Categorie: Actualiteiten

Onderstaand treft u de actualiteiten die eerder in de tweewekelijkse nieuwsbrief zijn verschenen. Bij de selectie van rechtspraak en ontwikkelingen op het gebied van het fiscaal sanctierecht en compliance ligt de focus op de meerwaarde voor de dagelijkse praktijk van de fiscaal professional.

Vragen inspecteur te algemeen: informatiebeschikkingen van tafel

Rechtbank Noord-Holland oordeelt in twee zaken dat de vragen in de informatiebeschikkingen te algemeen gesteld zijn en mede daarom niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen en vernietigt deze. Verzoek toekenning integrale proceskostenvergoeding afgewezen, ondanks zeer kwalijk handelen van een medewerker van de Belastingdienst.

In deze twee zaken stelt de inspecteur over aanwijzingen te beschikken dat belanghebbenden betrokken zijn bij twee Liechtensteinse rechtspersonen en legt op enig moment twee informatiebeschikkingen op. In de informatiebeschikkingen worden vragen gesteld over de betrokkenheid van belanghebbenden bij een APV. Belanghebbenden menen dat de informatiebeschikkingen dienen te worden vernietigd, omdat de daarin gestelde vragen te algemeen gesteld zijn en bovendien niet is gemotiveerd waarom die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing.

De Rechtbank overweegt dat de inspecteur slechts in algemene zeer ruime bewoordingen onder andere vragen heeft gesteld over de betrokkenheid van belanghebbenden bij het instellen van, de inbreng in en de gerechtigdheid tot een niet nader aangeduid APV. De inspecteur had het vermoeden dat belanghebbenden als aandeelhouder of anderszins betrokken waren bij een tweetal Liechtensteinse rechtspersonen. Deze rechtspersonen zijn echter niet genoemd in de informatiebeschikkingen. Dat deze wel genoemd zijn in eerdere brieven doet daar niet aan af, omdat dit geen APV’s zijn. Volgens de Rechtbank is daarnaast niet gemotiveerd waarom de gestelde vragen van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbenden. De Rechtbank oordeelt vervolgens dat de informatiebeschikkingen niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen en vernietigt deze.

Belanghebbenden hebben om een integrale proceskostenvergoeding verzocht, omdat de inspecteur onder meer doelbewust zou hebben overwogen pas na het hoorgesprek met gemachtigde kennis te nemen van het FIOD-dossier, zodat de stukken geen onderdeel zouden worden van het bezwaardossier. De Rechtbank wijst het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding af, maar merkt daarbij wel op dat een medewerker van de Belastingdienst wel zeer kwalijk heeft gehandeld. Deze medewerker schrijft in een e-mail: “Kan jij voor zorgen dat in dat geval, (…) pas na de vakantie (met namen na het hoorgesprek) FTK inkijkt? Op die manier maken wij de behandeling van het bezwaarschrift eenvoudiger voor (…) en daarmee de behandeling van het hele dossier voor ons.” De inspecteur heeft echter op diezelfde dag gereageerd dat FTK voor het hoorgesprek moet worden ingezien en dat indien daaruit op de zaak betrekking hebbende stukken voorkomen deze aan het dossier moeten worden toegevoegd. De door belanghebbenden gestelde onbehoorlijke handelwijze van de inspecteur heeft zich volgens de Rechtbank niet voorgedaan.

Rechtbank Noord-Holland 4 juni 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:5126 en ECLI:NL:RBNHO:2021:5127

Artikel 74 AWR staat ontneming van de winst uit sigarettenhandel in de weg

Betrokkene is onder meer veroordeeld voor de illegale handel in sigaretten waarover geen accijns is betaald. In de ontnemingsprocedure wijst Hof Amsterdam de vordering van het OM van € 31.200 af, omdat de vermeende winst zo zeer samenhangt met het niet betalen van accijns, dat de ontnemingsregeling wegens art. 74 AWR buiten toepassing moet blijven.

Betrokkene is zowel door Rechtbank Noord-Holland als door Hof Amsterdam veroordeeld voor een aantal strafbare feiten, waaronder overtreding van art. 5 van de Wet op de accijns. Het OM heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel dat betrokkene met de illegale sigarettenhandel zou hebben behaald berekend naar een bedrag van € 31.200.

Betrokkene stelt dat de ontnemingsregeling van art. 36e Sr niet van toepassing is en beroept zich hierbij op art. 74 AWR. Daarin is bepaald dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op de voet van art. 36e Sr niet mogelijk is ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. In casu gaat het volgens betrokkene om een ontneming op basis van overtreding van de Wet op de accijns, een belastingwet, en dat het dus aan de fiscus is om de niet aangegeven belasting alsnog te innen.

Het OM stelt echter dat de ontnemingsberekening niet ziet op het fiscale voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door de overtreding van de Wet op de accijns, maar op de (volledige) winst die met de handel met de sigaretten is behaald en kwalificeert dat als voordeel uit witwassen.

Het Hof gaat daar niet in mee. Het OM vordert niet de door de betrokkene ontdoken accijns, maar de winst die hij op de sigarettenhandel heeft betaald. Hij heeft deze winst alleen kunnen maken, omdat hij ten onrechte geen accijns heeft betaald over de sigaretten. Deze winst hangt volgens het Hof zo zeer samen met het niet betalen van accijns, die de fiscus kan naheffen, dat de ontnemingsregeling op grond van art. 36e Sr buiten toepassing moet blijven. Daar komt nog bij dat het voordeel uit de winst bovendien bij de naheffing van de accijns in feite tenietgaat omdat daarin juist het wederrechtelijk verkregen voordeel is gelegen.

Gerechtshof Amsterdam 29 juni 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1866.

Kwade trouw adviseur niet bewezen: navorderingsaanslag en boete van tafel

De inspecteur heeft aan een adviseur een navorderingsaanslag met vergrijpboete opgelegd, omdat hij niet alle door hem genoten inkomsten zou hebben verantwoord. Volgens Rechtbank Den Haag heeft de inspecteur echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van kwade trouw. Derhalve dienen de navorderingsaanslag en de boete te worden vernietigd.

Belanghebbende verleent in 2014 rechtsbijstand aan derden en is enig bestuurder van een stichting. De inspecteur heeft in 2014 aan belanghebbende een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van bijna € 500.000. Belanghebbende maakt daartegen bezwaar in de vorm van een herziene aangifte waarop een bruto resultaat uit overige werkzaamheden van € 12.000 is vermeld en hetzelfde bedrag aan kosten in aftrek is gebracht. Naar aanleiding daarvan is de definitieve aanslag verminderd en is van deze € 12.000 uitgegaan waarbij 20% aan aftrekbare kosten zijn geaccepteerd. De inspecteur legt vervolgens een navorderingsaanslag IB op van € 48.555 en een vergrijpboete van € 7.778.

In geschil is onder andere of de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de rentebeschikking terecht en naar een juist bedrag zijn opgelegd. Daarbij ligt de bewijslast voor de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag bij de inspecteur. De inspecteur dient derhalve aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw feit, dan wel dat sprake is van kwade trouw. De inspecteur is van mening dat sprake is van kwade trouw, omdat belanghebbende niet alle door hem genoten inkomsten heeft aangegeven en zich hiervan als rechtsbijstandsverlener bewust had moeten zijn. Daarbij voert hij aan dat belanghebbende voor tenminste 51 belastingplichtigen aangiftes heeft ingediend, rechtsbijstand heeft verleend voor in totaal 39 zaken en dat de Belastingdienst in 2014 in totaal € 18.094 heeft uitgekeerd op de bankrekening van de stichting. Een groot deel van dat bedrag ziet op proceskostenvergoedingen en/of de vergoeding van griffiekosten. De inspecteur heeft het uurtarief van belanghebbende geschat op € 300. Dit uurtarief volgt volgens de inspecteur uit een overeenkomst (die niet is gevoegd bij de gedingstukken).

De Rechtbank overweegt dat de inspecteur geen uitsluitsel heeft kunnen geven over de vraag of de € 18.094 reeds bij de stichting in de belastingheffing is betrokken, zoals gesteld door belanghebbende. Daarnaast gaat het volgens de Rechtbank te ver om op basis van slechts één overeenkomst – die niet is overgelegd – te veronderstellen dat belanghebbende voor alle cliënten een uurtarief van € 300 heeft gehanteerd. De inspecteur had de gestelde kwade trouw naar het oordeel van de Rechtbank nader moeten onderbouwen met bijvoorbeeld bankafschriften waaruit blijkt dat en hoeveel belanghebbende voor de verrichte werkzaamheden is betaald. Hetgeen is aangevoerd door de inspecteur vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van kwade trouw. Nu de inspecteur kwade trouw niet aannemelijk heeft gemaakt en niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een nieuw feit, is de navorderingsaanslag ten onrechte opgelegd.

De Rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de navorderingsaanslag, de boete- en rentebeschikkingen.

Rechtbank Den Haag 18 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2791

Adviseur moet hebben geweten dat de aangifte mbt privégebruik auto onjuist was: vergrijpboeten terecht opgelegd

Aan een belastingadviseur worden vergrijpboetes opgelegd voor het niet correct aangeven van privégebruik auto. De Rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar slechts vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met 20 maanden en matigt de boetes met 15%.

Belanghebbende drijft een eenmanszaak waarvan de activiteiten onder ander bestaan uit het geven van belastingadvies. Na een boekenonderzoek met betrekking tot de inkomstenbelasting concludeert de inspecteur dat er ten onrechte geen winstcorrectie is aangebracht wegens privégebruik auto. De inspecteur corrigeert het privégebruik en legt tevens vergrijpboetes op van € 8.306 (2013), € 12.954 (2014) en € 16.882 (2015). In de bezwaarfase sluiten de inspecteur en belanghebbende voor de heffing een vaststellingsovereenkomst. De opgelegde vergrijpboetes voor het niet correct aangeven van het privégebruik zijn daarin niet meegenomen. Wel zijn de door boetes gematigd tot één keer € 500 en twee keer € 1.000.

In geschil bij de Rechtbank is of de boetebeschikkingen terecht zijn opgelegd. De Rechtbank oordeelt dat belanghebbende bekend was met de toepasselijke regels of in ieder geval wist dat er iets moest worden aangegeven. Gelet op de handelswijze van belanghebbende dat hij in de aangifte over 2013 is afgeweken van het wettelijke percentage van 20% naar 10%, acht zij het aannemelijk dat belanghebbende moet hebben geweten dat de aangifte op dit onderdeel onjuist was.

Volgens de Rechtbank is de inspecteur voor de vergrijpboete over 2013 uitgegaan van een te hoge grondslag. Belanghebbende had namelijk wel enige bijtelling aangegeven. De Rechtbank matigt de boete van € 500 naar € 250. Tenslotte matigt de Rechtbank de vergrijpboetes wegens de overschrijding van de redelijke termijn van 20 maanden met 15%. Over het jaar 2013 resulteert dit in een boete van € 212 en over de jaren 2014 en 2015 in een boete van beide € 850. Daarnaast wordt aan belanghebbende een immateriële schadevergoeding toegekend van € 1.500.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 juni 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:3206

De NOB vraagt in de reactie op de internetconsultatie aandacht voor knelpunten in de praktijk bij vaststellen UBO

In de reactie op de internetconsultatie Algemene Leidraad Wwft vraagt de NOB aandacht voor de reikwijdte van de Leidraad. Daarnaast maakt de NOB van de gelegenheid gebruik een aantal knelpunten voor te leggen aan de wetgever die zijn opgekomen in de praktijk bij het vaststellen wie de UBO is. Zij vraagt de wetgever van de gelegenheid gebruik te maken het UBO-begrip ook op deze onderdelen te verduidelijken.

Daarbij gaat het om:

  • Het niet-limitatieve karakter van het UBO-begrip;
  • ​Het UBO-begrip bij vennootschappen en soortgelijke juridische entiteiten: of het criterium van ‘meer dan 25% belang’ moet worden vastgesteld op basis van nominaal aandelenkapitaal of aantal aandelen, of controle (meer dan 50% belang) een relevant element is, hoe moet worden omgegaan met een trust als aandeelhouder van een vennootschap, hoe een échte UBO in een viertal specifieke gevallen moet worden vastgesteld bij een stichting en een nadere duiding van het begrip ‘uitkering’; en
  • ​Het UBO-begrip bij trust en soortgelijke juridische constructies: tenslotte herhaalt de NOB een deel van haar reactie op het Implementatiewetsvoorstel trustregister dat momenteel in behandeling is bij de Tweede Kamer, waarin een aantal vragen is opgenomen omtrent het bepalen van de UBO van trust(achtigen) aangezien deze mogelijkerwijs in de Leidraad kunnen worden geadresseerd.

Wat betreft de voorgestelde wijzigingen ten aanzien van het cliëntenonderzoek, kan de NOB zich niet vinden in de opmerking van de wetgever dat het niet kunnen identificeren van een échte UBO in de meeste gevallen risico’s met zich brengt. In de meeste gevallen waarin geen échte UBO kan worden geïdentificeerd, zal volgens de NOB de verdeling van de belangen volstrekt helder zijn en zal tevens duidelijk zijn waarom er geen echte UBO kan worden geïdentificeerd. De NOB dringt erop aan dat de onderhavige tekst van de Leidraad op dit punt wordt genuanceerd.

https://www.nob.net/nob-vraagt-om-verduidelijking-van-knelpunten-algemene-leidraad-wwft

Nieuwe maatregelen tegen (illegale) trustdienstverlening

Minister van Financiën kondigt in een kamerbrief nieuwe maatregelen aan tegen (illegale) trustdienstverlening en dat hij een breder onderzoek wil laten doen naar de toekomst van de trustsector in Nederland.

Aanleiding hiervoor is een onderzoek van het SEO naar illegale trustdienstverlening in Nederland. Uit dit onderzoek zouden 3.800 gevallen naar voren zijn gekomen met een verhoogd risico dat er illegale trustdiensten zouden zijn verleend. Het marktaandeel van de in potentie illegale trustsector wordt geschat op 15%. Voor domicilieverlening vinden de onderzoekers 690 mogelijke domicilieadressen waarop tenminste tien entiteiten staan ingeschreven en waar mogelijk sprake is van illegale trustdienstverlening omdat naast domicilieverlening ook andere werkzaamheden worden verricht die onder de vergunningsplicht van de Wtt 2018 vallen.

Voor de minister zijn de bevindingen van dit onderzoek en de eerder gemaakte constateringen met betrekking tot integriteitsrisico’s bij het verlenen van trustdiensten, aanleiding om opnieuw aanvullende maatregelen te nemen. Samen met de toezichthouders zal de minister aanvullende wetgeving voorbereiden om ontduiking van de vergunningsplicht tegen te gaan en het toezicht te versterken.

Daarbij wordt bijvoorbeeld bezien of een registratieplicht voor domicilieverleners hierbij behulpzaam kan zijn. Ook wordt bezien of de huidige strafmodaliteiten op bestuurlijk en strafrechtelijk gebied, nog wel effectief is voor de aanpak van illegale trustdienstverlening. Tot slot wil de minister onderzoeken of bij de trustdienstverlening de integriteit wel voldoende te waarborgen is en wat de economische voor- en nadelen van het verbieden van deze dienstverlening zijn.

Kamerbrief minister van Financiën d.d. 8 juli 2021

Hof oordeelt terecht dat de aan de vennootschap onttrokken bedragen in volle omvang moeten worden beschouwd als wederrechtelijk verkregen voordeel

Het oordeel van Hof Den Haag dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet bestaat uit de door de vennootschap ontdoken werkgeversverplichtingen, maar uit de aan de vennootschap onttrokken gelden houdt in cassatie stand. Conclusie A-G anders.

In de strafzaak is de betrokkene veroordeeld voor – kort gezegd – feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrifte. In de hiermee verband houdende ontnemingsprocedure heeft het Hof vastgesteld dat in de administratie van de vennootschap, waarvan betrokkene enig aandeelhouder en directeur was, valse facturen zijn opgenomen. In die facturen werden werkzaamheden en/of diensten vermeld die in werkelijkheid niet door de betreffende bedrijven voor de vennootschap zijn verricht. Betrokkene heeft in dit verband verklaard dat valse facturen in de bedrijfsadministratie zijn opgenomen, dat daarna contant geld werd opgenomen en dat personeel ‘zwart’ is uitbetaald.

Het Hof heeft vastgesteld dat slechts een deel van de contant opgenomen bedragen is aangewend voor het uitbetalen van de zwarte lonen. Voor het overige heeft het Hof als uitgangspunt aangenomen dat deze contante bedragen zijn toegevloeid aan betrokkene, omdat niet is gebleken dat deze geldbedragen aan andere doelen zijn uitgegeven. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is vervolgens vastgesteld op het bedrag van de opgenomen contante bedragen (€ 2.154.424,32) verminderd met de zwart betaalde lonen (€ 1.186.816,80), zodat het bedrag dat aan de betrokkene moet zijn toegevloeid € 967.607,52 bedraagt.

Volgens de Advocaat-Generaal (A-G) merkt betrokkene in cassatie terecht op dat de opgenomen geldbedragen afkomstig zijn uit opbrengsten van de vennootschap en dat daarmee nog geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. De enkele omstandigheid dat de gestelde onttrekkingen door betrokkene voor de Belastingdienst zouden zijn verzwegen, brengt immers nog niet met zich dat deze in volle omvang moeten worden beschouwd als wederrechtelijk verkregen voordeel.

De Hoge Raad volgt de A-G echter niet. Onder wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan ook worden begrepen daadwerkelijk genoten voordeel in het geval dat het strafbare feit op zichzelf geen rechtstreeks voordeel oplevert, maar kennelijk ertoe strekt en geëigend is voordeel te genereren (vgl. HR 25 mei 1999,ECLI:NL:HR:1999:AK1546).

Volgens de Hoge Raad ligt in de vaststellingen van het Hof besloten dat als gevolg van het opnemen van de valse facturen in de bedrijfsadministratie van de vennootschap, het voor de betrokkene mogelijk was om contante geldbedragen te onttrekken aan de vennootschap. Daarmee heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel niet bestaat uit de door de vennootschap ontdoken werkgeversverplichtingen, maar uit de hiervoor genoemde aan de vennootschap onttrokken gelden die aan de betrokkene ten goede zijn gekomen. Het cassatiemiddel faalt.

Hoge Raad 22 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:948

 

Gevangenisstraf en ontzetting uit notarisambt wegens verhullen van negatieve bewaringspositie van het notariskantoor

Een op zitting bekennende notaris is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden en ontzetting uit het notarisambt doordat met valse stukken de indruk werd gewekt dat de bewaringspositie van het notariskantoor positief was, terwijl er in werkelijkheid sprake was van een fors tekort.

Dit tekort is over de jaren uiteindelijk opgelopen tot € 2 miljoen, waardoor wegens het faillissement van het notariskantoor € 1,5 miljoen door de Stichting Voorzieningsfonds moest worden uitgekeerd aan benadeelde cliënten.

De verdediging verzocht de Rechtbank om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het niet meer kunnen krijgen van een baan die bij zijn opleidingsniveau en ervaring past, de mantelzorg voor zijn vader en het gedeeld ouderschap over zijn zoons. Daarnaast voert de verdediging aan dat de verdachte aan een ernstige depressie lijdt en dat recent een ongeneeslijke ziekte bij hem is geconstateerd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal volgens de verdediging naar verwachting van zijn psycholoog zijn psychisch herstel zeer ernstig verstoren en de depressie kunnen verergeren.

Ter motivering van de strafoplegging stelt de Rechtbank voorop dat conform de oriëntatiepunten voor fraudedelicten het uitgangspunt voor een benadelingsbedrag van meer dan € 1 miljoen, een gevangenisstraf van 24 maanden of meer is.

Als strafverzwarende omstandigheid wordt in aanmerking genomen dat de verdachte in 2013 – toen hij nog notaris was – reeds uit het ambt is gezet voor het ongeoorloofd gebruik van derdengelden. Hij was derhalve op de hoogte van de regels en heeft desondanks opnieuw meegeholpen aan het verborgen houden van het ongeoorloofde gebruik van de derdengeldenrekening door de medeverdachte en heeft gedurende drie jaar niet ingegrepen.

De persoonlijke omstandigheden van de verdachte worden verder als strafverminderende omstandigheid door de Rechtbank meegewogen in de strafoplegging. Alles afwegende acht de Rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden en een beroepsverbod van vijf jaar passend.

Rechtbank Amsterdam 14 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3069

 

Vrijspraak btw-fraude: geen sprake van feitelijk leiding geven aan of (mede)plegen van het doen van (onjuiste) aangifte

In een keten van verschillende intracommunautaire leveringen is ten onrechte het 0%-tarief toegepast. Ten behoeve van deze leveringen maakte verdachte facturen valselijk op. Hem wordt het onjuist doen van aangiften omzetbelasting verweten, maar de Rechtbank spreekt hem voor dit ‘meest ernstige verwijt’ vrij, omdat hij niet over de vereiste kwalificatie beschikt.

Aan verdachte zijn drie feiten tenlastegelegd (i) het feitelijk leidinggeven aan dan wel (mede)plegen van het onjuist doen van aangiften omzetbelasting (ii), het medeplegen van valsheid in geschriften en (iii) het bezit van harddrugs. Voor feit 2 en 3 legt verdachte een bekennende verklaring af.

De Rechtbank overweegt ten aanzien van het eerste feit, dat voldoende is gebleken dat verdachte wetenschap had van de bij de transacties aanwezige indicatoren voor btw-carrouselfraude en er in ieder geval sprake is van voorwaardelijk opzet op het onjuist toepassen van het 0%-tarief. Hoewel de verdachte volgens de Rechtbank de enige was die de onjuiste gegevens ten behoeve van de aangiften heeft aangeleverd, kan zijn handelen en opzet niet aan de rechtspersoon worden toegerekend. De verdachte was destijds namelijk geen bestuurder van de rechtspersoon of daar in dienst. Hij werkte via zijn eigen rechtspersoon op commissiebasis. Verder is niet gebleken dat de wijze waarop verdachte bij de transacties heeft geopereerd, bekend was bij de vennootschap. Dit betekent ook dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt.

De Rechtbank spreekt de verdachte vervolgens integraal vrij voor het eerste feit. Vanwege de bekennende verklaringen met betrekking tot het tweede en derde feit, acht zij deze feiten wettig en overtuigend bewezen. Bij het bepalen van de strafmaat wijkt de Rechtbank af van de oriëntatiepunten voor strafoplegging. Voor het bezit van de harddrugs vermelden die oriëntatiepunten een taakstraf van 80 uur. Wat betreft de vervalsing van de facturen en het ter beschikking stellen voor gebruik daarvan, heeft de Rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor fraude. Daarbij is de Rechtbank gelet op de verklaring van verdachte uitgegaan van een benadelingsbedrag van € 87.000. Bij dat benadelingsbedrag vermelden de oriëntatiepunten een gevangenisstraf van vijf tot negen maanden of een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De Rechtbank kiest echter voor een taakstraf van 200 uur, omdat uit het dossier blijkt dat het benadelingsbedrag ten voordele zou zijn gekomen van de relaties van verdachte in Engeland. Het voordeel van verdachte was het bestendigen van die relaties.

Rechtbank Amsterdam 26 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2707

 

Hoge celstraffen voor witwassende paardenhandelaar en adviseur

Rechtbank Oost-Brabant heeft een paardenhandelaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk. De paardenhandelaar zou geld hebben witgewassen met de bouw van een stal van enkele miljoenen in Valkenswaard. Zijn bedrijven moeten in totaal ruim € 750.000 boete betalen. Ook zijn 70-jarige financieel adviseur die in België woont krijgt 8 maanden cel, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, voor zijn betrokkenheid bij het witwassen.

De verdachte is al jarenlang actief als paardenhandelaar. Het Openbaar Ministerie (OM) zette echter vraagtekens bij de herkomst van al zijn investeringen. Volgens de verdachte deed hij dit met de handel in paarden en met beleggingen. Die verklaring heeft hij in de loop van de procedure onderbouwd, waarmee hij volgens de Rechtbank een concreet, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven.

De Rechtbank oordeelt echter dat er sterke aanwijzingen zijn dat verdachte zich aan een of meer fiscale delicten schuldig heeft gemaakt en dat er geen fiscaal gronddelict noodzakelijk is in het kader van een witwasverdenking. De paardenhandelaar deed tussen 2004 en 2016 nergens ter wereld aangifte van zijn inkomen en/of zijn vermogen en betaalde ook nergens belasting. Ook niet in Nederland. Dit, terwijl hij al sinds 2004 een groot deel van het jaar in Nederland verbleef en daar vanaf 2010 bedrijfsactiviteiten ontplooide.

Volgens de Rechtbank deed de verdachte er alles aan de herkomst van de gelden verborgen te houden voor de fiscus. Zo had hij een offshore-vennootschap op de Britse Maagdeneilanden en bankierde hij zakelijk en privé in Zwitserland, een land met bankgeheim. Ook hinderden hij en zijn fiscaal adviseurs het OM actief onderzoek te doen naar de herkomst van het geld. De Rechtbank concludeert daarom dat het niet anders kan dan dat de verdachte jarenlang belasting ontdook en dit geld vervolgens investeerde in onder meer de bouw van een paardenstal en de huur van dure auto’s en een appartement. Daardoor is sprake van witwassen.

De adviseur van de verdachte heeft een gevangenisstraf opgelegd gekregen voor de duur van 8 maanden waarvan 4 voorwaardelijk wegens medeplegen van gewoontewitwassen. De Rechtbank oordeelt dat de adviseur wist dat verdachte een offshore-vennootschap had, waarvan hij UBO en feitelijk leidinggever was en dat verdachte zowel zakelijk als privé bankierde in Zwitserland. Daarnaast speelde de adviseur een actieve en belangrijke rol in de wijze waarop het witwassen heeft plaatsgevonden door gebruik te maken van twee van zijn bedrijven om de stal te kunnen bouwen.

Rechtbank Oost-Brabant 24 juni 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:2949 en Rechtbank Oost-Brabant 24 juni 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:2950