Bestuurdersaansprakelijkheid: reikwijdte artikel 7 Uitvoeringsbesluit Invorderingswet

Belanghebbende was van 2008 t/m 2010 middellijk bestuurder van X BV. Nadat een loonheffingennummer aan X BV was toegekend, heeft X BV in één keer de maandaangiften loonheffingen over een periode van twee jaren ingediend. Vervolgens zijn de verschuldigde loonheffingen en naheffingsaanslagen niet afgedragen. Ook heeft X BV de door haar verschuldigde omzetbelasting en naheffingsaanslagen omzetbelasting niet voldaan. In 2011 is X BV failliet verklaard. De Inspecteur heeft belanghebbende op grond van art. 36 Invorderingswet (IW) aansprakelijk gesteld voor de verschuldigd gebleven loonheffingen, omzetbelasting en bijkomende kosten, boeten en belopen heffingsrente.

Belanghebbende heeft tegen deze aansprakelijkstelling bezwaar en beroep ingesteld. In hoger beroep heeft Hof Amsterdam onder meer geoordeeld dat belanghebbende te laat melding heeft gedaan van de betalingsonmacht en daarmee niet heeft voldaan aan de meldingsplicht van art. 36 lid 2 IW. Belanghebbende is naar de mening van het Hof terecht aansprakelijk gesteld op de voet van art. 36 lid 4 IW.

Belanghebbende gaat in cassatie tegen het oordeel van het Hof. Belanghebbende stelt onder andere ten aanzien van de aangiften loonheffingen dat art. 7 lid 1 UBIW niet van toepassing is nu voor alle loontijdvakken de betalingstermijn van art. 19 lid 1 AWR is verstreken. In een dergelijk geval, aldus het middel, is de meldingstermijn van art. 7 lid 2 UBIW van toepassing. De betalingsonmacht behoeft pas te worden gemeld na het opleggen van de naheffingsaanslagen.

Art. 36 IW bepaalt dat een lichaam verplicht is onverwijld nadat is gebleken dat het niet tot betaling van de in het artikel genoemde belastingen in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger. Elke bestuurder is bevoegd een dergelijke melding te doen.

Art. 7 Uitvoeringsbesluit IW (UBIW) stelt nadere regels omtrent de termijn waarbinnen de vorenbedoelde melding moet geschieden. De melding wordt gedaan uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan ingevolge art. 19 AWR (art. 7 lid 1 UBIW). Betreft het betalingsonmacht ter zake van een naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan wel had moeten worden afgedragen of voldaan, dan wordt de melding gedaan uiterlijk binnen twee weken na de vervaldag van die aanslag (art. 7 lid 2 UBIW).

De Hoge Raad overweegt als volgt. In art. 7 UBIW is voor het melden van betalingsonmacht geen nadere regel gesteld ingeval deze onmacht pas ontstaat meer dan twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan ingevolge art. 19 AWR. Art 7 lid 1 UBIW is niet van toepassing omdat de betalingsonmacht pas na de in dat lid opgenomen meldingstermijn is ontstaan. Art. 7 lid 2 UBIW is niet van toepassing omdat de naheffingsaanslagen niet meer bedragen dan de heffingen die overeenkomstig de aangifte hadden moeten worden voldaan. Dit brengt mee dat in een geval als het onderhavige de melding van betalingsonmacht ingevolge art. 36 lid 2 IW onverwijld moet geschieden. De Hoge Raad oordeelt dat ‘onverwijld’ in de regel binnen twee weken is. Ook de andere middelen kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:351