Hof van Justitie wijst twee arresten inzake factuurvereisten 1/2

In Portugal claimt een exploitant van hotels met een restaurant aftrek van voorbelasting ter zake van aan haar uitgereikte facturen. De in het geding zijnde facturen vermelden “juridische dienstverlening” als omschrijving. De bevoegde autoriteiten menen dat de exploitant niet gerechtigd is tot aftrek, omdat de omschrijving niet toereikend en de factuur bijgevolg onvolledig is. In reactie op deze weigering verstrekt de exploitant aan de bevoegde autoriteiten aanvullende stukken met een meer gedetailleerde omschrijving van de verleende diensten. De autoriteiten volharden niettemin in hun weigering.

In de beroepsprocedure die de exploitant opstart, wordt uiteindelijk de volgende prejudiciële vraag gesteld:

‘Moet artikel 226, punt 6, van [richtlijn 2006/112] aldus worden uitgelegd dat het [de belasting- en douanedienst] is toegestaan om de vermelding op een factuur ‘juridische dienstverlening vanaf een bepaalde datum tot op heden’ of enkel ‘juridische dienstverlening tot op heden’ als ontoereikend te beschouwen, ook al kan deze dienst op grond van het samenwerkingsbeginsel de aanvullende informatie verkrijgen die hij noodzakelijk acht om het bestaan en de gedetailleerde kenmerken van de betrokken prestaties te bevestigen?’

Het Hof van Justitie van de EU overweegt dat voor btw-doeleinden uitgereikte facturen uitsluitend de in art. 226 Btw-richtlijn genoemde vermeldingen verplicht zijn. Deze vermeldingen omvatten omvang en aard van de verrichtte diensten, alsmede de datum waarop de dienst heeft plaatsgevonden of is voltooid. Deze verplichte vermeldingen hebben tot doel de belastingdiensten in staat te stellen te controleren of de verschuldigde belasting is betaald en, in voorkomend geval, of recht op btw-aftrek bestaat. In dit licht oordeelt het Hof dat de omschrijving “juridische dienstverlening” te weinig gedetailleerd is, omdat het een groot aantal prestaties, waaronder ook niet-economische, omvat. Ook de datumaanduiding is te weinig specifiek. Het Hof oordeelt dat de facturen op het eerste gezicht niet voldoen aan de eisen die art. 226 Btw-richtlijn stelt.

Vervolgens besteedt het Hof aandacht aan de gevolgen die bovenstaand oordeel met zich meebrengt. Dienaangaande overweegt het Hof dat het basisbeginsel van neutraliteit van de btw verlangt dat aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden. Wanneer de belastingdienst over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden, mag hij bijgevolg voor het recht van de belastingplichtige op aftrek van die belasting geen nadere voorwaarden stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd.

Het Hof concludeert aldus dat de belastingdienst het recht op aftrek niet mag weigeren enkel en alleen omdat de factuur niet aan de formele voorwaarden van art. 226 Btw-richtlijn voldoet. De belastingdienst moet rekening houden met aanvullende informatie die de belastingplichtige verstrekt. Wel mag de belastingdienst sancties verbinden aan het niet naleven van de formele voorwaarden. Het is overigens aan de belastingplichtige om te bewijzen dat hij aan de voorwaarden voldoet.

HvJ EU 15 september 2016

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=183364&pageIndex=0&doclang=NL&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=684494