Categorie: Fiscaal sanctierecht

Hof ziet geen aanleiding boetes voor hennepteler verder te matigen

Aan belanghebbende zijn (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting opgelegd over de jaren 2009 tot en met 2012. Daarbij zijn vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 15.956, € 12.144, € 9.243 en € 19.521.

Belanghebbende dreef een onderneming in de vorm van een eenmanszaak waarbij de activiteiten bestonden uit onder meer timmerwerk, onderhoud en renovatie, elektrawerkzaamheden, loodgieterswerkzaamheden en het verrichten van aan- en nieuwbouw. In 2010 is er een ontploffing geweest in de schuur achter de woning van belanghebbende en is belanghebbende zwaar gewond geraakt. Daarbij is ook een hennepkwekerij aangetroffen.

De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld. Omdat de inspecteur heeft geconstateerd dat belanghebbende te weinig inkomsten heeft opgegeven in zijn aangiften, heeft de inspecteur correcties doorgevoerd en daarbij vergrijpboetes opgelegd van 50% omdat sprake zou zijn van voorwaardelijk opzet. De inspecteur heeft daarbij gebruik gemaakt van vermogensvergelijkingen.

In geschil is onder meer of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De inspecteur heeft de boetes gematigd op grond van de financiële omstandigheden van belanghebbende en omdat de boetegrondslag onjuist was berekend. Gelet op onder meer de vermogensvergelijkingen en de concrete inkomensbronnen acht de Rechtbank aannemelijk dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen in de jaren 2009 tot en met 2011 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld en dat de aangifte voor het jaar 2012 onjuist is gedaan. De Rechtbank oordeelt dat de inspecteur de boetes terecht heeft opgelegd.

De Rechtbank heeft de boete over 2009 echter verminderd omdat de inspecteur bij het vaststellen van de boetegrondslag de omzet van ontbrekende facturen heeft geschat. Verder heeft de Rechtbank de opgelegde boetes verminderd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. Anders dan de inspecteur ziet de Rechtbank in de gestelde complexiteit van de zaken geen aanleiding om uit te gaan van een langere redelijke termijn dan 2 jaar. Uit de stukken blijkt dat het belastingonderzoek bewerkelijk is geweest. Naar het oordeel van de Rechtbank ontbreekt echter een causaal verband met de behandeling van de zaak ná de boete-aankondiging, nu het onderzoek daarvóór heeft plaatsgevonden. De persoonlijke omstandigheden zijn evenmin aanleiding om de boetes te matigen, nu de persoonlijke omstandigheden door belanghebbende onvoldoende zijn onderbouwd.

Het Hof sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank, nu belanghebbende in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft toegevoegd. In hoger beroep is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof is van oordeel dat de opgelegde boetes, zoals deze luiden na vermindering door de Rechtbank, passend en geboden zijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:3650

Ondanks ingeschakelde adviseur kan naar het oordeel van het Hof toch grove schuld aan belanghebbende worden verweten

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 47.500. Verder is een vergrijpboete opgelegd van € 23.750. In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Bij de beoordeling van de boete neemt het Hof in aanmerking dat de aangifte omzetbelasting is verzorgd door A, een externe boekhouder. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende echter zelf ook grove schuld valt te verwijten, ondanks dat de aangifte door de adviseur van belanghebbende is ingediend.

Belanghebbende leverde ter verwerking in de door A verzorgde aangiften omzetbelasting de uitgereikte facturen aan, waaronder een factuur betreffende een transactie met B. Deze factuur vermeldt een groot bedrag aan omzetbelasting. A kan ten minste grove schuld worden verweten omdat hij die factuur en de daarop vermelde omzetbelasting niet in de aangifte heeft verwerkt en dat dit bedrag aan omzetbelasting dus ook niet op aangifte is voldaan. A moet als boekhouder naar het oordeel van het Hof hebben geweten dat gefactureerde omzetbelasting is verschuldigd.

De aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal 2009 was voor belanghebbende bijzonder, aangezien hierin de transactie met B was begrepen. Belanghebbende heeft de factuur aan A overhandigd teneinde die in de aangifte omzetbelasting te verwerken. De aangifte over het eerste kwartaal 2009 betrof daarmee geen reguliere aangifte, maar een waarop – naar belanghebbende redelijkerwijs kon verwachten – een groot bedrag aan omzetbelasting zou moeten worden voldaan. In de door A verzorgde aangifte is dit aanzienlijke bedrag aan omzetbelasting evenwel niet verantwoord, hetgeen belanghebbende volgens het Hof op had moeten vallen. Het op aangifte verschuldigde bedrag was immers veel lager dan belanghebbende redelijkerwijs kon verwachten. Het constateren van het aanzienlijke verschil tussen het te betalen bedrag aan omzetbelasting en het in de aangifte vermelde bedrag is eenvoudig en vergt naar het oordeel van het Hof geen diepgaande fiscale, bedrijfseconomische of financiële kennis. Het had op de weg van belanghebbende gelegen hierover navraag te doen bij A. Door dit na te laten heeft belanghebbende niet de zorg betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de samenwerking met A, hetgeen uiteindelijk tot gevolg heeft gehad dat een groot bedrag aan omzetbelasting niet op aangifte is voldaan. Naar het oordeel van het Hof is dit verwijt in laakbaarheid aan opzet grenzend (grove schuld).

Voor een vermindering van de boete vanwege financiële omstandigheden ziet het Hof geen aanleiding. Het feit dat belanghebbende inmiddels is ontbonden en een verklaring van de gemachtigde dat beslag is gelegd op onroerende zaken acht het Hof daarvoor onvoldoende. Het Hof zal de boete wel verminderen met 10% tot € 10.687,50 in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:9440

 

Zeer slecht aangiftegedrag leidt tot opleggen maximale verzuimboete

Aan belanghebbende is een verzuimboete van € 4.920 opgelegd, omdat niet binnen de gestelde termijnen aangifte inkomstenbelasting over 2012 is gedaan. Het betreft de maximale boete die kan worden opgelegd ter zake van een dergelijk verzuim.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij niet kan begrijpen waarom er direct naar de maximale verzuimboete is gegrepen. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat de verzuimboete disproportioneel is en onevenredig zwaar op hem drukt gelet op het inkomen en vermogen van belanghebbende.

Het Hof stelt vast dat uit een overzicht van het aangiftegedrag van belanghebbende in de tien jaar die aan het aangiftejaar 2012 vooraf zijn gegaan, blijkt dat in deze tien jaar telkenmale sprake is geweest van een aangifteverzuim en dat in negen van deze tien jaar een verzuimboete is opgelegd. De stelling van belanghebbende – dat direct een maximale verzuimboete wordt opgelegd – verwerpt het Hof.

Naar het oordeel van het Hof is de verzuimboete ook niet disproportioneel. De boete bedraagt € 4.290, terwijl het inkomen van belanghebbende over 2012 € 42.000 bedraagt. Daarenboven heeft te gelden dat voor de beoordeling van de proportionaliteit van de boete dient te worden bezien hoe de boete zich verhoudt tot de ernst van het feit, niet tot de hoogte van het inkomen of de aanslag. Daartoe is van belang dat belanghebbende reeds negen keer is beboet voor het niet (tijdig) indienen van aangifte, waarbij reeds verzuimboetes zijn opgelegd die uiteen lopen van 10% tot 100% van het geldende maximumbedrag.

Dat de boete onevenredig zwaar op belanghebbende drukt is het Hof – bij gebreke van onderbouwing – niet gebleken. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat hij al jaren te kampen heeft met een hoge werkdruk, waardoor hij niet in staat is zijn boekhouder tijdig van alle informatie te voorzien die nodig is voor het indienen van de aangifte. Naar het oordeel van het Hof brengt deze omstandigheid niet mee dat sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Het Hof acht de opgelegde verzuimboete passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:2573

 

HR (sprongcassatie): het was voor belanghebbende voorzienbaar dat boetes zouden worden opgelegd na het inkeren in december 2014 over de jaren 2001 tot en met 2008 – nieuwe inkeerregeling niet strijdig met het legaliteitsbeginsel

Op 30 december 2014 heeft belanghebbende een beroep gedaan op de inkeerregeling. De inspecteur en belanghebbende hebben vervolgens een vaststellingsovereenkomst gesloten, die inhoudt dat de correcties op de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2001 tot en met 2013 worden geformaliseerd in een navorderingsaanslag over het jaar 2013, waarbij het bedrag van de na te vorderen belasting onder meer wordt verhoogd met vergrijpboetes van 30% van de over de jaren 2001 tot en met 2011 nagevorderde belasting. In de overeenkomst is opgenomen dat bezwaar en beroep wel mogelijk is voor zover het de boetes betreft.

Bij de Rechtbank was in geschil of de boetes over de jaren 2001 tot en met 2008 terecht waren opgelegd, omdat de inkeerregeling destijds bepaalde dat geen boete kon worden opgelegd. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de inkeerregeling zoals die indertijd gold aan de inspecteur geen enkele beleidsruimte liet omdat daarin dwingend was bepaald dat een vergrijpboete niet wordt opgelegd. Belanghebbende kon daarom een beroep doen op de oude, gunstiger inkeerregeling, zodat de boetes moeten komen te vervallen.

In een door de staatssecretaris ingestelde sprongcassatie oordeelt de Hoge Raad dat de inkeerregeling is omschreven als het alsnog een juiste en volledige aangifte doen vóórdat de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. Hieruit vloeit naar het oordeel van de Hoge Raad voort dat de aan deze inkeerbepaling te ontlenen verwachting omtrent het al dan niet belopen van een vergrijpboete niet moet worden beoordeeld naar het moment waarop de aangifte wordt gedaan, maar naar het moment waarop de betrokkene inkeert.

In de wetswijziging is een bepaling van overgangsrecht opgenomen die erop neerkomt dat de inkeerregeling zoals die voor de wetswijziging gold tot 1 januari 2010 toepasselijk bleef op aangiften die vóór die datum waren gedaan of gedaan hadden moeten worden. Daarmee heeft de wetgever belanghebbenden de gelegenheid gegeven hun gedrag op de wetswijziging af te stellen waardoor zij alsnog gebruik kunnen maken van de gunstiger inkeerregeling. Om die reden kan niet worden volgehouden dat de wetswijziging voor belanghebbende onvoorzienbaar maakte dat hij na de inkeer een boete zou kunnen krijgen.

Het oordeel van de Rechtbank, dat belanghebbende zwaarder wordt bestraft dan wat voorzienbaar was op het moment waarop de aangiften telkens opzettelijk onjuist werden gedaan, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting.

De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Hof ter verdere behandeling.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:2041

Boetes voor belanghebbende die in Duitsland aangehouden bankrekeningen met tegoeden niet heeft opgegeven

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd met boetes.

Belanghebbende heeft in zijn aangiften geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op buitenlandse rekeningen. De Nederlandse overheid heeft van de Duitse overheid stukken ontvangen inzake in het buitenland aangehouden bankrekeningen op naam van belanghebbende en zijn echtgenote.

De inspecteur maakt belanghebbende het verwijt dat het aan zijn opzet, al dan niet in de voorwaardelijke variant, is te wijten dat de aangiften inkomstenbelasting onjuist of onvolledig zijn gedaan, doordat hierin de in het buitenland aangehouden bankrekeningen niet zijn vermeld. Het feit dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van buitenlandse bankrekeningen om tegoeden en inkomsten daaruit buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden, heeft de inspecteur als een strafverzwarende omstandigheid aangemerkt.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende is te wijten dat onjuiste aangiften inkomstenbelasting zijn gedaan. Belanghebbende wist dat het aanhouden van bankrekeningen bij een bank in Duitsland gevolgen zou kunnen hebben voor zijn aangifteverplichtingen in Nederland. Belanghebbende heeft het antwoord van de bankmedewerker in Duitsland – dat sprake was van Duitse belastingheffing en het opgeven daarvan aan de Nederlandse fiscus niet verplicht was – volgens het Hof voor lief genomen en verder niet geverifieerd, terwijl daarvoor alle aanleiding bestond (mede gezien de aanzienlijke tegoeden op die rekeningen). Belanghebbende heeft zich door een en ander niet laten weerhouden de aangiften te doen zoals hij die heeft gedaan, zonder opgaaf te doen van de gegevens met betrekking tot de aangehouden tegoeden in het buitenland, en zich aldus willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans onjuiste aangiften te doen. De gevolgen hiervan heeft hij voor lief genomen.

De inspecteur heeft de boetes reeds verminderd van 100% naar 40%. Voor een verdere matiging ziet het Hof geen aanleiding.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:9315

 

Verzuimboete opgelegd voor te weinig betaalde bpm voor een kampeerauto

Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan voor de registratie van een kampeerauto, afkomstig uit Duitsland. De inspecteur heeft belanghebbende medegedeeld dat er te weinig bpm is voldaan en heeft een naheffingsaanslag bpm opgelegd waarbij is uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat de kampeerauto niet voorkomt op enige actuele koerslijst. De hoogte van de naheffingsaanslag bedraagt € 2.555 en de opgelegde verzuimboete bedraagt € 255.

Belanghebbende heeft eerst ter zitting, zonder dit verder cijfermatig te concretiseren, gesteld dat de naheffingsaanslag op een te hoog bedrag is berekend, omdat de inspecteur is uitgegaan van de kale nieuwprijs. De Rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien om welke reden belanghebbende niet eerder een cijfermatige onderbouwing heeft aangevoerd in de procedure. De Rechtbank acht de beroepsgrond derhalve tardief en neemt deze niet in behandeling.

De Rechtbank overweegt dat op grond van het BBBB de inspecteur een verzuimboete van 10% kan opleggen, ingeval de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet door de belastingplichtige wordt betaald. In het geval sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) of een pleitbaar standpunt, wordt geen verzuimboete opgelegd.

De enkele stelling van belanghebbende dat hij meende in het licht van het EU-recht een juiste aangifte te doen, is daarvoor onvoldoende. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de Rechtbank in dit verband verder geen feiten of omstandigheden gesteld en ook anderszins is de Rechtbank niet gebleken dat sprake is van een pleitbaar standpunt of van avas. De Rechtbank acht de opgelegde verzuimboete van 10% passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:8358

 

Vergrijpboete voor growshophouder vanwege negatief privé-kasopstellingen

De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 7.726.

Belanghebbende exploiteert een growshop in de vorm van een eenmanszaak. Bij belanghebbende is door de Belastingdienst en de politie een controle verricht waarbij grote hoeveelheden contant geld en hennep zijn aangetroffen. Belanghebbende is strafrechtelijk veroordeeld voor het opzettelijk verwerken van hennep.

De controleambtenaar van de Belastingdienst heeft een privé-kasopstelling opgemaakt en deze is vanaf 2010 negatief. De inspecteur heeft op grond van de bevindingen uit de integrale controle en de privé-kasopstelling aangenomen dat belanghebbende – naast het strafrechtelijk bewezenverklaarde – ook in 2012 inkomsten uit de handel in hennep heeft gehad, welke inkomsten niet zijn aangegeven. In verband daarmee is een navorderingsaanslag en een vergrijpboete opgelegd.

In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Het Hof overweegt dat de Rechtbank aannemelijk heeft geacht dat belanghebbende meer inkomsten heeft genoten in 2012 dan hij in zijn aangifte heeft vermeld. De Rechtbank heeft zich voor dit oordeel niet slechts gebaseerd op de bevindingen in het in 2012 uitgevoerde politieonderzoek maar ook op de bevindingen in het door de Belastingdienst uitgevoerde boekenonderzoek, waaronder de kasopstellingen.

Het Hof volgt de Rechtbank voor zover is overwogen dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een aanzienlijk groter bedrag aan uitgaven heeft gedaan dan hij aan inkomsten heeft aangegeven De inspecteur heeft volgens het Hof aannemelijk gemaakt dat de in de kasopstelling genoemde contante stortingen niet kunnen worden verklaard uit de door belanghebbende gestelde bronnen en afkomstig moeten zijn uit (een) niet in zijn aangifte verantwoorde bron van inkomen. Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat belanghebbende voor het jaar 2012 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

Door niet de vereiste aangifte te doen heeft belanghebbende willens en wetens de reële kans aanvaard dat deze inkomsten niet in de aanslag zouden worden begrepen met als gevolg dat te weinig belasting zou worden geheven. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden gesteld die zouden moeten leiden tot een lagere boete dan door de Rechtbank is vastgesteld. Gelet op de ernst van het vergrijp is de boete volgens het Hof passend en geboden en bestaat er geen aanleiding om tot verdere matiging over te gaan.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:2619

Geslaagd beroep op avas waardoor verzuimboete vervalt

Belanghebbende is op 28 februari 2016 uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2015. Per 2 mei 2016 zijn de goederen die belanghebbende (zullen) toebehoren onder bewind gesteld van een bewindvoerder, omdat belanghebbende niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

De inspecteur heeft bij brief van 17 juni 2016 een herinnering tot het doen van aangifte verstuurd aan de bewindvoerder van belanghebbende. Vervolgens is de bewindvoerder nogmaals aangemaand om uiterlijk 12 augustus 2016 de aangifte in te dienen. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 4 oktober 2016 de aangifte ingediend. De inspecteur heeft om die reden een verzuimboete van € 369 opgelegd.

In geschil is de vraag of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende voert aan dat het niet tijdig doen van aangifte haar niet kan worden toegerekend, omdat zij ten tijde van de plicht tot het doen van aangifte niet in staat was zelfstandig haar zaken te regelen.

Naar het oordeel van de Rechtbank is voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Aannemelijk is dat belanghebbende op het moment waarop zij werd uitgenodigd tot het doen van aangifte niet het besef had dat zij aangifte moest doen en dat zij daar in redelijkheid niet voor kon zorgdragen. Dit, gelet op de opname van belanghebbende, toen zij 74 jaar oud was, in een gesloten kliniek eind 2015 en de onderbewindstelling medio 2016. Dat vervolgens haar bewindvoerder niet tijdig haar aangifte heeft ingediend of laten indienen, kan voorts naar het oordeel van de Rechtbank niet aan belanghebbende worden toegerekend. Voldoende aannemelijk is dat belanghebbende niet in staat was hem daarop aan te spreken.

De Rechtbank vernietigt de aan belanghebbende opgelegde verzuimboete.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2018:3998

 

HR: Hof heeft verzuimd aan te geven uit welk bewijsmiddel blijkt dat verdachte zijn belastingadviseur niet volledig heeft geïnformeerd

Verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft laten doen door zijn belastingadviseur. Hij zou samen met zijn broer in Marokko een bedrijf hebben opgericht voor het pellen van garnalen en de daarmee verdiende inkomsten niet hebben opgegeven bij de Belastingdienst.

Door het Hof is vastgesteld dat verdachte is geïnformeerd over de gevolgen van het houden van aandelen in een vennootschap in privé en dat de vermogenswinst bij verkoop van aandelen in een Marokkaanse vennootschap aan Nederland wordt toegekend en belast is. In de aangifte inkomstenbelasting is echter niet vermeld dat verdachte een aanmerkelijk belang had. Hij heeft zijn belastingadviseur, die voor hem de aangiften inkomstenbelasting verzorgde, ook niet geïnformeerd over het aanmerkelijk belang. Ook is in de aangifte niet opgenomen dat de aandelen die verdachte hield, zijn verkocht. Het Hof acht daarmee het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De Hoge Raad overweegt: “Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging
(a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en
(b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend (…).”

De Hoge Raad stelt vast dat het Hof aan zijn oordeel dat verdachte opzettelijk de aangifte inkomstenbelasting onvolledig heeft laten doen door zijn belastingadviseur, mede redengevend heeft geacht de omstandigheid dat verdachte zijn belastingadviseur niet heeft geïnformeerd over het aanmerkelijk belang. Het Hof heeft daarbij naar het oordeel van de Hoge Raad verzuimd met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te geven waaraan het deze omstandigheid heeft ontleend.

De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het Hof opdat de zaak in zoverre opnieuw kan worden berecht.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1958

 

Medewerker van Belastingdienst veroordeeld voor indienen onjuiste aangifte en valsheid in geschrift

Aan verdachte, een medewerker van de Belastingdienst, is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van onjuiste aangifte inkomstenbelasting, het overleggen van boeken en bescheiden in vervalste vorm en valsheid in geschrift.

De Rechtbank stelt vast dat verdachte in zijn aangifte inkomstenbelasting negen aftrekbare giften heeft opgevoerd. Ter onderbouwing van deze giften heeft verdachte rekeningafschriften overgelegd met het logo van ING. Verdachte heeft verklaard dat hij de rekeningafschriften zelf heeft opgemaakt door een sjabloon van de ING te gebruiken en daarin zelf de gegevens te verwerken. De opgegeven giften zijn volgens verdachte echter wel juist en bestaan uit contante betalingen, declarabele kosten en verricht vrijwilligerswerk. De Rechtbank stelt vast dat deze stelling niet onderbouwd is en dat het dossier juist veel aanwijzingen bevat die deze stelling tegenspreken.

De verklaring van verdachte, dat hij de door hemzelf opgemaakte ING- rekeningafschriften slechts als ‘praatstuk’ heeft ingediend, acht de Rechtbank ongeloofwaardig. Dit volgt op geen enkele manier uit de verklaring van de getuige, de belastingambtenaar waaraan verdachte deze stukken heeft overgelegd. Kennelijk waren deze stukken bedoeld om bewijs te leveren van zijn stellingen. Bovendien heeft verdachte moeten weten dat hij niet zelf bewijsstukken mag fabriceren. Verdachte wist naar het oordeel van de Rechtbank dat de giften die hij opvoerde niet juist waren en heeft daarbij opzettelijk gehandeld.

Met betrekking tot de strafmaat acht de Rechtbank niet zozeer de hoogte van het nadeelbedrag van belang, maar vooral de positie van verdachte in de maatschappij. Verdachte had namelijk een voorbeeldfunctie omdat hij voor de Belastingdienst werkte. De samenleving mag in een medewerker van de Belastingdienst het vertrouwen hebben dat juist hij zijn aangiften op een juiste manier indient. Daarnaast vindt de Rechtbank het kwalijk dat verdachte, nadat hij is gecontroleerd door de Belastingdienst, zelf stukken heeft gefabriceerd ter onderbouwing van zijn onjuiste aangifte, om dit vervolgens nogmaals te doen in zijn arbeidsrechtelijke procedure. Hoewel de Rechtbank wil aannemen dat verdachte heeft gehandeld uit een zekere paniek, heeft verdachte een bewuste keuze gemaakt door zijn netwerk daarvoor in te zetten. Het strafontslag van verdachte leidt naar het oordeel van de Rechtbank niet tot strafvermindering. Dit is volgens de Rechtbank een logisch en voorzienbaar gevolg van de handelwijze van verdachte.

De Rechtbank zal – aangezien het een relatief laag nadeelbedrag betreft – verdachte veroordelen tot een taakstraf van 200 uur, waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:7292