Categorie: Douane

Voorheen gebruikelijk snelle afhandeling van aangiften voor in het vrije verkeer brengen en vrijgave van goederen is niet afdwingbaar in kort geding bij de civiele rechter

Een logistiek dienstverlener verzorgt de afhandelingen van luchtpakketten die via e-commerce worden verhandeld. De zendingen komen veelal vanuit China op Schiphol aan, waarna de zendingen een bestemming in de EU krijgen. De logistiek dienstverlener doet hiervoor aangiften voor om de zendingen in het vrije verkeer te brengen en heeft ex art. 23 wet OB een vergunning om de omzetbelasting te verleggen, welke daarvoor noodzakelijk is.

Bij de Douane is kennelijk het vermoeden ontstaan dat over de leveringen geen btw wordt betaald. De Douane besluit vervolgens en stelt de logistiek dienstverlener daarvan op de hoogte, dat zij vanaf dat moment eist dat de logistiek dienstverlener voor elke zending eerst een Power of Attorney overlegt verleend door de leverancier aan de dienstverlener.

Daarnaast heeft de Douane in 2017 en 2018 vervolgens diverse zendingen geblokkeerd, gecontroleerd en niet direct vrijgegeven. Hierop spant de logistiek dienstverlener een kort geding aan omdat zij meent dat de Douane onrechtmatig handelt o.a. omdat de Douane bovenmatig veel controles uitvoert, welke vaak pas na langere tijd worden afgerond en gedurende die tijd de goederen blokkeert. Voorts selecteert de Douane grote hoeveelheden zendingen om te controleren maar ontbreekt het de Douane aan capaciteit om die controles tijdig te kunnen verrichten.

Kort en goed vordert de dienstverlener van de Douane om terug te keren naar de gebruikelijk handelwijze en om in gesprek te gaan en afspraken te maken over de controles en communicatie.

De civiele kamer van de rechtbank wenst het geschil echter niet volledig te behandelen. De kamer overweegt dat het geschil over de gewraakte werkwijze moet worden voorgelegd aan de bestuursrechter en wijst de vorderingen daarover af en acht de dienstverlener op bepaalde punten niet ontvankelijk.

Rechtbank Den Haag 19 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9599

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:9599

Conclusie A-G Kokott: latere btw-fraude ontneemt btw-vrijstelling voor de vertegenwoordiger van de importeur niet

In onderhavige zaak voerde de douane-expediteur Vetsch in opdracht van twee Bulgaarse ondernemingen B en K in Oostenrijk goederen in. Vetsch diende daarvoor de aangiften als indirect vertegenwoordiger in en heeft verzocht om vrijstelling van de btw. Vervolgens worden de goederen door een andere expediteur verder naar B en K in Bulgarije vervoerd.

B en K hebben de intracommunautaire overbrenging van Oostenrijk naar Bulgarije naar behoren aangegeven en daarover de verschuldigde belasting voldaan. De Bulgaarse ondernemingen hebben de goederen vervolgens (kennelijk met btw) doorverkocht. Deze verkoop hebben zij echter niet wetsconform aangegeven, maar in plaats daarvan hebben zij aangifte gedaan voor een belastingvrije intracommunautaire levering aan Vetsch. Vaststaat dat die laatste levering niet heeft plaatsgevonden. Naar oordeel van de verwijzende rechter hebben B en K zich in zoverre schuldig gemaakt aan btw-fraude in Bulgarije, maar blijkt niet dat Vetsch hierbij betrokken was.

De prejudiciële vraag die vervolgens opkomt is of Vetsch als vertegenwoordiger van B en K (de importeurs) de btw-vrijstelling overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d, btw-richtlijn kan worden geweigerd, wanneer B en K na de overbrenging van de goederen vanuit de staat van invoer naar een andere lidstaat in een later stadium belastingfraude plegen.

A-G Kokott heeft in deze zaak conclusie genomen. De A-G meent dat nu Vetsch geenszins kan worden verweten dat zij wist of had moeten weten, dat zij haar opdrachtgevers op enigerlei wijze bij een voorgenomen btw-fraude in Bulgarije heeft geholpen, er niet is voldaan aan de door het HvJ EU gestelde voorwaarde voor een directe beperking van de belastingvrijstelling. Daarnaast is het niet verenigbaar met de btw-richtlijn iemand te straffen die niet wist of kon weten dat de betrokken handeling deel uitmaakt van fraude door de leverancier. Tot slot druist ook het feit dat een belastingplichtige voor een belastingvrijstelling afhankelijk wordt gesteld van het (latere) gedrag van een derde, waarop hij geen vat heeft, in tegen het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Aangezien Vetsch geen verwijt kan worden gemaakt, kan deze onderneming zich op de vrijstelling van btw bij invoer blijven beroepen.

HvJ EU Zaak C-531/17, Conclusie A-G Kokott

http://curia.europa.eu/juris/fiche.jsf;jsessionid=9ea7d2dc30d88ad93a4ad90744cd9a16ef8409228428.e34KaxiLc3qMb40Rch0SaxyPaxn0?id=C%3B531%3B17%3BRP%3B1%3BP%3B1%3BC2017%2F0531%2FP&pro=&lgrec=en&nat=or&oqp=&dates=&lg=&language=en&jur=C%2CT%2CF&cit=none%252CC%252CCJ%252CR%252C2008E%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252Ctrue%252Cfalse%252Cfalse&num=C-531%252F17&td=%3BALL&pcs=Oor&avg=&mat=or&jge=&for=&cid=37160

Geen rechtsgeldige directe vertegenwoordiging: vernietiging UTB’s

Douane-expediteur CV A heeft in naam en voor rekening van BV X (hierna belanghebbende) aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van scheepscasco’s afkomstig uit China. Naar aanleiding van een controle heeft de Inspecteur betoogd dat de voor het vrije verkeer aangegeven scheepscasco’s geen casco’s voor zeeschepen zijn. BV X is aangesproken voor de volgens de Inspecteur verschuldigde douanerechten.

In beroep stelt BV X zich op het standpunt dat zij niet kon worden aangemerkt als douaneschuldenaar in de zin van artikel 201, lid 3, CDW omdat de douane-expediteur niet beschikte over een geldige volmacht om namens haar op te treden. De betreffende volmacht was slechts door een van de bestuurders van belanghebbende ondertekend, terwijl deze uitsluitend gezamenlijk bevoegd zijn om namens belanghebbende op te treden. Dit blijkt tevens uit het handelsregister. De douane is zonder nader onderzoek ervan uitgegaan dat belanghebbende zich rechtsgeldig heeft laten vertegenwoordigen door de douane expediteur als direct vertegenwoordiger als bedoeld in art. 5 lid 2, aanhef en eerste streepje, CDW.

In cassatie richt het eerste middel zich tegen ’s Hofs oordeel dat belanghebbende rechtsgeldig is vertegenwoordigd door CV A. De Hoge Raad overweegt dat om onder deze omstandigheden te kunnen oordelen dat de douane-expediteur belanghebbende bevoegd heeft vertegenwoordigd als direct vertegenwoordiger in de zin van artikel 5, lid 2, aanhef en eerste streepje, van het CDW, een van de volgende situaties zich moet hebben voorgedaan:

1) de andere bestuurder van belanghebbende heeft voorafgaand aan het doen van de aangifte ingestemd met het verlenen van de volmacht,

2) de andere bestuurder heeft nadien het verlenen van de volmacht bekrachtigd door een verklaring als bedoeld in artikel 3:33 BW in samenhang gelezen met artikel 3:37 BW, gericht tot CV A,

3) de beide bestuurders hebben de in naam van belanghebbende gedane douaneaangiften bekrachtigd door een verklaring als bedoeld in artikel 3:33 BW in samenhang gelezen met artikel 3:37 BW, gericht tot de Inspecteur.

De Hoge Raad oordeelt dat geen van de omschreven situaties zich heeft voorgedaan en daarmee belanghebbende geen douaneschuldenaar is op grond van art. 201 lid3 eerste alinea CDW.

Ook verwerpt de Hoge Raad het bij de rechtbank aangevoerde beroep van de Inspecteur op schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Uitgangspunt voor toerekening van schijn van volmachtverlening is dat de wederpartij gerechtvaardigd heeft moeten kunnen vertrouwen op volmachtverlening aan de in werkelijkheid onbevoegden tussenpersoon op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegde vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvatting zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Ook dit is niet gebleken.

Hoge Raad 18 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1314

Verdedigingsbeginsel en certificaten van oorsprong helpen douane-expediteur niet

In de periode tussen 1 januari 2008 en 31 december 2010 heeft X BV (hierna: belanghebbende) namens verschillende importeurs meer dan 1000 aangiften ingediend voor textiel en schoeisel uit voornamelijk China en Bangladesh. Belanghebbende heeft de aangiften verzorgd als direct vertegenwoordiger van de betreffende importeurs.

Uit onderzoek van de OLAF zou blijken dat de oorsprong van de goederen niet Bangladesh is, maar dat de oorsprong Hong Kong dan wel China zou zijn. Ook zou blijken dat de certificaten van oorsprong vals waren.

Het Hof stelt voorop dat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat sprake is geweest van grootschalige fraude bij de invoer van kleding uit China door persoon X. X heeft door meerdere douane-expediteurs, waaronder belanghebbende, goederen in het vrije verkeer doen brengen op naam en voor rekening van meerdere Europese bedrijven, zoals de Zweedse bedrijven Y AB en A Ltd. Het lijdt naar ’s Hofs oordeel geen twijfel dat Y AB en A Ltd er niet van op de hoogte waren dat hun naam en voor hun rekening op grote schaal kleding werd geïmporteerd en dat hun btw-nummers daarvoor buiten hun medeweten werden misbruikt.

Partijen houdt verdeeld of en in hoeverre belanghebbende de financiële gevolgen dient te dragen voor voornoemde fraude. Belanghebbende voert in hoger beroep aan dat het verdedigingsbeginsel is geschonden. Ook betoogt belanghebbende dat de inspecteur voor geen van de zendingen aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan dat de aangegeven oorsprong onjuist is.

Over het verdedigingsbeginsel overweegt het Hof in tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank dat er na het kenbaar maken van het voornemen tot vaststelling van de utb’s veelvuldig contact heeft plaatsgevonden tussen belanghebbende en de inspecteur. Nu de utb’s enkele maanden later voor in totaal ongeveer vijf miljoen euro worden uitgereikt in plaats van het voor het voorgenomen aangekondigde bedrag van meer dan twaalf miljoen euro kan niet anders worden geoordeeld dat belanghebbende niet is geïnformeerd of in de gelegenheid is gesteld haar opmerkingen kenbaar te maken. Wel overweegt het Hof dat dergelijke verzuimen in beginsel een schending van het verdedigingsbeginsel met zich brengt, maar in onderhavig geval is kort na het uitreiken van de utb’s het heffingsdossier alsnog aan belanghebbende ter inzagen verstrekt. Volgens het Hof is het verzuim zodoende hersteld en is geen sprake van een zodanige onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de gewaarborgde rechten (van belanghebbende) in hun kern zijn aangetast. Het verzuim is ook niet dermate ernstig dat dit aanleiding geeft de utb’s te vernietigen.

Ten aanzien van de bewijslast over de oorsprong van de zendingen overweegt het Hof dat het bewijs van de onjuistheid van een aangegeven oorsprong ook op andere wijze kan worden geleverd dan enkel door een verklaring van de bevoegde autoriteit. Nu vast is gesteld dat er nimmer transacties tussen producenten in Bangladesh enerzijds en Y AB en A Ltd anderzijds hebben plaatsgevonden, kunnen de certificaten niet dienen als bewijs van de preferentiële oorsprong. Verder overweegt het Hof – gelet op de rechtspositie van belanghebbende – dat het van belang is om vast te stellen of de certificaten ten onrechte zijn afgegeven of dat deze vals zijn. Uit het strafdossier, waarin een FIOD-ambtenaar op ambtseed een overzicht heeft opgesteld van certificaten en bijbehorende bijlage, gelezen in samenhang met de missierapporten van de OLAF en brieven van het EPB, heeft de inspecteur naar ’s Hofs oordeel alsnog voor alle in de utb’s begrepen certificaten het bewijs geleverd dat de certificaten niet zijn afgegeven door het EPB en derhalve vals zijn. Het beroep van belanghebbende faalt.

Gerechtshof Amsterdam 28 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2601

Blog: Oorspong, fraude en de bewijskracht van certificaten van oorsprong

Douanerechten worden o.a. geheven naar het land van oorsprong van goederen. Op basis van de oorsprong worden (preferentiële) douanerechten geheven of kunnen antidumpingrechten worden bepaald. Het aangrijppunt voor deze rechten is de plaats waar het product gemaakt is. Voorbeelden hiervan zijn de recentelijk door de Verenigde Staten verhoogde importrechten op staal uit de EU en de daaropvolgende door de EU aangekondigde importrechten op bepaalde Amerikaanse goederen.

Ook buiten de EU en de Verenigde Staten is het gebruikelijk of vereist om de oorsprong van goederen aan te tonen aan de hand van bewijzen van oorsprong. Hoewel de Wereldhandelsorganisatie poogt de handelwijze waarop de oorsprong van goederen wordt bepaald te harmoniseren, bestaan er verschillende interpretatiewijzen en bewijzen van oorsprong. Gebruikelijk is dat door de bevoegde autoriteiten van een land een certificaat van oorsprong wordt afgegeven, in Nederland is dat de Kamer van Koophandel.

Wanneer komt vast te staan dat een bewijs van oorsprong – zoals een certificaat van oorsprong – ten onrechte is afgegeven of vals is, terwijl de importeur te goeder trouw was, rijst de vraag of de importeur kan worden aangesproken voor de te weinig afgedragen rechten. Is dit nu eenmaal het bedrijfsrisico van de importeur of kan de importeur toch een beroep doen op het bewijs van oorsprong waarop hij vertrouwde?

In het geval goederen in het vrije verkeer zijn gebracht op basis van een ten onrechte afgegeven certificaat van oorsprong of een vervalst certificaat van oorsprong, zullen er te weinig rechten zijn geheven. Er onderscheiden zich twee situaties:

  • Als er sprake is van een vervalst certificaat van oorsprong lijkt de casuïstische (Europese) rechtspraak in te houden dat de importeur in veel gevallen (risico)aansprakelijk kan worden gehouden voor de niet betaalde rechten. Uitzonderingen zijn wel mogelijk, zie bijvoorbeeld de zaak C‑204/07 P C.A.S. SpA. Het standpunt van de douane opgenomen in het Handboek Douane lijkt echter geen nuances te bevatten: “in andere gevallen moet de betaling van de wettelijk verschuldigde rechten worden beschouwd als een onderdeel van het normale bedrijfs- en handelsrisico en dus niet als bijzondere situatie worden aangemerkt. Voorbeelden hiervan zijn: de overlegging, al dan niet te goeder trouw, van documenten waarvan naderhand wordt vastgesteld dat zij vervalst of onjuist zijn (…)“.[1]

 

  • Als er sprake is van een ten onrechte afgegeven certificaat van oorsprong, dan kan een beroep op het vertrouwensbeginsel mogelijk uitkomst bieden voor de importeur. Voorheen kon toepassing van 220 CDW ervoor zorgen dat de douaneschuld niet geboekt werd in het geval van een vergissing van de bevoegde autoriteiten. Ook kon in bijzondere situaties een verzoek om terugbetaling worden gedaan ex art. 239 CDW. Thans is de procedure anders in het geval van een vergissing: afzien van boeken achteraf bestaat niet meer. De douaneschuld wordt eerst geboekt en dan kan eventueel een terugbetaling of kwijtschelding ex art. 119 DWU volgen.

Met name in de laatste situatie of in het geval dat het twijfelachtig is of er sprake is van valsheid, zou een beroep moeten kunnen worden gedaan op gerechtvaardigd vertrouwen ontleend aan het certificaat van oorsprong, althans zou een verzoek tot terugbetaling na boeking op die grond zorgvuldig moeten worden beoordeeld.

Een geval waarin werd getwijfeld aan de echtheid van een certificaat van oorsprong deed zich voor in https://www.debontspoton.nl/douane/hvj-eu-ondanks-latere-tegenstrijdige-conclusies-over-certificaten-van-oorsprong-mocht-ec-een-verzoek-om-kwijtschelding-afwijzen/.

Deze zaak – waarover jaren geprocedeerd is – betrof de import van goederen uit Letland voordat Letland lid was van de EU. In casu baseerde belanghebbende zich voor de aangifte op certificaten van oorsprong afgegeven door de Letse autoriteiten.

De Deense autoriteiten signaleerde mogelijke oorsprongfraude m.b.t. invoer uit Letland en vervolgens is het Europees onderzoeksbureau OLAF daarnaar een onderzoek gestart.

Ook de Duitse douaneautoriteiten waren hun eigen onderzoek gestart naar deze mogelijke oorsprongfraude en verzochten zelf de Letse autoriteiten om de authenticiteit van de certificaten van oorsprong te verifiëren. De Letse autoriteiten gaven aan dat de certificaten niet waren ingeschreven in het register van de douane en als ongeldig beschouwd moeten worden.

Echter, uit de latere resultaten van het onderzoek van OLAF bleek dat in ieder geval de stempelafdrukken en de handtekeningen van enkele certificaten van oorsprong afgegeven voor invoer waarschijnlijk wel echt waren.

Belanghebbende was van mening dat de Europese Commissie haar verzoek om terugbetaling niet had mogen afwijzen en ten onrechte alleen heeft aangesloten bij de conclusie van de Letse autoriteiten zoals deze was gemeld aan de Duitse autoriteiten. Het Gerecht van de EU (zaak T-752/14) vernietigde in eerste aanleg het besluit van de EC om geen teruggave of kwijtschelding te verlenen: de EC had verder onderzoek moeten verrichten en niet enkel op de verklaringen van de Letse autoriteiten moeten afgaan. In hoger beroep komt het HvJ EU echter tot een andere conclusie en oordeelt dat het systeem van samenwerking is gebaseerd op vertrouwen in de resultaten van de controle achteraf in het land van uitvoer. De EC was dus in beginsel verplicht zich te baseren op de conclusies van de Letse douaneautoriteiten over de certificaten. Daarmee wordt het beroep op kwijtschelding (uiteindelijk) afgewezen.

Dat is voor de importeur een teleurstellend resultaat. In het handelsverkeer komt aan certificaten van oorsprong zeker een (behoorlijke) waarde toe. Echter, wanneer de Douane van mening is dat er een onjuiste oorsprong op het certificaat is vermeld, kan daarmee volgens de douane aan het certificaat vrijwel geen waarde meer toekomen. De douane is helder over de vraag wie in die gevallen de rekening gepresenteerd zal krijgen: dat zal de importeur zijn.

In de praktijk baseert de douane zich in vermeende oorsprongfraude-zaken vaak op een OLAF rapport, of op een rapport van buitenlandse autoriteiten. Veelal is zo een rapport niet meer dan een samenvatting van de bevindingen uit kennelijk een meeromvattend onderzoek. Juist in die gevallen dient een aansprakelijkgestelde importeur niet zomaar de kennelijke conclusies van OLAF of van de buitenlandse autoriteiten – die worden weergegeven als de conclusies van de Douane – voor waarheid aan te nemen. In het kader van de zorgvuldigheid dient eerst op basis van de bronstukken te worden bekeken of een certificaat van oorsprong wel onterecht is afgegeven of daadwerkelijk vals is.

Daarnaast kan uit de bronstukken ook blijken dat de importeur niet op de hoogte was van de valsheid of de onjuistheid en ook geen signalen van eventuele onjuistheden had. Dat versterkt een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen bij een te goeder trouw handelde importeur. De brondocumenten moet de importeur dan –  uiteraard – wel kunnen inzien. Hoewel de Douane veelal de importeur aansprakelijk zal houden voor niet betaalde rechten, zijn er wel degelijk feiten en omstandigheden denkbaar die basis kunnen zijn voor argumenten en verweren met als mogelijk eindresultaat dat een te goeder trouw handelende importeur toch niet aansprakelijk kan worden gehouden voor deze rechten.

[1]   Handboek Douane (HD)(geldig vanaf 1 mei 2016), 31.00.00 Terugbetaling en kwijtschelding.. Zie voor een gelijke bepaling onder het CDW: Handboek Douane (geldig tot 30 april 2016), 31.00.00 Terugbetaling, Terugbetaling op grond van artikel 239 CDW, 31.00.00 Terugbetaling.

HvJ EU: ondanks (latere) tegenstrijdige conclusies over certificaten van oorsprong mocht EC een verzoek om kwijtschelding afwijzen

In de periode tussen 10 december 1999 en 10 juni 2002 heeft belanghebbende linnen ingevoerd in de EU via Duitsland en heeft belanghebbende daarbij de preferentiële oorsprong Letland opgegeven. Toentertijd was Letland nog geen lid van de EU. Belanghebbende baseerde zich voor de aangifte op certificaten afgegeven door de Letse autoriteiten. Nadat de Deense autoriteiten fraude signaleerden m.b.t. invoer uit Letland, is OLAF een onderzoek gestart.

De Duitse douaneautoriteiten zijn vervolgens eveneens een onderzoek gestart en verzochten de Letse autoriteiten de authenticiteit van de certificaten te verifiëren. De Letse autoriteiten gaven aan dat de certificaten niet waren ingeschreven in het register van de douane en als ongeldig beschouwd moeten worden. Uit onderzoek van OLAF kwam naar voren dat de stempelafdrukken en de handtekeningen van enkele certificaten afgegeven voor invoer in Denemarken waarschijnlijk wel echt waren. Dat staat haaks op de bevindingen van de Letse autoriteiten en daarom mocht de Europese Commissie – volgens belanghebbende – niet vertrouwen op de andersluidende conclusie van de Letse autoriteiten. Belanghebbende heeft vervolgens een verzoek tot kwijtschelding van de rechten bij invoer op grond van art. 239 CDW ingediend. Voor kwijtschelding moet er sprake zijn van een bijzondere situatie. Ook dient klaarblijkelijke nalatigheid van belanghebbende te ontbreken.

Het verzoek om kwijtschelding werd afgewezen door de EC. De EC kwam tot de conclusie dat er geen sprake was van een bijzondere situatie in de zin van art. 239 CDW. Met name zou bewijs ontbreken dat de Letse autoriteiten hadden meegewerkt aan het verstrekken van de certificaten. Ook zou belanghebbende niet de vereiste zorgvuldigheid hebben betracht.

Belanghebbende kan zich niet vinden in het besluit van de EC en maakt de zaak aanhangig bij het Gerecht EU (zaak T-752/14), waarbij het Gerecht EU het besluit van de EC nietig verklaart. Het Gerecht stelt o.a. dat de EC meer onderzoek had moeten verrichten en zich niet enkel op de verklaringen van de Letse autoriteiten had moeten baseren alvorens een besluit te nemen. Deze taak vloeit in de ogen van het Gerecht voort uit het associatieverdrag tussen de EU en Letland waaraan op dat moment door de EC uitvoering aan werd gegeven. De zaak wordt vervolgens door de EC door middel van een hogere voorziening voor het HvJ EU gebracht (C-574/17). Het HvJ EU komt (weer) tot een andere uitleg van de verplichtingen die voortvloeien uit de associatieovereenkomst. Het systeem van samenwerking is gebaseerd op vertrouwen in de resultaten van de controle achteraf in het land van uitvoer. De EC was dus in beginsel verplicht zich te baseren op de conclusies van de Letse douaneautoriteiten over de certificaten. Daarmee wordt het beroep op kwijtschelding (uiteindelijk) afgewezen.

HvJ EU 25 juli 2018 C-574/17, ECLI:EU:C:2018:598

 

Antidumpingrechten komen in mindering op douanewaarde bij naheffing bij een DPP levering indien koper te goeder trouw heeft gehandeld

Aan belanghebbende, de rechtsopvolger van A BV, zijn UTB’s uitgereikt voor de naheffing van douanerechten en UTB’s voor de naheffing van antidumpingrechten. Deze zien op transacties van A BV, waarbij bevestigingsmiddelen werden geïmporteerd met opgave van preferentiële oorsprong Indonesië waarbij Form A certificaten van oorsprong zijn overlegd. Deze bevestigingsmiddelen werden geleverd onder de leveringsvoorwaarde DDP. Uit onderzoek van OLAF zou zijn gebleken dat de goederen ingevoerd hadden moeten worden met niet-preferentiële oorsprong China en antidumpingrechten hadden moeten worden betaald.

Het geschil spitst zich toe op de bepaling van de douanewaarde voor de naheffingsaanslag nu de goederen onder de voorwaarde DDP zijn geleverd. De inspecteur hanteert de transactieprijs genoemd in de invoeraangifte verminderd met de na te vorderen douanerechten. Op deze transactieprijs heeft de inspecteur niet de na te vorderen antidumpingrechten in aftrek gebracht omdat dit volgens de inspecteur zou leiden tot een irreële douanewaarde. Belanghebbende is het hier niet mee eens en meent dat ook de antidumpingrechten in mindering komen op de transactieprijs nu deze voor rekening van de leverancier komen vanwege de levering onder DDP, wat zij baseert op het HvJ EU arrest ‘Gaston Schul’ (C-354/09, ECLI:EU:C:2010:439). Het Hof is van mening dat dit een onjuiste interpretatie van dit arrest is, omdat in het arrest de koper en verkoper te goeder trouw waren en dachten dat er geen douanerechten verschuldigd waren. Het Hof was van mening dat deze regel achterwege dient te blijven in dit geval, nu er te kwader trouw gehandeld is.

De Hoge Raad herhaalt de regel van art. 33, aanhef CDW, op grond waarvan bepaalde elementen van de prijs geen onderdeel uitmaken van de douanewaarde indien zij zijn onderscheiden van de voor de goederen daadwerkelijk betaalde prijs. Vervolgens gaat de Hoge Raad in op de interpretatie van het arrest Gaston Schul. Hierbij legt de Hoge Raad nogmaals uit dat bij een vergissing over de verschuldigdheid van douanerechten bij een DDP levering deze in mindering komen op de transactiewaarde waarover de naheffing berekend wordt. De Hoge Raad stelt dat uit het arrest Gaston Schul moet worden afgeleid dat art. 33, aanhef CDW hetzelfde moet worden uitgelegd indien alleen de verkoper te kwader trouw heeft gehandeld bij het sluiten van de overeenkomst. De Hoge Raad vernietigt aldus de uitspraak van het Hof, omdat art. 33, aanhef CDW toepassing kan vinden indien de verkoper te kwader trouw is. De antidumpingrechten mogen daarnaast in aftrek komen op de transactiewaarde, omdat de inspecteur niet de methode ter vaststelling van de douanewaarde heeft verworpen. Nu de inspecteur dit niet heeft gedaan moet de douanewaarde worden vastgesteld middels de transactiewaardemethode van art. 29 CDW, waarbij de antidumpingrechten dus in mindering komen op de douanewaarde.

Hoge Raad 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1022

Vertegenwoordiger terecht aangewezen als douaneschuldenaar ondanks afwezigheid van eigendom en betrokkenheid bij transacties

A heeft als direct vertegenwoordiger van belanghebbende en o.b.v. een door belanghebbende afgegeven volmacht 13 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van biodiesel. De biodiesel was gekocht door D SA, een Zwitserse vennootschap verbonden met belanghebbende die de goederen wilde invoeren in de EU. De aangiften zijn gedaan met preferentiële oorsprong Noorwegen, onder overlegging van certificaten EUR.1 om de Noorse oorsprong aan te tonen. Achteraf bleek dat ten onrechte aanspraak is gemaakt op het preferentiële tarief en ging de inspecteur over tot naheffing van belanghebbende van de douanerechten.

Belanghebbende stelde dat zij niet als douaneschuldenaar ex. art. 201 lid 3 CDW kan worden aangemerkt, omdat zij niet op de hoogte was van de transacties. Het hof ging hier niet in mee, en achtte het aannemelijk dat het aanmerken van belanghebbende als aangever een welbewust keuze was omdat D SA de goederen niet zelf in het vrije verkeer kon brengen (zijnde een Zwitserse vennootschap, ex. art. 64 lid 2 aanhef en letter b CDW).

De Hoge Raad behandelt het eerste middel slechts gedeeltelijk omdat het in de eerste plaats klaagt over feitelijke elementen van de hofuitspraak, namelijk of de keuze ‘welbewust’ is geweest om belanghebbende als aangever aan te wijzen. Belanghebbende draagt tevens aan niet als douaneschuldenaar aangewezen te kunnen worden omdat zij geen eigenaar was van de biodiesel en niet betrokken was bij de handelstransacties. O.g.v. art. 64 lid 1 CDW staan deze omstandigheden er niet aan in de weg dat A rechtsgeldig als vertegenwoordiger van belanghebbende heeft kunnen optreden. Belanghebbende voert tot slot nog aan dat het ten tijde van het doen van de aangiften nog niet mogelijk was als indirect vertegenwoordiger op te treden, omdat het elektronisch aangiftesysteem Sagitta deze mogelijkheid niet bood. De Hoge Raad onderschrijft het oordeel van het hof dat deze achtergrond van de keuze niet van belang is voor de beoordeling wie als douaneschuldenaar is aan te merken.

Hoge Raad 22 juni 2018, ECLI:HR:NL:2018:957

HR casseert: door nauwe en bewuste betrokkenheid bij fraude is belanghebbende toch aan te merken als douaneschuldenaar

A B.V. (aangever), een Nederlandse douane-expediteur, stelde in opdracht van X GmbH (belanghebbende) 16 aangiften op voor de invoer van pijpfittingen met niet-preferentiële oorsprong India in de periode van 20 september 2006 tot 20 maart 2007. B s.r.o. (B), gevestigd in Tsjechië, heeft in de daaropvolgende periode van 22 maart 2007 tot en met 5 oktober 2007 aan aangever de opdracht gegeven 13 aangiften te doen voor eveneens pijpfittingen met niet-preferentiële oorsprong India.

Achteraf zou uit onderzoek van OLAF zijn gebleken dat de pijpfittingen de niet-preferentiële oorsprong China hadden en onderdeel waren van een fraudenetwerk waarbij het doel was antidumpingrechten te ontlopen. Uit dit onderzoek zou ook naar voren zijn gekomen dat belanghebbende de fraude heeft bedacht en aan het hoofd stond van het fraudenetwerk. Belanghebbende is aangewezen als schuldenaar voor de naheffing van de antidumpingrechten voor zowel de eerste 16 aangiften als de 13 daaropvolgende aangiften. Hierbij baseert de minister zich op art. 54 van het Douanebesluit i.c.m. art. 201 lid 3 CDW, omdat belanghebbende gegevens heeft verstrekt voor de aangifte waarvan men wist of behoorde te weten dat deze onjuist waren.

In geschil is of belanghebbende ook voor de 13 aangiften die zijn opgesteld in opdracht van B als schuldenaar kan worden aangewezen. De rechtbank zag voldoende aanleiding om belanghebbende als medeschuldenaar aan te wijzen nu nauwe en bewuste betrokkenheid bij de fraude vaststaat, in ogenschouw nemende dat B en belanghebbende juridische banden hebben. Het hof stelde dat de rechtbank de feiten juist had vastgesteld, maar niet kunnen leiden tot het oordeel dat belanghebbende als schuldenaar kon worden aangewezen. Dit omdat niet belanghebbende maar B de opdrachten aan de aangever heeft verstrekt, en B ondanks de juridische banden een andere rechtspersoon is.

De minister heeft cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het hof. De Hoge Raad vangt aan met de uitleg van de in art. 201 lid 3 CDW opgenomen uitbreiding van de kring van personen die als schuldenaar kunnen worden aangemerkt. Uit jurisprudentie van het HvJ EU (19 oktober 2017, A, C-522/16, ECLI:EU:C:2017:778) volgt dat niet is vereist dat de persoon die als douaneschuldenaar wordt aangewezen o.g.v. art. 201 lid 3 CDW de verkeerde gegevens zelf direct of indirect aan de douaneautoriteiten heeft verstrekt. Uit dit arrest volgt ook dat de bepaling juist ziet op andere personen dan de aangever. Nu onbestreden is vastgesteld dat de uitkomsten van het onderzoek van OLAF juist zijn, kan worden vastgesteld dat belanghebbende nauw en bewust betrokken is geweest bij het verstrekken van de verkeerde gegevens en daarom o.g.v. art. 201 lid 3 CDW als schuldenaar is aan te merken. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en verklaart het beroep in cassatie gegrond.

Hoge Raad 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:911

Hoge Raad: ondanks BOI moet het hof beoordelen of er sprake is van ontwijken ex. art. 25 CDW

Belanghebbende verzorgde tussen november 2009 en maart 2010 in opdracht van B B.V. aangiften voor het in het vrije verkeer brengen van biodiesel met niet-preferentiële oorsprong Canada. De douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben bindende inlichtingen betreffende de oorsprong (BOI) voor de invoer van de biodiesel afgegeven aan B B.V. met daarin de vermelding dat de biodiesel de niet-preferentiële oorsprong Canada had (onder verwijzing naar art. 24 CDW). Na onderzoek van OLAF zou zijn gebleken dat biodiesel met niet-preferentiële oorsprong VS werd opgegeven als niet-preferentiële Canadese oorsprong, om zo compenserende rechten en heffing van antidumpingrechten te ontlopen. Dit vormde voor de inspecteur reden over te gaan tot naheffing bij belanghebbende.

Het hof stelt dat belanghebbende bij het doen van de aangiften is opgetreden als indirect vertegenwoordiger van B B.V. en aldus o.g.v. art. 10 lid 1 Uv. CDW een beroep kan doen op de aan B B.V. afgegeven BOI. De UTB moet volgens het hof worden vernietigd, omdat de inspecteur niet betwist dat de ingevoerde biodiesel overeenkomt het de in de BOI omschreven producten.

In cassatie brengt de inspecteur naar voren dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan hetgeen de inspecteur naar voren heeft gebracht in de hofuitspraak. De inspecteur stelt dat het vermoeden is gewettigd dat B B.V. met de bewerking van de biodiesel in Canada slechts ontduiking in de zin van art. 25 CDW heeft beoogd en dat indien art. 25 CDW van toepassing is men niet meer voor hetzelfde goed een beroep kan doen op een afgegeven BOI. De Hoge Raad acht deze stellingen van de inspecteur essentieel die het hof daarom had moeten behandelen. Hieruit komt naar voren dat goederen die slechts worden bewerkt om heffingen op goederen uit bepaalde landen te ontduiken, “in geen geval” van oorsprong zijn uit het land waar deze bewerking plaats heeft gevonden. In deze gevallen kan dan ook geen beroep op een BOI worden gedaan, tenzij deze bindende inlichting mede inhoudt dat art. 25 CDW niet van toepassing is. De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar Hof Amsterdam.

Hoge Raad 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:910