Geen wetenschap inzake deelname aan btw-fraude

Belanghebbende houdt zich bezig met de handel in mobiele telefoons naar EU-landen. Ten aanzien van deze intracommunautaire leveringen heeft zij het nihiltarief toegepast. Zij heeft in haar aangifte verzocht om een teruggaaf van voorbelasting, welke door de inspecteur is geweigerd.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch oordeelde dat sprake was van ondeugdelijke facturen en van fraude waarbij belanghebbende willens en wetens betrokken is geweest (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4186). In cassatie oordeelde de Hoge Raad dat de hofuitspraak op verschillende punten onjuist was (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2013:BW5410) en stelde aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag. Deze heeft de vraag echter niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft de zaak vervolgens verwezen voor verdere behandeling (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:441). Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat

“indien het verwijzingshof vaststelt dat belanghebbende bij het uitoefenen van haar recht op aftrek wist of had moeten weten dat zij deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen, belanghebbende de toepassing van dat recht op aftrek op die grond moet worden geweigerd (vgl. HR 18 maart 2016, nr. 11/02825bis). Gelet op hetgeen in 4.11.3 van het hiervoor onder 1 vermelde arrest van de Hoge Raad is overwogen met betrekking tot de daar bedoelde intracommunautaire leveringen, kan evenwel belanghebbende de toepassing van het nultarief niet op die grond worden geweigerd.”

Een ondernemer kan het recht op toepassing van het nultarief niet worden onthouden op grond van de enkele omstandigheid dat:

  • betalingen voor door hem verrichte leveringen door een ander zijn gedaan dan degene die op de factuur is vermeld, en/of;
  • hij niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht.

Beoordeeld dient te worden of afnemers hebben gehandeld als belastingplichtigen die belasting ter zake van een intracommunautaire verwerving verschuldigd zijn.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overweegt dat om in aanmerking te komen voor aftrek van voorbelasting sprake moet zijn van een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur ter zake van de verrichte leveringen en diensten.  Aan de vereisten van artikel 35 lid 1 onder b Wet OB wordt voldaan indien de presterende ondernemer aan de hand van de op de factuur vermelde naam en het op de factuur vermelde adres kan worden geïdentificeerd en getraceerd. Het gerechtshof meent dat hiervan sprake is, zodat belanghebbende in beginsel in aanmerking komt voor aftrek van voorbelasting.

Overeenkomstig de verwijzingsopdracht onderzoekt het gerechtshof vervolgens of belanghebbende wist of had moeten weten dat zij was betrokken bij frauduleuze transacties. Naar de mening van het gerechtshof is de inspecteur niet geslaagd het benodigde bewijs hiervoor aan te leveren. Uit de gedingstukken blijkt niet dat belanghebbende op enige wijze heeft geprofiteerd van mogelijke btw-fraude en dat belanghebbende met mogelijke fraudeurs heeft samengespannen om op onrechtmatige wijze belastinggeld te stelen of te ontduiken. Dit blijkt onder meer uit het lopende civiele geding tussen belanghebbende en een van haar leveranciers, waaruit in ieder geval niet kan worden afgeleid dat fraude het (hoofd)doel van de transacties tussen beide handelspartners was. Voorts overweegt het gerechtshof dat slordigheden in de adresgegevens op de facturen en overige bescheiden nog niet betekenen dat belanghebbende had moeten weten dat zij mogelijk betrokken zou raken bij fraude. Ook de aanwezigheid van een kleine onregelmatigheid in de nummering van de facturen acht het Hof daarvoor van onvoldoende gewicht. Het gerechtshof oordeelt dat belanghebbende niet het recht kan worden ontzegd de aan haar berekende voorbelasting in aftrek te brengen.

Gelet op de verwijzingsopdracht is voor de toepassing van het nultarief uitsluitend van belang of de afnemers hebben gehandeld als belastingplichtigen voor de heffing van omzetbelasting, zodat zij in hun landen omzetbelasting waren verschuldigd wegens de verwerving van de goederen. Gelet op de aantallen en de daarvoor berekende prijzen acht het gerechtshof dit aannemelijk.

Het gerechtshof verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 november 2016

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:9327