Categorie: Actualiteiten

Onderstaand treft u de actualiteiten die eerder in de tweewekelijkse nieuwsbrief zijn verschenen. Bij de selectie van rechtspraak en ontwikkelingen op het gebied van het fiscaal sanctierecht en compliance ligt de focus op de meerwaarde voor de dagelijkse praktijk van de fiscaal professional.

De adviseur, cliënt en rechtsbescherming

1 juli jl. is de eerste editie van onze digitale uitgave ‘De adviseur, cliënt en rechtsbescherming’ verzonden aan onze Zuidelijke relaties uit de belastingadviespraktijk! Deze uitgave zal eens per kwartaal worden aangevuld met een nieuw hoofdstuk van wisselende schrijvers, waardoor uiteindelijk een steeds omvangrijkere bundel ontstaat. Voor professionals boven de rivieren zeker ook interessante kost!

Benieuwd, klik hier om het hoofdstuk ‘Ontwikkelingen rondom het pleitbaar standpunt’ te ontvangen.

Inspecteur is niet gehouden tot een verdergaande onderzoeksplicht

Hof Amsterdam oordeelt na verwijzing dat er geen sprake is van een verdergaande onderzoeksplicht bij gemeenschappelijke bestanddelen. De inspecteur heeft dan ook geen ambtelijk verzuim begaan door niet de aangifte van de echtgenoot of de aangifte erfbelasting te raadplegen voorafgaand aan het opleggen van de aanslag aan belanghebbende.

De echtgenoot van belanghebbende is in december 2010 overleden. Zij waren in gemeenschap van goederen getrouwd. Ten tijde van het overlijden was belanghebbende enig aandeelhouder van een BV. In de aangiften IB 2010 van belanghebbende en haar echtgenoot zijn geen vervreemdingsvoordelen aangegeven ter zake van de aandelen die tot het aanmerkelijk belang behoren. De aangiften zijn door de Belastingdienst geautomatiseerd afgedaan en conform de ingediende aangiften vastgesteld. Op 12 maart 2016 is er vervolgens een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij de inspecteur het fictieve vervreemdingsvoordeel (ingevolge art. 4.16, lid 1, onderdeel e, IB 2001) heeft nagevorderd. Onder meer in geschil is of de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan.

Het Hof (vóór verwijzing) oordeelde dat het onderzoek van de inspecteur verder had moeten reiken dan slechts het raadplegen van het (digitale) dossier van de echtgenoot. Het Hof kwam tot dit oordeel omdat de aangifte bestond uit een F-biljet, de echtgenoot voor het gehele jaar opteerde voor partnerschap met belanghebbende, en melding werd gemaakt van een aanmerkelijk belang. Volgens het Hof was er sprake van een aanmerkelijke kans dat als gevolg van het overlijden van de echtgenoot een voordeel uit de fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang in aanmerking zou moeten worden genomen.

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het Hof met zijn oordeel een te vergaande onderzoeksplicht van de inspecteur heeft aangenomen. De inspecteur is in beginsel niet gehouden tot nader onderzoek, tenzij hij na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig in die aangifte opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is volgens de Hoge Raad geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.

Na verwijzing oordeelt Hof Amsterdam dat er geen strikter toetsingscriterium moet worden gehanteerd bij het beoordelen van een door middel van een F-biljet ingediende aangifte dan bij een reguliere aangifte. Tevens verwerpt het Hof het standpunt van belanghebbende dat de onderzoeksplicht van de inspecteur verder reikt bij gemeenschappelijke inkomensbestanddelen van fiscale partners. Ook in die gevallen geldt hetzelfde toetsingscriterium.

Het Hof oordeelt voorts dat de inspecteur in het onderhavige geval niet in redelijkheid behoefde te twijfelen aan de juistheid van enig in die aangifte opgenomen gegeven. Door de inspecteur is terecht aangevoerd dat in dit geval de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist zou zijn, reeds omdat een eventueel inkomen uit aanmerkelijk belang in de aangifte van de echtgenoot zou kunnen zijn opgenomen. De inspecteur heeft volgens het Hof dan ook geen ambtelijk verzuim begaan door voorafgaand aan het opleggen van de aanslag IB 2010 aan belanghebbende niet de aangifte van de echtgenoot of de aangifte erfbelasting te raadplegen.

Gerechtshof Amsterdam 11 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1318 en ECLI:NL:GHAMS:2021:1319

Hof laat informatiebeschikking voor Zwitserse UBS-rekening grotendeels in stand

Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk hoeft te maken dat belanghebbende tegoeden aanhield bij de UBS bank of een andere buitenlandse bank. Hij moet zich slechts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door hem verlangde informatie voor de genoemde jaren ten aanzien van de belastingplichtige van belang kan zijn.

Sinds februari 2016 zijn door de inspecteur vragen aan belanghebbende gesteld over zijn buitenlandse bankrekening. Belanghebbende heeft aangegeven niet te willen voldoen aan de verzoeken om informatie, omdat de opgevraagde bescheiden zouden kunnen worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek en de inspecteur eerst een garantie moet stellen dat de informatie niet voor punitieve doeleinden zal worden gebruikt. Vervolgens geeft de inspecteur een informatiebeschikking af over de jaren 2003 tot en met 2014.

Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de informatiebeschikking voor het jaar 2003 moet worden vernietigd, omdat de inspecteur ten tijde van het geven van de informatiebeschikking over 2003 niet meer kon navorderen. Volgens hem heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de navorderingstermijn over 2003 is verlengd vanwege een verzoek tot uitstel voor het indienen van de aangifte. Het bewijs daarvoor ontbreekt. Het Hof stelt belanghebbende op dit onderdeel in gelijk en oordeelt dat de inspecteur met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat kenbaar en op verzoek uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte IB 2003, zodat de wettelijke aanslagtermijn (van in dit geval twaalf jaar) daarmee niet wordt verlengd.

Het Hof laat de informatiebeschikking voor de jaren 2004 tot en met 2014 echter wel in stand. Gelet op de van de bevoegde Zwitserse belastingautoriteit verkregen informatie omtrent een door belanghebbende bij de UBS in 2013 en 2014 aangehouden bankrekening met daarop aanzienlijke tegoeden, heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kan zijn voor de heffing. Het Hof merkt hierbij op dat niet is vereist dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat belanghebbende in de jaren 2004 t/m 2014 tegoeden aanhield bij UBS of een andere buitenlandse bank. Het gaat, aldus het Hof, om de vraag of de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem verlangde informatie voor de genoemde jaren ten aanzien van belanghebbende van belang kan zijn. De informatiebeschikking die ziet op de jaren 2004 t/m 2014 blijft in stand.

Gerechtshof Amsterdam 13 april 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1656

 

FIU-Nederland publiceert jaarverslag 2020

Het jaaroverzicht van 2020 van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) is gepubliceerd. De trend van de afgelopen jaren was een toename in het aantal ongebruikelijke transacties. Op basis van de genormaliseerde aantallen zet deze trend door in 2020.

Kern cijfers

In totaal zijn er 722.247 ongebruikelijke transacties gemeld, waarvan 57% op basis van de subjectieve indicator. Dit lijkt in eerste instantie een flinke afname ten opzichte van de 2,4 miljoen in 2019, maar dit heeft te maken met het vervallen van de objectieve indicator voor derde hoog-risico landen. Wanneer deze indicator buiten beschouwing wordt gelaten in 2019, is sprake van 541.236 transacties in 2019 en daarmee een toename van 33% in 2020.

In onderstaande tabel is het aantal ongebruikelijke transacties op basis van de subjectieve indicator van enkele instellingen weergegeven in de periode 2018-2020.

Instelling 2018 2019 2020
Accountant 1.879 2.502 2.466
Belastingadviseur 298 284 383
Banken 67.524 147.952 245.148
Trustkantoor 206 192 146
Makelaar 173 221 246
Notaris 784 1.285 1.060

 

Merendeel verdachte transacties komt voort uit eigen onderzoek

In 2020 zijn er 103.947 transacties verdacht verklaard, gezamenlijk ter waarde van bijna 15 miljard euro. Dit aantal verdachte transacties is een stijging van 163% ten opzichte van 2019. Van deze transacties zijn er 54.884 transacties verdacht verklaard door eigen onderzoek van de FIU. Dit zijn er bijna 36.000 meer dan in 2019. De FIU kent deze stijging toe aan het feit dat er drie onderzoeken liepen met uitzonderlijk veel transacties, FIU-Nederland de afgelopen jaren heeft geïnvesteerd in het inzetten van extra capaciteit op criminologische data-analyse en samenwerking met opsporingsanalisten van onder meer de FIOD en politie en ontwikkelingen binnen de informatiesystemen van de FIU-Nederland.

Dossiers

Het aantal van 103.947 verdachte transacties dat wordt gedeeld met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidspartners staat niet gelijk aan hetzelfde aantal interventiekansen. Niet alle individuele transacties zijn namelijk even informatief als ze zonder context of onderling verband worden bekeken. FIU-Nederland werkt daarom met dossiers. Deze kunnen worden gezien als samenhangend geheel van informatie waarbij voldoende reden wordt geacht om te concluderen dat dit van belang is voor de partners. Deze dossiers kunnen inzicht geven op onder andere witwasconstructies en criminele netwerken.

FIU-Nederland registreert bij dossiers die zij opstelt waar mogelijk de betreffende criminaliteitsvorm. Dit betreft in veel gevallen het vertrekpunt van een onderzoek. In totaal werd in 2020 bij 43% van de 19.114 dossiers de mogelijke criminaliteitsvorm(en) geregistreerd. In onderstaande tabel is een deel van dit overzicht te zien:

Dossiers per criminaliteitsvorm 2017 2018 2019 2020
Witwassen 1431 1469 1790 6601
Terrorisme/Sanctiewet 460 560 429 408
Fraude 313 267 195 1219
Corruptie 29 43 62 87
Cybercrime 2 3 1 1

 

Financial Intelligence Unit-Nederland jaaroverzicht 2020

 

Het Hof concludeert: omkering en verzwaring bewijslast geldt voor gehele aangifte

Hof Amsterdam oordeelt dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast na het niet doen van de vereiste aangifte voor alle gecorrigeerde bestanddelen geldt. Een gedeeltelijke omkering en verzwaring van de bewijslast gaat aan het doel van de regel voorbij.

Belanghebbende verkoopt eind 2011 de aandelen in zijn onderneming – een vertaalbureau – voor een koopsom van € 419.424. De koopsom wordt door de koper voldaan door de rekening-courantschuld, verminderend met de pensioenverplichting jegens belanghebbende, over te nemen. In de IB-aangifte 2011 geeft belanghebbende geen (vervreemdings)voordelen aan. De inspecteur legt wegens de verkoop van de aandelen (box 2) en de afkoop van de pensioenverplichting (box 1) een navorderingsaanslag IB 2011 op. Het box 2-inkomen wordt tevens voor 50% bij de echtgenote nagevorderd. In geschil is onder meer of de vereiste aangifte is gedaan en de bewijslast kan worden omgekeerd, en zo ja, of dat al dan niet geldt ten aanzien van de gehele aangifte.

Belanghebbende voert aan dat de aangifte IB 2011 materieel niet onjuist is gedaan, omdat de toename van de rekening-courantschuld in eerdere jaren als in die jaren genoten dividend had moeten worden aangemerkt. Daarnaast was hij tot oktober 2011 woonachtig in het buitenland. De dividenden die tijdens het verblijf in het buitenland opkwamen zijn volgens belanghebbende pleitbaar niet in de aangifte opgenomen. Alleen voor de dividenduitkeringen toegerekend aan belanghebbende in het binnenland is de aangifte onjuist gedaan en alleen voor dat gedeelte kan de bewijslast omgekeerd worden, meent belanghebbende. Ter onderbouwing verwijst hij naar de informatiebeschikking en het feit dat in dat verband een onderscheid wordt gemaakt naar inkomensbestanddelen. Het argument komt erop neer dat omkering van bewijslast ten aanzien van de gehele aangifte disproportioneel is, nu op andere sprake zou zijn geweest van een pleitbaar standpunt.

Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad leidt het Hof af dat voor de toepassing van omkering van de bewijslast de aangifte als geheel in aanmerking wordt genomen. Is eenmaal vast komen te staan dat niet de vereiste aangifte is gedaan, dan treft de ‘omkering’ derhalve alle gecorrigeerde inkomensbestanddelen. Gegeven het doel dat met artikel 27e, eerste lid, AWR wordt nagestreefd (het op de vereiste wijze doen van aangifte) acht het Hof de doorwerking van de sanctie op het niet doen van de vereiste aangifte naar ook de (gecorrigeerde) inkomensbestanddelen die niet ten grondslag zijn gelegd aan het oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan, niet disproportioneel.

Gegeven dit oordeel rust op belanghebbende de verzwaarde bewijslast dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Belanghebbende stelt daartoe dat sprake is van een schijnlening omdat bij hem en de BV de bedoeling ontbrak om een schuldverhouding aan te gaan. Dit zou onder meer blijken uit de (wan)verhouding tussen de opnamen (€ 534.363) en terugbetalingen (€ 132.104). Ook is de rekening-courantschuld niet door belanghebbende in de aangifte inkomstenbelasting verantwoord. Het Hof acht dit onvoldoende nu in de akte van levering (van de aandelen) en e-mailcorrespondentie melding is gemaakt van de schuld. Ook constateert het Hof dat de tegenprestatie die de koper betaalde (op 1 euro na) gelijk is aan de corresponderende schuld. Het Hof acht het hoger beroep in beide zaken ongegrond.

Gerechtshof Amsterdam 18 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1401 en ECLI:NL:GHAMS:2021:1402

 

Rechtbank: materiële werkelijkheid is leidend bij woonplaatsbepaling

De materiële werkelijkheid van het leven van belanghebbende – een affectieve relatie en werk in Turkije – maakt dat hij ondanks zijn resterende banden met Nederland niet in Nederland woonachtig is. Dat belanghebbende in Nederland kon verblijven bij zijn moeder maakt niet dat het huis hem ter beschikking stond.

De open norm van artikel 4 AWR zorgt in de praktijk voor de nodige ‘woonplaatsdiscussies’. In de zaak die voorlag bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant verschilden de inspecteur en de belanghebbende van mening over de vraag of belanghebbende in het jaar 2015 fiscaal inwoner van Nederland is geweest.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en is op 7 oktober 2016 getrouwd met een partner met de Turkse nationaliteit. In 2015 is belanghebbende een dienstverband aangegaan in Turkije. Voor die tijd woonde hij onafgebroken in Nederland en stond ingeschreven in het BRP. Hij verbleef in 2015 24 dagen in Nederland, 256 dagen in Turkije en 23 dagen elders. Ook beschikt hij in 2015 over een geldige Turkse werk- en verblijfsvergunning.

De inspecteur voert onder meer aan dat belanghebbende in 2015 de Nederlandse nationaliteit heeft, familiale betrekking in Nederland heeft, 24 dagen in Nederland verbleef, zich niet heeft laten uitschrijven uit het BRP, een permanent onderkomen en een auto ter beschikking stonden en dat hij een Nederlandse zorgverzekering had.

De Rechtbank gaat niet in dit standpunt van de inspecteur mee en overweegt dat de door de inspecteur aangevoerde omstandigheden en feiten vooral formeel van aard zijn en niet overeenstemmen met de materiële werkelijkheid. Op basis van de verklaring van de moeder van belanghebbende overweegt de Rechtbank dat belanghebbende weliswaar in overleg met zijn moeder in zijn jeugdkamer in haar woning mag verblijven maar dit betekent niet dat hem een woning ter beschikking stond.

Ook het feit dat belanghebbende ten tijde van de procedure niet meer in Turkije woont en dat hij in de jaren tot aan het vertrek naar Turkije Nederlands inkomen heeft genoten, leiden volgens de Rechtbank niet tot een andersluidend oordeel.

De Rechtbank concludeert dat belanghebbende in 2015 niet in Nederland woonde in de zin van artikel 4 AWR.

Rechtbank 5 november 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5436 (gepubliceerd op 10 mei 2021)

Veroordeling rechtspersoon voor het niet onverwijld melden van ongebruikelijke transacties, vrijspraak voor de bestuurder

Een rechtspersoon verkoopt goederen voor bedragen in contanten van € 15.000 of meer en is daarmee een ‘instelling in de zin van de Wwft. De rechtspersoon heeft een aantal contante transacties van boven de € 25.000 niet onverwijld gemeld aan de FIU en daarmee haar meldplicht geschonden. De rechtbank veroordeelt de rechtspersoon tot een geldboete van € 40.000, waarvan € 20.000 voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. De bestuurder wordt vrijgesproken omdat niet kan worden bewezen dat hij hieraan opzettelijk feitelijk leiding heeft gegeven.

De rechtspersoon wordt verweten dat zij niet heeft voldaan aan haar meldplicht ex art. 16 Wwft. De verdediging bepleit vrijspraak omdat volgens haar het niet melden van de betreffende transacties niet aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. De rechtspersoon neemt volgens de verdediging een voortrekkersrol aan in haar branche waar het gaat om naleving van regelgeving en de strafrechtelijke verwijten zijn gepleegd door een ondergeschikte functionaris.

De rechtbank constateert dat de rechtspersoon kwalificeert als Wwft-instelling en derhalve ongebruikelijke transacties dient te melden bij de Financial Intelligence Unit-Nederland. Daarnaast stelt zij vast dat de verdachte tenminste zes ongebruikelijke transacties heeft verricht; dit betroffen contante betalingen van meer dan € 25.000 die op grond van de objectieve indicator onverwijld gemeld dienden te worden, hetgeen niet is gebeurd. Volgens de rechtbank dient dit redelijkerwijs aan de verdachte te worden toegerekend aangezien sprake is van een gedraging die tot de normale taakuitoefening van de rechtspersoon behoorde.

Bij de strafoplegging neemt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee dat zij vanaf het begin volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek. Zij veroordeelt de rechtspersoon daarom tot betaling van een geldboete van € 40.000, waarvan € 20.000 voorwaardelijk en met een proeftijd van één jaar. De officier van justitie had dezelfde straf geëist maar met een proeftijd van twee jaar.

In de aanverwante zaak wordt de bestuurder eveneens vervolgd en wordt hem het feitelijk leidinggeven aan het niet melden van meldingsplichtige transacties door de rechtspersoon tenlastegelegd. Hoewel de verdachte (middellijk) bestuurder van de betreffende rechtspersoon was, kan volgens de rechtbank niet worden bewezen dat hij opzet heeft gehad op het niet voldoen aan de meldplicht. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat de verdachte doelbewust of met voorwaardelijk opzet beleid heeft gevoerd op het niet nakomen van de meldplicht.

De verdachte had het melden van ongebruikelijke transacties gedelegeerd aan de boekhouder van de rechtspersoon. Op zitting heeft de verdachte verklaard dat zijn boekhouder op de hoogte was van de relevante regelgeving, zijn werk goed uitvoerde, hij wekelijks contact met hem had en er wekelijks Wwft-meldingen werden gemaakt. De verdachte verklaart dat hij niet begrijpt, en nog steeds niet begrijpt, hoe het kan dat de onderhavige transacties niet gemeld zijn. Zijn boekhouder heeft nooit aangegeven dat het hem niet lukte om de meldingen tijdig te doen, noch dat er omstandigheden waren dat hij zijn werk niet goed kon uitvoeren. Hij heeft altijd volledig op zijn boekhouder vertrouwd en had geen aanleiding om aan te nemen dat meldingen niet of niet tijdig werden gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet naleven van de Wwft niet door het handelen of nalaten van de verdachte is ontstaan en zij spreekt de verdachte vrij.

Rb. Amsterdam 22 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2599 (bestuurder) (gepubliceerd op 1 juni 2021)

Rb. Amsterdam 22 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2600 (rechtspersoon) (gepubliceerd op 1 juni 2021)

 

Rechtbank converteert nietige aanslag ambtshalve in navorderingsaanslag

Rechtbank Gelderland converteert de te laat opgelegde aangifte IB/PVV door de inspecteur ambtshalve in een navorderingsaanslag IB. Het verstrijken van de termijn voor het opleggen van de vergrijpboete leidt wel tot vernietiging hiervan. De Rechtbank verlaagt de aanslagen omdat de schatting van de inspecteur niet redelijk is.

De belastingplichtige is in april 2018 strafrechtelijk veroordeeld voor de handel in stoffen die gebruikt kunnen worden voor de productie van synthetische drugs. Volgens de FIOD was daarmee door hem en de andere verdachten in 2015 een omzet van € 2.173.178 behaald. Deze omzet werd door de FIOD aan elk van de verdachten voor het geheel toegerekend. De inspecteur heeft naar aanleiding hiervan op 21 december 2018 aanslagen IB/PVV en Zwv 2015 opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur op 9 januari 2019 een aanslag IB/PVV 2016 opgelegd. In de aanslagen IB/PVV is ook een boete van 100% begrepen.

Allereerst is in geschil of de aanslagen tijdig zijn opgelegd. De belastingplichtige stelt dat de aanslagen IB/PVV en Zwv 2015 begin 2019, na afloop van de aanslagtermijn, ter post zijn bezorgd en dat er in dit geval geen betekenis toekomt aan de dagtekening van de aanslagen. De Rechtbank volgt de belastingplichtige hierin. Dit betekent dat de aanslagen niet binnen de voorgeschreven aanslagtermijn van drie jaar bekend zijn gemaakt. Dit leidt volgens de Rechtbank echter niet tot nietigheid van de aanslagen. De Rechtbank converteert de aanslagen ambtshalve in navorderingsaanslagen. Aan de vereisten voor navordering is volgens de Rechtbank namelijk voldaan, aangezien de belastingplichtige te kwader trouw is als bedoeld in art. 16, eerste lid AWR. Omdat de termijn om na te vorderen niet is verstreken zijn de aanslagen tijdig bekend gemaakt.

Verder oordeelt de Rechtbank dat voor beide jaren de omkering en verzwaring van de bewijslast geldt omdat niet de vereiste aangifte is gedaan. Voor 2015 had belastingplichtige geen aangifte gedaan en moet hij, gelet op de aard en de omvang van de inkomsten, zich er van bewust zijn geweest dat hierdoor te weinig belasting zou worden geheven. Voor 2016 heeft de belastingplichtige wel een aangifte gedaan, alleen is er sprake van een inhoudelijk gebrek. De belastingplichtige heeft in het geheel geen inkomsten uit sparen en beleggen aangegeven, terwijl aannemelijk is dat eiser vanwege zijn in 2015 genoten inkomsten wel over een aanzienlijk vermogen beschikte. Hij heeft niet onderbouwd dat dit vermogen verdwenen zou zijn.

Wel vindt de Rechtbank dat de schatting van de aanslagen door de inspecteur niet redelijk is omdat alle inkomsten van het criminele samenwerkingsverband aan hem zijn toegerekend terwijl meer mensen hiervan deel uitmaakten. De Rechtbank maakt vervolgens zelf een schatting van de aanslagen. Zij rekent de helft van de door de FIOD berekende omzet in 2015 toe aan belastingplichtige als resultaat uit overige werkzaamheid. Met kosten houdt de Rechtbank geen rekening. Omdat de schatting voor 2015 geen stand houdt, wordt ook de schatting van het inkomen uit sparen en beleggen in 2016 aangepast.

De boetes voor 2015 komen te vervallen aangezien de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de boetebeschikking is verzonden binnen de vervaltermijn van artikel 67d AWR. Voor het jaar 2016 is een boete van 100% volgens de Rechtbank disproportioneel. De rechtbank vermindert deze boete dan ook naar €10.000.

Rechtbank Gelderland 14 april 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:1847 (gepubliceerd 7 mei 2021)

 

Una via beginsel staat aan veroordeling (omzet)belastingfraude in de weg

Verdachte wordt vervolgd voor het opzettelijk niet op tijd voldoen van belasting op aangifte, meermaals gepleegd, terwijl ten aanzien van diezelfde gedraging verzuimboetes ex art. 67c AWR zijn opgelegd: hierdoor staat het una via-beginsel aan vervolging door het Openbaar Ministerie in de weg.

Verdachte exploiteert een administratiekantoor in de vorm van een eenmanszaak. Uit het FIOD dossier blijkt dat verdachte kwartaalaangiften omzetbelasting doet, maar deze niet tijdig betaalt. Ook de opgelegde verzuimboetes worden niet voldaan. Vervolgens wordt verdachte vervolgd voor het opzettelijk niet voldoen van de omzetbelasting (art. 69a AWR). De onderhavige zaak maakt deel uit van het zogenoemde ‘paperclip-project’ van de Belastingdienst; een aanpak van kleinere (omzetbelasting)fraude dat gezamenlijk met het Openbaar Ministerie strafrechtelijk wordt ‘aangepakt’. De vraag die (ondanks dat dit niet expliciet is aangevoerd door de verdediging) voorligt is onder meer of het una via beginsel aan strafrechtelijk vervolging in de weg staat.

De Rechtbank (uitspraak niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) meende van niet: verdachte werd voor het opzettelijk niet betalen van belasting op aangifte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

In hoger beroep oordeelt het Hof echter dat het una-via aan een veroordeling in de weg staat. Volgens het Hof zien de opgelegde verzuimboetes ‘zonder enige twijfel’ op hetzelfde feit als waarvoor verdachte wordt vervolgd. Het Hof vindt hierbij aansluiting bij het feit dat het dezelfde kwartaalaangiften omzetbelasting betreft alsook de respectievelijke wetsartikelen: art. 67c AWR ziet op boetes voor het niet tijdig voldoen van belasting op aangifte en art. 69a AWR op het opzettelijk niet tijdig voldoen van belasting op aangifte. Om deze reden kwalificeren de bestuurlijke boetes ex art. 67c AWR als kennisgeving van niet verdere vervolging en is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging, aldus het Hof. Een andersluidend oordeel zou immers impliceren dat het ne bis in idem-beginsel geweld wordt aangedaan.

Tenslotte benadrukt het Hof ten overvloede dat, nu verdachte op tijd uitstel van betaling heeft aangevraagd, ook art. 69a, derde lid, AWR aan een veroordeling in de weg had gestaan.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 13 april 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1168

Veroordeling voor het opzettelijk beschikbaar stellen van valse facturen

Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever schuldig gemaakt aan het opzettelijk beschikbaar stellen van valse facturen aan de Belastingdienst. Het gaat om twee facturen waarin in totaal een bedrag van € 8.400 aan btw is opgenomen. Het Hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.000, waarvan € 1.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het eerste verweer van de verdediging was dat het Openbaar Ministerie niet tot vervolging had mogen overgaan. De hoogte van het fiscaal nadeel haalt niet het in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) genoemde drempelbedrag van € 20.000. In deze zaak bedraagt het fiscale nadeel immers ‘slechts’ € 8.400. Het Hof gaat hier echter niet in mee omdat het Openbaar Ministerie de bevoegdheid heeft om zelfstandig te beslissen of een vervolging moet plaatsvinden. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkheidsverklaring. Dat is bijvoorbeeld het geval indien geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend zou zijn. Daarvan is volgens het Hof in deze zaak geen sprake.

Tevens oordeelt het Hof dat het BBBB het Openbaar Ministerie niet bindt. Op grond van het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (hierna: Protocol AAFD) en de toelichting hierop oordeelt het Hof dat de onderhavige feiten zich lenen voor een strafrechtelijke afdoening onder de noemer ‘thematische aanpak’.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het overleggen van de valse facturen en dat hij daarom moet worden vrijgesproken. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij in de periode voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten offertes heeft opgevraagd bij verschillende partijen. Toen zou hij diverse offertes hebben ontvangen en de twee facturen. Deze zouden per abuis aan het administratiekantoor zijn overhandigd, die de facturen vervolgens heeft ingevoerd.

Het Hof verwerpt dit verweer en stelt vast dat het niet anders kan zijn dan dat deze valse facturen opzettelijk door het bedrijf beschikbaar zijn gesteld aan de Belastingdienst. Het Hof vindt in dit verband van belang dat verdachte heeft toegegeven verantwoordelijk te zijn voor de boekhouding en dat hij de facturen nooit heeft betaald. Daarnaast heeft hij verklaard in te zien dat de facturen vals zijn.

Door de Rechtbank was de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 2.000, waarvan € 1.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het Hof veroordeelt de verdachte in hoger beroep tot dezelfde straf.

Gerechtshof Amsterdam 3 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1338