Gebreken onvoldoende ernstig: informatiebeschikking vernietigd

Een VOF exploiteert een restaurant. In het kassysteem dat zij gebruikt zijn in de periode september 2010 tot half maart 2011 diverse storingen geweest. Hierna is het systeem van belanghebbende omgezet in een nieuw computersysteem. Als gevolg van de storingen blijken digitale bestanden met detailinformatie over omzetgegevens in de jaren 2008 en 2009 niet meer bruikbaar. In 2011 start de Belastingdienst een boekenonderzoek naar – onder andere – de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de jaren 2008 en 2009. In 2012 neemt de inspecteur een informatiebeschikking ten aanzien van de vennoten van de VOF. Hij meent dat vanwege het ontbreken van de digitale gegevens niet voldaan is aan de eisen zoals gesteld in art. 52 AWR. De VOF en haar vennoten (hierna: belanghebbenden) gaan in bezwaar en beroep.

In hoger beroep is in geschil of de informatiebeschikking terecht is genomen en of aan de informatiebeschikking in redelijkheid en/of naar maatstaven van proportionaliteit ten aanzien van belanghebbenden het gevolg kan worden verbonden van de omkering en verzwaring van de bewijslast als bedoeld in art. 27e AWR.

Belanghebbenden betwisten niet dat over 2008 en 2009 bepaalde gegevens niet meer in hun bezit zijn. Zij achten de informatiebeschikking desalniettemin onrechtmatig, omdat het in de administratie ontbreken van de digitale databestanden van de kascomputer het gevolg is van overmacht. De inspecteur meent dat het de verantwoordelijkheid van belanghebbenden is om te zorgen voor een deugdelijke back-up van haar bestanden. Het ontbreken daarvan komt voor risico van belanghebbenden.

Het Hof overweegt dat op belastingplichtigen een zorgplicht rust met betrekking tot het waarborgen van de beschikbaarheid van tot de administratie te rekenen elektronische informatie. Voor een beroep op overmacht is het derhalve aan belanghebbenden om aan te geven welke waarborgen zij in dat verband hebben getroffen en als gevolg van welke feiten en omstandigheden die waarborgen desondanks niet toereikend zijn gebleken voor het beschikbaar (kunnen) stellen van de verlangde elektronische informatie. Aan deze bewijslast hebben belanghebbenden volgens het Hof evenwel niet voldaan, zodat overmacht niet aannemelijk is.

Ten aanzien van het beroep op de redelijkheid en proportionaliteit overweegt het Hof dat het volgens de parlementaire geschiedenis de bedoeling van de wetgever is geweest om ook de gerechtvaardigdheid van de aan een onherroepelijk vaststaande informatiebeschikking te verbinden omkering en verzwaring van de bewijslast als een element van de informatiebeschikking te beschouwen waartegen een tegen die beschikking ingesteld bezwaar en beroep kan zijn gericht.

Belanghebbenden voeren in dit verband aan dat de ontbrekende gegevens niet noodzakelijk zijn om de belastingaangiften van belanghebbenden goed te kunnen controleren. De inspecteur meent echter dat het ontbreken van de gegevens niet van ondergeschikte aard is, gelet op de omvang van de kasontvangsten. Zonder de gegevens is het niet mogelijk de kasontvangsten per dag te controleren. Het Hof overweegt dat de inspecteur onvoldoende aannemelijk maakt dat er reden is te twijfelen aan de juistheid van de op basis van de wel beschikbare gegevens verantwoorde omzet. Gelet hierop acht het Hof de ontbrekende gegevens niet zozeer van wezenlijk belang voor de controle van met name de omzet van belanghebbenden, dat het – terecht – in de informatiebeschikking geconstateerde ontbreken van die gegevensdragers voldoende ernstig is om de zware sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast te rechtvaardigen.

Het Hof oordeelt dat de informatiebeschikking ten onrechte is genomen, verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de informatiebeschikking.

Het cassatieberoep is door de Hoge Raad met een beroep op art. 81 Wet RO ongegrond verklaard.

Hoge Raad, 14 oktober 2016

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:2299