Prematuur bezwaar gered door e-mail die wél binnen zes weken na de naheffingsaanslag is ingestuurd

In 2013 stelt de Belastingdienst (verweerder) een boekenonderzoek in bij eiseres en legt naar aanleiding daarvan een naheffingsaanslag omzetbelasting op. De naheffingsaanslag is gedagtekend 30 april 2014. Op 12 april 2014 had eiseres reeds per e-mail (prematuur) bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar ontvankelijk verklaard, omdat hij de e-mail als een reactie op het controlerapport beschouwde en eiseres mocht menen dat de beslissing om een naheffingsaanslag op te leggen, al was genomen. Verweerder past daarbij de regeling toe van artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van dit artikel blijft de niet-ontvankelijkverklaring van een prematuur bezwaarschrift achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening van het bezwaar reeds was genomen, of indien het besluit toen nog niet tot stand was gekomen maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. In zijn uitspraak op bezwaar vermindert verweerder vervolgens de naheffingsaanslag.

Tegen deze verlaagde naheffingsaanslag dient eiseres wederom bezwaar in. Verweerder merkt dit bezwaarschrift aan als een beroepschrift en stuurt het door naar de rechtbank. De rechtbank moet de ontvankelijkheid van het bezwaar ambtshalve toetsen.

Ingevolge artikel 22j AWR begint de bezwaartermijn van zes weken voor de onderhavige naheffingsaanslag op z’n vroegst te lopen op de dag na de dagtekening van de naheffingsaanslag. Een bezwaarschrift dat is ingediend voor deze datum kan niet-ontvankelijk worden verklaard, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, Awb.

De rechtbank acht het standpunt van de inspecteur – namelijk dat de e-mail een reactie is op het controlerapport en eiseres mocht menen dat de beslissing om een naheffingsaanslag op te leggen was genomen – niet voldoende om het bezwaar ontvankelijk te verklaren. Toch verklaart de Rechtbank het bezwaar ontvankelijk. De rechtbank constateert namelijk dat eiseres op 1 juni 2014 een e-mail heeft gestuurd naar verweerder, met als onderwerp ‘Bezwaarschrift 2012’. De rechtbank merkt deze binnen de bezwaartermijn verstuurde e-mail, gelet op de inhoud, aan als bezwaarschrift. De rechtbank overweegt voorts dat e-mailverkeer tussen eiseres en verweerder heel normaal is en dat derhalve moet worden aangenomen dat het eiseres is toegestaan per e-mail bezwaar in te dienen. Het bezwaar is dan wel ontvankelijk, het beroep wordt ongegrond verklaard.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2016:986