Categorie: Actualiteiten

Onderstaand treft u de actualiteiten die eerder in de tweewekelijkse nieuwsbrief zijn verschenen. Bij de selectie van rechtspraak en ontwikkelingen op het gebied van het fiscaal sanctierecht en compliance ligt de focus op de meerwaarde voor de dagelijkse praktijk van de fiscaal professional.

Verstrekken zakelijke rekening mocht geweigerd worden aan coffeeshophouder

In een kort geding tegen ING oordeelt de voorzieningenrechter dat het weigeren van ING om aan een coffeeshophouder een zakelijke rekening te verstrekken niet onrechtmatig is. Ondanks dat de gronden waarop ING geen rekening wilde verstrekken niet slagen, handelt de bank niet onrechtmatig omdat de coffeeshophouder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij geen andere bank een zakelijke rekening kon openen.

ING heeft meerdere verzoeken van een coffeeshophouder tot het openen van een zakelijke rekening geweigerd. Aan deze beslissing legt ING onder meer ten grondslag dat de coffeeshop beschoten is en de coffeeshophouder zijn privérekening heeft gebruikt ten behoeve van de exploitatie van de coffeeshop.

In het geschil bij de voorzieningenrechter staat centraal of ING kan worden verplicht om een zakelijke rekening te verstrekken aan de coffeeshophouder. De voorzieningenrechter stelt voorop dat enkel het feit dat het gaat om een coffeeshop, niet kan leiden tot het weigeren van een bankrelatie. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat ten tijde van de beschieting, meerdere coffeeshops in Amsterdam zijn beschoten en niets erop duidt dat dit specifiek was gericht tegen eiser. Daar komt bij dat bij de coffeeshop de Bibob-toets telkens is doorgekomen, uit onderzoek van de registeraccountant blijkt dat geen sprake is van onregelmatigheden en uit een controle van de Belastingdienst geen correcties zijn voortgekomen.

Daarnaast stelt ING dat het vertrouwen in de coffeeshophouder ontbreekt, omdat hij zijn privérekening voor zakelijke doeleinden heeft gebruikt en zijn bankpas en pincode aan zijn broer zou hebben gegeven. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat – hoewel in strijd met de voorwaarden van ING – het zakelijk gebruik van de privérekening begrijpelijk is, aangezien girale betalingen noodzakelijk zijn voor instanties en grote hoeveelheden contant binnen de coffeeshop veiligheidsrisico’s met zich brengen. Het feit dat de coffeeshophouder de bankpas en -code aan zijn broer heeft verstrekt zodat hij de coffeeshop kon runnen toen aanvrager in het buitenland zat, is niet dermate onzorgvuldig dat geen zakelijke rekening kan worden verstrekt.

Desondanks oordeelt de voorzieningenrechter dat het weigeren van ING om een zakelijke rekening te verstrekken niet onrechtmatig was. De coffeeshophouder heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij bij geen andere systeembank (Rabobank of SNS Bank) een zakelijke rekening kon openen. Hierdoor is het niet aannemelijk geworden dat hij bij geen andere bank terecht kon en wordt de vordering van eiser afgewezen.

Rechtbank Amsterdam 2 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:358.

Hof: Rabobank handelt niet onzorgvuldig bij de uitvoering van het cliëntenonderzoek

Hof Amsterdam oordeelt dat de Rabobank de bankrelatie met een onderneming mocht opzeggen en tevens dat de bank niet onzorgvuldig heeft gehandeld bij het uitvoeren van het cliëntenonderzoek. De bank stelde volgens het Hof gerechtvaardigde vragen over onder andere de grote hoeveelheden contante stortingen.

Betrokkene bestaat uit meerdere werkmaatschappijen, met (voor een aantal jaren) een Belgische vennootschap aan het hoofd, en houdt zich onder andere bezig met het uitvoeren van medische behandelingen, de verhuur van medische ruimtes en het drijven van een groothandel in onder andere medische instrumenten. Betrokkene bankierde bij de Rabobank en hield daar diverse bankrekeningen aan.

Naar aanleiding van onder meer (veel) contante stortingen heeft de Rabobank in het kader van een cliëntenonderzoek uit hoofde van de Wwft een gesprek met betrokkene gevoerd en diverse vragen gesteld en stukken opgevraagd. Daarnaast heeft de bank ten aanzien van de Belgische vennootschap onder andere verzocht om uitleg waarom was gekozen voor een organisatiestructuur met een Belgische aandeelhouder. De bank heeft op 30 december 2019 medegedeeld de bancaire relatie met betrokkene op te zeggen, omdat betrokkene onvoldoende informatie heeft verstrekt over de herkomst van de financiële middelen en de Rabobank niet heeft kunnen uitsluiten dat er mogelijk met sanctielanden werd gehandeld.

De grieven van betrokkene richten zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden dat de bank haar zorgplicht heeft geschonden en dat de beëindiging van de bankrelatie onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.

De bank had volgens het Hof evenwel terecht vragen gesteld over de grote hoeveelheden contante stortingen met ongebruikelijke coupures. Hoewel betrokkene de bank heeft voorzien van een grote hoeveelheid documenten, heeft dit er niet voor gezorgd dat de bank haar cliëntenonderzoek kon afronden. Het Hof verwerpt het betoog dat de bank onzorgvuldig heeft gehandeld omdat het voor betrokkene niet duidelijk was dat het gesprek in het kader van het cliëntenonderzoek plaatsvond. Het Hof acht het aangekondigde “in het kader van het besluit van de Regering, zoals in de pers meermaals is aangestipt” voldoende duidelijk.

Het Hof overweegt verder dat de bank geen antwoord heeft gekregen op relevante vragen die zij mocht stellen aan betrokkene, terwijl de achtergrond van die vragen is meegedeeld en betrokkene voldoende tijd heeft gekregen om de gevraagde informatie te leveren. De bank mocht de bankrelatie met betrokkene dus opzeggen, ook indien de betrokkene door de opzegging van de Rabobank en de onmogelijkheid elders een bankrekening te kunnen krijgen in grote (financiële) problemen zouden komen.

Gerechtshof Amsterdam 27 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2316.

CBb halveert Wwft-boete aan notaris tot een bedrag van € 18.000

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat een verschil tussen de aankoopwaarde en de WOZ-waarde van een pand niet is aan te merken als een verhoogd risico op witwassen. Het beroep van de notaris is dan ook gedeeltelijk gegrond. Het College halveert de aan een notaris opgelegde boete wegens het niet-nakomen van diverse Wwft-verplichtingen tot een bedrag van € 18.000.

In het onderhavige geval gaat het om een pand dat is verkocht voor € 200.000, terwijl de WOZ-waarde op dat moment op € 248.000 was gesteld. Daarnaast was met betrekking tot dit pand een hypotheek verstrekt door een niet-financiële instelling met enkele bijzondere voorwaarden. Aan de notaris is door het BFT een boete opgelegd van € 38.000 (3% van de omzet van het notariskantoor) omdat hij zowel bij het passeren van de leveringsakte als de hypotheekakte met betrekking tot het pand de Wwft-verplichtingen tot het monitoren van de relatie, het verrichten van verscherpt cliëntenonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties niet zou zijn nagekomen.

Ten aanzien van de leveringsakte overweegt het College dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een transactie enkel op basis van een verschil tussen de aankoopwaarde en de WOZ-waarde reeds aan te merken als een transactie met een verhoogd risico op witwassen. Bovendien heeft de wetgever noch het BFT (bijvoorbeeld in de vorm van handreikingen in de Leidraad) kenbaar gemaakt wanneer en bij welk verschil de transactie naar haar  aard een hoger risico op witwassen met zich brengt in de situatie dat sprake is van een verschil tussen de aankoopwaarde en de WOZ-waarde en voor de instelling aanleiding moet zijn voor het verrichten van verscherpt cliëntenonderzoek.

De notaris heeft voor de lagere koopsom van meet af aan aangevoerd dat hij ten tijde van de transactie bekend was met de feiten en omstandigheden over het pand die volgens hem een rechtvaardiging vormden voor dat verschil. De notaris wees onder meer op het feit dat de haven waar het pand zich bevond was verloederd en dat het pand zelf in slechte staat verkeerde. Dat de notaris genoemde feiten en omstandigheden niet in het dossier heeft vastgelegd en ter zake geen taxatierapport heeft (doen) laten opmaken om die feiten en omstandigheden te staven dan wel te ontkrachten, leidt niet tot een ander oordeel, omdat hij daartoe niet was gehouden. Het College meent daarom dat de notaris geen hoger risico op witwassen had hoeven onderkennen en er ook geen sprake was van een ongebruikelijke transactie.

Ten aanzien van de hypotheekakte oordeelt het College dat de notaris wel een hoger risico op witwassen had moeten onderkennen. Daarbij overweegt het College dat de financiering van het pand door een niet-financiële instelling is gedaan, het afgesproken rentepercentage van 10% voor deze lening en de vastgelegde bijzondere winstverdeling in de hypotheekakte. In onderling verband bezien had dit de notaris aanleiding moeten geven tot het verrichten van verscherpt cliëntenonderzoek. Daarbij was tevens sprake van een ongebruikelijke transactie, waarvan de notaris melding had moeten maken. De transactie gaf immers aanleiding om te veronderstellen dat deze verband kan (gaan) houden met witwassen.

Het College matigt de boete met 50% tot € 18.000, omdat de notaris de betrokkenen bij de transactie en de omstandigheden van de jachthaven waar het pand stond kende. Tevens speelde een rol dat hij de winstdelingsregeling transparant heeft gemaakt door dit op te nemen in de hypotheekakte.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 27 juli 2021, ECLI:NL:CBB:2021:793.

Medeplichtigheid aan oplichting van de Belastingdienst: 80 uur taakstraf

Onder druk van verdachte worden commanditaire vennootschappen door ter zake niet deskundige mensen opgericht. De beschikking over de vennootschappen wordt hen vervolgens ontnomen. Met de respectievelijke commanditaire vennootschappen wordt omzetbelastingfraude gepleegd. Volgens het Hof heeft verdachte zich met zijn bijdrage schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het oplichten van de Belastingdienst.

De Rechtbank heeft in eerste aanleg medeplichtigheid aan het medeplegen van oplichting bewezen verklaard. In hoger beroep wordt de tenlastelegging gewijzigd naar, kort gezegd, medeplichtigheid aan oplichting. Het Hof acht de oplichting bewezen omdat de cv’s de indruk wekten een onderneming te drijven en goederen en diensten te leveren om zo de Belastingdienst te bewegen tot teruggave van omzetbelasting waar de cv’s geen recht op hadden.

Verdachte is hieraan medeplichtig geweest door personen te bewegen zich in te schrijven bij de Kamer van Koophandel, bankrekeningen te openen en bankpassen, inlogcodes en/of correspondentie aan verdachte af te geven, aldus het Hof. Verdachte gaf de informatie op zijn beurt door aan een medeverdachte die de oplichting pleegde. Het benadelingsbedrag van de bewezenverklaarde feiten bedraagt € 33.838. Het Hof rekent verdachte aan het systeem van de omzetbelasting te hebben ondermijnd en veroordeelt de verdachte tot  een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 6 juli 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2068.

Rechtbank legt hogere straf op dan geëist door het Openbaar Ministerie ondanks gedeeltelijk vrijspraak in fraudezaak

Rechtbank Rotterdam veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk, voor medeplegen van omzetbelastingfraude met een benadelingsbedrag van € 1.000.000. De Rechtbank komt – ondanks de vrijspraak voor deelname aan een criminele organisatie – tot een hogere strafoplegging dan geëist door het Openbaar Ministerie.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 2013 tot en met 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en dat hij opzettelijk aangiften omzetbelasting onjuist en/of onvolledig heeft gedaan.

Volgens de verdediging dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard, onder meer omdat getuigen (ambtenaren van de Belastingdienst) zouden zijn beïnvloed. De officier van justitie zou de medewerkers voorafgaand aan de verhoren al informatie hebben verstrekt en bij elkaar hebben geroepen voor een voorlichtingsbijeenkomst. De Rechtbank oordeelt echter dat niet is gebleken dat de getuigen op enigerlei wijze zijn beïnvloed door de officier van justitie en dat geen sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde.

De Rechtbank spreekt de verdachte vrij van deelname aan een criminele organisatie, omdat de gepleegde omzetbelastingfraude heeft plaatsgevonden in het kader van de reguliere bedrijfsvoering en in die zin niet de kern van de activiteiten van het samenwerkingsverband vormde. De Rechtbank acht wel bewezen dat verdachte opzettelijk onjuiste aangiften voor de fiscale eenheid heeft ingediend. Van belang hierbij is dat verdachte namens de fiscale eenheid geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid suppleties in te dienen om zo onjuiste aangiften te corrigeren.

De Rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk passend en geboden. De Rechtbank komt tot een hogere straf dan de officier van justitie heeft geëist (een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden), omdat de Rechtbank van oordeel is dat de verdachte een grotere rol bij de fraude heeft gespeeld dan de officier van justitie en de raadsman hem toedichten. De Rechtbank overweegt hierbij dat de verdachte vaak het initiatief heeft genomen tot het plegen van fraude door concrete voorstellen te doen voor de onjuiste omzetbelastingaangiften. Tevens heeft verdachte zich volgens de Rechtbank ingespannen om de fraude in financiële stukken van het bedrijf te verdoezelen en is verdachte niet uit eigen beweging gestopt met deze praktijken.

Rechtbank Rotterdam 13 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6912

 

Rechtbank acht naheffingen omzetbelasting terecht, maar vernietigt de vergrijpboete

Rechtbank Den Haag oordeelt dat belanghebbende werkzaamheden eerder had moeten facturen. De enkele omstandigheid dat er tussen de afnemers onenigheid is over de verdeling van de kosten betekent niet dat het werk niet is opgeleverd en aanvaard. Vergrijpboete van tafel omdat opzet of grove schuld niet aannemelijk is gemaakt.

In deze zaak gaat het om een belanghebbende die een fiscale eenheid vormt voor de omzetbelasting. In de jaren 2015 en 2016 zijn er prestaties verricht voor twee vennootschappen, welke pas eerst in 2018 zijn gefactureerd. Daarnaast heeft belanghebbende in 2015 een pand gekocht van een vennootschap binnen de fiscale eenheid en heeft hier werkzaamheden voor laten verrichten door een andere vennootschap binnen de fiscale eenheid. De factuur voor deze werkzaamheden bedroeg € 185.000. Belanghebbende heeft de op de factuur vermelde omzetbelasting in aftrek gebracht.

In 2018 is er bij alle onderdelen van de fiscale eenheid een boekenonderzoek ingesteld. Aan de hand van een nieuw opgezette administratie door de nieuwe adviseur, zijn er suppletieaangiften opgemaakt voor de jaren 2015 en 2016. Aan belanghebbende is met dagtekening 27 juni 2019 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd conform deze suppletieaangiften. Daarnaast is een verzuimboete van 10% en een vergrijpboete van 50% opgelegd.

In geschil is over welk tijdvak belanghebbende de omzetbelasting is verschuldigd ter zake van haar prestaties en of belanghebbende terecht de gefactureerde omzetbelasting in aftrek heeft gebracht. Belanghebbende stelt dat zij de omzet pas in 2018 kon factureren, omdat er onenigheid was tussen de vennootschappen over de verdeling van de kosten. De Rechtbank oordeelt dat de enkele omstandigheid dat er tussen de afnemers van de prestaties onenigheid is over de verdeling van de kosten niet betekent dat het werk niet is opgeleverd en aanvaard. Belanghebbende had de omzet dan ook moeten factureren in 2015 en 2016. Aldus zijn de verzuimboetes terecht opgelegd en is de belastingrente berekend over de juiste periode. Ten aanzien van de in aftrek gebrachte omzetbelasting van de werkzaamheden aan het pand verklaart belanghebbende dat de werkzaamheden onderdeel waren van de koopsom. De Rechtbank oordeelt dat belanghebbende daardoor geen recht heeft op aftrek van de omzetbelasting.

Desalniettemin vernietigt de Rechtbank de vergrijpboete omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van opzet of grove schuld. Het voert volgens de Rechtbank te ver om van een ondernemer te verwachten dat hij bij iedere factuur nagaat of de verzender daarvan nog wel ondernemer is. Daarnaast is het volgens de Rechtbank normaal dat de verwerking van facturen door speciaal daartoe aangestelde personen volgens vaste regels plaatsvindt. Het in aftrek brengen van de omzetbelasting op de factuur kon daarom volgens de Rechtbank op een normale vergissing berusten.

Rechtbank Den Haag 19 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4739

Vragen over buitengewone last en specificatie bedrijfskosten niet mogelijk op grond van art. 47 AWR

De inspecteur neemt volgens Rechtbank Zeeland-West Brabant ten onrechte een informatiebeschikking voor vragen over de in de aangifte vennootschapsbelasting opgenomen buitengewone last, de bedrijfskosten en de gevormde voorziening. Voor het overige blijft de informatiebeschikking in stand en heeft belanghebbende zes weken de tijd om daaraan alsnog te voldoen.

Naar aanleiding van de ingediende aangifte Vpb over 2016 worden verschillende informatieverzoeken verstuurd aan de directeur van de onderneming. Daarin verzoekt de inspecteur om een toelichting op onder meer de in de aangifte opgenomen buitengewone last, de specificatie van de bedrijfskosten en de gevormde voorziening. De vragen blijven onbeantwoord, waarna de inspecteur een informatiebeschikking afgeeft.

In beroep stelt de Rechtbank voorop dat de bewijslast ten aanzien van een schending van de in art. 47 AWR opgenomen informatieverplichting op de inspecteur rust. Met betrekking tot de gevraagde informatie over de buitengewone last, de specificatie van de bedrijfskosten en de gevormde voorziening, heeft de inspecteur evenwel volgens de Rechtbank geen belang zoals omschreven in art. 47 AWR, aangezien de bewijslast al rust op belanghebbende. In zoverre wordt de informatiebeschikking dan ook vernietigd.

De overige door belanghebbende aangevoerde gronden worden door de Rechtbank verworpen, omdat het verzoek van de inspecteur tot het verschaffen van inlichtingen voldoende onderbouwd en geconcretiseerd is. Daarnaast stond het de inspecteur vrij om vragen te stellen over posten die in eerdere jaren reeds in de aangiften Vpb stonden vermeld. De Rechtbank verwerpt ook de stellingen van belanghebbende die er op neerkomen dat de inspecteur vraagt naar gegevens die niet (meer) bestaan of die belanghebbende niet voorhanden heeft. De Rechtbank is van oordeel dat deze niet onderbouwde uitlatingen van belanghebbende een onvoldoende motivering zijn voor het niet (meer) voorhanden hebben van gegevens. Daar komt bij dat belanghebbende ter zitting – tegenstrijdig aan dit verweer – heeft verklaard de gevraagde gegevens en inlichtingen wel te kunnen verstrekken.

De Rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de informatiebeschikking gedeeltelijk. Voor zover de informatiebeschikking in stand blijft, krijgt belanghebbende een termijn van zes weken om daaraan alsnog te voldoen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 mei 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:3291

Forse gevangenisstraf fiscalist wegens belastingfraude

Verdachte, een fiscalist, doet namens zijn eigen bv structureel onjuiste aangiften omzetbelasting, ondanks dat zijn accountant en fiscaal adviseur meermaals bij hem ‘aan de bel trokken’. De Rechtbank veroordeelt verdachte tot 15 maanden gevangenisstraf. Ook beveelt de Rechtbank de gevangenneming vanwege ernstig vluchtgevaar.

Verdachte is van beroep fiscalist en runt – in de vorm van een BV – een belastingadviespraktijk. Uit onderzoek van de Belastingdienst is gebleken dat de aangiften omzetbelasting over de jaren 2010 en 2013 structureel onjuist zijn ingediend en dat er te weinig belasting is afgedragen. In deze strafzaak wordt de fiscalist het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk nalaten van het doen van verplichte suppletieaangiften en het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting verweten.

Uit de bewijsoverwegingen van de Rechtbank blijkt dat de bevindingen van het onderzoek van de Belastingdienst worden bevestigd door twee getuigen. Zowel de accountant als fiscaal adviseur van verdachte verklaren hem te hebben gewezen op de groeiende omzetbelastingschuld, de onjuiste aangiften omzetbelasting en het gegeven dat hij daarom suppletieaangiften moest indienen. De Rechtbank acht de feiten bewezen en veroordeelt de verdachte bij verstek (dat wil zeggen zonder dat hij is verschenen op de zitting)

Wat betreft de straftoemeting rekent de Rechtbank de verdachte zwaar aan dat juist vanwege zijn opleiding en beroep als fiscalist van hem mag worden verwacht dat hij zich niet schuldig maakt aan belastingfraude. De Rechtbank legt een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden op (waarvan 5 maanden voorwaardelijk). Tenslotte beveelt de Rechtbank wegens ernstig gevaar voor vlucht – verdachte verscheen tweemaal niet op zitting en heeft wisselende verblijfplaatsen, ook in het buitenland – de onmiddellijke gevangenneming van verdachte.

Rechtbank Rotterdam 3 augustus 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:7663

Vragen inspecteur te algemeen: informatiebeschikkingen van tafel

Rechtbank Noord-Holland oordeelt in twee zaken dat de vragen in de informatiebeschikkingen te algemeen gesteld zijn en mede daarom niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen en vernietigt deze. Verzoek toekenning integrale proceskostenvergoeding afgewezen, ondanks zeer kwalijk handelen van een medewerker van de Belastingdienst.

In deze twee zaken stelt de inspecteur over aanwijzingen te beschikken dat belanghebbenden betrokken zijn bij twee Liechtensteinse rechtspersonen en legt op enig moment twee informatiebeschikkingen op. In de informatiebeschikkingen worden vragen gesteld over de betrokkenheid van belanghebbenden bij een APV. Belanghebbenden menen dat de informatiebeschikkingen dienen te worden vernietigd, omdat de daarin gestelde vragen te algemeen gesteld zijn en bovendien niet is gemotiveerd waarom die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing.

De Rechtbank overweegt dat de inspecteur slechts in algemene zeer ruime bewoordingen onder andere vragen heeft gesteld over de betrokkenheid van belanghebbenden bij het instellen van, de inbreng in en de gerechtigdheid tot een niet nader aangeduid APV. De inspecteur had het vermoeden dat belanghebbenden als aandeelhouder of anderszins betrokken waren bij een tweetal Liechtensteinse rechtspersonen. Deze rechtspersonen zijn echter niet genoemd in de informatiebeschikkingen. Dat deze wel genoemd zijn in eerdere brieven doet daar niet aan af, omdat dit geen APV’s zijn. Volgens de Rechtbank is daarnaast niet gemotiveerd waarom de gestelde vragen van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbenden. De Rechtbank oordeelt vervolgens dat de informatiebeschikkingen niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen en vernietigt deze.

Belanghebbenden hebben om een integrale proceskostenvergoeding verzocht, omdat de inspecteur onder meer doelbewust zou hebben overwogen pas na het hoorgesprek met gemachtigde kennis te nemen van het FIOD-dossier, zodat de stukken geen onderdeel zouden worden van het bezwaardossier. De Rechtbank wijst het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding af, maar merkt daarbij wel op dat een medewerker van de Belastingdienst wel zeer kwalijk heeft gehandeld. Deze medewerker schrijft in een e-mail: “Kan jij voor zorgen dat in dat geval, (…) pas na de vakantie (met namen na het hoorgesprek) FTK inkijkt? Op die manier maken wij de behandeling van het bezwaarschrift eenvoudiger voor (…) en daarmee de behandeling van het hele dossier voor ons.” De inspecteur heeft echter op diezelfde dag gereageerd dat FTK voor het hoorgesprek moet worden ingezien en dat indien daaruit op de zaak betrekking hebbende stukken voorkomen deze aan het dossier moeten worden toegevoegd. De door belanghebbenden gestelde onbehoorlijke handelwijze van de inspecteur heeft zich volgens de Rechtbank niet voorgedaan.

Rechtbank Noord-Holland 4 juni 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:5126 en ECLI:NL:RBNHO:2021:5127

Artikel 74 AWR staat ontneming van de winst uit sigarettenhandel in de weg

Betrokkene is onder meer veroordeeld voor de illegale handel in sigaretten waarover geen accijns is betaald. In de ontnemingsprocedure wijst Hof Amsterdam de vordering van het OM van € 31.200 af, omdat de vermeende winst zo zeer samenhangt met het niet betalen van accijns, dat de ontnemingsregeling wegens art. 74 AWR buiten toepassing moet blijven.

Betrokkene is zowel door Rechtbank Noord-Holland als door Hof Amsterdam veroordeeld voor een aantal strafbare feiten, waaronder overtreding van art. 5 van de Wet op de accijns. Het OM heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel dat betrokkene met de illegale sigarettenhandel zou hebben behaald berekend naar een bedrag van € 31.200.

Betrokkene stelt dat de ontnemingsregeling van art. 36e Sr niet van toepassing is en beroept zich hierbij op art. 74 AWR. Daarin is bepaald dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op de voet van art. 36e Sr niet mogelijk is ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. In casu gaat het volgens betrokkene om een ontneming op basis van overtreding van de Wet op de accijns, een belastingwet, en dat het dus aan de fiscus is om de niet aangegeven belasting alsnog te innen.

Het OM stelt echter dat de ontnemingsberekening niet ziet op het fiscale voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door de overtreding van de Wet op de accijns, maar op de (volledige) winst die met de handel met de sigaretten is behaald en kwalificeert dat als voordeel uit witwassen.

Het Hof gaat daar niet in mee. Het OM vordert niet de door de betrokkene ontdoken accijns, maar de winst die hij op de sigarettenhandel heeft betaald. Hij heeft deze winst alleen kunnen maken, omdat hij ten onrechte geen accijns heeft betaald over de sigaretten. Deze winst hangt volgens het Hof zo zeer samen met het niet betalen van accijns, die de fiscus kan naheffen, dat de ontnemingsregeling op grond van art. 36e Sr buiten toepassing moet blijven. Daar komt nog bij dat het voordeel uit de winst bovendien bij de naheffing van de accijns in feite tenietgaat omdat daarin juist het wederrechtelijk verkregen voordeel is gelegen.

Gerechtshof Amsterdam 29 juni 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1866.