Categorie: Douane

Inspecteur voldoet aan de op hem rustende bewijslast ten aanzien van oorsprong zonnepanelen

Op 8 mei 2014 doet A B.V. in naam en voor rekening van eiseres aangifte voor in het vrije verkeer brengen van zonnepanelen met als land van oorsprong Taiwan. Bij de betreffende aangifte wordt een Certificaat van Oorsprong overlegd van de New Taipei City Chamber of Commerce met B Ltd gevestigd in Taiwan als exporteur en eiseres als importeur. Volgens de bill of lading zijn de zonnepanelen via Taiwan naar Rotterdam vervoerd.

Het Europees bureau voor fraudebestrijding (hierna OLAF) heeft in dezelfde periode onderzoek verricht naar Chinese zonnepanelen die via Taiwan worden verhandeld. Uit het onderzoek komt naar voren dat de betreffende zonnepanelen via een Chinese verkoper in de Free Trade Zone in Taiwan terecht zijn gekomen. De Taiwanese douane bevestigt dat het be- of verwerken van goederen in de Free Trade Zone uitdrukkelijk verboden is.

Ten gevolge van de onderzoeksresultaten van de OLAF is de inspecteur overgegaan tot het uitreiken van een UTB (met antidumpingrechten) aan belanghebbende. Nadat de rechtbank het gelijk aan belanghebbende had gegeven is in hoger beroep tussen partijen in geschil of de UTB terecht aan belanghebbende is uitgereikt. In het bijzonder spitst de zaak zich toe op de vraag of de inspecteur is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de ingevoerde zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn.

Het Hof volgt de rechtbank in zijn oordeel dat aan de op de inspecteur rustende bewijslast is voldaan indien hij aannemelijk maakt dat de goederen van Chinese oorsprong zijn (vgl. Hof Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5574). Maar komt tot een tegenovergestelde uitkomst.

Uit de aangiftegegevens uit Taiwan blijkt dat op 18 maart 2014 een aangifte tot plaatsing in de vrije zone is gedaan (invoeraangifte) voor 3.136 stuks zonnepanelen (type 2), met een totaal nettogewicht van 68.000 kg. De oorsprong hiervan is China en de verkoper is de Chinese fabrikant E LTD. Gelet op de vermelding van het referentienummer van de invoeraangifte in de uitvoeraangifte (Taiwan – Nederland), de overeenkomst in typenummer van de zonnepanelen, het aantal en het gewicht, lijdt het naar het oordeel van het Hof geen twijfel dat de Chinese zonnepanelen op 27 maart zijn geladen voor transport met de bestemming Nederland.

Belanghebbende doet aangifte ten invoer van een partij ‘soldar modules’ met een nettogewicht van 17.000 kg. Uit de bill of lading volgt dat het gaat om 784 zonnepanelen. De inspecteur overlegt een tweede bill of lading van dezelfde rederij dat aan boord van het schip nog drie containers aanwezig waren met elk 784 zonnepanelen met eenzelfde gewicht. Gelet hierop acht het Hof het aannemelijk dat de container die verzonden is naar belanghebbende en de drie containers die verzonden zijn aan een andere importeur, op het moment van verzending bij elkaar hoorden en tezamen de partij vormden van de 3.136 Chinese zonnepanelen. Dat de Taiwanese exporteur wordt vermeld als exporteur in de uitvoeraangifte brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Gelet op de grote overeenkomst met het typenummer, de exact overeenkomende aantallen, het identieke nettogewicht, het identieke reisnummer en de identieke scheepsnaam acht het Hof aannemelijk dat de door belanghebbende ten invoer aangegeven zonnepanelen deel uitmaken van de zending Chinese zonnepanelen die op 18 maart in Taiwan is ingevoerd in de vrije zone.

Het hoger beroep van de inspecteur wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Gerechtshof Amsterdam 14 maart 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1003

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1003

Nultarief terecht toegepast door leverancier bij fraude met mobiele telefoons door afnemer(s)

X handelt vooral via internet in mobiele telefoons en tablets. In januari en (1x) februari 2013 levert X voor in totaal € 1.160.150,- in meerdere partijen telefoons aan A. Klant A is in 2011 opgericht, ingeschreven in het handelsregister in Engeland en heeft ook een Brits BTW-identificatienummer, dat is opgenomen in het Vat Information Exchange System (VIES), in ieder geval tot eind januari 2013. X heeft de telefoons ingekocht bij een leverancier in Polen en heeft de telefoons voorafgaand aan de levering aan A in Polen opgehaald en naar haar magazijn in Nederland gebracht.

In het kader van de levering aan A heeft X de telefoons vervoerd naar diverse logistieke centra (zogenaamde ‘forwarders’) in Duitsland en Polen. Ook zijn aldaar in opdracht van X op de telefoons zogenaamde IMEI-scans (scan van de unieke serienummers van telefoons) gemaakt.

Op haar facturen aan A heeft X het Britse btw-identificatienummer vermeld. De klant beschikte niet over een Duits of Pools btw-nummers.

De klant (A) heeft geen intracommunautaire verwervingen of prestaties aangegeven en ook de klant van de klant (B) aan wie A de telefoons had doorgeleverd en aan wie X op instructie van A de telefoons kon vrijgeven, heeft evenmin ter zake daarvan omzetbelasting aangegeven of voldaan. Uit inlichtingen uit Polen bleek inmiddels dat B een ‘missing trader’ (ploffer) was. X paste op de verkopen aan A het nultarief toe en gaf deze als intracommunautaire leveringen aan. In het verleden had X drie waarschuwingsbrieven gekregen van de belastingdienst over btw-fraude betreffende Nederlandse handelspartners van X en heeft X hiertoe in januari 2013 met de belastingdienst afspraken gemaakt over meldingen van al haar nieuwe, grotere leveranciers en afnemers. Conform deze afspraken heeft X in februari 2013 deze informatie ook aan de belastingdienst verstrekt. Vervolgens stelt de inspecteur een onderzoek in. X ontvangt in februari 2013 (één dag na de laatste levering) bericht van A dat haar btw-nummer is beëindigd.

De inspecteur weigert hierop het teruggaafverzoek omzetbelasting van X over januari 2013 bij X omdat het nultarief volgens hem ten onrechte zou zijn toegepast. De rechtbank heeft het beroep van X ongegrond verklaard. (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 december 2016, nr. 15/3826). Bij het Hof speelt de kwestie of X al dan niet terecht het nultarief heeft toegepast.

Na een uiteenzetting van de wet- en regelgeving stel het Hof vast dat tussen partijen niet in geschil is dat X heeft voldaan aan de materiële vereisten voor de toepassing van het nultarief. Uit handels- en vervoersbewijzen blijkt immers dat de goederen zijn vervoerd van X in Nederland naar A in Polen en Duitsland. De inspecteur betoogt echter dat X niet voldeed aan de geldende formele vereisten door (uitsluitend) het Britse btw-nummer van de klant te vermelden en dat sprake is van fraude. X beschikt niet over een Pools of Duits btw-nummer van de klant, terwijl volgens de inspecteur art. 12 van het Uitvoeringsbesluit niet anders kan worden uitgelegd dan dat wordt bedoeld dat de leverancier moet beschikken over het btw-nummer van de klant in de lidstaat van aankomst van de goederen en dat hij ook dat nummer op de factuur moet vermelden.

Het Hof wijst dit betoog van de inspecteur af. Zowel uit de tekst van deze bepaling als de toelichting daarop is de uitleg van de inspecteur niet af te leiden. In de tekst en de Nota van Toelichting is uitsluitend vermeld dat de leverancier voor de toepassing van het nultarief bij intracommunautaire leveringen over het btw-identificatienummer van de afnemer moet beschikken. Het hof ziet hierin geen aangrijpingspunten dat als voorwaarde voor de toepassing van het nultarief geldt dat de leverancier moet beschikken over het btw-identificatienummer van de lidstaat van aankomst van de goederen. Een dergelijke lezing is volgens het hof ook niet te rijmen met art. 141 BTW-richtlijn.

Voorts stelt de inspecteur dat X wist of had moeten weten dat sprake is van fraude in de handelsketen waarvan X deel uitmaakte. Ook dit betoog wordt door het Hof niet gevolgd. Tegenover de gemotiveerde weerspreking van X heeft de inspecteur niet de uit de vaste jurisprudentie van het HvJ EU vereiste objectieve gegevens verstrekt op basis waarvan rechtens moet worden geoordeeld dat X wist of had moeten weten dat de levering van de mobiele telefoons aan klant A deel uitmaakte van fraude door klant A en evenmin van fraude in latere schakels van de handelsketen. Daarbij overweegt het Hof dat X pas na de laatste transactie op de hoogte is geraakt van de intrekking van het btw-nummer van klant A. Dat de handel in mobiele telefoons gevoelig is voor fraude is niet toereikend voor een verwijt aan X dat zij onvoldoende oplettend is geweest om te voorkomen bij fraude betrokken te raken.

Derhalve verklaart het Hof verklaart dat het hoger beroep gegrond is.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 7 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:450

Beroep op vertrouwensbeginsel op grond van e-mail inspecteur niet gehonoreerd

Op 10 juni 2014 deed X als directe vertegenwoordiger van eiseres aangifte voor in het vrije verkeer brengen van een partij zonnepanelen onder TARIC-code 8541 40 90 90 met als land van oorsprong China. Op 10 juni 2014 is toestemming verleend tot wegvervoer van de goederen. Op 23 juni 2014 vond een fysieke controle plaats. Hieruit volgde dat de goederen onder code 8541 40 90 10 vielen waarvoor eveneens een tarief van 0% toepasselijk is. De inspecteur legde dat vast in een e-mail van 1 juli 2014: “In de beantwoording van mijn controleopdracht heb ik de correcte goederencode opgenomen alsmede een goederenomschrijving die voldoet aan de omschrijving in het tarief onder 8541 40 90 10“.

De inspecteur laat vervolgens aan eiseres weten dat toch een andere goederencode 8541 40 90 21 B999 van toepassing is, waarvoor niet het 0%-tarief geldt en tevens antidumpingrechten toepassing vinden. Ten gevolge hiervan wordt aan eiseres een uitnodiging tot betaling opgelegd van ruim 24.000,- euro.

Hierop stelt eiseres beroep in en voert aan dat zij mocht vertrouwen op de mededeling van de inspecteur dat de genoemde code 8541 40 90 10 de van toepassing zijnde code was. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 220, lid 2, letter b, CDW, niet tot navordering kan worden overgegaan indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: (i) inning van de rechten is achterwege gebleven als gevolg van de vergissing van de douane (ii) de belastingschuldige moet de vergissing redelijkerwijs niet hebben kunnen ontdekken, en (iii) de belastingschuldige was te goeder trouw en heeft aan alle bepalingen inzake de douaneaangifte voldaan.

Nu de betreffende mail waarin code 8541 40 90 10 werd bevestigd van een datum is die is gelegen nadat de fysieke controle had plaatsgevonden, is er sprake van een vergissing op basis van een actieve gedraging van de inspecteur. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiseres deze vergissing redelijkerwijze had kunnen ontdekken. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat op uiterlijk 8 juni 2014 door de douane aan eiseres is medegedeeld dat voor het brengen in het vrije verkeer van zonnepanelen TARIC-code 8541 40 90 21 B999 moet worden gebruikt. Nu de onderhavige aangifte op 10 juni 2014 is aanvaard, had eiseres redelijkerwijze kunnen weten dat de in de e-mail van 1 juli 2014 genoemde TARIC-code op een vergissing berust. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.

Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of aan de derde voorwaarde is voldaan.

De rechtbank verklaard het beroep ongegrond.

Rechtbank Noord-Holland 01 februari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:582

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:582

In hoger beroep 30 maanden gevangenisstraf voor leidinggeven aan accijnsfraude

Na een veroordeling tot 24 maanden gevangenisstraf door de rechtbank, stelde X hoger beroep in. De fiscale fraudekamer van het hof Den Bosch oordeelt onder het appel dat X schuldig is als feitelijk leidinggevende van BV Y aan accijnsfraude, waarbij met vals opgemaakte AGD’s opzettelijk onjuiste aangiften accijns werden ingediend.

De modus operandi hield in dat partijen alcoholhoudende drank door Y BV naar het buitenland vervoerd waarbij afhankelijk van een mogelijke douanecontrole tijdens het vervoer, de partijen drank een afwijkende bestemming konden krijgen.

Het Hof gaat uitvoerig op de modus operandi in. De chauffeur van het expeditiebedrijf deed dit onder dekking van een AGD met doorgaans als bestemming het Verenigd Koninkrijk. Indien er door de Douane een controle werd uitgevoerd dan werd de drank afgeleverd bij de betreffende accijnsgoederenplaats. Wanneer er geen controle werd uitgevoerd, dan werd de drank op een andere locatie – die door X aan de chauffeur zou zijn gecommuniceerd – afgeleverd.

In het laatste geval werd er geen aangifte gedaan ten aanzien van de vervoerde drank. Het in Nederland opgemaakte AGD werd vervolgens vervangen door een vals exemplaar. Met de fraude zou een bedrag bijna 7 miljoen euro gemoeid zijn geweest.

De verdediging had integrale vrijspraak bepleit met name omdat strafbare wetenschap aan de tenlastegelegde feiten zou ontbreken. Het Hof acht strafbare wetenschap van de valsheid van de AGD’s wel aanwezig o.a. op basis van getuigenverklaringen en getapte telefoongesprekken.

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat X als feitelijk leidinggevende van Y BV schuldig is aan de accijnsfraude en veroordeelt X tot 30 maanden celstraf. Voorts worden 52 pallets met ruim 40.000 flessen wodka verbeurd verklaard.

Hof Den Bosch 2 april 2019 20-003781-16

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:1243

HvJ: Latere btw-fraude ontneemt btw-vrijstelling voor de vertegenwoordiger van de importeur niet

Eerder publiceerde SpotOn Douane een artikel over de conclusie van A-G Kokott in de zaak Vetsch Int. Transporte (zie hiervoor https://www.debontspoton.nl/douane/conclusie-a-g-kokott-latere-btw-fraude-ontneemt-btw-vrijstelling-voor-de-vertegenwoordiger-van-de-importeur-niet/). Op 14 februari 2019 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan in bovengenoemde zaak.

In onderhavige zaak voerde de douane-expediteur Vetsch in opdracht van twee Bulgaarse ondernemingen B en K in Oostenrijk goederen in. Vetsch diende daarvoor de aangiften als indirect vertegenwoordiger in en heeft verzocht om vrijstelling van de btw. Vervolgens worden de goederen door een andere expediteur verder naar B en K in Bulgarije vervoerd.

B en K hebben de intracommunautaire overbrenging van Oostenrijk naar Bulgarije naar behoren aangegeven en daarover de verschuldigde belasting voldaan. De Bulgaarse ondernemingen hebben de goederen vervolgens (kennelijk met btw) doorverkocht. Deze verkoop hebben zij echter niet wetsconform aangegeven, maar in plaats daarvan hebben zij aangifte gedaan voor een belastingvrije intracommunautaire levering aan Vetsch. Vaststaat dat die laatste levering niet heeft plaatsgevonden. Naar oordeel van de verwijzende rechter hebben B en K zich in zoverre schuldig gemaakt aan btw-fraude in Bulgarije en is gebleken dat dat Vetsch niet hierbij betrokken was.

De hoogste bestuursrechter in Oostenrijk besluit vervolgens een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. De vraag die opkomt is of Vetsch als vertegenwoordiger van B en K (de importeurs) de btw-vrijstelling overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d, btw-richtlijn kan worden geweigerd, wanneer B en K na de overbrenging van de goederen vanuit de staat van invoer naar een andere lidstaat in een later stadium belastingfraude plegen.

Het Hof merkt op dat de verwijzende rechter zich afvraagt welke invloed een frauduleuze handeling die is verricht in het kader van een intracommunautaire levering die dateert van na de invoer waarop een overbrenging is gevolgd, heeft op het recht om in aanmerking te komen voor de btw-vrijstelling. Opgemerkt wordt verder dat de verwijzende rechter niet twijfelt ten aanzien van de rechtmatigheid van de invoer en de overbrenging die zijn voorafgegaan aan de handelingen waarbij belastingfraude is gepleegd.

Het Hof overweegt dat de invoer waarop een intracommunautaire overbrenging volgt en de levering ten aanzien waarvan fraude is gepleegd beschouwd moeten worden als handelingen die losstaan van elkaar. In bovengenoemde situatie waarin de betrokken fraude in Bulgarije is gepleegd, kan ten aanzien van die (latere) leveringen door de Bulgaarse autoriteiten de vrijstelling worden geweigerd.

Nu vaststaat dat de fraude geen betrekking heeft op de overbrenging waarvan de toekenning van de vrijstelling van de btw bij invoer, kan deze vrijstelling niet worden ontzegd aan de importeur die is aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon waarin ten eerste de ontvanger van de op die invoer volgende intracommunautaire overbrenging fraude pleegt terwijl die handeling dateert na die overbrenging waarmee zij geen verband houdt en ten tweede niets erop wijst dat de importeur wist of behoorde te weten dat die latere handeling onderdeel uitmaakte van door de ontvanger gepleegde fraude.

Hof van Justitie, ECLI:EU:C:2019:114, C-531/17

Zware bewijslast belanghebbende over vergissing douane ten aanzien van oorsprongcertificaat

In de periode 2002 tot en met 2004 importeert Prenatal SA in Spanje kleding uit Jamaica waarop het preferentieel tarief van 0% van toepassing is op basis van door Prenatal SA overgelegde certificaat van oorsprong. Uit OLAF-onderzoek in 2005 volgt echter dat de kleding de oorsprong China had. Vervolgens worden bij Prenatal SA invoerrechten nageheven.

Prenatal SA doet bij de Spaanse douane een beroep op artikel 220, tweede lid onderdeel b CDW, waarbij in het geval de douane een vergissing begaat en de belastingplichtige te goeder trouw is de naheffing achterwege blijft. Tevens wordt een beroep gedaan op artikel 239 CDW waarbij in uitzonderlijke situaties terugbetaling van de invoerrechten kan plaatsvinden. De Spaanse douane verwijst de zaak door naar de Commissie. Deze concludeert dat de zaak feitelijk en rechtens vergelijkbaar is met een andere zaak (ECI). Met verwijzing naar deze zaak doen de Spaanse autoriteiten de zaak af zonder teruggaaf van invoerrechten. Hierop gaat Prenatal in beroep. De hoogste rechterlijke instantie stelt vervolgens prejudiciële vragen waarop A-G Sharpston thans conclusie heeft gewezen.

De rechtsvraag houdt in: wist of had de douane moeten weten dat de goederen geen preferentiële oorsprong hadden en heeft de douane daarmee een vergissing begaan – d.m.v. het (desondanks) afgeven van het oorsprongscertificaat –  die voor rekening en risico van de douane zou moeten komen?

A-G Sharpston overweegt dat er een zware bewijslast ligt bij Prentatal SA om aan te tonen dat de autoriteiten feitelijk wisten van de vergissing. Een door Prenatal SA overgelegd controlerapport waaruit blijkt dat er een groot verschil aanwezig was met betrekking tot productiecapaciteit en de hoeveelheid aan export van deze lokale fabriek is daarvoor onvoldoende nu dit rapport slechts betrekking heeft op een periode van twee weken. Dit is onvoldoende om aan te tonen dat de douane wist of behoorde te weten gedurende de gehele periode 2002-2004 er sprake was van een andere oorsprong dan Jamaica. De A-G concludeert tot ongegrond verklaring van het beroep.

Ten aanzien van artikel 239 CDW concludeert de A-G ook dat er niet voldoende aanleiding is om te spreken van een uitzonderlijke situatie die tot teruggaaf kan leiden.

Douane Update 2019-0078, C-589/17

OLAF-rapport biedt voldoende overtuigend bewijs voor naheffing

Op 5 december 2015 doet A B.V. in naam en voor rekening van eiseres aangifte voor in het vrije verkeer brengen van zonnepanelen met als land van oorsprong Taiwan. Bij de betreffende aangifte wordt een Certificaat van Oorsprong overlegd van de New Taipei City Chamber of Commerce met B Ltd gevestigd in Taiwan als exporteur en eiseres als importeur. Volgens de bill of lading zijn de zonnepanelen via Taiwan naar Rotterdam vervoerd.

Het Europees bureau voor fraudebestrijding (hierna OLAF) heeft echter in dezelfde periode onderzoek verricht naar Chinese zonnepanelen die via Taiwan worden verhandeld. Uit het onderzoek komt naar voren dat de betreffende zonnepanelen via een Chinese verkoper in de Free Trade Zone in Taiwan terecht zijn gekomen. De Taiwanese douane bevestigt dat het be- of verwerken van goederen in de Free Trade Zone uitdrukkelijk verboden is.

In geschil is of de Inspecteur vervolgens terecht is overgegaan tot boeking achteraf van antidumpingrechten en in het bijzonder of is gebleken dat de zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 78, derde lid, CDW overtuigend moet worden aangetoond dat de zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn. Eiseres meent dat verweerder niet aan zijn bewijslast heeft voldaan nu uit de gegevens van het OLAF-rapport blijkt dat de gegevens aangaande de koppeling van containers met zonnepanelen niet verifieerbaar zijn en zodoende de Chinese oorsprong niet is gebleken. Ook kan volgens eiseres verweer niet volstaan met slechts aannemelijk maken.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij aan zijn bewijslast heeft voldaan nu uit het OLAF-onderzoek is gebleken dat de door eiseres ingevoerde zonnepanelen vanuit China via Taiwan naar de Europese Unie zijn doorgevoerd. Doordat er geen be- of verwerking is toegestaan de Free Trade Zone hebben de zonnepanelen de oorsprong China behouden.

De rechtbank overweegt dat uit het woord ‘blijken’ volgt dat dit wordt gebruikt wanneer bepaalde feiten overtuigend moeten worden aangetoond (HR 27 januari 1971, ECLI:GHAMS:2016:5574). Nu uit het OLAF-rapport blijkt dat de aantallen, het type en het gewicht van de in geding zijnde zonnepanelen die uit de Free Trade Zone zijn uitgeslagen onder vermelding van oorsprong Taiwan en één dag eerder in de Free Trade Zone zijn ingeslagen onder opgave van oorsprong China en ook het opgegeven containernummer, de naam van de Taiwanese exporteur overeenkomen, kan geconcludeerd worden dat de werkelijk oorsprong China is.

Anders dan eiseres heeft betoogd, acht de rechtbank de informatie uit de administratie van de Free Trade Zone voldoende bewijs en is het niet noodzakelijk dat ook de onderliggende bescheiden worden overlegd. Verweerder heeft zodoende aan zijn bewijslast voldaan. De antidumpingrechten zijn terecht nagevorderd.

Rechtbank Noord-Holland 3 mei 2018 (publicatie 10 januari 2019), ECLI:NL:RBNHO:2018:3557

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:3557

Oorsprong partij knoflookbollen niet bewezen door laboratoriumonderzoek

Op 20 november 2007 wordt door belanghebbende aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van een partij verse knoflookbollen. Bij de invoer wordt aangegeven dat het land van oorsprong Pakistan is. Tijdens verificatieonderzoek door de Douane worden monsters genomen van diverse exemplaren van de knoflookbollen. Na onderzoek door een Amerikaans laboratorium wordt vastgesteld dat de knoflookbollen 98-99% matchen met Chinese knoflook.

In de hofuitspraak wordt geoordeeld dat de Inspecteur met het overleggen van de resultaten uit het Amerikaanse laboratoriumonderzoek heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de oorsprong van de knoflook China is. In de eerste cassatie wordt echter geoordeeld dat het bewijsoordeel van het Hof ontoereikend is gemotiveerd.

Hierop heeft het Hof na verwijzing een deskundige benoemd die zowel schriftelijk als ter zitting vragen heeft beantwoord. Vervolgens heeft het Hof een oordeel gegeven over de betrouwbaarheid van de onderzoeksbevindingen van het Amerikaanse laboratorium en geconcludeerd dat de bevindingen als bewijs kunnen worden gebruikt. De Inspecteur heeft volgens het Hof voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

In de tweede cassatie slaagt het middel van belanghebbende dat de verklaring van de deskundige juist wijst op onbetrouwbaar onderzoek omdat de hoeveelheid Pakistaanse knoflookbollen die als vergelijkingsmateriaal is betrokken in het onderzoek dan het Amerikaanse Laboratorium klein is, dat uit de door het Amerikaanse laboratorium verschafte informatie niet zelfstandig kan worden afgeleid of er overlap is tussen Chinese en Pakistaanse knoflookbollen-populaties en dat bij gebreke van voldoende inzicht in de representativiteit van het vergelijkingsmateriaal niet valt te beoordelen in hoeverre de onderzoeksbevindingen juist of onjuist zijn. Gelet op de verklaring van de deskundige acht de Hoge Raad het oordeel van het Hof dat de onderzoeksbevindingen betrouwbaar zijn en dat de Inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast, onbegrijpelijk.

De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven, waarna het (tweede) verwijzingshof opnieuw moet beoordelen over de vraag of de Inspecteur voor de ingevoerde knoflookbollen de oorsprong China heeft bewezen.

Tot slot merkt de Hoge Raad nog op – en dat is wel bijzonder – dat uit het oogpunt van een behoorlijke rechtspleging het Hof na verwijzing de zaak dient te behandelen in een volledig andere samenstelling van raadsheren die nog niet bij de zaak betrokken zijn geweest.

Hoge Raad 15 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:164&showbutton=true&keyword=knoflookbollen+china+laboratorium

Douane voldoet niet aan bewijslast, naheffingsaanslag en boetebeschikking vernietigd

Tijdens een door de Douane uitgevoerde controle aan boord van een motorschip dat blanke biodiesel vervoerd wordt vastgesteld dat in de brandstoftanks van het schip gasolie aanwezig is. Dit wordt gebruikt voor de vrijgestelde doelstelling, te weten de voortstuwing van het schip. Van de aanwezige gasolie worden diverse monsters genomen, die vervolgens pas ruim vijf maanden later worden onderzocht in het Douanelaboratorium. Uit het onderzoekt volgt dat er in de gasolie een lager gehalte aan Solvent Yellow 124 (hierna SY) aanwezig is dan is voorgeschreven in artikel 13, eerste en tweede lid van de Uitvoeringsregeling Accijns. Op het moment van de controle waren er tankbonnen van twee recente tankbeurten aanwezig. De Douane neemt vervolgens het voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag accijns vanwege het niet voldoen aan het wettelijke voorgeschreven SY-gehalte. De douane meent dat de blanke biodiesel is vermengd met de rode gasolie.

Eiser stelt beroep in tegen de naheffingsaanslag en voert onder meer aan dat er herkomstbescheiden (tankbonnen) zijn overgelegd en dat hij op geen enkele wijze hoefde te vermoeden dat de gasolie een afwijkend SY-gehalte zou hebben.

Verweerder concludeert tot ongegrond verklaring van het beroep.

Eiser komt in het licht van artikel 66, eerste lid, letter a van de WA in aanmerking voor een vrijstelling voor accijns ten aanzien van de gasolie indien deze wordt gebruikt voor de aandrijving van een schip en er voldaan is aan het voorgeschreven SY-gehalte. Verweerder moet daarentegen bewijzen dat eiser accijnsgoederen voorhanden heeft als bedoeld in artikel 2 van de WA. Het te lage SY-gehalte verklaart verweerder door te stellen dat de op het schip aanwezige blanke biodiesel door eiser moet zijn vermengd met de gasolie. Over de biodiesel zijn geen accijns betaald. Verweerder stelt nu alle aanwezige gasolie niet voldoet aan de wettelijke vereisten hierover nu accijns zijn verschuldigd.

De rechtbank overweegt dat verweerder heeft nagelaten enig onderzoek te doen naar de herkomst van de gasolie, te meer nu er wel herkomstbescheiden aanwezig zijn. De opmerking dat de tankbonnen afkomstig zijn van bekende bunkerstations en zodoende moet hebben voldaan aan de wettelijke eisen acht de rechtbank onvoldoende. Daar komt bij dat de afwijking in het SY-gehalte slechts gering is. Ook zit er ruim vijf maanden tussen de analyses van het Douanelaboratorium en de uitgevoerde controle. De enkele stelling dat dit tijdsverloop geen invloed heeft op het SY-gehalte in de monsters overtuigt de rechtbank ook niet.

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder met het nalaten van nader onderzoek naar de herkomst van de gasolie onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van eiser. Daarnaast staat vast dat de gasolie niet anders dan voor vrijgestelde doeleinden kan worden gebruikt en het SY-gehalte slechts in geringe mate afwijkt. Verweerder slaagt niet in de op hem rustende bewijslast. De naheffingsaanslag, beschikking belastingrente en boetebeschikking worden vernietigd.

Rechtbank Gelderland 2 november 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4871

Tijdstip van diefstal is moment waarop invoer-btw verschuldigd is

X BV is exploitant van een douane-entrepot waar een partij nikkel is opgeslagen voor een derde. In of omstreeks het vierde kwartaal van 2012 blijkt deze partij nikkel te zijn gestolen. X BV stelt de Belastingdienst/Douane hiervan in januari op de hoogte. Hierop volgt op 1 mei 2013 een uitnodiging tot betaling aan X BV voor de bij invoer verschuldigde btw van ruim € 500.000,-.

X BV dient zijn aangifte over het tijdvak mei 2013 in en voegt hier een bezwaarschrift aan toe waarin hij verzoekt om een (aanvullende) teruggaaf van de bovengenoemde € 500.000,- invoer-btw. De inspecteur wijst het bezwaar af. Ook het hierna door X BV ingestelde beroep wordt door de rechtbank ongegrond verklaard.

X BV stelt hierop hoger beroep in. Bij het Hof komt de vraag aan de orde op welk moment de omzetbelastingschuld is ontstaan. X BV stelt zich op het standpunt dat dit op het moment is dat hij de uitnodiging tot betaling heeft ontvangen (tijdvak mei 2013). De inspecteur stelt zich echter op het standpunt dat nu de diefstal uit het douane-entrepot is geconstateerd in januari 2013, op dat moment de omzetbelastingschuld is ontstaan. In de optiek van de inspecteur is belanghebbende te laat met het indienen van het teruggaveverzoek.

Het Hof overweegt dat de diefstal van de partij nikkel uit het douane-entrepot een onttrekking aan een douaneregime vormt, omdat diefstal wordt aangemerkt als een handelen of een nalaten, dat tot gevolg heeft dat de bevoegde autoriteiten geen toegang meer heeft tot onder douanetoezicht staande goederen. Nu de diefstal in het vierde kwartaal van 2012 plaatsvond is dat het moment waarop de invoer op grond van artikel 18, lid 1, onderdeel c Wet OB heeft plaatsgevonden. Dat de boeking pas later heeft plaatsgevonden en de mededeling daarvan aan de schuldenaar pas op 1 mei 2013 plaatsvond, zorgt echter niet voor een nieuw tijdstip van verschuldigdheid van btw bij invoer.

Het Hof concludeert aldus dat het verzoek om teruggaaf over de maand mei 2013 terecht is afgewezen omdat er in dit tijdvak geen recht op teruggaaf bestaat voor deze btw-invoer.

Opgemerkt dient te worden dat normaliter de situatie van invoer en de uitreiking van de uitnodiging tot betaling samenvalt met het in het vrije verkeer brengen van goederen. Nu er in onderhavig geval sprake is van diefstal kan dit tot complicaties leiden. Het Hof oordeelt dat uiterlijk de invoer-btw ter zake van de goederen verschuldigd is geworden op het moment dat de diefstal door belanghebbende werd geconstateerd.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:2262