Uitspraak na verwijzing in Italmoda-zaak

Op 18 maart 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de zaak Italmoda. De Hoge Raad oordeelde, overeenkomstig het prejudiciële oordeel van het Hof van Justitie van Europese Unie, dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties gehouden zijn de toepassing van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van btw bij een intracommunautaire levering te weigeren als vast kwam te staan dat de belastingplichtige deelnam aan btw-fraude en hij wist of had moeten weten dat hij daaraan deelnam, ook indien de nationale wet niet voorzag in bepalingen van die strekking en de btw-fraude in een andere lidstaat plaatsvond. De zaak is voor verdere behandeling verwezen naar het Gerechtshof Den Haag.

Graag verwijzen wij u naar ons bericht van 5 april 2016 voor een samenvatting van deze uitspraak van de Hoge Raad. Voor een uitgebreide weergave van de feiten en voor de samenvatting van de conclusie van de A-G verwijzen wij u naar ons bericht van 22 maart 2016.

Voor het Gerechtshof Den Haag is thans nog in geschil of de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen alsmede de, na vermindering, resterende boete terecht zijn opgelegd. Daarbij neemt het Hof de hierboven vermelde verklaring voor recht van het Hof van Justitie van de Europese Unie als uitgangspunt.

Het Hof concludeert op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden dat belanghebbende, althans enkele van haar vennoten en daarmede belanghebbende, ten minste op de hoogte van de fraude is geweest. Het Hof meent dat belanghebbende met de door haar verrichte handelingen deze fraude heeft opgezet, althans ten minste bewust mede mogelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft het Hof zwaar laten wegen dat belanghebbende verschillende keren in de stukken van de procedure erkent dat vaststaat dat sprake is van fraude, dat vennoten van belanghebbende bij die fraude zijn betrokken en dat zij voor die handelingen strafrechtelijk zijn veroordeeld.

Het Hof oordeelt dat de Inspecteur aan de hand van objectieve gegevens voldoende aannemelijk maakt dat belanghebbende wist dat zij met de handeling(en) waarvoor aanspraak op het nultarief wordt gemaakt telkens heeft deelgenomen aan fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in het kader van een keten van leveringen.

Het Hof verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

Gerechtshof Den Haag, 4 november 2016, ECLI:NL:GDHA:2016:3374

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:3374