Categorie: Fiscaal sanctierecht

Vernietiging verzuimboete wegens technische storing bij de Belastingdienst

Belanghebbende (geen ondernemer) is gehuwd met haar gemachtigde ( die ondernemer is voor de inkomstenbelasting). De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting. Belanghebbende is daarna herinnerd en vervolgens aangemaand om haar aangifte te doen. De gemachtigde van belanghebbende wil op digitale wijze voor hemzelf en voor belanghebbende aangifte inkomstenbelasting 2015 doen. De aangifte van de echtgenoot van belanghebbende is een ondernemersaangifte. Hoewel beide aangiften gereed zijn om digitaal te worden verzonden, lukt de verzending en indiening van de aangiften niet vanwege een computerstoring bij de Belastingdienst. De inspecteur heeft vervolgens een verzuimboete van € 369 opgelegd.

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd.

Naar het oordeel van de Rechtbank is voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Door een onverwacht langdurige technische storing bij de door de Belastingdienst ter beschikking gestelde middelen is belanghebbende er niet in geslaagd de aangifte tijdig in te dienen. De Rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende vanaf het moment van constateren van de storing een actieve houding heeft aangenomen om de aangifte van belanghebbende alsnog in te dienen. De Rechtbank wijst op het meermaals bellen met de Belastingdienst en de dagelijkse pogingen om de betreffende aangiften alsnog digitaal te verzenden. Dit laatste heeft er in geresulteerd dat de aangifte van belanghebbende door de inspecteur is ontvangen op het eerste moment dat digitaal verzenden weer mogelijk was.

De Rechtbank komt daarom tot de conclusie dat belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van haar te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat haar aangifte tijdig werd ingediend. Naar het oordeel van de Rechtbank dient de verzuimboete te worden vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:1046

Vergrijpboete voor medewerker advieskantoor wegens medeplegen van het opzettelijk niet tijdig indienen van suppleties voor de omzetbelasting

Belanghebbende is werkzaam bij een advieskantoor. Een van de klanten van het kantoor was een VOF. De Belastingdienst heeft een boekenonderzoek ingesteld bij de VOF. Daaruit bleek dat in 2011 nihilaangiften omzetbelasting zijn gedaan over de maanden januari tot en met mei, augustus en oktober tot en met december. In 2012 zijn nihilaangiften gedaan over de maanden januari, februari en april tot en met december. Voorts bleek tijdens het onderzoek dat de VOF volgens de jaarstukken nog aanzienlijke bedragen aan omzetbelasting verschuldigd was: over 2011 € 21.110 en over het jaar 2012 € 24.210. De inspecteur heeft over de jaren 2011 en 2012 aan de VOF een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 45.320 en een vergrijpboete. Aan belanghebbende is separaat een vergrijpboete opgelegd.

In geschil is of de vergrijpboete terecht aan belanghebbende is opgelegd.

Het Hof stelt voorop dat aan het opleggen van een boete wegens het niet doen van een suppletieaangifte niet in de weg staat dat de onjuiste aangiften omzetbelasting op grond waarvan te weinig belasting is betaald, zijn gedaan vóór 1 januari 2012 (de datum waarop art. 10a AWR in werking is getreden), ook niet indien de betrokkene(n) al vóór die datum wist(en) dat die aangiften onjuist wa(s)ren. Beboet wordt immers niet een gedraging verricht vóór de inwerkingtreding van art. 10a AWR maar het niet melden van de onjuistheid daarvan, nadat daartoe een wettelijke verplichting is gecreëerd.

De verklaringen van belanghebbende zelf en van de vennoot van de VOF laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende en de belastingplichtige wisten dat ten onrechte nihilaangiften werden gedaan, dat hiertoe in onderling overleg is overgegaan en dat er voorts opzettelijk van werd afgezien suppletieaangiften in te dienen, hoewel uit de jaarstukken overduidelijk bleek dat onvoldoende omzetbelasting op aangifte was voldaan. Hoewel belanghebbende wist dat suppletieaangiften moesten worden gedaan, en het indienen van dergelijke aangiften blijkens het verhoor tot zijn taak behoorde, heeft hij geen suppletieaangiften ingediend en zich evenmin teruggetrokken toen bleek dat de vennoot van de VOF niet wilde dat suppletieaangiften werden gedaan. Integendeel, hij is werkzaamheden voor de VOF blijven verrichten. Alsdan is sprake van een bewuste en nauwe samenwerking van belanghebbende en de belastingplichtige (de VOF) bij het begaan van het vergrijp.

De opgelegde boete van € 1.250 acht het Hof op zichzelf passend en geboden. De behandeling van het hoger heeft echter meer dan 2 jaar in beslag genomen. Het Hof vindt daarin ambtshalve aanleiding de boete met 5% (€ 63) te minderen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:803

Vergrijpboete wegens het niet opgeven van inkomsten ontvangen uit bingoactiviteiten

Belanghebbende heeft tezamen met een ander in 2014, 2015 en 2016 bingoavonden georganiseerd. Zij heeft echter in haar aangifte inkomstenbelasting 2014 geen inkomen aangegeven. Na een onderzoek van de gemeente heeft de inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende voor het organiseren van de bingoavonden belastbare inkomsten moet hebben verworven. Deze inkomsten worden door de inspecteur geschat op grond van dat bij de bijeenkomsten in totaal 1.650 deelnemers aanwezig waren, deze deelnemers hebben voor € 50 per stuk in totaal 2.475 deelnamekaarten gekocht en met de verkoop van de deelnamekaarten is een opbrengst van € 123.750 behaald.

De inspecteur heeft na onderzoek van de gemeente een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2014 opgelegd. Tevens heeft de inspecteur een boete opgelegd. In geschil is onder meer of de boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Ten aanzien van de vergrijpboete heeft belanghebbende, naar het oordeel van de Rechtbank, door het niet-aangeven van haar inkomen willens en wetens de reële kans aanvaard dat een omvangrijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. De vergrijpboete is daarom terecht opgelegd.

Met betrekking tot de vraag of de vergrijpboete passend en geboden is, neemt de Rechtbank in aanmerking de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder de omstandigheid dat de omkering van de bewijslast is toegepast. De Rechtbank ziet in die omstandigheid aanleiding om de vergrijpboete te matigen met 10%. Een verdergaande matiging wegens omkering acht de Rechtbank niet aangewezen, omdat niet aannemelijk is dat er een wezenlijk verschil is tussen de schatting waarvan de inspecteur is uitgegaan en het volgens normale bewijsregels bij belanghebbende te belasten inkomen.

De Rechtbank acht de aldus gecorrigeerde vergrijpboete passend en geboden. Het Hof acht de overwegingen van de Rechtbank juist en maakt deze tot de zijne.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:760

Zelfmoordpoging familie van verdachte rechtvaardigt verlaging verzuimboete

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting van nihil opgelegd. Hierbij is uitgegaan van een inkomen van werk en woning van € 20.000, verrekening van een verlies uit werken woning van € 20.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.234. Bij beschikking is een verzuimboete van € 369 opgelegd.

In geschil zijn de juistheid van de aanslag, de beschikking verliesverrekening en de verzuimboete.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende met betrekking tot de aanslag, en naar het Hof begrijpt, met betrekking tot de beschikking verliesverrekening niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang. De aanslag blijft na de uitspraak op bezwaar nihil en de verliesverrekening is bij de uitspraak op bezwaar ongedaan gemaakt. Een ander belang bij de beoordeling van de aanslag en beschikking verliesverrekening, waardoor belanghebbende in een betere positie zou kunnen komen, is niet gesteld of gebleken. Het Hof acht het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in zijn beroep met betrekking tot de aanslag en de beschikking verliesverrekening juist en sluit zich daarbij aan. Dat betekent dat het Hof de aanslag en de beschikking niet inhoudelijk zal beoordelen.

Met betrekking tot de verzuimboete heeft belanghebbende in hoger beroep aangevoerd dat hij door de zelfmoord van zijn broer in januari 2016 dermate van slag was dat hij niet meer adequaat kon handelen. De inspecteur heeft hierin ter zitting aanleiding gezien de verzuimboete te verminderen tot € 50. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende onvoldoende gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Gelet op het voorgaande zal het Hof de boete verminderen tot € 50. De resterende boete van € 50 acht het Hof passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:2051

Verzuimboete (10%) wegens correctie bij wijze van compromis voor te weinig betaalde omzetbelasting

Belanghebbende exploiteert een administratiekantoor. Belanghebbende heeft over de jaren 2011 tot en met 2014 aangiften omzetbelasting gedaan. De inspecteur heeft een boekenonderzoek aangekondigd en uitgevoerd bij belanghebbende naar aanleiding waarvan over de jaren 2011 tot en met 2014 naheffingsaanslagen omzetbelasting zijn opgelegd. Ook heeft de inspecteur over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 een verzuimboete opgelegd van 10% van de nageheven omzetbelasting.

In geschil is of de verzuimboete terecht is opgelegd.

Het Hof overweegt dat een verzuimboete bedoeld is om naleving van de voorschriften in te scherpen. Aanwezigheid van enigerlei mate van verwijtbaarheid is niet vereist. De enkele niet-naleving van een verplichting is voldoende om een verzuimboete te belopen. De inspecteur heeft de verzuimboete opgelegd omdat belanghebbende te weinig omzetbelasting zou hebben betaald. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij de omzetbelasting begrepen in de oninbare debiteuren terecht heeft teruggevraagd. Er is sprake van een pleitbaar standpunt dan wel afwezigheid van alle schuld.

Het Hof overweegt dat voor het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 een verzuimboete van hoogstens € 450 passend en geboden is. Belanghebbende heeft in de aangiften omzetbelasting bedragen in aftrek gebracht die via een apart verzoek hadden moeten worden teruggevraagd. Daarnaast volgt uit het gesloten compromis dat zij haar aanspraak op teruggaaf in ieder geval tot een bedrag van € 4.500 niet aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende heeft daardoor in het onderhavige tijdvak te weinig omzetbelasting op aangiften voldaan. Belanghebbende exploiteert een administratiekantoor en had kunnen of moeten weten dat haar handelwijze niet was toegestaan. Van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld is geen sprake. De correctie is bij wijze van compromis verminderd tot € 4.500. Het Hof acht een verzuimboete van € 450 passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:1981

Gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en beroepsverbod voor belastingfraude

De verdachte heeft zich volgens het Hof schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan belastingfraude en het gebruik maken van een vals geschrift door voor zijn onderneming opzettelijk een onjuiste suppletieaangifte omzetbelasting in te dienen. De verdachte heeft een onjuist bedrag aan voorbelasting opgegeven, wat heeft geleid tot een benadeling van € 35.984. De verdachte heeft zich daarnaast als feitelijk leidinggevende schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Hij heeft hierbij € 137.858 aan de boedel onttrokken, terwijl een faillissement van de onderneming in het vooruitzicht lag. Daarnaast heeft hij niet voldaan aan de verplichting een inzichtelijke administratie bij te houden en aan de curator over te leggen.

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Het Hof houdt bij de straftoemeting rekening met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het Hof heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op een rapport van de reclassering. De reclassering adviseert tot het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling gericht op het aanleren van vaardigheden en effectieve oplossingsstrategieën en het bespreekbaar maken van alcoholgebruik, schuldhulpverlening en controle van het alcoholgebruik om het middelen gebruik te beheersen.

Alles afwegende zal het Hof een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 9 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke deel zal het Hof de bijzondere voorwaarden koppelen zoals door de reclassering geadviseerd, behoudens de bijzondere voorwaarden met betrekking tot het alcoholgebruik, nu er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat het alcoholgebruik voor verdachte op dit moment nog problematisch is en met betrekking tot de ambulante behandeling, omdat de verdachte indien nog gewenst hiervoor zelf hulp kan zoeken. Het Hof ziet wel aanleiding een beroepsverbod op te leggen voor de duur van 3 jaar.

Het Hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en een beroepsverbod passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:778

Gevangenisstraf van 3 jaar voor onjuist doen van aangiften omzetbelasting als fiscaal vertegenwoordiger

Verdachte wordt verdacht van het doen plegen van opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting, verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft en het beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan en deze opzettelijk in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stellen.

Het bedrijf van verdachte was algemeen fiscaal vertegenwoordiger van een buitenlands bedrijf. De verdachte zou uit dien hoofde gedurende ruim 2 jaar onjuiste aangiften omzetbelasting voor dat buitenlandse bedrijf bij de Belastingdienst hebben ingediend. Hij zou een te laag bedrag aan omzet in die aangiften hebben opgegeven en dus ook een te laag bedrag aan af te dragen omzetbelasting. Hierdoor is de fiscus voor een bedrag van € 4.700.000 benadeeld, welk bedrag de verdachte zich heeft toegeëigend. Om te voorkomen dat dit zou worden ontdekt, heeft hij onderliggende stukken vervalst en die vervalste stukken aan de Belastingdienst verstrekt. Ook heeft hij op basis van valse stukken een krediet verstrekt gekregen bij een financieringsinstelling.

De verdachte heeft een deel van het fraudebedrag in zijn noodlijdende bedrijven gestoken en betaald aan crediteuren; hij wilde kosten wat kost een faillissement voorkomen, maar heeft daarin volstrekt verkeerde keuzes gemaakt. Ook heeft verdachte aanzienlijke bedragen gebruikt voor privé-uitgaven en een financieringsinstelling opgelicht.

De Rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij steeds alleen maar gemakkelijk eigen financieel gewin voor ogen heeft gehad en daarbij zeer berekenend te werk is gegaan om zijn handelen te verdoezelen. Niet alleen door het vervalsen van allerlei documenten, maar ook door het rekken van de controle door de Belastingdienst, zodat ontdekking van de door hem gepleegde feiten werden uitgesteld. Ook hierbij heeft de verdachte dus alleen aan zichzelf gedacht.

In het voordeel van de verdachte houdt de Rechtbank rekening met het feit dat de verdachte inmiddels 69 jaar is, en met het feit dat de meeste bewezen verklaarde feiten geruime tijd geleden zijn gepleegd.

Alles afwegende acht de Rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:2233

Vergrijpboete (50%) voor één jaar vernietigd omdat ‘normale gang van zaken’ geen bewijs is voor onjuistheden in dít geval

Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting voor de jaren 2012 en 2013 onder andere contante giften aan de Islamitische Universiteit Europa (IUE) van € 4.000 in 2012 en € 3.500 in 2013 als aftrekbare gift in aanmerking genomen. De IUE staat geregistreerd als een algemeen nut beoogde instelling (ANBI). In 2013 is de Belastingdienst begonnen met een onderzoek naar de ANBI status van de IUE.

De inspecteur heeft aan belanghebbende op 16 december 2017 voor de jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd alsmede vergrijpboetes van respectievelijk € 1.226 en € 1.103. In geschil is of bij de navorderingsaanslagen terecht de aftrek van de giften is gecorrigeerd en of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd.

Giften zijn aftrekbaar indien zij worden gedaan aan een ANBI. Niet in geschil is dat ten tijde van de gestelde giften de IUE de ANBI-status had. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op belanghebbende. Bij contante giften moet een belastingplichtige met schriftelijke bescheiden aantonen dat de door hem gestelde giften daadwerkelijk zijn gedaan, dat wil zeggen aan de IUE ten goede zijn gekomen. Belanghebbende wijst daartoe op de door hem overgelegde kwitanties. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de IUE die worden bevestigd door verklaringen van diverse anderen die hebben erkend gebruik te hebben gemaakt van kwitanties waarvoor zij slechts circa 10% van het daarop vermelde bedrag hebben betaald, kan aan de kwitanties niet de bewijskracht worden toegekend die belanghebbende eraan verleent. Belanghebbende is niet geslaagd in het bewijs dat hij de giften heeft gedaan.

Wat betreft de vergrijpboete in 2013 is het aan opzet  van belanghebbende te wijten dat de aanslag inkomstenbelasting 2013 op een te laag bedrag is vastgesteld en dat hij daardoor te weinig belasting heeft betaald. De inspecteur is daarmee echter nog niet geslaagd in het bewijs dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden. Het enkele gebruik van valse kwitanties is daarvoor onvoldoende. Gezien de aard en ernst van de gedragingen acht de Rechtbank een boete van 50% van de nagevorderde belasting passend en geboden.

Wat betreft de vergrijpboete over 2012 is de Rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan. De inspecteur heeft op zichzelf geen bewijsmiddelen overgelegd waaruit kan volgen dat belanghebbende een onjuiste aangifte heeft ingediend. Hij heeft alleen verklaringen van derden overgelegd over wat kennelijk een gebruikelijke werkwijze was binnen de IUE. Uit die verklaringen kan weliswaar worden geconcludeerd dat in veel gevallen sprake was van kwitanties die niet in overeenstemming zijn met de bedragen die daadwerkelijk aan de IUE zijn geschonken, maar dat betekent niet dat reeds daarom in alle gevallen en dus ook in het geval van belanghebbende voor het jaar 2012 sprake is van onjuiste kwitanties. De vergrijpboete wordt vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:14358

Gevangenisstraf van 42 maanden en beroepsverbod van 5 jaar voor medeplegen van het doen van onjuiste belastingaangifte, gewoontewitwassen en valsheid in geschrift

Verdachte wordt verdacht van het medeplegen van opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting, het medeplegen van gewoontewitwassen en het medeplegen van – kort gezegd – valsheid in geschrift.

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Daarnaast is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De Rechtbank Amsterdam veroordeelde de verdachte in eerste aanleg tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Tevens werd een beroepsverbod opgelegd voor 5 jaar.

Het Hof heeft in hoger beroep rekening gehouden met het feit dat de verdachte en de medeverdachte zichzelf voor meer dan € 2.300.000 hebben verrijkt. Dat zij het geld gebruikt hebben om schulden af te betalen maakt dit niet anders. Het is niet aan hen te bepalen wat er met aan de overheid toekomend geld moet gebeuren.

Bij het bepalen van de straf is het Hof uitgegaan van het benadelingsbedrag aan niet afgedragen omzetbelasting en de ontdoken invoerrechten en antidumpingheffingen van € 4.500.000. Vervolgens is aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude. Op basis daarvan is volgens het Hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele jaren de enige passende straf.

Het Hof acht alles afwegende in beginsel de door de Rechtbank opgelegde straf passend en geboden en legt tevens als bijkomende straf een beroepsverbod op voor 5 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:4885

Verzuimboete (100%) wegens toepassen van bestelautotarief i.p.v. personenautotarief

Belanghebbende is vanaf 24 augustus 2015 houder van een auto van het merk en type Fiat Multipla. De motorrijtuigenbelasting is voldaan naar het tarief geldend voor bestelauto’s. Tijdens een controle op 11 juli 2017 heeft een toezichtmedewerker van de Belastingdienst geconstateerd dat de linkerzijde van de laadruimte van de auto voorzien was van een ruit. De inspecteur heeft vervolgens een naheffingsaanslag opgelegd waarbij het verschil tussen het bestelautotarief en het personenautotarief is nageheven berekend naar € 1.066. Tegelijkertijd is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 1.066.

In geschil is of deze naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht zijn opgelegd.

Voor de heffing van motorrijtuigenbelasting geldt dat voor een bestelauto een lager belastingtarief verschuldigd is dan voor een personenauto. Er gelden wel inrichtingseisen wanneer een auto als bestelauto wordt aangemerkt. Eén van deze voorwaarden is dat het voertuig geen zijruit aan de linkerkant van de laadruimte mag hebben. Ter zitting heeft belanghebbende bevestigd dat zijn auto een ruit aan de linkerkant van de laadruimte had ten tijde van de controle door de inspecteur, en dat dus niet aan de inrichtingseisen voor bestelauto’s wordt voldaan. Belanghebbende had dus geen recht op toepassing van het verlaagde tarief voor bestelauto’s en de naheffingsaanslag is terecht opgelegd.

De inspecteur heeft ook terecht een verzuimboete opgelegd tegen het maximale percentage van 100%. Er is geen sprake van avas doordat belanghebbende zelf geen onderzoek heeft gedaan naar de geldende inrichtingseisen. Dat belanghebbende naar eigen zeggen is afgegaan op de verklaring van de garagehouder die de auto verkocht heeft, ontslaat hem niet van zijn eigen verantwoordelijkheid. De Rechtbank oordeelt dan ook dat niet aannemelijk is dat belanghebbende al hetgeen gedaan heeft wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden. De boete mocht dus worden opgelegd.

Vervolgens is de vraag aan de orde of in dit individuele geval de opgelegde boete passend en geboden is, waarbij de omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Belanghebbende heeft geloofwaardig verklaard dat hij is afgegaan op de informatie van de garagehouder dat sprake was van een ‘bestelauto’ en hij verder geen actieve handeling heeft verricht om het verlaagde tarief te ontvangen. Daarnaast heeft belanghebbende direct na de controle de ruit aan de linkerzijde laten vervangen voor een metalen plaat, zodat de auto voldoet aan de inrichtingseisen. Daartegenover staat dat belanghebbende een administratiekantoor heeft en uit dien hoofde bekend is met wet- en regelgeving, waardoor de nodige zorgvuldigheid van hem verlangd had mogen worden bij het naleven van daarvan. Al met al is de rechtbank van oordeel dat een boete van € 750 passend en geboden is.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:263