Categorie: Douane

Naheffingsaanslag accijns vernietigd na vermelding onjuist tijdvak in aanslagbiljet, tenzij sprake zou zijn van kenbare vergissing

Bij twee accijnscontroles in mei 2013 zijn op een terrein, dat door belanghebbende als overslagplaats werd geëxploiteerd, diverse pallets met dozen met sigaretten aangetroffen, die niet waren voorzien van Nederlandse accijnszegels.

Naar aanleiding van deze controles heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag accijns opgelegd aan belanghebbende, waarop de Inspecteur als tijdvak 1 juli t/m 31 juli 2013 had vermeld.

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente vernietigd dienen te worden doordat een onjuist tijdvak op de aanslag is vermeld.

De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in een arrest van 20 december 1978 [1] heeft geoordeeld dat het tijdvak van heffing op het aanslagbiljet een essentieel onderdeel is en dat derhalve niet kan worden toegestaan dat belasting die verschuldigd is voor feiten gelegen buiten dat tijdvak, in de naheffingsaanslag worden begrepen. De Hoge Raad heeft in datzelfde arrest geoordeeld dat dit slechts anders is indien het op het aanslagbiljet vermelde tijdvak van heffing op een duidelijke, ook voor de belastingplichtige kenbare, vergissing berust.

De Inspecteur heeft ter zitting erkend dat het op de aanslag vermelde tijdvak juli 2013 onjuist was. Volgens hem berustte deze onjuiste vermelding op een vergissing. De inspecteur stelt dat het voor belanghebbende direct kenbaar was dat het vermelde tijdvak onjuist was. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst de Inspecteur op de in de aan de aanslag voorafgaande correspondentie vermelde juiste tijdvak. Ook kon er bij belanghebbende geen misverstand bestaan op welke feiten de naheffingsaanslag zag, aangezien in de bezwaarfase steeds gesproken is over de accijnscontroles. Daartoe verwijst de inspecteur ook naar het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2018. [2]

Belanghebbende betwist dat de onjuistheid van het tijdvak op de naheffingsaanslag hem direct duidelijk was, dan wel duidelijk had moeten zijn.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de door de Hoge Raad geformuleerde uitzondering op de hoofdregel zich niet voor doet. Het op de aanslag vermelde tijdvak duidt op het moment waarop de belastbare feiten zich hebben voorgedaan en het tijdvak waarbinnen die belastbare feiten vallen. Het door de Inspecteur voor de onderhavige heffing bedoelde tijdvak heeft belanghebbende niet uit enige andere passage kunnen afleiden dan uit de vermelde ‘Periode’ in de brieven en onder het kopje ‘Tijdvak’ op het biljet, waar steeds de periode 1 juli t/m 31 juli 2013 is vermeld. Het enkel in de brieven noemen van feitelijkheden die tot heffing kunnen leiden maar in een andere tijdsperiode plaatsvinden is voor het oordeel dat sprake zou zijn van een kenbare vergissing onvoldoende.

Het beroep van de Inspecteur op het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2018 faalt. In dat geval ging het om de heffing van belasting die wordt geheven over individualiseerbare personenauto’s (BPM), terwijl het in dit geval gaat om de heffing over niet-individualiseerbare sigaretten. Het verschil in belang van het tijdvak in deze verschillende heffingen, in het licht van de vraag wanneer zich welke belastbare feiten hebben voorgedaan, maakt dat in het onderhavige geval uit dit arrest van de Hoge Raad uit 2018 niet kan worden afgeleid dat ook in casu sprake is van een kenbare vergissing.

De slotsom is dat het beroep van belanghebbende gegrond is en dat de aanslag en de beschikking belastingrente worden vernietigd.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 oktober 2019,

ECLI:NL:RBZWB:2019:4405

________

[1] ECLI:NL:HR:1978:AX2808

[2] ECLI:NL:HR:2018:102

Belanghebbende heeft nultarief ten onrechte toegepast. Vergrijpboetes bevestigd

Belanghebbende drijft in een eenmanszaak een sportschool en daarnaast een handel in gebruikte auto’s. De belastingdienst stelt een onderzoek in naar de aangiften omzetbelasting met betrekking tot de autohandel van belanghebbende over een periode in de jaren 2013 t/m 2015.

In de administratie van belanghebbende bevinden zich verkoopfacturen van 97 autotransacties. Van 13 daarvan had belanghebbende zelf documenten opgemaakt die volgens hem vervoersdocumenten waren, waarop bijvoorbeeld parafen en/of stempels met handtekeningen van de naam van de afnemer staan. Op de aanwezige verkoopfacturen heeft belanghebbende geen omzetbelasting vermeld.

De inspecteur heeft begin 2015 een verzoek om inlichtingen gedaan aan de Italiaanse belastingdienst met een verzoek om informatie over de Italiaanse afnemers van belanghebbende. De Italiaanse belastingdienst heeft geantwoord dat in de administratie van de afnemers geen facturen van belanghebbende zijn aangetroffen. Wel van Duitse leveranciers. Verder kenden de eigenaren van de Italiaanse afnemers belanghebbende niet. Voor zover aankoopfacturen van de gebruikte auto’s aanwezig waren, hadden de Italiaanse afnemers deze van andere bedrijven dan belanghebbende gekocht.

Op basis hiervan heeft de inspecteur op 16 december 2015 aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat hij naheffingsaanslagen omzetbelasting met vergrijpboetes van 50% zou opleggen. Na een schriftelijke kennisgeving van 18 mei 2016 zijn op 31 mei 2016 de naheffingsaanslagen en boete- en rentebeschikkingen opgelegd.

Belanghebbende heeft in bezwaar en beroep de naheffingen en vergrijpboetes aangevochten. De rechtbank heeft deze niettemin gehandhaafd maar wel de vergrijpboetes van 50% van de nageheven belasting met ruim 35% verminderd. In hoger beroep zijn de toepassing van het nultarief en het opleggen van vergrijpboetes wederom in geschil.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch haalt diverse vaste jurisprudentie aan, waaruit blijkt dat de bewijslast van het nultarief op de leverancier rust. Hij kan daarbij volstaan met het aannemelijk maken enerzijds dat de goederen in het kader van de levering naar een andere lidstaat zijn vervoerd en anderzijds dat de goederen in die andere lidstaat zijn ontvangen door een (rechts)persoon die in dat kader belasting ter zake van een intra-unie verwerving verschuldigd is. Indien de betrokken belastingplichtige boeken en bescheiden overlegt, die naar zijn mening het daadwerkelijke vervoer naar een andere lidstaat uitwijzen, dient te worden onderzocht of de in de desbetreffende documenten voorkomende gegevens naar hun aard geschikt zijn om dit vervoer aan te tonen.

Bij verkopen, waarbij de afnemer de goederen bij de leverancier ophaalt (afhaaltransacties), is de leverancier beperkt in zijn mogelijkheden om het bewijs te leveren dat de goederen Nederland fysiek hebben verlaten. In dergelijke gevallen hangt dat bewijs hoofdzakelijk af van de gegevens die hij daartoe van de afnemer ontvangt. Daarom geldt bij afhaaltransacties dat het de leverancier vrijstaat om de door hem verrichte handelingen te beschouwen als intra-unie leveringen, indien de afnemer uiting heeft gegeven aan zijn met objectieve gegevens ondersteunde voornemen om de goederen naar een andere lidstaat te vervoeren en zich kenbaar heeft gemaakt met een hem door deze andere lidstaat toegekend btw-identificatienummer.

In casu zijn alle documenten uit de administratie van belanghebbende zelf afkomstig en ook door hem zelf opgemaakt.

Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De documenten in zijn administratie zijn dermate gebrekkig en onvolledig dat de daarin voorkomende gegevens naar hun aard niet geschikt zijn om het vervoer van de in geding zijnde goederen ten tijde van de transacties aan te tonen. Verkoopfacturen bevatten geen informatie over het vervoer van de auto’s. Ook ten aanzien van de 84 andere transacties waarvoor belanghebbende zelf zogenaamde vervoersdocumenten heeft opgemaakt heeft belanghebbende ten onrechte het nultarief toegepast. Deze documenten roepen veel vragen op die belanghebbende niet heeft kunnen beantwoorden. Zo is niet duidelijk geworden wie de paraaf heeft gezet voor ontvangst van de desbetreffende stukken. Iedere documentatie van de afnemer ontbreekt, zoals kopieën van identificatiebewijzen van degene die de auto(‘s) kwam ophalen of machtigingen op grond waarvan diegene gemachtigd was om namens de afnemer de auto(‘s) op te halen. Ter zitting heeft belanghebbende tegenstrijdige en onduidelijke verklaringen afgelegd, die het Hof niet geloofwaardig acht.

Daarom zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd.

Het Hof is voorts van oordeel dat de inspecteur in zijn bewijslast voor het opleggen van vergrijpboetes van 50% is geslaagd. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig omzetbelasting zou worden afgedragen en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard. Volgens het Hof is belanghebbende ondernemer en had hij moeten inzien dat hij met deze gebrekkige documentatie niet aannemelijk zou kunnen maken dat de goederen naar een andere lidstaat zouden zijn vervoerd. En dat hij dus niet het nultarief kon en mocht toepassen. Ook het betoog van belanghebbende dat de aangiften door zijn adviseur zijn gedaan en dat hij mocht vertrouwen dat de aangiftes omzetbelasting juist waren, slaagt niet. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zelf wist dat hij op grond van de documentatie die in zijn administratie is aangetroffen niet het vervoer naar een andere lidstaat aannemelijk zou kunnen maken en dat hij dus niet het nultarief mocht toepassen.

NB de bewijslast van (voorwaardelijk) opzet ligt bij de inspecteur. Het is opmerkelijk dat het Hof stelt dat zij het “aannemelijk acht” dat belanghebbende (voorwaardelijk) opzet heeft gehad bij het (laten) doen van de aangiften en “had moeten inzien” dat zijn documentatie niet toereikend was (noot JP).

Het Hof acht al met al de boeten zoals die de door rechtbank zijn verminderd passend en geboden.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 januari 2020,

ECLI:NL:GHSHE:2020:131

Verzoek Inspecteur om geheimhouding van op de zaak betrekking hebbende stukken grotendeels gerechtvaardigd

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag accijns opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, gevolgd door beroep en hoger beroep.

In deze procedure heeft belanghebbende gesteld dat de Inspecteur ten onrechte niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht en dat als de Inspecteur bepaalde stukken geheim had willen houden, de procedure van artikel 8:29 van de Awb gevolgd had moeten worden.

De inspecteur is hierop door het Hof in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende stukken te overleggen. Daarbij heeft het Hof de inspecteur ook gewezen op de geheimhoudingsprocedure in de zin van art. 8:29 van de Awb, waarna de inspecteur op deze mogelijkheid een beroep heeft gedaan.

De Inspecteur heeft van de 11 stukken waarvan om geheimhouding is verzocht een ongeschoonde versie aan de geheimhoudingskamer van het Hof doen toekomen en geschoonde versies voor belanghebbende.

Belanghebbende is van mening dat het verzoek tot geheimhouding moet worden verworpen aangezien naar haar mening geen sprake is van gewichtige redenen. De inspecteur heeft zich bij nader inzien ten aanzien van een aantal stukken (3 van de 11) op het standpunt gesteld dat dit geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn.

De geheimhoudingskamer oordeelt dat de stukken, waar belanghebbende om heeft verzocht, wel degelijk op de zaak betrekking hebbende stukken vormen. Dat de Inspecteur zich, ten aanzien van 3 stukken, bij nader inzien op het standpunt stelt dat dit geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, maakt niet dat kan worden uitgesloten dat deze stukken van belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter. Dat is in casu het geval reeds omdat de douane zelf zodanige kwalificaties aan deze stukken heeft gegeven dat deze daarom op de zaak betrekking hebbende stukken zijn.

Wat het beroep op geheimhouding betreft krijgt de inspecteur wel grotendeels gelijk. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat voor de beslissing van de hoofdzaak de persoonsgegevens over de natuurlijke personen en ook nadere gedetailleerde bedrijfsgegevens van niet-natuurlijke personen niet direct van belang zijn. De inspecteur kan derhalve in zoverre volstaan met het verstrekken van geschoonde versies van deze stukken

Volgens de geheimhoudingskamer weegt het belang van de Inspecteur bij bescherming van de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen en bij bescherming van de persoonsgegevens van niet- natuurlijke personen aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat duidelijk is op welke plek namen en overige gegevens zijn geschoond, zodat belanghebbende niet wordt gehinderd in het bepalen van haar (processuele) standpunt bij de behandeling van de zaak door de kamer die in de hoofdzaak beslist.

De geheimhoudingskamer oordeelt verder dat gegevens die reeds bekend zijn bij belanghebbende wel prijsgegeven moeten worden. Wat betreft stukken met namen van individuele ambtenaren, is het oordeel dat desbetreffende namen met een codering dienen te worden weergegeven. Op deze manier zal belanghebbende niet in haar verdedigingsmogelijkheden worden gehinderd.

Voorts stelt de Inspecteur dat bij een aantal stukken het belang van het ongehinderde opsporing en vervolging van strafbare feiten maakt dat de geschoonde gegevens in deze stukken niet aan belanghebbende kunnen worden geopenbaard.

Echter het is de geheimhoudingskamer niet duidelijk geworden of er in concreto (nog) sprake is van opsporing en vervolging van strafbare feiten doordat de Inspecteur zijn verzoek slechts heeft onderbouwd met de stelling “dat bepaalde strafrechtelijke zaken plaats hebben gevonden maar dat niet zeker is of momenteel nog dergelijke kwesties spelen”. Dit acht de geheimhoudingskamer te vaag om dit (zonder meer) als een gewichtige reden aan te merken.

Dit geldt ook voor het beroep van de inspecteur op art. 10 Wob nu voor geheimhouding als bedoeld in art. 8:29 Awb. een sterkere grond aanwezig moet zijn dan de redenen waarom krachtens de Wob een verzoek om informatie kan worden geweigerd.

Gezien het bovenstaande, volgt dat het verzoek van de Inspecteur om geheimhouding grotendeels is gerechtvaardigd en dat de inspecteur thans een keuze moet maken of hij de tussenuitspraak van de geheimhoudingskamer zal naleven of dat hij dat (gedeeltelijk) niet doet, met het risico dat de bestuursrechter in de hoofdzaak daaruit ex art. 8:31 Awb de gevolgtrekkingen kan maken die hem geraden voorkomen.

ECLI:NL:GHSHE:2019:2458

Civiele kort geding rechter niet bevoegd in accijnszaak

Eiseres (handelaar in alcoholproducten) heeft een contract met een Tsjechische klant, waarbij de Tsjechische klant volgens de Tsjechische methode gedenatureerde alcohol afneemt van eiseres.

Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of alcohol die in Nederland volgens de Tsjechische methode is gedenatureerd in Nederland moet worden vrijgesteld van accijns en dus onder geleide van een Vereenvoudigd Administratief Geleidedocument (VAGD) naar Tsjechië mag worden vervoerd, zoals eiseres stelt, of dat vervoer moet plaats vinden met een e-AD en onder zekerheidsstelling voor de accijns, zoals de Staat stelt.

Bovendien stelt de Staat dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar vordering omdat de belastingrechter bij uitsluiting is bevoegd kennis te nemen van dit geschil en dat bij de belastingrechter de rechtsgang voldoende openstaat.

De voorzieningenrechter is het eens met de Staat dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar vordering omdat de belastingrechter bij uitsluiting bevoegd is kennis te nemen van dit geschil en dat bij de belastingrechter een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open staat.

De voorwaarden waaronder accijns op accijnsgoederen wordt geheven, zijn binnen de Europese Unie gereguleerd in de Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992  (hierna: de Accijnsrichtlijn). Artikel 27 van deze Richtlijn bepaalt dat een vrijstelling van accijns geldt voor de uitslag van volledig gedenatureerde alcohol, op voorwaarde dat de denaturatie volgens een door de Europese Unie aanvaarde methode heeft plaatsgevonden.

In de Bijlage bij Verordening 3199/93/EG van 22 november 1993 inzake de wederzijdse erkenning van procedures voor de volledige denaturering van alcohol in verband met de vrijstelling van accijns (hierna: de Bijlage en de Verordening) worden de denatureringsmiddelen, die in iedere lidstaat worden gebruikt als bedoeld in artikel 27 van de Accijnsrichtlijn beschreven. In de Bijlage is een gemeenschappelijke denaturingsprocedure voor volledig gedenatureerde alcohol opgenomen. Deze methode wordt gehandhaafd door veel lidstaten van de Europese Unie, waaronder Nederland. Maar lidstaten zijn onder voorwaarden dus vrij om een andere erkende denatureringsmethode toe te passen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres in dit geval door de bestuursrechtelijke weg te volgen een fiscale beslissing kan uitlokken. Hiertoe heeft eiseres twee opties. Zij kan ervoor kiezen een partij alcohol die volgens de Tsjechische methode is gedenatureerd zelf uit te slaan tot verbruik, daarvoor aangifte te doen met betaling van accijns en bezwaar te maken tegen die eigen aangifte. Een tweede mogelijkheid is dat eiseres de uitgeslagen accijnsgoederen niet in haar periodieke aangifte op neemt, waarna de Belastingdienst een naheffingsaanslag kan opleggen.

Via deze procedure kan de vraag of de in Nederland volgens de Tsjechische methode gedenatureerde alcohol in Nederland van accijns is vrijgesteld aan de daarvoor specifiek aangewezen belastingrechter worden voorgelegd.

Het vorenstaande wordt niet anders door het door eiseres gestelde spoedeisende belang bij haar vordering, onder meer dat zij zonder beslissing in kort geding haar klant zou verliezen. De voorzieningsrechter is verder van oordeel dat eiseres niet gevolgd kan worden in haar  stelling dat zij nu een aanzienlijk en mogelijk financieel risico loopt. Ook in de bestuursrechtelijke procedure als geschetst kan een voorlopige voorziening worden gevraagd. Het is niet aannemelijk geworden dat dit heel lang kan duren, te meer nu door de Staat uitdrukkelijk is toegezegd dat de belastingdienst bereid is mee te werken aan een spoedige behandeling in een bestuursrechtelijke procedure.

De voorzieningsrechter verklaart eiseres niet-ontvankelijk.

ECLI:NL:RBDHA:2019:12039

Rentevergoeding bij terugbetaling van in strijd met Unierecht geheven antidumpingrechten

Belanghebbende, Eurobolt BV, handelt in stalen en ijzeren bevestigingsmiddelen. Met het oog op verkoop in de Europese Unie koopt zij deze producten in bij fabrikanten en leveranciers, onder meer gevestigd in China, Maleisië en Taiwan. Op naam en voor rekening van belanghebbende zijn aangiften gedaan voor goederen met als aangegeven oorsprong Maleisië.

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 723/2011 van de Raad van 18 juli 2011 heeft de Raad het ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China uitgebreid tot aangewezen soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, verzonden uit Maleisië en al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië.

De inspecteur heeft aan belanghebbende uitnodigingen tot betaling uitgereikt voor antidumpingrechten omdat de bevestigingsmiddelen die belanghebbende van haar twee leveranciers uit Maleisië heeft betrokken volgens hem niet van heffing zijn vrijgesteld nu deze van oorsprong China zijn. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt, gevolgd door beroep en hoger beroep.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of Verordening 723/2011 ongeldig moeten worden verklaard.

Nadat het Hof de stelling van belanghebbende dat de uitbreidingsverordening ongeldig moet worden verklaard heeft verworpen en de uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten in stand heeft gelaten heeft de Hoge Raad deze kwestie als een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voorgelegd.

Bij arrest van het Hof van Justitie van 3 juli 2019 C-644/17 heeft het Hof van Justitie Uitvoeringsverordening 723/2011 ongeldig verklaard nu deze is vastgesteld in strijd met artikel 15 lid 2, van de Basisverordening. Immers bij de procedure tot instelling van deze verordening heeft de Europese Commissie naar het oordeel van het Hof de belangen en verdedigingsrechten van belanghebbende geschonden door na te laten de informatie die belanghebbende had toegestuurd, tijdig aan de leden van het raadgevend comité te doen toekomen.

In de cassatieprocedure bij de Hoge Raad is thans de vraag aan de orde wat de gevolgen van dit arrest voor de onderhavige uitnodigingen tot betaling zijn. Gezien het feit dat het Hof van Justitie Uitvoeringsverordening 723/2011 ongeldig heeft verklaard, zijn – naar het oordeel van de Hoge Raad – de bij die verordening ingestelde antidumpingrechten niet wettelijk verschuldigd, zodat de uitnodigingen tot betaling moeten worden vernietigd zodat de reeds betaalde antidumpingrechten aan belanghebbende moeten worden terugbetaald.

Belanghebbende heeft voorts een verzoek gedaan tot vergoeding van rente over de terug te betalen antidumpingheffing. Dit verzoek wijst de Hoge Raad toe. De ongeldigverklaring van de Vo. (EU) 723/2011 brengt mee dat onverschuldigd betaalde bedragen aan antidumpingheffing bij terugbetaling moeten worden vermeerderd met rente daarover vanaf de dag waarop die bedragen zijn betaald. Bij gebreke van een Unieregeling hieromtrent, is het aan de lidstaten om de voorwaarden vast te stellen waaronder deze rente betaald moet worden. Deze voorwaarden moeten het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen. Omdat ook de Nederlandse wetgever niet in een wettelijke rentevergoeding voorziet, kan deze daarom desgevraagd worden toegekend met toepassing van artikel 8:73 Awb. Voor de berekening van de te vergoeden rente geldt daarbij de regeling van artikel 6:119 BW. Dit betekent dat de wettelijke rente van art. 6:120 lid 1 BW moet worden toegepast en dat deze samengesteld wordt berekend.

Het Unierechtelijke beginsel van gelijkwaardigheid eist dat de renteregeling niet ongunstiger mag zijn dan de regeling die geldt voor soortgelijke aan het nationale recht ontleende rentevorderingen. De aard van de onderhavige rentevordering komt overeen met die van de rentevergoeding bij terugbetaling van nationale rijksbelastingen die in strijd met het Unierecht zijn geheven en betaald. Dit is de renteregeling van art. 28c in samenhang met artikel 29 IW. Indien de conform deze regeling te berekenen rente hoger is dan de rente conform voornoemde bepalingen in het BW, dan moet op grond van het gelijkheidsbeginsel, de renteregeling in het BW wijken voor de renteregeling conform de IW.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond. Belanghebbende krijgt derhalve de nodige gelden terug met rente, zoals door de Hoge Raad is beredeneerd.

ECLI:NL:HR:2019:1875

Wob-verzoek. Douanegegevens met betrekking tot Westelijke Sahara zijn geheim; alleen ten aanzien van controleopdracht is weigering openbaarmaking onvoldoende gemotiveerd door de Staatsecretaris

Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) heeft een Wob-verzoek gedaan bij het Ministerie van Financiën. Hierin verzoekt zij onder meer alle documenten over de periode oktober 2012 t/m september 2017 ten aanzien van het volgende:

  • de Nederlandse import en transito van producten afkomstig uit de Westelijke Sahara
  • de Nederlandse import en transito van producten, waaronder vis, zout, groenten, fruit, fosfaat, afkomstig uit Marokko en
  • alle beleidsstukken over de etikettering en certificering van producten afkomstig uit de Westelijke Sahara, over de voorwaarde dat de opbrengsten van de bedrijfsactiviteiten in de Westelijke Sahara te goede komen aan de oorspronkelijke Sahrawi-bevolking, over het belastingtarief voor producten afkomstig uit de Westelijke Sahara en, tot slot, over de toepasselijkheid van handel – en associatieverdragen tussen de EU en Marokko op de Westelijke Sahara.

Bij het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar van SOMO tegen de nagenoeg volledige afwijzing van haar verzoek gegrond verklaard voor wat betreft het openbaar maken van een brief van de directeur-generaal van de Belasting en Douane Uni van de EU. Voor het overige heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard.

Primair stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat alle gegevens, zoals verzocht onder punt 1 en 2 Wob-verzoek, onder het beroepsgeheim van artikel 12 DWU vallen en dat deze door de rechtstreekse werking voorrang geniet boven de Wob.

Subsidiair stelt de staatsecretaris dat via artikel 1:5 van de ADW de bepalingen uit het DWU, waaronder artikel 12, volledig zijn overgenomen in de nationale douanewetgeving. De ADW is een ook een lex specialis ten opzichte van de Wob. De staatsecretaris is van mening dat het regime van de geheimhoudingsbepaling voortkomend uit het DWU en de ADW niet kan worden doorbroken.

SOMO stelt dat het DWU geen lex specialis is ten opzichte van de Wob. SOMO heeft aangevoerd dat enkel sprake is van een lex specialis als deze wordt vermeld in de Wob.

De rechtbank oordeelt dat het DWU verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke Lid Staat. Dit betekent dat het DWU rechtstreekse werking heeft binnen de Nederlandse rechtsorde en daardoor geen voorrang geniet boven het nationale recht. Bij het toepassen van de communautaire geheimhoudingsbepaling van artikel 12 DWU komt men dus niet toe aan de toepassing van de Wob. Bovendien stelt de Rechtbank dat via artikel 1:5 van de ADW, artikel 12 van het DWU  integraal is opgenomen in de ADW. De ADW is volgens de rechtbank een lex specialis ten opzichte van de Wob. Dus het standpunt van SOMO dat enkel sprake is van een lex specialis als die in het Wob vermeld staat, vindt geen steun te vinden in de rechtspraak.

Wat betreft de door SOMO verzochte controleopdracht is rechtbank – nadat zij van het stuk kennis heeft genomen op de voet van art. 8:29 Awb – van oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het document integraal is geweigerd. De staatssecretaris had het document – nu een deugdelijke motivering ontbreekt – niet integraal mogen weigeren.

De rechtbank biedt de staatssecretaris gelegenheid om het motiveringsgebrek te herstellen nadat de staatssecretaris opnieuw heeft bekeken welke informatie in de controleopdracht openbaar kan worden gemaakt.

ECLI:NL:RBAMS:2019:5777

Eiseres ontzenuwt vermoeden van ontduiking antidumpingrechten op biodiesel uit Canada

Eiseres heeft eind 2009 en begin 2010 voor importeur X aangiften gedaan voor in het vrije verkeer brengen van biodiesel. Als land van oorsprong is Canada aangegeven.

In februari 2010 ontvangt het Europese Anti-Fraude bureau (hierna: OLAF) informatie van de European Diesel Board dat bij de invoer in het vrije verkeer van biodiesel uit de VS de compenserende heffing en de antidumpingheffing zouden worden ontdoken. Er wordt vermoed dat de biodiesel met oorsprong VS valselijk werd vermengd en aangeven als biodiesel met oorsprong Canada. OLAF heeft een onderzoek ingesteld naar de mogelijke ontduiking van antidumpingheffing bij de invoer van biodiesel met oorsprong VS.

Naar aanleiding van de bevindingen van dat onderzoek heeft verweerder (hierna: de douane) ter zake van de invoer van biodiesel aan eiseres twee UTB’s van antidumpingrechten en compenserende rechten opgelegd.

Tussen partijen is in geschil of de UTB’s terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of eiseres met het bewerken van de biodiesel in Canada slechts ontduiking van antidumpingrechten en compenserende rechten heeft beoogd in de zin van art. 25 CDW.

In art. 25 CDW is bepaald dat wanneer verwerkingen of bewerkingen slechts ontwijking beogen van bepalingen die in de Unie of in lidstaten op goederen uit bepaalde landen van toepassing zijn, zoals antidumpingmaatregelen, de daardoor verkregen goederen in geen geval worden geacht van oorsprong te zijn uit het land waar deze ver- of bewerkingen plaatsvinden.

Verweerder is van mening dat eiseres met de door haar verrichte bewerkingen slechts ontduiking van antidumpingrechten heeft beoogd en zich met BOI-aanvragen schuldig heeft gemaakt aan fiscale grensverkenning. De inspecteur verwijst daarvoor allereerst naar het aangiftepatroon in 2009 onder de stelling dat de handelwijze van eiseres vergelijkbaar is met die van Brother in de zaak die heeft geleid tot het Brother-arrest van het HvJ EU.

In de tweede plaats verwijst verweerder naar het rapport van OLAF. Hierin werd aangevoerd dat eiseres biodiesel uit de VS in Canada heeft geïmporteerd, dat zij tevens biodiesel in Canada heeft aangekocht, dat de Amerikaanse biodiesel niet aan de kwaliteitsstandaard van de Europese Unie voldeed en dat zowel de Amerikaanse als de Canadese biodiesel in Canada in tanks is opgeslagen en aldaar met elkaar vermengd is op zodanige wijze dat sprake was van een biodiesel die aan de EU kwaliteitsstandaard voldeed.

Volgens OLAF bedroeg de hoeveelheid Canadese diesel in ieder mengsel minder dan 30%, was het mengen in Canada economisch niet gerechtvaardigd, zou het goedkoper zijn geweest om de mengactiviteiten in de VS te laten plaatsvinden en zou eiseres pas na de introductie van de antidumpingheffingen op Amerikaanse biodiesel zijn begonnen met haar Canadese activiteiten, zodat belanghebbende zich volgens de inspecteur bediende van een ‘truc’ om de heffing voor te zijn.

Volgens het Hof volgt uit het Brother-arrest dat in een geval als het onderhavige de belanghebbende moet bewijzen dat niet het streven om aan de gevolgen van de antidumpingrechten te ontkomen, maar een ander redelijk motief ten grondslag lag aan haar beslissing. Nu het dossier, gelet op de volgtijdelijkheid van de aangiften, waarbij eerst de VS als land van oorsprong werd aangegeven en eiseres vanaf het moment waarop het definitieve antidumpingrecht werd ingesteld in haar aangiften is overgegaan op de vermelding van Canada als land van herkomst én land van oorsprong, heeft het hof onderzocht wat telkens de beweegredenen van eiseres zijn geweest om:

  1. een vestiging in Canada op te richten,
  2. biodiesel vanuit de VS over te brengen naar Canada en
  3. de VS biodiesel zodanig met de Canadese biodiesel te mengen dat een biodiesel ontstond die aan de EU kwaliteitsstandaard voldeed.

Ad 1

Naar het oordeel van het Hof heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat haar plannen tot het betreden van de Noord-Amerikaanse biodieselmarkt, vanuit Canada, dateren van vóór de indiening van de eerste klacht door de European Biodiesel Board. Gelet op het tijdstip waarop eiseres haar daarop gerichte handelingen heeft verricht acht het Hof niet aannemelijk dat de instelling van antidumpingrechten op Amerikaanse biodiesel de plannen van eiseres om een vestiging in Canada te openen in belangrijke mate, laat staan volledig heeft bepaald. Ten overvloede overweegt het hof dat van marktdeelnemers niet zonder meer mag worden verlangd dat zij zich reeds vóór het indienen van een officiële klacht bij de Commissie onthouden van economische activiteiten die in de toekomst mogelijkerwijs zullen worden getroffen door beschermingsmaatregelen.

Ad 2

De inspecteur stelt dat het goedkoper was geweest om de mengactiviteiten in de VS te laten plaats vinden, nu het aandeel Amerikaanse biodiesel hoger was dan het aandeel Canadese biodiesel. Eiseres voert aan dat zij langlopende contracten heeft overgenomen en daardoor beschikte over een groot arsenaal aan opslag- en transportfaciliteiten in Canada, zodat geen sprake was van een economisch nadeel zoals door de verweerder geschetst. Het Hof acht het door eiseres gestelde geloofwaardig zodat zij het gerezen bewijsvermoeden in zoverre heeft weten te ontzenuwen.

Ad 3

Hier stelt de inspecteur dat aan een bewerking die ertoe leidt dat wordt voldaan aan de EU kwaliteitsstandaard geen economisch motief ten grondslag ligt, omdat het voldoen aan die norm geen positieve invloed heeft op de handelswaarde/afzetmarkt van biodiesel. Eiseres heeft deze stelling van de verweerder gemotiveerd weersproken, onder verwijzing naar een expertiserapport. Uit dit rapport kwam onder meer naar voren dat vanwege het niet voldoen aan de EU kwaliteitsstandaard de biodiesel niet bruikbaar is. Daarnaast was belanghebbende op basis van contractuele afspraken met haar afnemers er toe verplicht om biodiesel te leveren die aan deze standaard voldeed. Daarom was het mengen dus wel degelijk economisch gerechtvaardigd en commercieel bezien noodzakelijk. Dit alles brengt mee dat het Hof aannemelijk acht dat aan de bewerking ook een economisch gerechtvaardigd motief ten grondslag heeft gelegen.

Gelet op het bovenstaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende het vermoeden dat haar handelwijze enkel was ingegeven door haar wens om aan de gevolgen van de antidumprechten te ontkomen, heeft weten te ontkrachten. Hieruit volgt dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 25 CDW. Hetgeen door verweerder is aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dit houdt in dat moet worden aangenomen dat de onderhavige goederen van Canadese oorsprong zijn, zodat bij de invoer daarvan in de EU geen antidumpingrechten verschuldigd zijn geworden. Het hof vernietigt de UTB’s.

ECLI:NL:GHAMS:2019:3797

Geen succesvol beroep op verdedigingsbeginsel

Eiseres drijft een onderneming in internationale handel van groente en fruit in de vorm van een besloten vennootschap, BV X.

Ten behoeve van eiseres zijn aangiften ten invoer gedaan voor verse knoflook met aangegeven oorsprong Rusland en Turkije. Naar aanleiding van gerezen vermoedens over de onjuistheid van de bedoelde aangiften is de FIOD een onderzoek gestart. De inspecteur heeft uitnodigingen van betaling opgelegd, omdat hij van oordeel is dat de knoflook afkomstig is uit China. Hiertegen is BV X in beroep gegaan en stelde dat het verdedigingsbeginsel was geschonden nu zij niet was gehoord vóór het uitreiken van de uitnodigen van betaling.

Na cassatie is de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam. Gelet op het verwijzingsarrest moet het hof eerst onderzoeken of er omstandigheden waren die kunnen rechtvaardigen dat belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling is gehoord. Is dat het geval dan moet het hof beoordelen of vaststaat dat voldoende waarborgen bestaan voor opschorting van de tenuitvoerlegging van het bezwarende besluit.

Het hof betrekt nieuwe rechtspraak van het Hof van Justitie die na het verwijzingsarrest is verschenen bij zijn beoordeling. In het arrest op prejudiciële vragen van de Italiaanse cassatierechter (C-276/16, Prequ’ Italia Srl) heeft het Hof van Justitie overwogen dat het vaste rechtspraak is dat het algemene Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging geen absolute gelding heeft, maar beperkingen kan bevatten, indien deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.

Het Hof van Justitie heeft eerder ook erkend dat het algemeen belang van de Europese Unie en met name het belang dat zij heeft bij een snelle inning van haar eigen middelen, vereisen dat de controles direct en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd. Betreffende beschikkingen tot invordering van een douaneschuld, is het algemeen belang van de Unie bij een snelle inning van haar eigen middelen de reden waarom artikel 244, van het douanewetboek bepaalt dat instelling van beroep tegen een belastingaanslag slechts tot gevolg heeft dat tenuitvoerlegging van die aanslag wordt opgeschort, alleen wanneer redenen bestaan om aan de overeenstemming van de aangevochten beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.

Het Hof stelt dat bovenaangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie buiten twijfel stelt dat, wanneer sprake is van een (bezwarende) douanebeschikking, het algemeen belang van de Europese Unie en in het bijzonder het belang dat de Unie heeft bij de snelle inning van haar eigen middelen, een algemeen belang vormen dat rechtvaardigt dat niet vooraf wordt gehoord, als maar vaststaat dat de nationale bepalingen ter uitvoering van de in artikel 244, van het douanewetboek vastgelegde voorwaarden voor opschorting van de tenuitvoerlegging van douanebeschikkingen niet eng worden toegepast of uitgelegd. Dit geldt onverkort voor de in deze zaak nog in geschil zijnde uitnodigingen tot betaling.

De – ten tijde van de bezwaarschriften geldende – Leidraad Invordering 1990 bepaalt dat in het geval een belastingplichtige bezwaar maakt, het bezwaarschrift ook als een verzoek om uitstel van betaling wordt aangemerkt.  Wel wordt bij het verlenen van uitstel voor bedragen vermeld in een uitnodiging van betaling in beginsel altijd zekerheidstelling verlangd. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 244, van het douanewetboek.

Derhalve bood de Leidraad voor de onderhavige situaties een adequate waarborg voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de UTB’s.

De hiervoor genoemde omstandigheden rechtvaardigen dat de inspecteur in de zaak in kwestie de eiseres niet voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. Daarom is in dit geval geen afbreuk gedaan aan de eerbiediging van de rechten van verdediging van eiseres en behoeft niet te worden beoordeeld of het besluitvormingsproces van de inspecteur een andere afloop had kunnen hebben.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1743

 

 

Exportcontrole handel met Iran: verzoek om intrekking catch-all beschikking terecht afgewezen

Bij beschikking van 2 januari 2008 (hierna: catch-allbeschikking 1) heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken aan eiseres medegedeeld dat het eiseres verboden is zonder vergunning ingots van nikkellegering uit te (laten voeren) naar Iran. Bij beschikking van 10 februari 2009 (hierna: catch-allbeschikking 2) heeft de Staatssecretaris aan eiseres medegedeeld dat het eiseres verboden is zonder vergunning onderdelen voor gasturbines naar Iran te (laten) uitvoeren.

Bij brieven van 8 april en 25 augustus 2015 heeft eiseres aan verweerder verzocht om intrekking van beide catch-allbeschikkingen, in verband met de ontwikkelingen die te verwachten zijn op het gebied van het opheffen van sancties tegen Iran dan wel een tussenoplossing te treffen. In zijn reacties heeft verweerder onder meer meegedeeld dat het ministerie beschikt over inlichtingen die aangeven dat de betreffende onderdelen voor gasturbines een rol zullen kunnen krijgen gerelateerd aan de ontwikkeling van kernwapens. Verder stelt verweerder dat het “Joint Comprehensive Plan of Action” nog moet worden bekrachtigd, pas in werking treedt na inspecties en voorziet in gefaseerde opheffing van sancties tegen Iran, waarbij voor bepaalde nucleair gerelateerde sancties een termijn van acht jaar is voorzien. Volgens de verweerder is er hierdoor geen aanleiding om de catch-allbeschikkingen nu al in te trekken.

In het douanegeschil voor de rechtbank Noord-Holland is deze afwijzing van het Ministerie van Economische Zaken in geschil.

Ten aanzien van de eerste catch-allbeschikking heeft eiseres geen procesbelang, nu zij na het opleggen van deze beschikking geen uitvoervergunning voor ingots heeft aangevraagd en zij niet (meer) in deze goederen handelt. In zoverre is het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank stelt voorop dat de afwijzing van het verzoek van de tweede catch-allbeschikking moet worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van de uitspraak op bezwaar, dat is 8 augustus 2016.

Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek met name gebaseerd op een door hem op 17 september 2015 ontvangen ambtsbericht van de Nederlandse Inlichtingen- en veiligheidsdienst (NIVD). Verweerder heeft dit ambtsbericht onder geheimhouding aan de rechtbank toegezonden. De rechtbank heeft echter geen kennis kunnen nemen van de inhoud van dit stuk, omdat eiseres, nadat de geheimhoudingskamer had geoordeeld dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd was,  de rechtbank daartoe geen toestemming had verleend.

De gevolgen van het weigeren van toestemming komen ingevolge art 8:29, vijfde lid, van de Awb, volgens de rechtbank in beginsel voor rekening van eiseres. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in dit geval anders over te oordelen en gaat dan ook uit van de juistheid van de stelling van de verweerder over dit geheime stuk, namelijk dat op grond van dit stuk ook ten tijde van de uitspraak op bezwaar niet kan worden uitgesloten dat de gasturbines een rol zullen krijgen gerelateerd aan de ontwikkeling van kernwapens.

De rechtbank weegt voorts mee dat eiseres bij vonnis van 18 februari 2019 van de rechtbank van Limburg – wegens het (samen met medeverdachten) opzetten van meerdere schijnconstructies in 2009 en 2010 met als doel om, in strijd met de catch-allbeschikking 2, zonder uitvoervergunning gasturbineonderdelen via een omweg aan klanten in Iran te leveren en wegens valsheid in geschrifte – veroordeeld tot een geldboete. Reeds daarom vindt de door verweerder in zijn bestreden besluit meegewogen omstandigheid dat het vertrouwen van verweerder dat eiseres zich aan de geldende exportcontrolewetgeving houdt schade heeft opgelopen, voldoende grondslag in de feiten.

De stelling van eiseres dat de catch-allbeschikking 2 de concurrentiepositie van eiseres onevenredig benadeelt, volgt de rechtbank niet nu deze beschikking geen uitvoerverbod inhoudt. Dat de vergunningsplicht de handel van eiseres feitelijk onmogelijk maakt, is door eiseres niet aannemelijk gemaakt. Voorts heeft verweerder ter zitting voldoende toegelicht dat ook voor meerdere andere Nederlandse bedrijven een ad hoc vergunningsplicht geldt. Aan alle opgelegde catch-allbeschikkingen ligt een individuele belangenafweging ten grondslag, die afhankelijk van het veiligheidsbelang en de mate van compliance van het bedrijf, per bedrijf verschillend kan uitpakken.

Gelet op het bovenstaande heeft verweerder ook  het verzoek om intrekking van de catch-allbeschikking 2 naar het oordeel van de rechtbank kunnen afwijzen. Verder heeft de verweerder kunnen stellen dat het treffen van een tussenoplossing niet mogelijk is, omdat het omleidingsrisico alleen in concrete gevallen en niet op voorhand kan worden beoordeeld. Het beroep is ongegrond verklaard.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:5447

Rechtbank vernietigt UTB: Chinese oorsprong zonnepanelen niet aannemelijk gemaakt

In de periode van 12 mei tot en met 8 juli 2014 zijn in naam en voor rekening van eiseres aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van zonnepanelen met land van oorsprong en land van verzending Taiwan. Bij elke aangifte is een niet-preferentieel Certificaat van Oorsprong overgelegd van de New Taipei City Commerce (Taiwanese Kamer van Koophandel). De bij elke aangifte behorende bescheiden vermelden de nummers van de containers waarin de desbetreffende zonnepanelen van Taiwan naar Rotterdam zijn vervoerd.

Het antifraudebureau van de Commissie (hierna: de OLAF) heeft na onderzoek te hebben verricht bij eiseres een missierapport opgesteld. Op grond van de bevindingen van de OLAF heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de onderhavige zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn. De verweerder reikt om die reden een verzamel-utb uit aan eiseres.

In geschil is of de verzamel-utb terecht is uitgereikt. Eiseres stelt dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn bewijslast. Het OLAF-rapport kan volgens eiseres niet dienen als bewijs, omdat de OLAF niet bevoegd was tot onderzoek in Taiwan. Ook zijn de gegevens, verkregen van de Taiwanese douane, waar de OLAF zich op heeft gebaseerd niet controleerbaar en bevat het rapport veel onjuistheden, onvolledigheden en discrepanties. Bovendien heeft eiseres zelf ook onderzoek gevoerd naar de bewegingen van de schepen die de zonnepanelen vanuit China naar Taiwan zouden hebben vervoerd. Hieruit is gebleken dat de oorsprong van de onderhavige zonnepanelen niet China is.

Verweerder stelt dat hij zich mag baseren op de constateringen zoals vastgesteld in het OLAF-onderzoek en de onderzoeksgegevens. Wel erkent de inspecteur dat in een aantal gevallen de L1- en D5-gegevens niet goed zijn gematched.

De rechtbank stelt dat annex 3 bij het OLAF-rapport, waarin de L1 en de D5-aangiften aan elkaar zijn gekoppeld, de kernt vormt van het bewijs waarop de verweerder zijn standpunt baseert. Gaandeweg de procedure hebben er aanvullingen en correcties op annex 3 plaatsgevonden. De verweerder heeft de wijzigingen niet toegelicht en ook niet kunnen uitleggen. De verweerder erkent ter zitting dat ook na de aanpassingen de match tussen de L1- en D5-aangiften nog steeds niet klopt.

De gegevens die de Taiwanese douane heeft verstrekt aan de OLAF, houden bovendien in dat de onderhavige zonnepanelen vanuit China naar Taiwan zijn vervoerd met schepen. Aangezien de zonnepanelen zijn verkocht door I LTD., gevestigd in Ningbo (China), zou het logisch zijn dat de zonnepanelen vanuit de haven van Ningbo naar Taiwan zijn verscheept. Verweerder heeft dat ter zitting desgevraagd bevestigd.

Eiseres heeft voor de desbetreffende schepen de scheepsbewegingen overgelegd die zij via Vesselfinder heeft verkregen. Deze overgelegde scheepsbewegingen ontkrachten dat de onderhavige zonnepanelen vanuit Ningbo (China) naar Taiwan zijn verscheept. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen geloofwaardigheid aan de bevindingen van de OLAF kan worden toegekend. Verweerder heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige zonnepanelen de oorsprong China hebben.

De rechtbank verklaart het beroep van eiseres gegrond en vernietigt de verzamel-utb.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:6209