Bewust onjuiste aangifte doen leidt tot terechte aansprakelijkstelling

Belanghebbende is tot 8 september 2010 indirect bestuurder van A BV geweest. Vanaf 8 september 2010 is belanghebbende direct bestuurder van A BV geweest. Op 25 maart 2011 heeft A BV een kavel verkocht aan F BV en daarvoor omzetbelasting in rekening gebracht. Deze omzetbelasting heeft A BV evenwel niet opgenomen in haar (nihil)aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2011. Op vragen van de Ontvanger heeft belanghebbende hieromtrent verklaart dat het volledige bedrag (incl. omzetbelasting) is gestort op een geblokkeerde bankrekening, maar dat hij voornemens is alsnog aangifte te doen zodra het bedrag beschikbaar wordt gesteld door de bank.

De Ontvanger legt op 25 november 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting op. Deze blijft onbetaald en op 7 december 2011 doet belanghebbende een mededeling van betalingsonmacht. De Ontvanger deelt belanghebbende mede dat hij niet wordt toegelaten tot weerlegging van het wettelijke vermoeden dat de niet-betaling van de belastingschuld het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur van belanghebbende. De Ontvanger stelt belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk.

Belanghebbende is tegen deze aansprakelijkstelling in bezwaar, beroep en hoger beroep gekomen. In het hoger beroep is in geschil of belanghebbende op goede gronden aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven omzetbelasting. Belanghebbende heeft betwist dat van zijn zijde sprake is van opzet dan wel grove schuld. Voorts heeft belanghebbende onder meer gesteld dat hij het verschuldigde bedrag alsnog heeft vermeld in de aangifte over het derde kwartaal van 2011.

Hof Arnhem-Leeuwarden concludeert dat de feiten geen ander oordeel toelaten dan dat belanghebbende willens en wetens in eigen persoon een nihilaangifte heeft gedaan over het eerste kwartaal van 2011. Volgens het Hof is het aan belanghebbende zelf te wijten dat hij hierdoor op grond van art. 7 lid 2 Uitvoeringsbesluit Inv. geen rechtsgeldige melding meer kon doen. Voorts overweegt het Hof dat belanghebbende diens stelling dat alsnog aangifte is gedaan, met feiten dient te staven. Nu de Ontvanger de stelling van belanghebbende betwist, en de belanghebbende diens stelling niet met feiten heeft onderbouwd, verwerpt het Hof ook dit verweer.

Dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan omdat de verschuldigde belasting niet kon worden betaald, maakt het voorgaande niet anders. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:3046