Categorie: Douane

Dubbele accijnsheffing niet mogelijk over reeds veraccijnsde benzine

Belanghebbende, vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats (AGP), produceert benzine en levert deze aan diverse tankstations in Nederland. Ten aanzien van deze leveringen heeft belanghebbende steeds op de gebruikelijke wijze ter zake van de uitslag van de benzine uit de AGP accijns voldaan op aangifte.

Inherent aan de veraccijnsde benzine is dat een mate van verdamping plaatsheeft, met name in de opslagtanks van tankstations en in de tanks van auto’s van klanten. Bij het (over)tanken van benzine wordt deze benzinedamp verdreven, slaat terug in de opslagtanks van de tankstations en wordt vervolgens samen met de verdampte benzine uit die opslagtanks ook weer verdreven en teruggevoerd in de tankwagens van belanghebbende bij de aflevering van nieuwe benzine. Aldus komt er telkens veraccijnsde benzinedamp in vloeibare vorm terug bij de in de AGP aanwezige onveraccijnsde benzine, die daarna opnieuw wordt uitgeslagen en veraccijnsd.

Voor belanghebbende gold al bijna 20 jaar de door de staatssecretaris van Financiën uitgevaardigde goedkeuringsregeling ter ondervanging van de meermalige accijnsheffing bij de uitslag van de in de AGP in vloeibare vorm teruggebrachte benzinedamp. Maar deze regeling werd bij besluit van 1 december 2015 ingetrokken. Hierdoor is de AGP-vergunning aangepast door het recht op gebruik van de dampretourregeling te schrappen.

Belanghebbende stelt dat zonder de teruggaafregeling sprake is van dubbele heffing van accijns en dat uit de Accijnsrichtlijn 2008/118/EG (de Accijnsrichtlijn) volgt dat er een voorziening moet zijn om een dergelijke dubbele heffing te voorkomen.

De inspecteur stelt dat de teruggaafregeling terecht is ingetrokken. Daarbij stelt hij ook dat de accijnsrichtlijn ziet op het vermijden van heffing door meerdere lidstaten ter zake van hetzelfde accijnsgoed en niet tot het treffen van een regeling als de teruggaafregeling. En voorts dat Nederland op geen enkele wijze is gebonden aan wat in andere lidstaten omtrent retourdamp is geregeld.

De rechtbank stelt de inspecteur in het gelijk en belanghebbende stelt hoger beroep in. In geschil is de meermalige heffing van accijns en ook of de inspecteur terecht is overgegaan tot wijziging van de AGP-vergunning in die zin dat de goedkeurende regeling ter voorkoming van de meermalige accijnsheffing is komen te vervallen.

 

Het Hof komt tot een andere afweging dan de rechtbank. Het Hof verwerpt zonder meer de stelling van de inspecteur dat het door de retourdamp verkregen product een volledig ander product zou zijn dan benzine. In het licht van de stukken van het geding en gelet op hetgeen de deskundige van belanghebbende ter zitting heeft verduidelijkt kan de conclusie volgens het Hof niet anders zijn dan dat het uit de retourdamp teruggewonnen product feitelijk is te vereenzelvigen met de ter zake van een eerdere uitslag uit de AGP veraccijnsde benzine. Ondanks de verschijningsvorm van wat door belanghebbende in de AGP wordt ingeslagen, is de substantie, juist ook qua aanwendingsmogelijkheden en gebruikskenmerken, te kwalificeren als al veraccijnsde benzine. Het telkens heffen over de volledige hoeveelheid uit de AGP uitgeslagen AGP “leidt tot een voor een deel rechtens ongeoorloofde meermalige belasting”, aldus het Hof. “Nationale en Unierechtelijke accijnsregelingen, gelet op doel en strekking, staan in een geval als het onderhavige niet toe dat over al veraccijnsde benzine nogmaals accijns worden geheven.” Het gelijk is dus wat dit principiële punt betreft aan belanghebbende.

Ten aanzien van het tweede geschilpunt, stelt het Hof dat de belastingrechter niet de bevoegdheid heeft de wijziging van de vergunning en daarmee de per 1 januari 2016 ingetrokken teruggaafregeling te beoordelen. Die bevoegdheid blijft derhalve bij de inspecteur.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:2182

Geen weigering van het recht op aftrek van btw wegens misbruik van recht zonder ongerechtvaardigde belastingvoordeel

Kuršu zeme, een in Letland gevestigde vennootschap, heeft aangifte gedaan van goederenverwervingen bij een andere in Letland gevestigde vennootschap, KF Prema, en de daarvoor betaalde voorbelasting in aftrek gebracht.

De Letse belastingdienst heeft bij een belastingcontrole vastgesteld dat voorgenoemde verwervingen plaats hebben gevonden na een reeks van opeenvolgende transacties tussen verschillende vennootschappen, gevestigd in Litouwen en Letland. Na deze reeks van transacties heeft KF Prema de goederen doorverkocht aan Kuršu Zeme. Kuršu zeme heeft zelf het transport van de goederen vanuit Litouwen naar haar fabriek in Letland geregeld.

De Letse belastingdienst kon geen logische verklaring vinden voor die voorafgaande transactieketen, daarom heeft zij geconcludeerd dat de tussenvennootschappen feitelijk op geen enkele wijze deelnamen aan de verwerving van de betrokken goederen en dat Kuršu zeme op de hoogte kon zijn van de kunstmatige aard van de voorafgaande keten. Zij was ook van mening dat Kuršu zeme in werkelijkheid rechtstreeks de goederen had verkregen van Litouwse vennootschap Baltfisher en heeft daarom de verwervingen aangemerkt als intracommunautaire verwervingen. Als gevolg hiervan heeft de Letse belastingdienst de btw-aangiften van Kuršu zeme gecorrigeerd, door het bedrag aan verschuldigde btw te verhogen en tegelijkertijd het bedrag van de door Kuršu zeme aangegeven voorbelasting met hetzelfde bedrag te verminderen.

Kuršu zeme heeft hier tegen beroep ingesteld bij de Letse bestuursrechter in eerste, waarbij zij stelde dat was voldaan aan alle formele en materiële vereisten om in aanmerking te komen voor het recht op aftrek, dat zij geen reden had om te twijfelen aan KF Prema of aan het doel van de voorliggende en, tot slot, dat zij geen belastingvoordeel had verkregen uit de voorgaande transacties.

Kuršu zeme heeft, nadat haar beroep was verworpen, hoger beroep ingesteld bij de Letse bestuursrechter in tweede aanleg. De bestuursrechter in tweede aanleg heeft het besluit van de bestuursrechter in eerste aanleg bevestigd.

Nadat haar beroep zowel in eerste instantie als in hoger beroep was afgewezen heeft Kuršu zeme cassatieberoep ingesteld, waarna de hoogste rechtelijke instantie in Letland prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie. De verwijzende rechter vraagt zich met name af of kan worden geconcludeerd dat er sprake is van misbruik zonder vast te stellen welk ongerechtvaardigd belastingvoordeel de belastingplichtige zelf of de andere deelnemers in de transactieketen, zouden hebben genoten.

Nu de zaak volgens het Hof van Justitie geen geval van BTW-fraude betreft maar mogelijk misbruik van het recht, moet de vraag van de verwijzende rechter in essentie worden opgevat dat hij daarmee wenst te vernemen of art 168, onder a, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat, om het recht op aftrek van voorbelasting te weigeren, de omstandigheid dat een goederenverwerving heeft plaatsgevonden na een keten van opeenvolgende verkooptransacties tussen meerdere personen, en dat de belastingplichtige in het bezit is gekomen van de betrokken goederen in het entrepot van een persoon die deel uit maakt van die keten maar niet degene is die op de factuur als leverancier wordt vermeld, zonder meer voldoende is om vast te stellen dat sprake is van misbruik door de belastingplichtige of door andere personen die deel uitmaken van voornoemde keten. Of is vereist dat ook wordt aangetoond welk ongerechtvaardigd belastingvoordeel deze belastingplichtige, of deze andere personen hebben genoten?

Het Hof van Justitie is van oordeel dat, op het gebied van btw, voor de vaststelling van misbruik moet worden voldaan aan twee voorwaarden, namelijk:

  • allereerst, dat de betrokken handelingen, in strijd met de relevante bepalingen van de btw-richtlijn en de nationale wetgeving, ertoe leiden dat in strijd met het door deze bepalingen beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend en,
  • ten tweede, dat uit een geheel van objectieve factoren blijkt dat het wezenlijke doel van de betrokken handelingen uitsluitend erin bestaat dat belastingvoordeel te verkrijgen.

In het onderhavige geval blijkt dat de Letse belastingdienst niet heeft aangetoond welk ongerechtvaardigd belastingvoordeel Kuršu zeme zou hebben genoten, evenmin heeft zij belastingvoordelen aangeduid die zouden zijn verkregen door de andere vennootschappen betrokken bij de transactieketen, om zodoende na te gaan of het daadwerkelijke doel van die transacties uitsluitend bestond in het behalen van een ongerechtvaardigd belastingvoordeel.

Daarom moet worden vastgesteld dat het enkele bestaan van een transactieketen en het feit dat Kuršu zeme de betrokken goederen fysiek in het bezit kreeg in het entrepot van Baltfisher zonder ze daadwerkelijk te ontvangen van de op de factuur van die goederen als leverancier vermelde vennootschap, KF Prema, niet zondermeer de conclusie rechtvaardigen dat Kuršu zeme de goederen niet van KF Prema heeft verkregen zodat de transactie tussen die twee vennootschappen niet zou hebben plaatsgevonden.

Gelet op deze overwegingen heeft het Hof van Justitie vastgesteld dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin de bevoegde belastingautoriteit geen enkel bewijs heeft geleverd om aan te tonen dat sprake is van misbruik, de belastingplichtige niet het recht op aftrek kan worden geweigerd. Wel moet de verwijzende rechter nog alle bijzondere omstandigheden van de concrete zaak in hun geheel beoordelen om te beslissen aan welke van alle onderhavige verwervingen in de keten, het enige intracommunautaire transport moet worden toegerekend, en op welk tijdstip de macht om als eigenaar over de goederen te beschikkingen is overgegaan op Kuršu zeme. Dit is met name van belang om de omvang van het recht op aftrek of op teruggaaf van de btw ten gunste van Kuršu zeme te bepalen.

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=216043&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=2054018

Geen btw bij invoer verschuldigd in lidstaat van binnenkomst wanneer vaststaat dat de goederen direct naar andere lidstaat zijn overgebracht

In januari 2008 heeft FedEx goederen uit Israël, Mexico en de Verenigde Staten verzonden naar verschillende geadresseerden in Griekenland, hun eindbestemming. Deze goederen zijn eerst per vliegtuig vervoerd naar Duitsland, waar ze op een ander vliegtuig zijn gezet voor vervoer naar Griekenland.

Het Duitse hoofddouanekantoor heeft na een onderzoek bericht dat een aantal van die goederen in strijd met de douanewetgeving naar Griekenland was vervoerd en niet (eerst) bij de douane in Duitsland waren aangebracht en daarom op onregelmatige wijze  de Europese Unie waren binnengebracht.

Als gevolg hiervan was volgens het Duitse hoofddouanekantoor een douaneschuld bij invoer ontstaan op grond van artikel 202 van het CDW. Zij legt daarom op 30 november en 1 december 2010 vijf aanslagen ter inning van douanerechten bij invoer op aan FedEx. FedEx heeft deze vijf aanslagen betaald. In november 2011 heeft Fedex echter om terugbetaling verzocht, met name op de grond dat zij in strijd met het Unierecht dubbel waren geïnd. Het Duitse hoofddouanekantoor heeft deze verzoeken om terugbetaling afgewezen.

Hierop heeft FedEx beroep ingesteld, waarna de Duitse rechter prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie. De verwijzende rechter vraagt zich allereerst af of artikel 2, lid 1, onder d, en artikel 30 van de btw-richtlijn zo moeten worden uitgelegd dat het begrip “invoer van een goed” in de zin van deze bepalingen bij het binnenbrengen van een goed in de Unie alleen betrekking heeft op het terechtkomen van dit goed in het economische circuit van de Unie, dan wel of dit begrip ook betrekking heeft op het risico dat dit goed in de EU terechtkomt.

In het onderhavige geval blijkt dat de betrokken goederen zijn vervoerd naar hun eindbestemming, Griekenland, waar ze zijn verbruikt. Het staat dan ook vast dat deze goederen in het economische circuit van de Unie zijn terecht gekomen in de zin van de btw-richtlijn.  De vraag of het (enkele) bestaan van een “risico” dat een goed in het economisch circuit van de Unie terechtkomt,  voldoende is om ervan uit te gaan dat dit goed is “ingevoerd”, is dus een louter hypothetische vraag in de zin van de btw-richtlijn en daarom niet-ontvankelijk.

Met zijn tweede vraag wenst de Duitse rechter van het Hof van Justitie in wezen te vernemen of artikel 2, lid 1, onder d, en artikel 30 van de btw-richtlijn zo moeten worden uitgelegd dat het bij het binnenbrengen van een goed in de Unie voldoende is dat er ten aanzien van dit goed in een bepaalde lidstaat sprake was van een douanerechtelijk onrechtmatige handelwijze, waardoor een douaneschuld bij invoer ontstaat, om ervan uit te gaan dat dit goed ook in deze lidstaat is terechtgekomen.

In casu worden de door Duitsland opgelegde douaneschulden als zodanig niet betwist. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie kan naast de douaneschuld ook een btw-schuld ontstaan als op basis van het onrechtmatige gedrag waardoor de douaneschuld is ontstaan, kon worden aangenomen dat de betrokken goederen in het economische circuit van de Unie zijn gebracht en dus eventueel zijn verbruikt, welke handeling aan btw is onderworpen.

Betreffende de betrokken goederen die op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht, moet in dit geval in beginsel worden aangenomen dat deze goederen in het economische circuit van de Unie zijn terechtgekomen op het grondgebied van de lidstaat waar zij in de Unie zijn binnengebracht, namelijk Duitsland.

Dit vermoeden kan volgens het Hof van Justitie worden weerlegd indien wordt vastgesteld dat, ondanks het ontstaan van de douaneschulden bij invoer in de lidstaat waar inbreuken op de douanewetgeving zijn gepleegd, een goed in het economisch circuit van de Unie is terechtgekomen op het grondgebied van een andere lidstaat, waar dit bestemd was voor verbruik. In dat geval vindt het feit dat aanleiding geeft tot de btw bij invoer plaat in deze andere lidstaat.

Het Hof van Justitie stelt dat in een zaak als die in het hoofdgeding de inbreuken op de douanewetgeving op het Duitse grondgebied op zich geen voldoende grond vormen om aan te nemen dat de betrokken goederen in het economisch circuit van de Unie zijn terechtgekomen in Duitsland. In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de goederen in het economische circuit van de Unie zijn terechtgekomen in de lidstaat van hun eindbestemming en dat de btw bij invoer van deze goederen daarom in deze lidstaat is ontstaan.

Het gevolg van deze uitleg van het Hof van Justitie moet, indien na binnenkomst van niet-communautaire goederen, het verdere vervoer daarvan naar een andere lidstaat is te volgen, niet de lidstaat van binnenkomst (i.c. Duitsland) de btw ter zake van invoer wegens onregelmatigheden invorderen, maar moet de lidstaat van eindbestemming en verbruik dit doen (i.c. Griekenland). De Duitse douane zal dan de door FedEx aldaar betaalde omzetbelasting bij invoer moeten teruggeven.

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=216044&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=2231807

Inspecteur verklaart bezwaarschrift in vreemde taal ten onrechte niet-ontvankelijk

A BV heeft op 25 april 2014 als direct vertegenwoordiger van eiseres aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van 1.616 zonnepanelen met als land van oorsprong Taiwan. Bij de aangifte is een Certificaat van Oorsprong overlegd van de New Taipei City Chamber of Commerce waarin C LTD te Taiwan als exporteur wordt vermeld. De Bill of Lading vermeldt 28 pallets solar modules met een totaalgewicht van 32.800 kg, verdeeld over twee verzegelde containers.

Het Europees bureau voor fraudebestrijding (hierna OLAF) heeft onderzoek verricht naar Chinese zonnepanelen die vanuit Taiwan naar de EU zijn uitgevoerd. Uit het onderzoek zou naar voren zijn gekomen dat de desbetreffende zonnepanelen vanuit China naar de Free Trade Zone in Taiwan zijn uitgevoerd. De Taiwanese autoriteiten hebben verklaard dat invoer in Taiwan van zonnepanelen uit China verboden is en dat Chinese zonnepanelen in Taiwan alleen tijdelijk mogen worden opgeslagen in de Free Trade Zone, alwaar geen enkele be- of verwerking is toegestaan.

Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur aan eiseres een utb uitgereikt. Hiertegen heeft eiseres een Duitstalig bezwaarschrift ingediend. Hierop heeft de inspecteur aan eiseres een maand de tijd gegeven om een Nederlandse vertaling van deze brief over te leggen, waarna eiseres wederom in het Duits heeft gereageerd en een kopie van de Nederlandse brieven heeft bijgevoegd met daarop de handgeschreven tekst: “Ich kann das nicht lesen”. Vervolgens heeft de inspecteur het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift anders dan bedoeld in art. 6:5, derde lid Awb in een vreemde taal was gesteld.

In geschil is eerst of het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en vervolgens of de utb al dan niet terecht is uitgereikt.

De rechtbank overweegt dat eiseres en verweerder elkaar enige malen voor de uitspraak op het bezwaar hebben gesproken. Deze (telefoon)gesprekken werden in het Duits gevoerd. Dientengevolge wist de inspecteur of had hij kunnen weten dat eiseres de Nederlandse taal niet machtig is. Dat eiseres de Nederlandse taal niet machtig is, blijkt ook uit de (bijlagen bij) brieven van eiseres aan verweerder. Desondanks heeft verweerder voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar eiseres niet op een voor haar begrijpelijke wijze erop gewezen dat zij een Nederlandse vertaling van haar bezwaarschrift moest indienen, omdat het bezwaarschrift anders niet-ontvankelijk zou worden verklaard.

De enkele mededeling van verweerder ter zitting, dat bij mondelinge contacten doorgaans tegen procespartijen die de Nederlandse taal niet machtig zijn, op een voor zo’n partij begrijpelijke wijze wordt gezegd dat een bezwaarschrift in het Nederlands moet worden ingediend, is – nu hierover uit de gedingstukken niets blijkt en eiseres dit gemotiveerd heeft betwist – niet voldoende om aan te nemen dat dat in dit geval ook is gebeurd. Dit alles klemt te meer nu verweerder ter zitting heeft verklaard dat zijn medewerkers die mondeling contact hadden gehad met eiseres de Duitse taal machtig zijn. Al het vorenstaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat niet kan worden gezegd dat eiseres voldoende in de gelegenheid is gesteld haar verzuim te herstellen in de zin van artikel 6:6 van de Awb. Dit betekent dat het bezwaar van eiseres naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Haar beroep is in zoverre gegrond.

De rechtbank gaat vervolgens over op de inhoudelijke behandeling van de zaak. Ten aanzien van de oorsprong overweegt de rechtbank dat nu verweerder wenst af te wijken van de aangiften, op hem de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn (vgl. Gerechtshof Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5574).

Nu in de stukken van OLAF de uitgevoerde hoeveelheid zonnepanelen niet overeenkomt met de invoeraangifte en ook niet met de zonnepanelen die door eiseres in het vrije verkeer zijn gebracht, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de 1.616 stuks zonnepanelen dezelfde zijn als die de oorsprong China zouden hebben. De rechtbank acht daarbij mede van belang dat de containers waarin de zonnepanelen zich bevonden die door eiseres in het vrije verkeer zijn gebracht in Taiwan door de rederij waren verzegeld. Verweerder heeft derhalve niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt hiermee de uitspraak op bezwaar en de utb.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:3730

 

Beroep op verdedigingsbeginsel faalt, utb’s zijn terecht opgelegd

Op 24 juni 2014 heeft A in naam en voor rekening van eiseres aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van 140 pallets zonnepanelen met als land van oorsprong en land van verzending Taiwan. Bij de betreffende aangifte wordt een Certificaat van Oorsprong overgelegd van de New Taipei City Chamber of Commerce met B gevestigd in Taiwan als exporteur en eiseres als importeur. Volgens de bill of lading zijn de zonnepanelen via Taiwan naar Rotterdam vervoerd.

Op 21 februari 2014 heeft A in naam en voor rekening van eiseres aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van 448 pallets zonnepanelen met land van oorsprong Verenigd Koninkrijk en land van verzenden Taiwan.

Beide aangiften zijn geselecteerd voor fysieke controle, waarbij het land van oorsprong moest worden gecontroleerd en de goederen moesten worden omschreven.

Het Europees bureau voor fraudebestrijding (hierna OLAF) heeft onderzoek verricht naar Chinese zonnepanelen die via Taiwan worden verhandeld. Uit het onderzoek komt naar voren dat de betreffende zonnepanelen via een Chinese verkoper in de Free Trade Zone in Taiwan terecht zijn gekomen. De Taiwanese douane bevestigt dat het be- of verwerken van goederen in de Free Trade Zone uitdrukkelijk verboden is.

In geschil is of de ten gevolgde hiervan opgelegde utb’s terecht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of het verdedigingsbeginsel is geschonden en of de oorsprong van de zonnepanelen China en niet Taiwan is.

Verdedigingsbeginsel:

Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel overweegt de rechtbank dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de verplichting om de rechten van de verdediging te eerbiedigen een beginsel van Unierecht is. Het beginsel brengt in het bijzonder mee dat eenieder het recht heeft om te worden gehoord alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden en vereist dat de geadresseerden van besluiten die hun belang aanmerkelijk raken in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Bezwarende besluiten zoals een utb vallen binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie.

Het beginsel van eerbiediging van rechten van verdediging heeft echter geen absolute gelding maar kan beperkingen bevatten, mits deze beperkingen beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd én geen sprake is van een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast. Aan de eerste voorwaarde wordt voor beschikkingen van de douaneautoriteiten altijd voldaan, omdat het algemeen belang van de Europese Unie is gediend bij een snelle inning van de eigen middelen. Wat betreft de tweede voorwaarde geldt dat geen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van eerbieding van de rechten van verdediging als de geadresseerde de mogelijkheid heeft om opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de douaneautoriteiten tot de eventuele herziening daarvan te krijgen, voor zover de voorwaarden van artikel 244, tweede alinea, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) voor opschorting van de tenuitvoerlegging niet te eng worden toegepast.

Nu de utb een beschikking is van de douaneautoriteiten, verweerder ter zitting heeft verklaard dat deze niet is betaald door eiseres en geen invorderingsmaatregelen zijn genomen en gedurende de bezwaarfase als ware uitstel van betaling is verleend is zowel aan de eerste als aan de tweede voorwaarde voldaan. Van een schending van het verdedigingsbeginsel derhalve geen sprake.

Oorsprong:

Ten aanzien van de oorsprong overweegt de rechtbank dat verweerder wenst af te wijken van de aangiften rust op hem de bewijslast om aannemelijk te maken dat de zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn (vgl. Gerechtshof Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5574).

Eiseres biedt met zijn stukken onvoldoende om de bevindingen van de OLAF en de Taiwanese autoriteiten terzijde te schuiven. De ingebrachte stukken van eiseres bieden onvoldoende zekerheid dat de onderhavige zonnepanelen ook daadwerkelijk in Taiwan zijn geproduceerd. Hetgeen overigens is aangevoerd is naar oordeel van de rechtbank speculatief van aard en ontoereikend om vraagtekens te plaatsen bij de geloofwaardigheid van de bevindingen van de OLAF

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:3541

Inspecteur voldoet aan de op hem rustende bewijslast ten aanzien van oorsprong zonnepanelen

Op 8 mei 2014 doet A B.V. in naam en voor rekening van eiseres aangifte voor in het vrije verkeer brengen van zonnepanelen met als land van oorsprong Taiwan. Bij de betreffende aangifte wordt een Certificaat van Oorsprong overlegd van de New Taipei City Chamber of Commerce met B Ltd gevestigd in Taiwan als exporteur en eiseres als importeur. Volgens de bill of lading zijn de zonnepanelen via Taiwan naar Rotterdam vervoerd.

Het Europees bureau voor fraudebestrijding (hierna OLAF) heeft in dezelfde periode onderzoek verricht naar Chinese zonnepanelen die via Taiwan worden verhandeld. Uit het onderzoek komt naar voren dat de betreffende zonnepanelen via een Chinese verkoper in de Free Trade Zone in Taiwan terecht zijn gekomen. De Taiwanese douane bevestigt dat het be- of verwerken van goederen in de Free Trade Zone uitdrukkelijk verboden is.

Ten gevolge van de onderzoeksresultaten van de OLAF is de inspecteur overgegaan tot het uitreiken van een UTB (met antidumpingrechten) aan belanghebbende. Nadat de rechtbank het gelijk aan belanghebbende had gegeven is in hoger beroep tussen partijen in geschil of de UTB terecht aan belanghebbende is uitgereikt. In het bijzonder spitst de zaak zich toe op de vraag of de inspecteur is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de ingevoerde zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn.

Het Hof volgt de rechtbank in zijn oordeel dat aan de op de inspecteur rustende bewijslast is voldaan indien hij aannemelijk maakt dat de goederen van Chinese oorsprong zijn (vgl. Hof Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5574). Maar komt tot een tegenovergestelde uitkomst.

Uit de aangiftegegevens uit Taiwan blijkt dat op 18 maart 2014 een aangifte tot plaatsing in de vrije zone is gedaan (invoeraangifte) voor 3.136 stuks zonnepanelen (type 2), met een totaal nettogewicht van 68.000 kg. De oorsprong hiervan is China en de verkoper is de Chinese fabrikant E LTD. Gelet op de vermelding van het referentienummer van de invoeraangifte in de uitvoeraangifte (Taiwan – Nederland), de overeenkomst in typenummer van de zonnepanelen, het aantal en het gewicht, lijdt het naar het oordeel van het Hof geen twijfel dat de Chinese zonnepanelen op 27 maart zijn geladen voor transport met de bestemming Nederland.

Belanghebbende doet aangifte ten invoer van een partij ‘soldar modules’ met een nettogewicht van 17.000 kg. Uit de bill of lading volgt dat het gaat om 784 zonnepanelen. De inspecteur overlegt een tweede bill of lading van dezelfde rederij dat aan boord van het schip nog drie containers aanwezig waren met elk 784 zonnepanelen met eenzelfde gewicht. Gelet hierop acht het Hof het aannemelijk dat de container die verzonden is naar belanghebbende en de drie containers die verzonden zijn aan een andere importeur, op het moment van verzending bij elkaar hoorden en tezamen de partij vormden van de 3.136 Chinese zonnepanelen. Dat de Taiwanese exporteur wordt vermeld als exporteur in de uitvoeraangifte brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Gelet op de grote overeenkomst met het typenummer, de exact overeenkomende aantallen, het identieke nettogewicht, het identieke reisnummer en de identieke scheepsnaam acht het Hof aannemelijk dat de door belanghebbende ten invoer aangegeven zonnepanelen deel uitmaken van de zending Chinese zonnepanelen die op 18 maart in Taiwan is ingevoerd in de vrije zone.

Het hoger beroep van de inspecteur wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Gerechtshof Amsterdam 14 maart 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1003

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1003

Nultarief terecht toegepast door leverancier bij fraude met mobiele telefoons door afnemer(s)

X handelt vooral via internet in mobiele telefoons en tablets. In januari en (1x) februari 2013 levert X voor in totaal € 1.160.150,- in meerdere partijen telefoons aan A. Klant A is in 2011 opgericht, ingeschreven in het handelsregister in Engeland en heeft ook een Brits BTW-identificatienummer, dat is opgenomen in het Vat Information Exchange System (VIES), in ieder geval tot eind januari 2013. X heeft de telefoons ingekocht bij een leverancier in Polen en heeft de telefoons voorafgaand aan de levering aan A in Polen opgehaald en naar haar magazijn in Nederland gebracht.

In het kader van de levering aan A heeft X de telefoons vervoerd naar diverse logistieke centra (zogenaamde ‘forwarders’) in Duitsland en Polen. Ook zijn aldaar in opdracht van X op de telefoons zogenaamde IMEI-scans (scan van de unieke serienummers van telefoons) gemaakt.

Op haar facturen aan A heeft X het Britse btw-identificatienummer vermeld. De klant beschikte niet over een Duits of Pools btw-nummers.

De klant (A) heeft geen intracommunautaire verwervingen of prestaties aangegeven en ook de klant van de klant (B) aan wie A de telefoons had doorgeleverd en aan wie X op instructie van A de telefoons kon vrijgeven, heeft evenmin ter zake daarvan omzetbelasting aangegeven of voldaan. Uit inlichtingen uit Polen bleek inmiddels dat B een ‘missing trader’ (ploffer) was. X paste op de verkopen aan A het nultarief toe en gaf deze als intracommunautaire leveringen aan. In het verleden had X drie waarschuwingsbrieven gekregen van de belastingdienst over btw-fraude betreffende Nederlandse handelspartners van X en heeft X hiertoe in januari 2013 met de belastingdienst afspraken gemaakt over meldingen van al haar nieuwe, grotere leveranciers en afnemers. Conform deze afspraken heeft X in februari 2013 deze informatie ook aan de belastingdienst verstrekt. Vervolgens stelt de inspecteur een onderzoek in. X ontvangt in februari 2013 (één dag na de laatste levering) bericht van A dat haar btw-nummer is beëindigd.

De inspecteur weigert hierop het teruggaafverzoek omzetbelasting van X over januari 2013 bij X omdat het nultarief volgens hem ten onrechte zou zijn toegepast. De rechtbank heeft het beroep van X ongegrond verklaard. (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 december 2016, nr. 15/3826). Bij het Hof speelt de kwestie of X al dan niet terecht het nultarief heeft toegepast.

Na een uiteenzetting van de wet- en regelgeving stel het Hof vast dat tussen partijen niet in geschil is dat X heeft voldaan aan de materiële vereisten voor de toepassing van het nultarief. Uit handels- en vervoersbewijzen blijkt immers dat de goederen zijn vervoerd van X in Nederland naar A in Polen en Duitsland. De inspecteur betoogt echter dat X niet voldeed aan de geldende formele vereisten door (uitsluitend) het Britse btw-nummer van de klant te vermelden en dat sprake is van fraude. X beschikt niet over een Pools of Duits btw-nummer van de klant, terwijl volgens de inspecteur art. 12 van het Uitvoeringsbesluit niet anders kan worden uitgelegd dan dat wordt bedoeld dat de leverancier moet beschikken over het btw-nummer van de klant in de lidstaat van aankomst van de goederen en dat hij ook dat nummer op de factuur moet vermelden.

Het Hof wijst dit betoog van de inspecteur af. Zowel uit de tekst van deze bepaling als de toelichting daarop is de uitleg van de inspecteur niet af te leiden. In de tekst en de Nota van Toelichting is uitsluitend vermeld dat de leverancier voor de toepassing van het nultarief bij intracommunautaire leveringen over het btw-identificatienummer van de afnemer moet beschikken. Het hof ziet hierin geen aangrijpingspunten dat als voorwaarde voor de toepassing van het nultarief geldt dat de leverancier moet beschikken over het btw-identificatienummer van de lidstaat van aankomst van de goederen. Een dergelijke lezing is volgens het hof ook niet te rijmen met art. 141 BTW-richtlijn.

Voorts stelt de inspecteur dat X wist of had moeten weten dat sprake is van fraude in de handelsketen waarvan X deel uitmaakte. Ook dit betoog wordt door het Hof niet gevolgd. Tegenover de gemotiveerde weerspreking van X heeft de inspecteur niet de uit de vaste jurisprudentie van het HvJ EU vereiste objectieve gegevens verstrekt op basis waarvan rechtens moet worden geoordeeld dat X wist of had moeten weten dat de levering van de mobiele telefoons aan klant A deel uitmaakte van fraude door klant A en evenmin van fraude in latere schakels van de handelsketen. Daarbij overweegt het Hof dat X pas na de laatste transactie op de hoogte is geraakt van de intrekking van het btw-nummer van klant A. Dat de handel in mobiele telefoons gevoelig is voor fraude is niet toereikend voor een verwijt aan X dat zij onvoldoende oplettend is geweest om te voorkomen bij fraude betrokken te raken.

Derhalve verklaart het Hof verklaart dat het hoger beroep gegrond is.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 7 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:450

Beroep op vertrouwensbeginsel op grond van e-mail inspecteur niet gehonoreerd

Op 10 juni 2014 deed X als directe vertegenwoordiger van eiseres aangifte voor in het vrije verkeer brengen van een partij zonnepanelen onder TARIC-code 8541 40 90 90 met als land van oorsprong China. Op 10 juni 2014 is toestemming verleend tot wegvervoer van de goederen. Op 23 juni 2014 vond een fysieke controle plaats. Hieruit volgde dat de goederen onder code 8541 40 90 10 vielen waarvoor eveneens een tarief van 0% toepasselijk is. De inspecteur legde dat vast in een e-mail van 1 juli 2014: “In de beantwoording van mijn controleopdracht heb ik de correcte goederencode opgenomen alsmede een goederenomschrijving die voldoet aan de omschrijving in het tarief onder 8541 40 90 10“.

De inspecteur laat vervolgens aan eiseres weten dat toch een andere goederencode 8541 40 90 21 B999 van toepassing is, waarvoor niet het 0%-tarief geldt en tevens antidumpingrechten toepassing vinden. Ten gevolge hiervan wordt aan eiseres een uitnodiging tot betaling opgelegd van ruim 24.000,- euro.

Hierop stelt eiseres beroep in en voert aan dat zij mocht vertrouwen op de mededeling van de inspecteur dat de genoemde code 8541 40 90 10 de van toepassing zijnde code was. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 220, lid 2, letter b, CDW, niet tot navordering kan worden overgegaan indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: (i) inning van de rechten is achterwege gebleven als gevolg van de vergissing van de douane (ii) de belastingschuldige moet de vergissing redelijkerwijs niet hebben kunnen ontdekken, en (iii) de belastingschuldige was te goeder trouw en heeft aan alle bepalingen inzake de douaneaangifte voldaan.

Nu de betreffende mail waarin code 8541 40 90 10 werd bevestigd van een datum is die is gelegen nadat de fysieke controle had plaatsgevonden, is er sprake van een vergissing op basis van een actieve gedraging van de inspecteur. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiseres deze vergissing redelijkerwijze had kunnen ontdekken. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat op uiterlijk 8 juni 2014 door de douane aan eiseres is medegedeeld dat voor het brengen in het vrije verkeer van zonnepanelen TARIC-code 8541 40 90 21 B999 moet worden gebruikt. Nu de onderhavige aangifte op 10 juni 2014 is aanvaard, had eiseres redelijkerwijze kunnen weten dat de in de e-mail van 1 juli 2014 genoemde TARIC-code op een vergissing berust. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.

Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of aan de derde voorwaarde is voldaan.

De rechtbank verklaard het beroep ongegrond.

Rechtbank Noord-Holland 01 februari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:582

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:582

In hoger beroep 30 maanden gevangenisstraf voor leidinggeven aan accijnsfraude

Na een veroordeling tot 24 maanden gevangenisstraf door de rechtbank, stelde X hoger beroep in. De fiscale fraudekamer van het hof Den Bosch oordeelt onder het appel dat X schuldig is als feitelijk leidinggevende van BV Y aan accijnsfraude, waarbij met vals opgemaakte AGD’s opzettelijk onjuiste aangiften accijns werden ingediend.

De modus operandi hield in dat partijen alcoholhoudende drank door Y BV naar het buitenland vervoerd waarbij afhankelijk van een mogelijke douanecontrole tijdens het vervoer, de partijen drank een afwijkende bestemming konden krijgen.

Het Hof gaat uitvoerig op de modus operandi in. De chauffeur van het expeditiebedrijf deed dit onder dekking van een AGD met doorgaans als bestemming het Verenigd Koninkrijk. Indien er door de Douane een controle werd uitgevoerd dan werd de drank afgeleverd bij de betreffende accijnsgoederenplaats. Wanneer er geen controle werd uitgevoerd, dan werd de drank op een andere locatie – die door X aan de chauffeur zou zijn gecommuniceerd – afgeleverd.

In het laatste geval werd er geen aangifte gedaan ten aanzien van de vervoerde drank. Het in Nederland opgemaakte AGD werd vervolgens vervangen door een vals exemplaar. Met de fraude zou een bedrag bijna 7 miljoen euro gemoeid zijn geweest.

De verdediging had integrale vrijspraak bepleit met name omdat strafbare wetenschap aan de tenlastegelegde feiten zou ontbreken. Het Hof acht strafbare wetenschap van de valsheid van de AGD’s wel aanwezig o.a. op basis van getuigenverklaringen en getapte telefoongesprekken.

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat X als feitelijk leidinggevende van Y BV schuldig is aan de accijnsfraude en veroordeelt X tot 30 maanden celstraf. Voorts worden 52 pallets met ruim 40.000 flessen wodka verbeurd verklaard.

Hof Den Bosch 2 april 2019 20-003781-16

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:1243

HvJ: Latere btw-fraude ontneemt btw-vrijstelling voor de vertegenwoordiger van de importeur niet

Eerder publiceerde SpotOn Douane een artikel over de conclusie van A-G Kokott in de zaak Vetsch Int. Transporte (zie hiervoor https://www.debontspoton.nl/douane/conclusie-a-g-kokott-latere-btw-fraude-ontneemt-btw-vrijstelling-voor-de-vertegenwoordiger-van-de-importeur-niet/). Op 14 februari 2019 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan in bovengenoemde zaak.

In onderhavige zaak voerde de douane-expediteur Vetsch in opdracht van twee Bulgaarse ondernemingen B en K in Oostenrijk goederen in. Vetsch diende daarvoor de aangiften als indirect vertegenwoordiger in en heeft verzocht om vrijstelling van de btw. Vervolgens worden de goederen door een andere expediteur verder naar B en K in Bulgarije vervoerd.

B en K hebben de intracommunautaire overbrenging van Oostenrijk naar Bulgarije naar behoren aangegeven en daarover de verschuldigde belasting voldaan. De Bulgaarse ondernemingen hebben de goederen vervolgens (kennelijk met btw) doorverkocht. Deze verkoop hebben zij echter niet wetsconform aangegeven, maar in plaats daarvan hebben zij aangifte gedaan voor een belastingvrije intracommunautaire levering aan Vetsch. Vaststaat dat die laatste levering niet heeft plaatsgevonden. Naar oordeel van de verwijzende rechter hebben B en K zich in zoverre schuldig gemaakt aan btw-fraude in Bulgarije en is gebleken dat dat Vetsch niet hierbij betrokken was.

De hoogste bestuursrechter in Oostenrijk besluit vervolgens een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. De vraag die opkomt is of Vetsch als vertegenwoordiger van B en K (de importeurs) de btw-vrijstelling overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d, btw-richtlijn kan worden geweigerd, wanneer B en K na de overbrenging van de goederen vanuit de staat van invoer naar een andere lidstaat in een later stadium belastingfraude plegen.

Het Hof merkt op dat de verwijzende rechter zich afvraagt welke invloed een frauduleuze handeling die is verricht in het kader van een intracommunautaire levering die dateert van na de invoer waarop een overbrenging is gevolgd, heeft op het recht om in aanmerking te komen voor de btw-vrijstelling. Opgemerkt wordt verder dat de verwijzende rechter niet twijfelt ten aanzien van de rechtmatigheid van de invoer en de overbrenging die zijn voorafgegaan aan de handelingen waarbij belastingfraude is gepleegd.

Het Hof overweegt dat de invoer waarop een intracommunautaire overbrenging volgt en de levering ten aanzien waarvan fraude is gepleegd beschouwd moeten worden als handelingen die losstaan van elkaar. In bovengenoemde situatie waarin de betrokken fraude in Bulgarije is gepleegd, kan ten aanzien van die (latere) leveringen door de Bulgaarse autoriteiten de vrijstelling worden geweigerd.

Nu vaststaat dat de fraude geen betrekking heeft op de overbrenging waarvan de toekenning van de vrijstelling van de btw bij invoer, kan deze vrijstelling niet worden ontzegd aan de importeur die is aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon waarin ten eerste de ontvanger van de op die invoer volgende intracommunautaire overbrenging fraude pleegt terwijl die handeling dateert na die overbrenging waarmee zij geen verband houdt en ten tweede niets erop wijst dat de importeur wist of behoorde te weten dat die latere handeling onderdeel uitmaakte van door de ontvanger gepleegde fraude.

Hof van Justitie, ECLI:EU:C:2019:114, C-531/17