Pleitbaar standpunt vóór Italmoda

Belanghebbende houdt zich bezig met de aan- en verkoop van koffie. Belanghebbende koopt koffie in van Nederlandse en Duitse leveranciers en verkoopt deze koffie aan in Europa gevestigde afnemers.

Belanghebbende brengt alle in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek en geeft de uitgaande transacties als intracommunautaire leveringen aan.  Belanghebbende regelt in veel gevallen zelf het transport van de koffie en controleert meermaals de juistheid van het btw-identificatienummer van haar afnemers. De vervoersdocumenten naar bestemmingen buiten Nederland zijn in de administratie van belanghebbende aanwezig. De meeste afnemers hebben weliswaar lokale btw-identificatienummers verstrekt, maar hebben geen intracommunautaire verwerving aangegeven.

De inspecteur heeft bij belanghebbende naheffingsaanslagen opgelegd waarbij de aftrek van voorbelasting is teruggenomen. Daarbij zijn vergrijpboeten van 100% van de nageheven omzetbelasting opgelegd. Belanghebbende is in bezwaar en beroep gegaan.

Voor de rechtbank is niet in geschil dat sprake is van btw-fraude in de leveringsketen van koffie waar belanghebbende deel van uitmaakt. Wel in geschil is of belanghebbende terecht (1) de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van de aankoop van koffie in aftrek heeft gebracht, en zo ja, of belanghebbende terecht het nultarief voor de leveringen van koffie naar andere EU-landen heeft toegepast. Eveneens is (2) in geschil of de vergrijpboeten terecht zijn opgelegd.

  1. Wist of had moeten weten

Nu vaststaat dat sprake is van fraude, overweegt de rechtbank dat het aan de inspecteur is om aan te tonen dat op basis van objectieve gegevens vaststaat dat belanghebbende wist of had moeten weten dat zij met de handeling waarvoor aanspraak op het recht op aftrek is gemaakt, deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen (HvJ 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2455 (Italmoda)). De rechtbank neemt bij de beoordeling daarvan onder andere de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:

  • Belanghebbende was door haar koffiehandel in de periode 2006-2008 bekend met het feit dat de bedrijven die op voordracht door persoon X werden beleverd risicovol waren. Voorleveringen aan die bedrijven was immers een naheffingsaanslag opgelegd omdat belanghebbende niet kon aantonen dat de koffie naar het buitenland was vervoerd. Daarnaast kon belanghebbende geen van deze bedrijven traceren om zijn geleden schade op hen te verhalen.
  • De onderhavige afnemers waarbij vaststaat dat sprake is van fraude zijn ook door persoon X geïntroduceerd;
  • De transacties hadden een zeer hoge factuurwaarden de betalingen vonden contant plaats.
  • Daarnaast verkocht belanghebbende aan drie bedrijven waarvan de directeur in Duitsland is vastgezet wegens fraude met koffie.
  • In de keten werd veel gewerkt met net met koffiehandel beginnende vennootschappen, die relatief kort, en bijna steeds volgtijdelijk, beleverd werden door belanghebbende.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat belanghebbende in 2010 bewust opnieuw in zee is gegaan met persoon X en door persoon X aangeleverde afnemers, terwijl zij wist dat persoon X eerder betrokken was geweest bij omzetbelastingfraude met koffie. Belanghebbende had moeten weten dat zij met haar verkopen betrokken was bij btw-fraude. De inspecteur heeft dan ook terecht de aftrek van voorbelasting voor deze transacties geweigerd. Hieraan doet niet af dat belanghebbende beschikt over vervoersdocumenten van de geleverde koffie van Nederland naar het buitenland en is voor dit oordeel tevens niet relevant dat belanghebbende veelvuldig de geldigheid van de btw-identificatienummers van de afnemers heeft geverifieerd.

  1. Vergrijpboeten

Ten aanzien van de vergrijpboeten stelt belanghebbende zich op het standpunt dat deze niet opgelegd had mogen worden omdat zij heeft voldaan aan alle eisen uit de Wet OB en dus – zo leest de rechtbank – correct heeft gehandeld. Dit geldt zowel voor het in aftrek brengen van voorbelasting als voor de toepassing van het nultarief. Gelet op de prejudiciële vragen die de Hoge Raad heeft gesteld na de tijdvakken waarop het onderhavige geschil acht de rechtbank dit standpunt pleitbaar.  De rechtbank oordeelt dat de boetebeschikkingen daarom niet in stand kunnen blijven.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6-4-2016

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2016:3014