Categorie: Douane

OLAF-rapport biedt voldoende overtuigend bewijs voor naheffing

Op 5 december 2015 doet A B.V. in naam en voor rekening van eiseres aangifte voor in het vrije verkeer brengen van zonnepanelen met als land van oorsprong Taiwan. Bij de betreffende aangifte wordt een Certificaat van Oorsprong overlegd van de New Taipei City Chamber of Commerce met B Ltd gevestigd in Taiwan als exporteur en eiseres als importeur. Volgens de bill of lading zijn de zonnepanelen via Taiwan naar Rotterdam vervoerd.

Het Europees bureau voor fraudebestrijding (hierna OLAF) heeft echter in dezelfde periode onderzoek verricht naar Chinese zonnepanelen die via Taiwan worden verhandeld. Uit het onderzoek komt naar voren dat de betreffende zonnepanelen via een Chinese verkoper in de Free Trade Zone in Taiwan terecht zijn gekomen. De Taiwanese douane bevestigt dat het be- of verwerken van goederen in de Free Trade Zone uitdrukkelijk verboden is.

In geschil is of de Inspecteur vervolgens terecht is overgegaan tot boeking achteraf van antidumpingrechten en in het bijzonder of is gebleken dat de zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 78, derde lid, CDW overtuigend moet worden aangetoond dat de zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn. Eiseres meent dat verweerder niet aan zijn bewijslast heeft voldaan nu uit de gegevens van het OLAF-rapport blijkt dat de gegevens aangaande de koppeling van containers met zonnepanelen niet verifieerbaar zijn en zodoende de Chinese oorsprong niet is gebleken. Ook kan volgens eiseres verweer niet volstaan met slechts aannemelijk maken.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij aan zijn bewijslast heeft voldaan nu uit het OLAF-onderzoek is gebleken dat de door eiseres ingevoerde zonnepanelen vanuit China via Taiwan naar de Europese Unie zijn doorgevoerd. Doordat er geen be- of verwerking is toegestaan de Free Trade Zone hebben de zonnepanelen de oorsprong China behouden.

De rechtbank overweegt dat uit het woord ‘blijken’ volgt dat dit wordt gebruikt wanneer bepaalde feiten overtuigend moeten worden aangetoond (HR 27 januari 1971, ECLI:GHAMS:2016:5574). Nu uit het OLAF-rapport blijkt dat de aantallen, het type en het gewicht van de in geding zijnde zonnepanelen die uit de Free Trade Zone zijn uitgeslagen onder vermelding van oorsprong Taiwan en één dag eerder in de Free Trade Zone zijn ingeslagen onder opgave van oorsprong China en ook het opgegeven containernummer, de naam van de Taiwanese exporteur overeenkomen, kan geconcludeerd worden dat de werkelijk oorsprong China is.

Anders dan eiseres heeft betoogd, acht de rechtbank de informatie uit de administratie van de Free Trade Zone voldoende bewijs en is het niet noodzakelijk dat ook de onderliggende bescheiden worden overlegd. Verweerder heeft zodoende aan zijn bewijslast voldaan. De antidumpingrechten zijn terecht nagevorderd.

Rechtbank Noord-Holland 3 mei 2018 (publicatie 10 januari 2019), ECLI:NL:RBNHO:2018:3557

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:3557

Oorsprong partij knoflookbollen niet bewezen door laboratoriumonderzoek

Op 20 november 2007 wordt door belanghebbende aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van een partij verse knoflookbollen. Bij de invoer wordt aangegeven dat het land van oorsprong Pakistan is. Tijdens verificatieonderzoek door de Douane worden monsters genomen van diverse exemplaren van de knoflookbollen. Na onderzoek door een Amerikaans laboratorium wordt vastgesteld dat de knoflookbollen 98-99% matchen met Chinese knoflook.

In de hofuitspraak wordt geoordeeld dat de Inspecteur met het overleggen van de resultaten uit het Amerikaanse laboratoriumonderzoek heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de oorsprong van de knoflook China is. In de eerste cassatie wordt echter geoordeeld dat het bewijsoordeel van het Hof ontoereikend is gemotiveerd.

Hierop heeft het Hof na verwijzing een deskundige benoemd die zowel schriftelijk als ter zitting vragen heeft beantwoord. Vervolgens heeft het Hof een oordeel gegeven over de betrouwbaarheid van de onderzoeksbevindingen van het Amerikaanse laboratorium en geconcludeerd dat de bevindingen als bewijs kunnen worden gebruikt. De Inspecteur heeft volgens het Hof voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

In de tweede cassatie slaagt het middel van belanghebbende dat de verklaring van de deskundige juist wijst op onbetrouwbaar onderzoek omdat de hoeveelheid Pakistaanse knoflookbollen die als vergelijkingsmateriaal is betrokken in het onderzoek dan het Amerikaanse Laboratorium klein is, dat uit de door het Amerikaanse laboratorium verschafte informatie niet zelfstandig kan worden afgeleid of er overlap is tussen Chinese en Pakistaanse knoflookbollen-populaties en dat bij gebreke van voldoende inzicht in de representativiteit van het vergelijkingsmateriaal niet valt te beoordelen in hoeverre de onderzoeksbevindingen juist of onjuist zijn. Gelet op de verklaring van de deskundige acht de Hoge Raad het oordeel van het Hof dat de onderzoeksbevindingen betrouwbaar zijn en dat de Inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast, onbegrijpelijk.

De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven, waarna het (tweede) verwijzingshof opnieuw moet beoordelen over de vraag of de Inspecteur voor de ingevoerde knoflookbollen de oorsprong China heeft bewezen.

Tot slot merkt de Hoge Raad nog op – en dat is wel bijzonder – dat uit het oogpunt van een behoorlijke rechtspleging het Hof na verwijzing de zaak dient te behandelen in een volledig andere samenstelling van raadsheren die nog niet bij de zaak betrokken zijn geweest.

Hoge Raad 15 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:164&showbutton=true&keyword=knoflookbollen+china+laboratorium

Douane voldoet niet aan bewijslast, naheffingsaanslag en boetebeschikking vernietigd

Tijdens een door de Douane uitgevoerde controle aan boord van een motorschip dat blanke biodiesel vervoerd wordt vastgesteld dat in de brandstoftanks van het schip gasolie aanwezig is. Dit wordt gebruikt voor de vrijgestelde doelstelling, te weten de voortstuwing van het schip. Van de aanwezige gasolie worden diverse monsters genomen, die vervolgens pas ruim vijf maanden later worden onderzocht in het Douanelaboratorium. Uit het onderzoekt volgt dat er in de gasolie een lager gehalte aan Solvent Yellow 124 (hierna SY) aanwezig is dan is voorgeschreven in artikel 13, eerste en tweede lid van de Uitvoeringsregeling Accijns. Op het moment van de controle waren er tankbonnen van twee recente tankbeurten aanwezig. De Douane neemt vervolgens het voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag accijns vanwege het niet voldoen aan het wettelijke voorgeschreven SY-gehalte. De douane meent dat de blanke biodiesel is vermengd met de rode gasolie.

Eiser stelt beroep in tegen de naheffingsaanslag en voert onder meer aan dat er herkomstbescheiden (tankbonnen) zijn overgelegd en dat hij op geen enkele wijze hoefde te vermoeden dat de gasolie een afwijkend SY-gehalte zou hebben.

Verweerder concludeert tot ongegrond verklaring van het beroep.

Eiser komt in het licht van artikel 66, eerste lid, letter a van de WA in aanmerking voor een vrijstelling voor accijns ten aanzien van de gasolie indien deze wordt gebruikt voor de aandrijving van een schip en er voldaan is aan het voorgeschreven SY-gehalte. Verweerder moet daarentegen bewijzen dat eiser accijnsgoederen voorhanden heeft als bedoeld in artikel 2 van de WA. Het te lage SY-gehalte verklaart verweerder door te stellen dat de op het schip aanwezige blanke biodiesel door eiser moet zijn vermengd met de gasolie. Over de biodiesel zijn geen accijns betaald. Verweerder stelt nu alle aanwezige gasolie niet voldoet aan de wettelijke vereisten hierover nu accijns zijn verschuldigd.

De rechtbank overweegt dat verweerder heeft nagelaten enig onderzoek te doen naar de herkomst van de gasolie, te meer nu er wel herkomstbescheiden aanwezig zijn. De opmerking dat de tankbonnen afkomstig zijn van bekende bunkerstations en zodoende moet hebben voldaan aan de wettelijke eisen acht de rechtbank onvoldoende. Daar komt bij dat de afwijking in het SY-gehalte slechts gering is. Ook zit er ruim vijf maanden tussen de analyses van het Douanelaboratorium en de uitgevoerde controle. De enkele stelling dat dit tijdsverloop geen invloed heeft op het SY-gehalte in de monsters overtuigt de rechtbank ook niet.

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder met het nalaten van nader onderzoek naar de herkomst van de gasolie onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van eiser. Daarnaast staat vast dat de gasolie niet anders dan voor vrijgestelde doeleinden kan worden gebruikt en het SY-gehalte slechts in geringe mate afwijkt. Verweerder slaagt niet in de op hem rustende bewijslast. De naheffingsaanslag, beschikking belastingrente en boetebeschikking worden vernietigd.

Rechtbank Gelderland 2 november 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4871

Tijdstip van diefstal is moment waarop invoer-btw verschuldigd is

X BV is exploitant van een douane-entrepot waar een partij nikkel is opgeslagen voor een derde. In of omstreeks het vierde kwartaal van 2012 blijkt deze partij nikkel te zijn gestolen. X BV stelt de Belastingdienst/Douane hiervan in januari op de hoogte. Hierop volgt op 1 mei 2013 een uitnodiging tot betaling aan X BV voor de bij invoer verschuldigde btw van ruim € 500.000,-.

X BV dient zijn aangifte over het tijdvak mei 2013 in en voegt hier een bezwaarschrift aan toe waarin hij verzoekt om een (aanvullende) teruggaaf van de bovengenoemde € 500.000,- invoer-btw. De inspecteur wijst het bezwaar af. Ook het hierna door X BV ingestelde beroep wordt door de rechtbank ongegrond verklaard.

X BV stelt hierop hoger beroep in. Bij het Hof komt de vraag aan de orde op welk moment de omzetbelastingschuld is ontstaan. X BV stelt zich op het standpunt dat dit op het moment is dat hij de uitnodiging tot betaling heeft ontvangen (tijdvak mei 2013). De inspecteur stelt zich echter op het standpunt dat nu de diefstal uit het douane-entrepot is geconstateerd in januari 2013, op dat moment de omzetbelastingschuld is ontstaan. In de optiek van de inspecteur is belanghebbende te laat met het indienen van het teruggaveverzoek.

Het Hof overweegt dat de diefstal van de partij nikkel uit het douane-entrepot een onttrekking aan een douaneregime vormt, omdat diefstal wordt aangemerkt als een handelen of een nalaten, dat tot gevolg heeft dat de bevoegde autoriteiten geen toegang meer heeft tot onder douanetoezicht staande goederen. Nu de diefstal in het vierde kwartaal van 2012 plaatsvond is dat het moment waarop de invoer op grond van artikel 18, lid 1, onderdeel c Wet OB heeft plaatsgevonden. Dat de boeking pas later heeft plaatsgevonden en de mededeling daarvan aan de schuldenaar pas op 1 mei 2013 plaatsvond, zorgt echter niet voor een nieuw tijdstip van verschuldigdheid van btw bij invoer.

Het Hof concludeert aldus dat het verzoek om teruggaaf over de maand mei 2013 terecht is afgewezen omdat er in dit tijdvak geen recht op teruggaaf bestaat voor deze btw-invoer.

Opgemerkt dient te worden dat normaliter de situatie van invoer en de uitreiking van de uitnodiging tot betaling samenvalt met het in het vrije verkeer brengen van goederen. Nu er in onderhavig geval sprake is van diefstal kan dit tot complicaties leiden. Het Hof oordeelt dat uiterlijk de invoer-btw ter zake van de goederen verschuldigd is geworden op het moment dat de diefstal door belanghebbende werd geconstateerd.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:2262

Douanewaarde staat vast doordat de goederen zijn vrijgegeven

Belanghebbende heeft op 8 juni 2016 op eigen naam en voor eigen rekening een aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van ruim 31.000 kg alumina. De prijs van de goederen zoals vermeld in de aangifte is ruim negen miljoen dollar, waarbij verkoper A en koper C zijn vermeld. De bijbehorende factuur van 27 maart 2016 waarin dit bedrag is opgenomen, is door eiseres ook overgelegd. De douaneautoriteiten geven de goederen de volgende dag vrij.

Daarnaast wordt door eiseres nog een factuur ingebracht met daarin een bedrag van ruim acht miljoen dollar gemoeid met de levering tussen A en E van dezelfde ruim 31.000 kg alumina. Hierbij komt een verklaring waarin wordt bevestigd dat de factuur is gebaseerd op een contract uit juli 2006.

In geschil is vervolgens of de douane is uitgegaan van de juiste douanewaarde, namelijk de ruim negen miljoen dollar of dat de douanerechten nog kunnen worden vastgesteld op basis van de later ingebrachte factuur tussen A en E.

Eiseres stelt dat er teveel douanerechten worden geheven. De douane is volgens eiseres ten onrechte uitgegaan van de factuurwaarde tussen A en C in plaats van de factuurwaarde tussen A en E. Eiseres eist dientengevolge een vermindering van de UTB.

De douane beroept zich echter op het standpunt dat de transactie voldoet aan de wettelijke eisen en dat het eiseres niet is toegestaan terug te komen op de aangegeven douanewaarde; dat had ten tijde van de aangifte van de aangifte moeten worden gedaan. Daarnaast stelt de douane dat het niet meer mogelijk is om de aangiftegegevens te wijzigen nu de goederen al zijn vrijgegeven.

Met de douane is de rechtbank van oordeel dat een beroep op artikel 347 van de UVo, waarmee de douanewaarde van een eerdere transactie kan worden gehanteerd (die tussen A en E), bij aangifte had moeten worden gedaan. Op grond van artikel 173, tweede lid van het DWU is het niet meer mogelijk om na het vrijgeven van de goederen de aangiftegegevens nog te wijzigen. De rechtbank concludeert zodoende dat de UTB tot het juiste bedrag is opgelegd. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:8718

Voorheen gebruikelijk snelle afhandeling van aangiften voor in het vrije verkeer brengen en vrijgave van goederen is niet afdwingbaar in kort geding bij de civiele rechter

Een logistiek dienstverlener verzorgt de afhandelingen van luchtpakketten die via e-commerce worden verhandeld. De zendingen komen veelal vanuit China op Schiphol aan, waarna de zendingen een bestemming in de EU krijgen. De logistiek dienstverlener doet hiervoor aangiften voor om de zendingen in het vrije verkeer te brengen en heeft ex art. 23 wet OB een vergunning om de omzetbelasting te verleggen, welke daarvoor noodzakelijk is.

Bij de Douane is kennelijk het vermoeden ontstaan dat over de leveringen geen btw wordt betaald. De Douane besluit vervolgens en stelt de logistiek dienstverlener daarvan op de hoogte, dat zij vanaf dat moment eist dat de logistiek dienstverlener voor elke zending eerst een Power of Attorney overlegt verleend door de leverancier aan de dienstverlener.

Daarnaast heeft de Douane in 2017 en 2018 vervolgens diverse zendingen geblokkeerd, gecontroleerd en niet direct vrijgegeven. Hierop spant de logistiek dienstverlener een kort geding aan omdat zij meent dat de Douane onrechtmatig handelt o.a. omdat de Douane bovenmatig veel controles uitvoert, welke vaak pas na langere tijd worden afgerond en gedurende die tijd de goederen blokkeert. Voorts selecteert de Douane grote hoeveelheden zendingen om te controleren maar ontbreekt het de Douane aan capaciteit om die controles tijdig te kunnen verrichten.

Kort en goed vordert de dienstverlener van de Douane om terug te keren naar de gebruikelijk handelwijze en om in gesprek te gaan en afspraken te maken over de controles en communicatie.

De civiele kamer van de rechtbank wenst het geschil echter niet volledig te behandelen. De kamer overweegt dat het geschil over de gewraakte werkwijze moet worden voorgelegd aan de bestuursrechter en wijst de vorderingen daarover af en acht de dienstverlener op bepaalde punten niet ontvankelijk.

Rechtbank Den Haag 19 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9599

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:9599

Conclusie A-G Kokott: latere btw-fraude ontneemt btw-vrijstelling voor de vertegenwoordiger van de importeur niet

In onderhavige zaak voerde de douane-expediteur Vetsch in opdracht van twee Bulgaarse ondernemingen B en K in Oostenrijk goederen in. Vetsch diende daarvoor de aangiften als indirect vertegenwoordiger in en heeft verzocht om vrijstelling van de btw. Vervolgens worden de goederen door een andere expediteur verder naar B en K in Bulgarije vervoerd.

B en K hebben de intracommunautaire overbrenging van Oostenrijk naar Bulgarije naar behoren aangegeven en daarover de verschuldigde belasting voldaan. De Bulgaarse ondernemingen hebben de goederen vervolgens (kennelijk met btw) doorverkocht. Deze verkoop hebben zij echter niet wetsconform aangegeven, maar in plaats daarvan hebben zij aangifte gedaan voor een belastingvrije intracommunautaire levering aan Vetsch. Vaststaat dat die laatste levering niet heeft plaatsgevonden. Naar oordeel van de verwijzende rechter hebben B en K zich in zoverre schuldig gemaakt aan btw-fraude in Bulgarije, maar blijkt niet dat Vetsch hierbij betrokken was.

De prejudiciële vraag die vervolgens opkomt is of Vetsch als vertegenwoordiger van B en K (de importeurs) de btw-vrijstelling overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d, btw-richtlijn kan worden geweigerd, wanneer B en K na de overbrenging van de goederen vanuit de staat van invoer naar een andere lidstaat in een later stadium belastingfraude plegen.

A-G Kokott heeft in deze zaak conclusie genomen. De A-G meent dat nu Vetsch geenszins kan worden verweten dat zij wist of had moeten weten, dat zij haar opdrachtgevers op enigerlei wijze bij een voorgenomen btw-fraude in Bulgarije heeft geholpen, er niet is voldaan aan de door het HvJ EU gestelde voorwaarde voor een directe beperking van de belastingvrijstelling. Daarnaast is het niet verenigbaar met de btw-richtlijn iemand te straffen die niet wist of kon weten dat de betrokken handeling deel uitmaakt van fraude door de leverancier. Tot slot druist ook het feit dat een belastingplichtige voor een belastingvrijstelling afhankelijk wordt gesteld van het (latere) gedrag van een derde, waarop hij geen vat heeft, in tegen het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Aangezien Vetsch geen verwijt kan worden gemaakt, kan deze onderneming zich op de vrijstelling van btw bij invoer blijven beroepen.

HvJ EU Zaak C-531/17, Conclusie A-G Kokott

http://curia.europa.eu/juris/fiche.jsf;jsessionid=9ea7d2dc30d88ad93a4ad90744cd9a16ef8409228428.e34KaxiLc3qMb40Rch0SaxyPaxn0?id=C%3B531%3B17%3BRP%3B1%3BP%3B1%3BC2017%2F0531%2FP&pro=&lgrec=en&nat=or&oqp=&dates=&lg=&language=en&jur=C%2CT%2CF&cit=none%252CC%252CCJ%252CR%252C2008E%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252Ctrue%252Cfalse%252Cfalse&num=C-531%252F17&td=%3BALL&pcs=Oor&avg=&mat=or&jge=&for=&cid=37160

Geen rechtsgeldige directe vertegenwoordiging: vernietiging UTB’s

Douane-expediteur CV A heeft in naam en voor rekening van BV X (hierna belanghebbende) aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van scheepscasco’s afkomstig uit China. Naar aanleiding van een controle heeft de Inspecteur betoogd dat de voor het vrije verkeer aangegeven scheepscasco’s geen casco’s voor zeeschepen zijn. BV X is aangesproken voor de volgens de Inspecteur verschuldigde douanerechten.

In beroep stelt BV X zich op het standpunt dat zij niet kon worden aangemerkt als douaneschuldenaar in de zin van artikel 201, lid 3, CDW omdat de douane-expediteur niet beschikte over een geldige volmacht om namens haar op te treden. De betreffende volmacht was slechts door een van de bestuurders van belanghebbende ondertekend, terwijl deze uitsluitend gezamenlijk bevoegd zijn om namens belanghebbende op te treden. Dit blijkt tevens uit het handelsregister. De douane is zonder nader onderzoek ervan uitgegaan dat belanghebbende zich rechtsgeldig heeft laten vertegenwoordigen door de douane expediteur als direct vertegenwoordiger als bedoeld in art. 5 lid 2, aanhef en eerste streepje, CDW.

In cassatie richt het eerste middel zich tegen ’s Hofs oordeel dat belanghebbende rechtsgeldig is vertegenwoordigd door CV A. De Hoge Raad overweegt dat om onder deze omstandigheden te kunnen oordelen dat de douane-expediteur belanghebbende bevoegd heeft vertegenwoordigd als direct vertegenwoordiger in de zin van artikel 5, lid 2, aanhef en eerste streepje, van het CDW, een van de volgende situaties zich moet hebben voorgedaan:

1) de andere bestuurder van belanghebbende heeft voorafgaand aan het doen van de aangifte ingestemd met het verlenen van de volmacht,

2) de andere bestuurder heeft nadien het verlenen van de volmacht bekrachtigd door een verklaring als bedoeld in artikel 3:33 BW in samenhang gelezen met artikel 3:37 BW, gericht tot CV A,

3) de beide bestuurders hebben de in naam van belanghebbende gedane douaneaangiften bekrachtigd door een verklaring als bedoeld in artikel 3:33 BW in samenhang gelezen met artikel 3:37 BW, gericht tot de Inspecteur.

De Hoge Raad oordeelt dat geen van de omschreven situaties zich heeft voorgedaan en daarmee belanghebbende geen douaneschuldenaar is op grond van art. 201 lid3 eerste alinea CDW.

Ook verwerpt de Hoge Raad het bij de rechtbank aangevoerde beroep van de Inspecteur op schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Uitgangspunt voor toerekening van schijn van volmachtverlening is dat de wederpartij gerechtvaardigd heeft moeten kunnen vertrouwen op volmachtverlening aan de in werkelijkheid onbevoegden tussenpersoon op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegde vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvatting zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Ook dit is niet gebleken.

Hoge Raad 18 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1314

Verdedigingsbeginsel en certificaten van oorsprong helpen douane-expediteur niet

In de periode tussen 1 januari 2008 en 31 december 2010 heeft X BV (hierna: belanghebbende) namens verschillende importeurs meer dan 1000 aangiften ingediend voor textiel en schoeisel uit voornamelijk China en Bangladesh. Belanghebbende heeft de aangiften verzorgd als direct vertegenwoordiger van de betreffende importeurs.

Uit onderzoek van de OLAF zou blijken dat de oorsprong van de goederen niet Bangladesh is, maar dat de oorsprong Hong Kong dan wel China zou zijn. Ook zou blijken dat de certificaten van oorsprong vals waren.

Het Hof stelt voorop dat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat sprake is geweest van grootschalige fraude bij de invoer van kleding uit China door persoon X. X heeft door meerdere douane-expediteurs, waaronder belanghebbende, goederen in het vrije verkeer doen brengen op naam en voor rekening van meerdere Europese bedrijven, zoals de Zweedse bedrijven Y AB en A Ltd. Het lijdt naar ’s Hofs oordeel geen twijfel dat Y AB en A Ltd er niet van op de hoogte waren dat hun naam en voor hun rekening op grote schaal kleding werd geïmporteerd en dat hun btw-nummers daarvoor buiten hun medeweten werden misbruikt.

Partijen houdt verdeeld of en in hoeverre belanghebbende de financiële gevolgen dient te dragen voor voornoemde fraude. Belanghebbende voert in hoger beroep aan dat het verdedigingsbeginsel is geschonden. Ook betoogt belanghebbende dat de inspecteur voor geen van de zendingen aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan dat de aangegeven oorsprong onjuist is.

Over het verdedigingsbeginsel overweegt het Hof in tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank dat er na het kenbaar maken van het voornemen tot vaststelling van de utb’s veelvuldig contact heeft plaatsgevonden tussen belanghebbende en de inspecteur. Nu de utb’s enkele maanden later voor in totaal ongeveer vijf miljoen euro worden uitgereikt in plaats van het voor het voorgenomen aangekondigde bedrag van meer dan twaalf miljoen euro kan niet anders worden geoordeeld dat belanghebbende niet is geïnformeerd of in de gelegenheid is gesteld haar opmerkingen kenbaar te maken. Wel overweegt het Hof dat dergelijke verzuimen in beginsel een schending van het verdedigingsbeginsel met zich brengt, maar in onderhavig geval is kort na het uitreiken van de utb’s het heffingsdossier alsnog aan belanghebbende ter inzagen verstrekt. Volgens het Hof is het verzuim zodoende hersteld en is geen sprake van een zodanige onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de gewaarborgde rechten (van belanghebbende) in hun kern zijn aangetast. Het verzuim is ook niet dermate ernstig dat dit aanleiding geeft de utb’s te vernietigen.

Ten aanzien van de bewijslast over de oorsprong van de zendingen overweegt het Hof dat het bewijs van de onjuistheid van een aangegeven oorsprong ook op andere wijze kan worden geleverd dan enkel door een verklaring van de bevoegde autoriteit. Nu vast is gesteld dat er nimmer transacties tussen producenten in Bangladesh enerzijds en Y AB en A Ltd anderzijds hebben plaatsgevonden, kunnen de certificaten niet dienen als bewijs van de preferentiële oorsprong. Verder overweegt het Hof – gelet op de rechtspositie van belanghebbende – dat het van belang is om vast te stellen of de certificaten ten onrechte zijn afgegeven of dat deze vals zijn. Uit het strafdossier, waarin een FIOD-ambtenaar op ambtseed een overzicht heeft opgesteld van certificaten en bijbehorende bijlage, gelezen in samenhang met de missierapporten van de OLAF en brieven van het EPB, heeft de inspecteur naar ’s Hofs oordeel alsnog voor alle in de utb’s begrepen certificaten het bewijs geleverd dat de certificaten niet zijn afgegeven door het EPB en derhalve vals zijn. Het beroep van belanghebbende faalt.

Gerechtshof Amsterdam 28 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2601