Hoge Raad verwijst scholenconstructiezaak voor een tweede keer

Gemeente Aalten (hierna: belanghebbende) heeft de bouw bekostigd van twee nieuwe schoolgebouwen: een gebouw ten behoeve van door D verzorgd voortgezet onderwijs en een gebouw ten behoeve van door E verzorgd basisonderwijs.

Naar aanleiding van adviezen over de mogelijkheid tot het besparen van omzetbelasting is een Stichting opgericht waaraan de nieuwe gebouwen door belanghebbende voor ongeveer tien procent van de kostprijs zijn geleverd. Deze Stichting heeft de nieuwe schoolgebouwen vervolgens verhuurd aan D en E. Belanghebbende heeft de omzetbelasting die haar in rekening is gebracht in aftrek gebracht. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van deze omzetbelasting.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft eerder in de procedure geoordeeld dat belanghebbende heeft gehandeld in strijd met doel en strekking van de Wet OB (arrest van 15 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0263). Het hof was hierbij van mening dat belanghebbende met het verrichten van een samenstel van speciaal op de omzetbelasting gerichte rechtshandelingen (waaronder het tussenschuiven van de Stichting) heeft bereikt dat zij in strijd met doel en strekking van de Wet een substantieel bedrag aan omzetbelasting in aftrek heeft kunnen brengen.

In cassatie heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij deze uitspraak ervan is uitgegaan dat het tussenschuiven van de Stichting op zich misbruik van recht oplevert, dit oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting behoefde zijn oordeel dat sprake is van misbruik van recht een nadere motivering (HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:979).

Na verwijzing door de Hoge Raad buigt Gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich over deze zaak. Volgens het hof spitst het geschil zich toe op de vraag of het tussenschuiven van de Stichting misbruik van recht oplevert, zodat belanghebbende geen recht op aftrek heeft van de aan haar ter zake van de nieuwe schoolgebouwen in rekening gebrachte omzetbelasting. Het hof komt tot de conclusie dat geen sprake is van misbruik van recht. Het hof meent dat belanghebbende het recht heeft om te besluiten de overdracht privaatrechtelijk zo in te richten, dat de omvang van de belastingschuld beperkt blijft. Daaraan doet niet af dat belanghebbende een verkoopprijs bedong en ontving die lager is dan de kostprijs van de nieuwe schoolgebouwen. Het hof oordeelt voorts dat de stelling van de inspecteur dat in het geheel geen sprake is van een koopsom en dat belanghebbende geen vergoeding heeft bedongen voor de overdracht van de nieuwe schoolgebouwen aan de Stichting, moet worden verworpen.

De staatssecretaris van Financiën gaat tegen deze uitspraak in cassatie. De middelen betogen dat het hof de verwijzingsopdracht verkeerd heeft opgevat en dat het hof de stelling van de inspecteur, door het hof opgevat als inhoudende dat belanghebbende geen vergoeding of slechts een symbolische vergoeding zou hebben bedongen voor de overdracht van de nieuwe schoolgebouwen, verkeerd heeft begrepen. De stelling was dat het samenstel van (rechts)handelingen en de daarmee gemoeide geldstromen neerkomen op een ‘kasrondje’.

Deze middelen slagen. De Hoge Raad oordeelt dat het gerechtshof niet kon volstaan met een onderzoek naar uitsluitend de toelaatbaarheid van het tussenschuiven van de Stichting, maar diende opnieuw te onderzoeken, alle feitelijke en juridische omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, of belanghebbende heeft gehandeld in strijd met doel en strekking van de Wet, en dat oordeel voldoende te motiveren. De Hoge Raad overweegt daarbij dat uitleg van door een procespartij aangevoerde stelling in beginsel is voorbehouden aan de rechtbank of het gerechtshof, tenzij die uitleg in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is. In casu laten de gedingstukken geen andere conclusie toe dan dat het gerechtshof de stelling van de inspecteur verkeerd heeft uitgelegd. Verwijzing moet volgen. Indien het verwijzingshof tot het oordeel komt dat in dit geval het samenstel van transacties leidt tot een belastingvoordeel dat in strijd met doel en strekking van de wet is verkregen, moet het gerechtshof in het kader van de herdefiniëring van transacties vaststellen welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1353). De Hoge Raad verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof Amsterdam.

Hoge Raad, 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2015:5

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:5