 284 383
Banken 67.524 147.952 245.148
Trustkantoor 206 192 146
Makelaar 173 221 246
Notaris 784 1.285 1.060

 

Merendeel verdachte transacties komt voort uit eigen onderzoek

In 2020 zijn er 103.947 transacties verdacht verklaard, gezamenlijk ter waarde van bijna 15 miljard euro. Dit aantal verdachte transacties is een stijging van 163% ten opzichte van 2019. Van deze transacties zijn er 54.884 transacties verdacht verklaard door eigen onderzoek van de FIU. Dit zijn er bijna 36.000 meer dan in 2019. De FIU kent deze stijging toe aan het feit dat er drie onderzoeken liepen met uitzonderlijk veel transacties, FIU-Nederland de afgelopen jaren heeft geïnvesteerd in het inzetten van extra capaciteit op criminologische data-analyse en samenwerking met opsporingsanalisten van onder meer de FIOD en politie en ontwikkelingen binnen de informatiesystemen van de FIU-Nederland.

Dossiers

Het aantal van 103.947 verdachte transacties dat wordt gedeeld met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidspartners staat niet gelijk aan hetzelfde aantal interventiekansen. Niet alle individuele transacties zijn namelijk even informatief als ze zonder context of onderling verband worden bekeken. FIU-Nederland werkt daarom met dossiers. Deze kunnen worden gezien als samenhangend geheel van informatie waarbij voldoende reden wordt geacht om te concluderen dat dit van belang is voor de partners. Deze dossiers kunnen inzicht geven op onder andere witwasconstructies en criminele netwerken.

FIU-Nederland registreert bij dossiers die zij opstelt waar mogelijk de betreffende criminaliteitsvorm. Dit betreft in veel gevallen het vertrekpunt van een onderzoek. In totaal werd in 2020 bij 43% van de 19.114 dossiers de mogelijke criminaliteitsvorm(en) geregistreerd. In onderstaande tabel is een deel van dit overzicht te zien:

Dossiers per criminaliteitsvorm 2017 2018 2019 2020
Witwassen 1431 1469 1790 6601
Terrorisme/Sanctiewet 460 560 429 408
Fraude 313 267 195 1219
Corruptie 29 43 62 87
Cybercrime 2 3 1 1

 

Financial Intelligence Unit-Nederland jaaroverzicht 2020

 

Het Hof concludeert: omkering en verzwaring bewijslast geldt voor gehele aangifte

Hof Amsterdam oordeelt dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast na het niet doen van de vereiste aangifte voor alle gecorrigeerde bestanddelen geldt. Een gedeeltelijke omkering en verzwaring van de bewijslast gaat aan het doel van de regel voorbij.

Belanghebbende verkoopt eind 2011 de aandelen in zijn onderneming – een vertaalbureau – voor een koopsom van € 419.424. De koopsom wordt door de koper voldaan door de rekening-courantschuld, verminderend met de pensioenverplichting jegens belanghebbende, over te nemen. In de IB-aangifte 2011 geeft belanghebbende geen (vervreemdings)voordelen aan. De inspecteur legt wegens de verkoop van de aandelen (box 2) en de afkoop van de pensioenverplichting (box 1) een navorderingsaanslag IB 2011 op. Het box 2-inkomen wordt tevens voor 50% bij de echtgenote nagevorderd. In geschil is onder meer of de vereiste aangifte is gedaan en de bewijslast kan worden omgekeerd, en zo ja, of dat al dan niet geldt ten aanzien van de gehele aangifte.

Belanghebbende voert aan dat de aangifte IB 2011 materieel niet onjuist is gedaan, omdat de toename van de rekening-courantschuld in eerdere jaren als in die jaren genoten dividend had moeten worden aangemerkt. Daarnaast was hij tot oktober 2011 woonachtig in het buitenland. De dividenden die tijdens het verblijf in het buitenland opkwamen zijn volgens belanghebbende pleitbaar niet in de aangifte opgenomen. Alleen voor de dividenduitkeringen toegerekend aan belanghebbende in het binnenland is de aangifte onjuist gedaan en alleen voor dat gedeelte kan de bewijslast omgekeerd worden, meent belanghebbende. Ter onderbouwing verwijst hij naar de informatiebeschikking en het feit dat in dat verband een onderscheid wordt gemaakt naar inkomensbestanddelen. Het argument komt erop neer dat omkering van bewijslast ten aanzien van de gehele aangifte disproportioneel is, nu op andere sprake zou zijn geweest van een pleitbaar standpunt.

Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad leidt het Hof af dat voor de toepassing van omkering van de bewijslast de aangifte als geheel in aanmerking wordt genomen. Is eenmaal vast komen te staan dat niet de vereiste aangifte is gedaan, dan treft de ‘omkering’ derhalve alle gecorrigeerde inkomensbestanddelen. Gegeven het doel dat met artikel 27e, eerste lid, AWR wordt nagestreefd (het op de vereiste wijze doen van aangifte) acht het Hof de doorwerking van de sanctie op het niet doen van de vereiste aangifte naar ook de (gecorrigeerde) inkomensbestanddelen die niet ten grondslag zijn gelegd aan het oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan, niet disproportioneel.

Gegeven dit oordeel rust op belanghebbende de verzwaarde bewijslast dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Belanghebbende stelt daartoe dat sprake is van een schijnlening omdat bij hem en de BV de bedoeling ontbrak om een schuldverhouding aan te gaan. Dit zou onder meer blijken uit de (wan)verhouding tussen de opnamen (€ 534.363) en terugbetalingen (€ 132.104). Ook is de rekening-courantschuld niet door belanghebbende in de aangifte inkomstenbelasting verantwoord. Het Hof acht dit onvoldoende nu in de akte van levering (van de aandelen) en e-mailcorrespondentie melding is gemaakt van de schuld. Ook constateert het Hof dat de tegenprestatie die de koper betaalde (op 1 euro na) gelijk is aan de corresponderende schuld. Het Hof acht het hoger beroep in beide zaken ongegrond.

Gerechtshof Amsterdam 18 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1401 en ECLI:NL:GHAMS:2021:1402

 

Rechtbank: materiële werkelijkheid is leidend bij woonplaatsbepaling

De materiële werkelijkheid van het leven van belanghebbende – een affectieve relatie en werk in Turkije – maakt dat hij ondanks zijn resterende banden met Nederland niet in Nederland woonachtig is. Dat belanghebbende in Nederland kon verblijven bij zijn moeder maakt niet dat het huis hem ter beschikking stond.

De open norm van artikel 4 AWR zorgt in de praktijk voor de nodige ‘woonplaatsdiscussies’. In de zaak die voorlag bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant verschilden de inspecteur en de belanghebbende van mening over de vraag of belanghebbende in het jaar 2015 fiscaal inwoner van Nederland is geweest.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en is op 7 oktober 2016 getrouwd met een partner met de Turkse nationaliteit. In 2015 is belanghebbende een dienstverband aangegaan in Turkije. Voor die tijd woonde hij onafgebroken in Nederland en stond ingeschreven in het BRP. Hij verbleef in 2015 24 dagen in Nederland, 256 dagen in Turkije en 23 dagen elders. Ook beschikt hij in 2015 over een geldige Turkse werk- en verblijfsvergunning.

De inspecteur voert onder meer aan dat belanghebbende in 2015 de Nederlandse nationaliteit heeft, familiale betrekking in Nederland heeft, 24 dagen in Nederland verbleef, zich niet heeft laten uitschrijven uit het BRP, een permanent onderkomen en een auto ter beschikking stonden en dat hij een Nederlandse zorgverzekering had.

De Rechtbank gaat niet in dit standpunt van de inspecteur mee en overweegt dat de door de inspecteur aangevoerde omstandigheden en feiten vooral formeel van aard zijn en niet overeenstemmen met de materiële werkelijkheid. Op basis van de verklaring van de moeder van belanghebbende overweegt de Rechtbank dat belanghebbende weliswaar in overleg met zijn moeder in zijn jeugdkamer in haar woning mag verblijven maar dit betekent niet dat hem een woning ter beschikking stond.

Ook het feit dat belanghebbende ten tijde van de procedure niet meer in Turkije woont en dat hij in de jaren tot aan het vertrek naar Turkije Nederlands inkomen heeft genoten, leiden volgens de Rechtbank niet tot een andersluidend oordeel.

De Rechtbank concludeert dat belanghebbende in 2015 niet in Nederland woonde in de zin van artikel 4 AWR.

Rechtbank 5 november 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5436 (gepubliceerd op 10 mei 2021)

Veroordeling rechtspersoon voor het niet onverwijld melden van ongebruikelijke transacties, vrijspraak voor de bestuurder

Een rechtspersoon verkoopt goederen voor bedragen in contanten van € 15.000 of meer en is daarmee een ‘instelling in de zin van de Wwft. De rechtspersoon heeft een aantal contante transacties van boven de € 25.000 niet onverwijld gemeld aan de FIU en daarmee haar meldplicht geschonden. De rechtbank veroordeelt de rechtspersoon tot een geldboete van € 40.000, waarvan € 20.000 voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. De bestuurder wordt vrijgesproken omdat niet kan worden bewezen dat hij hieraan opzettelijk feitelijk leiding heeft gegeven.

De rechtspersoon wordt verweten dat zij niet heeft voldaan aan haar meldplicht ex art. 16 Wwft. De verdediging bepleit vrijspraak omdat volgens haar het niet melden van de betreffende transacties niet aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. De rechtspersoon neemt volgens de verdediging een voortrekkersrol aan in haar branche waar het gaat om naleving van regelgeving en de strafrechtelijke verwijten zijn gepleegd door een ondergeschikte functionaris.

De rechtbank constateert dat de rechtspersoon kwalificeert als Wwft-instelling en derhalve ongebruikelijke transacties dient te melden bij de Financial Intelligence Unit-Nederland. Daarnaast stelt zij vast dat de verdachte tenminste zes ongebruikelijke transacties heeft verricht; dit betroffen contante betalingen van meer dan € 25.000 die op grond van de objectieve indicator onverwijld gemeld dienden te worden, hetgeen niet is gebeurd. Volgens de rechtbank dient dit redelijkerwijs aan de verdachte te worden toegerekend aangezien sprake is van een gedraging die tot de normale taakuitoefening van de rechtspersoon behoorde.

Bij de strafoplegging neemt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee dat zij vanaf het begin volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek. Zij veroordeelt de rechtspersoon daarom tot betaling van een geldboete van € 40.000, waarvan € 20.000 voorwaardelijk en met een proeftijd van één jaar. De officier van justitie had dezelfde straf geëist maar met een proeftijd van twee jaar.

In de aanverwante zaak wordt de bestuurder eveneens vervolgd en wordt hem het feitelijk leidinggeven aan het niet melden van meldingsplichtige transacties door de rechtspersoon tenlastegelegd. Hoewel de verdachte (middellijk) bestuurder van de betreffende rechtspersoon was, kan volgens de rechtbank niet worden bewezen dat hij opzet heeft gehad op het niet voldoen aan de meldplicht. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat de verdachte doelbewust of met voorwaardelijk opzet beleid heeft gevoerd op het niet nakomen van de meldplicht.

De verdachte had het melden van ongebruikelijke transacties gedelegeerd aan de boekhouder van de rechtspersoon. Op zitting heeft de verdachte verklaard dat zijn boekhouder op de hoogte was van de relevante regelgeving, zijn werk goed uitvoerde, hij wekelijks contact met hem had en er wekelijks Wwft-meldingen werden gemaakt. De verdachte verklaart dat hij niet begrijpt, en nog steeds niet begrijpt, hoe het kan dat de onderhavige transacties niet gemeld zijn. Zijn boekhouder heeft nooit aangegeven dat het hem niet lukte om de meldingen tijdig te doen, noch dat er omstandigheden waren dat hij zijn werk niet goed kon uitvoeren. Hij heeft altijd volledig op zijn boekhouder vertrouwd en had geen aanleiding om aan te nemen dat meldingen niet of niet tijdig werden gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet naleven van de Wwft niet door het handelen of nalaten van de verdachte is ontstaan en zij spreekt de verdachte vrij.

Rb. Amsterdam 22 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2599 (bestuurder) (gepubliceerd op 1 juni 2021)

Rb. Amsterdam 22 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2600 (rechtspersoon) (gepubliceerd op 1 juni 2021)