Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet

Belanghebbende is ondernemer voor de btw. Haar activiteiten bestaan voornamelijk uit het managen van een andere onderneming. Hiervoor brengt zij een managementvergoeding in rekening. Aan belanghebbende zijn adviesdiensten verricht, waarbij een succesfee in rekening is gebracht. Belanghebbende heeft de daarbij in rekening gebrachte btw in aftrek gebracht. Belanghebbende verzoekt om een teruggaaf van € 79.070. Bij beschikking verleent de inspecteur slechts een teruggaaf van € 452. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de adviesdiensten rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met de verkoop van de aandelen door belanghebbende. De verkoop van aandelen is vrijgesteld van omzetbelasting. Dit betekent dat de aftrek van voorbelasting op de succesfee is uitgesloten.

Belanghebbende gaat in bezwaar, beroep en in hoger beroep. Het gerechtshof volgt de inspecteur in zijn stelling dat de adviesdiensten samenhangen met de verkoop van de aandelen en dat de aftrek van voorbelasting daarom is uitgesloten. Belanghebbende beroept zich verder nog op het Besluit van 3 augustus 2004, nr. CPP2004/1709M (hierna: het Besluit) en op de Holdingresolutie (resolutie van 18 februari 1991, nr. VB91/347), waaraan zij meent het in rechte te honoreren vertrouwen te kunnen ontlenen dat de voorbelasting op de succesfee toch aftrekbaar is.

Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat het vertrouwensbeginsel, indien terecht ingeroepen, tot een gevolg leidt dat niet uit de toepasselijke wet- of regelgeving voortvloeit. Het vertrouwensbeginsel dient daarom strikt te worden toegepast. In dit verband merkt het hof op dat belanghebbende niet voldoet aan een van de expliciete voorwaarden zoals die voortvloeien uit punt 2 van het Besluit. Hierin staat onder andere dat de verkoop van een aandelenpakket door een houdstermaatschappij economische activiteiten zijn die worden verricht in het kader van een directe of indirecte inmenging in het beheer van de vennootschap waarin wordt deelgenomen. Voor deze directe of indirecte inmenging is echter een meerderheidsparticipatie vereist en dat is hier niet het geval. Ook verwerpt het hof de stelling van belanghebbende, dat de voorwaarden die in de Holdingresolutie worden gesteld (punten 6 tot en met 8), los van elkaar kunnen worden gelezen en zelfstandig vertrouwen wekken. Gelet op de samenhang tussen deze punten is het hof van mening dat zij als één goedkeuring hebben te gelden en derhalve moet aan alle punten voldaan zijn.

Nu belanghebbende niet aan alle voorwaarden voldoet, faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel. Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:248.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2017:248