Categorie: Fiscaal sanctierecht

Vrijspraak voor verdachte die niet als aangifteplichtige kan worden aangemerkt noch als medepleger kan worden aangemerkt omdat hij geen werknemer maar zzp’er is, wel veroordeling voor (medeplegen van) valsheid in geschrifte

Verdachte staat onder meer terecht ter zake van het (mede)plegen van het opzettelijk onjuist indienen van aangiften loonheffing ten name van X BV.

Uit de bewijsmiddelen komt naar het oordeel van het Hof naar voren dat een deel van de aan de uitzendkrachten uitbetaalde lonen niet in de loonadministratie van X BV werd opgenomen. Daarmee is sprake van een valselijk opgemaakte loonadministratie en deze administratie diende als basis voor de gedane aangiften loonheffing. Verdachte wist dat slechts een deel van het loon van de uitzendkrachten werd opgenomen in de loonadministratie en heeft die te lage lonen ingevoerd in het boekhoudprogramma. Vervolgens heeft zij, via dat programma, de aangiften loonheffing ten name van X BV ingediend bij de Belastingdienst.

Het Hof overweegt dat de norm van de wetsbepaling zich richt op degene die de kwaliteit van belastingplichtige bezit. Het Hof stelt vast dat de tenlastelegging is toegesneden op de feitelijkheid dat ‘zij (…) tezamen en in vereniging met X BV en/of anderen, althans alleen (…) aangifte loonheffingen onjuist en/of onvolledig heeft gedaan’. De verweten gedraging ziet aldus in de kern op het doen van de aangiften loonheffing.

Het Hof stelt voorop dat verdachte slechts als pleger van het ten name van X BV onjuist doen van de aangiften loonheffing kan worden aangemerkt, indien verdachte degene was die tot het doen van die aangiften gehouden was. Van dat laatste kan alleen sprake zijn als de verdachte is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Uit het dossier komt naar voren dat X BV als inhoudingsplichtige voor de loonheffing is uitgenodigd tot het doen van aangiften loonheffing. Niet is gebleken dat verdachte (eveneens) is uitgenodigd tot het doen van de in de tenlastelegging bedoelde aangiften. Mitsdien kan zij naar het oordeel van het Hof niet worden aangemerkt als pleger van het onjuist doen van die aangiften.

De bijdrage van verdachte in de constellatie van de door X BV begane belastingfraude bestaat naar het oordeel van het Hof uit het onterecht niet opnemen van de juiste loonbedragen in het boekhoudprogramma waarop de aangiftebiljetten zijn gebaseerd. Verdachte was werkzaam voor X BV als zzp’er en zij heeft dan ook niet voor de BV opgetreden als werknemer. Verdachte kan daarmee niet als medepleger van het opzettelijk onjuist doen van aangiften loonheffing worden aangemerkt.

Door het Hof is wel het medeplegen van het valselijk opmaken van een loonadministratie en het valselijk opmaken van aangiften loonheffing bewezen verklaard. In het kader van de straftoemeting is acht geslagen op onder andere de rol van verdachte [zij was als zzp’er met haar administratieve werkzaamheden ondergeschikt aan haar opdrachtgevers (medeverdachten)] alsmede op de wijze waarop de zaken tegen haar medeverdachten zijn afgedaan [de strafzaak tegen de directeur is getransigeerd voor € 5.000 en een taakstraf van 120 uur en de strafzaken tegen de bedrijven zijn geseponeerd en de directe collega’s van verdachte op de afdeling administratie zijn niet vervolgd]. De verdachte heeft, anders dan de directeuren van de bedrijven in kwestie, geen financieel voordeel uit de strafbare feiten genoten.

Alles afwegende veroordeelt het Hof verdachte tot een geldboete van € 5.000, waarvan € 3.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:3314

12 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk indienen van vele onjuiste aangiften omzetbelasting namens een goede doelenstichting

Bewezen verklaard is dat verdachte zich als feitelijk leidinggever schuldig heeft gemaakt aan het door een goede doelenstichting opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting. Verdachte, voorzitter van de stichting, heeft op basis van valse facturen onterecht voorbelasting geclaimd en omzetbelasting teruggevraagd over het tweede kwartaal van 2016. De stichting had daarop geen recht, omdat de inkopen van kantoorartikelen in werkelijkheid nooit hadden plaatsgevonden. In andere tijdvakken is voorbelasting teruggevraagd terwijl daaraan geen inkoopfacturen ten grondslag lagen.

Als gevolg van het handelen van verdachte hebben de Staat en de Europese Unie een belastingnadeel van € 257.848 geleden. Dit bedrag is enerzijds gebaseerd op het nadeel dat is ontstaan als gevolg van het doen van 22 onjuiste aangiften omzetbelasting in de bewezenverklaarde periode en anderzijds op het nadeel dat in de daaraan voorafgaande periode is ontstaan door het indienen van onjuiste aangiften.

Hoewel in de tenlastelegging slechts 5 aangiften zijn gespecificeerd en bewezen zijn verklaard, is het Hof van oordeel dat bij de straftoemeting rekening kan worden gehouden met het nadeel dat is ontstaan als gevolg van het indienen van alle onjuist gedane aangiften van de stichting. Uit het procesdossier blijkt dat sprake is van een identiek fraudepatroon. De fiscus is als financier gebruikt voor eigen geldelijk gewin. Niet aannemelijk is geworden dat (het overgrote deel van) de onterecht ontvangen gelden zijn geschonken aan goede doelen in Afrika, al doet dit niet af aan de ernst van de belastingfraude.

Verdachte is volgens het Hof nog steeds niet doordrongen van het kwalijke van zijn gedrag. Aanvankelijk gaf verdachte geen volledige openheid van zaken over de fictieve aankopen. Aan de onjuiste aangiften omzetbelasting liggen dan ook valse facturen ten grondslag of ontbreken de benodigde facturen. Pas na doorvragen ter zitting heeft verdachte erkend dat hij de inkopen, waarvoor hij voorbelasting heeft teruggevraagd, nimmer heeft verricht.

Het Hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:3313

Verdachte vrijgesproken nu op de ten laste gelegde datum nog geen sprake was van het niet (tijdig) doen van aangifte (er volgde nog een herinnering en een aanmaning)

Verdachte wordt verdacht van het op of omstreeks 1 mei 2016 niet (tijdig) hebben gedaan van aangifte inkomstenbelasting over 2015.

Verdachte moest vóór 1 mei 2016 aangifte inkomstenbelasting doen, maar heeft dat niet gedaan. Op 17 juni 2016 volgde een herinneringsbrief dat de aangifte vóór 1 juli 2016 moest zijn ingediend. Nadat verdachte de aangifte nog niet indiende heeft de inspecteur hem op 29 juli 2016 een aanmaning gestuurd met het verzoek de aangifte uiterlijk 12 augustus 2016 in te dienen. De aangifte bleef uit.

Het Hof ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte al op 1 mei 2016 niet, of niet binnen de gestelde termijn, aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan.

Het Hof is van oordeel dat voordat de conclusie kan worden getrokken dat niet (tijdig) aangifte is gedaan, een belastingplichtige eerst aan de aangifteplicht herinnerd en vervolgens daartoe aangemaand moet worden. Derhalve kan pas na de laatst genoemde termijn worden gesproken van een voltooid delict.

Verdachte kan daarom slechts een strafrechtelijk verwijt worden gemaakt na afloop van de door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn voor het alsnog doen van de aangifte, te weten vanaf 13 augustus 2019. Dit is niet ten laste gelegd. Het Hof zal verdachte om die reden vrijspreken van het op of omstreeks 1 mei 2016 niet, althans niet binnen de door de inspecteur gestelde termijn, doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2015.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:3311

Mate van verwijtbaarheid speelt geen rol bij hoogte van verzuimboete, wel vermindering tot € 500 overeenkomstig nader standpunt inspecteur

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 december 2017 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Gelijktijdig heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd van € 1.260.

Ter zitting heeft de inspecteur de stelling ingenomen dat de boete dient te worden verminderd tot € 500. In geschil is nog of de verzuimboete op een lager bedrag dan € 500 dient te worden vastgesteld.

Belanghebbende is ter zake van de afkoop van in eigen beheer opgebouwd pensioen eenmalig aangifteplichtig voor de loonbelasting. Belanghebbende heeft ter zake van de afkoop aangifte gedaan. Tegelijkertijd is aangifte gedaan voor een met belanghebbende gelieerde vennootschap. De loonheffing op de laatste is tijdig afgedragen, maar de aangifte van belanghebbende is niet tijdig betaald waarna de inspecteur een verzuimboete heeft opgelegd.

De aangifte van belanghebbende is, zoals zij stelt, abusievelijk ‘weggeklikt’ waardoor  de verschuldigde loonheffing niet op aangifte is afgedragen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gezien het eenmalige karakter van de afdracht loonheffing en de omstandigheid dat overigens alle andere loonheffingen altijd stipt op tijd zijn afgedragen, er grond bestaat voor matiging van de boete.

Het Hof stelt vast dat sprake is van een betaalverzuim. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, speelt de mate van verwijtbaarheid geen rol bij de bepaling van de hoogte van de verzuimboete. De aangevoerde omstandigheden zijn naar het oordeel van het Hof onvoldoende voor het concluderen tot afwezigheid van alle schuld om een boete achterwege te laten. De achtergrond van het te laat betalen, door belanghebbende bestempeld als ‘foutje’, komt -mede gelet op het door de Inspecteur in het verweerschrift genoemde en door belanghebbende in zijn nadere stuk niet betwiste, contact met de Belastingdienst over de te volgen stappen en het feit dat belanghebbende daardoor op de hoogte was van haar betalingsplicht- voor rekening en risico van belanghebbende.

Belanghebbende is eerst na oplegging van de naheffingsaanslag tot betaling van de loonheffing over gegaan. Weliswaar is dit direct geweest nadat zij, door deze naheffingsaanslag, tot de conclusie kwam dat abusievelijk niet was betaald, maar belanghebbende was volgens het Hof wel degelijk op de hoogte van de verschuldigdheid van de loonheffing. Het Hof oordeelt dat het aan een belastingplichtige is om bij de aangifte en afdracht van belasting zorgvuldig te werk te gaan.

Het Hof acht een boete van (het door de inspecteur voorgestelde bedrag van) € 500 passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:2019

Gebruik van de weg tijdens een schorsing vanwege een defect alarm leidt niet tot avas

Belanghebbende is kentekenhouder van een personenauto. De geldigheid van het kentekenbewijs was van 10 juni 2014 tot en met 22 mei 2015 geschorst. Op 11 november 2015 is geconstateerd dat de auto stond geparkeerd op een parkeervak voorzien van een blauwe streep terwijl de auto niet voorzien was van een duidelijk zichtbare parkeerschijf.

Ter zake van deze constatering is een controleformulier opgesteld en is melding gedaan bij de inspecteur. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd en een verzuimboete van € 824 (100% van de nageheven belasting).

In geschil is onder meer of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende zijn auto tijdens een periode dat de geldigheid van het kenteken was geschorst, stond geparkeerd op een aan de weg gelegen openbare parkeerplaats. Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat met het parkeren gebruik gemaakt is van de openbare weg, is aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag opgelegd. De stellingen van belanghebbende dat hij beschikt over een eigen parkeerplaats en dat hij slechts één dag gebruik heeft gemaakt van de openbare weg, omdat het alarm van de auto defect was, kunnen hem niet baten. De tijdsduur van het parkeren is naar het oordeel van het Hof niet van belang voor het antwoord op de vraag of met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg.

Slechts als sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) wordt geen verzuimboete opgelegd. De stelling van belanghebbende dat bij hem sprake is van afwezigheid van alle schuld omdat hij de auto vanwege de problemen met het alarm en het bezoek aan de garage dat daardoor noodzakelijk was wel moest parkeren op de openbare weg, verwerpt het Hof. Belanghebbende is bekend met de schorsingsregeling en wist of had kunnen weten dat hij de schorsing digitaal had kunnen opheffen. Voorts stonden belanghebbende alternatieven ter beschikking om het alarm uit te schakelen. Het Hof is gelet hierop van oordeel dat geen sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Het Hof oordeelt dat de verzuimboete terecht is opgelegd en acht een boete van € 824 passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:1257

Boeteoplegging aan fiscale eenheid op grond van de wet mogelijk

Belanghebbende is sinds 1 juli 2016 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Belanghebbende heeft voor het eerste kwartaal van 2018 aangifte omzetbelasting gedaan naar een te betalen bedrag van € 249.993. Dit bedrag is niet tijdig voldaan. De inspecteur heeft om die reden een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd en een verzuimboete opgelegd van het wettelijk maximum, zijnde € 5.278.

In geschil is of aan belanghebbende een boete kan worden opgelegd en zo ja, of de boete gematigd moet worden.

De Rechtbank overweegt dat de verzuimboete is opgelegd op grond van art. 67c van de Awr. Uit dat artikel volgt dat aan de belastingplichtige die aan de daar omschreven voorwaarden voldoet een boete kan worden opgelegd. Dit artikel regelt niet alleen voor welk feit een boete kan worden opgelegd, maar richt zich ook tot het rechtssubject. Bij kwaliteitsdelicten is het rechtssubject met de specifieke hoedanigheid of kwaliteit waartoe de boetebepaling zich richt, in dit geval de belastingplichtige, de pleger. Omdat in dit geval de fiscale eenheid de belastingplichtige is, is zij degene tot wie het artikel zich richt en degene die de beschreven overtreding begaat en derhalve beboet kan worden. De Rechtbank is om die reden van oordeel dat er een wettelijke grondslag is om aan de fiscale eenheid een boete op te leggen.

Met betrekking tot de hoogte van de boete overweegt de Rechtbank dat financiële omstandigheden aanleiding kunnen zijn om tot matiging van de boete over te gaan. Dat belanghebbende bij de ontvanger een beroep op betalingsonmacht is gedaan, doet naar het oordeel van de Rechtbank aan het verzuim niet af. Of de boete passend en geboden is moet de Rechtbank beoordelen met inachtneming van de omstandigheden waarin belanghebbende ten tijde van de beroepsprocedure verkeert. Alleen wanneer sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het ontbreken van draagkracht, is de Rechtbank gehouden zijn uitspraak op dat punt van een nadere motivering te voorzien. Belanghebbende heeft op dit punt geen stukken overgelegd, zodat de draagkracht van belanghebbende niet kan worden beoordeeld. De Rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding de boete te matigen. De Rechtbank acht de boete passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:3640

Geen matiging verzuimboete omdat schulden aan familieleden geen beslag leggen op betaalcapaciteit

De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting opgelegd en gelijktijdig een verzuimboete van € 369.

Belanghebbende is ondernemer en is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2015. De aangifte moest uiterlijk op 18 november 2016 zijn ingediend en is ingekomen op 19 februari 2017. In geschil is of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende, hoewel daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, niet tijdig heeft voldaan aan zijn aangifteverplichting. Het Hof is daarom, met de Rechtbank, van oordeel dat de opgelegde verzuimboete in overeenstemming is met de wet- en regelgeving. Het Hof wijst belanghebbende erop dat de lopende procedures over 2013 en 2014 geen rechtvaardiging zijn om niet binnen de gestelde termijnen aangifte te doen over 2015. Ook niet als deze lopende procedures relevant zouden zijn voor het doen van de aangifte voor het jaar 2015.

Belanghebbende doet een beroep op matiging vanwege de financiële omstandigheden waarin hij verkeert. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit de stukken dat belanghebbende beschikte over zodanige inkomsten en vermogensbestanddelen dat zijn financiële situatie niet van invloed is op de mate van verwijtbaarheid van het door hem gepleegde aangifteverzuim en dat zijn financiële situatie evenmin aanleiding is tot matiging van de opgelegde verzuimboete. De gestelde langlopende schulden aan meergenoemde familieleden leiden niet tot een ander oordeel nu belanghebbende niet aflost en geen rente betaalt, zodat deze schulden geen beslag leggen op zijn betaalcapaciteit.

Het Hof acht de opgelegde verzuimboete van € 369 passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:2999

Auto-importeur maakt waardevermindering aannemelijk en Hof vernietigt verzuimboete wegens geslaagd beroep op pleitbaar standpunt

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag bpm en een verzuimboete opgelegd.

Belanghebbende heeft in Duitsland een personenauto gekocht. Bij de aangifte bpm heeft belanghebbende gekozen voor de methode ‘taxatierapport’. In het taxatierapport is rekening gehouden met een schadecalculatie.

De inspecteur baseert zich op een taxatie die is uitgevoerd door Domeinen Roerende Zaken. In het verslag ‘Onderzoek waardebepaling’ is geen waardevermindering toegepast in verband met schade. Derhalve is de inspecteur overgegaan tot het naheffen van bpm.

In geschil is onder meer of de verzuimboete terecht is opgelegd, meer in het bijzonder of belanghebbende een beroep kan doen op een pleitbaar standpunt.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het schadeverleden van de auto niet meegenomen moet worden in de waardebepaling, omdat de verkoper dit niet hoeft te melden aan een potentiële koper. Het Hof gaat daar aan voorbij, nu uit het Burgerlijk Wetboek voor de verkoper verplichtingen voortvloeien waarbij een schade van deze omvang wel degelijk moet worden gemeld aan de koper.

Belanghebbende heeft (met onder meer foto’s en een taxatierapport) aannemelijk gemaakt dat de door de Rechtbank in aanmerking genomen waardevermindering als gevolg van schade van € 1.000 te laag is. Naar het oordeel van het Hof heeft  belanghebbende echter niet de gehele door hem voorgestane waardevermindering van € 6.092 aannemelijk gemaakt. Het Hof bepaalt de waardevermindering in goede justitie op een bedrag van € 4.500.

Naar het oordeel van het Hof kan, mede in het licht van de uiteindelijke uitkomst van deze procedure voor het Hof, niet worden gezegd dat belanghebbende redelijkerwijs niet kon en mocht menen dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade en dat deze schade voor het door belanghebbende voorgestane gedeelte als waardevermindering had te gelden. Belanghebbende mocht afgaan op het taxatierapport van de door hem ingeschakelde gecertificeerde deskundige. Het enkele feit dat belanghebbende gespecialiseerd is in het importeren van auto’s en bpm-aangiften kan verzorgen, brengt naar het oordeel van het Hof nog niet mee dat belanghebbende op de hoogte is van alle facetten van het taxeren van auto’s en van alle wettelijke regels op het gebied van de bpm.

Het voorgaande betekent dat belanghebbende ten tijde van het betalingsverzuim een pleitbaar standpunt heeft ingekomen. Het Hof vernietigt de verzuimboete.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:6889

Geen vrijstelling bpm voor levering voedselpakketten (geen economische activiteiten); geen avas en verzuimboete (die al verminderd is tot € 50) passend en geboden

Belanghebbende is in 2014 kentekenhouder geworden van een bestelauto. Met betrekking tot de aanschaf van de auto heeft belanghebbende geen aangifte gedaan ter zake van de bpm.

De inspecteur heeft om die reden aan belanghebbende een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 11.026 en een verzuimboete van € 1.102.

Onder meer is in geschil of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende stelt dat zij ondernemer is en derhalve is vrijgesteld van bpm voor een bestelauto. De prestaties van belanghebbende worden gevormd door de levering van voedselpakketten. Hiervoor ontvangt zij van de afnemers geen op geld waardeerbare vergoeding. Naar het oordeel van de Rechtbank verricht zij derhalve geen economische activiteiten. Daarmee is belanghebbende terecht niet als ondernemer aangemerkt. Dat belanghebbende wél een vergoeding ontvangt in de vorm van veel waardering, lijdt wat betreft de Rechtbank betreft geen twijfel, maar kan aan voormeld oordeel niet afdoen.

Nu belanghebbende geen ondernemer is, komt zij niet in aanmerking voor vrijstelling van de bpm. Derhalve is in beginsel terecht een verzuimboete opgelegd van € 1.102.

Belanghebbende heeft gesteld dat de auto aan haar is geschonken en dat de betreffende autohandelaar slechts is uitgegaan van bedrijfsmatig gebruik van de bestelbus en niet wist dat belanghebbende niet voor vrijstelling van de bpm in aanmerking kon komen.

De Rechtbank oordeelt dat in een dergelijk geval geen beroep kan worden gedaan op afwezigheid van alle schuld (avas). Belanghebbende had zich immers dienen te vergewissen van de fiscale regels. De inspecteur heeft echter in de beroepsfase, gelet op voornoemde omstandigheden, nader het standpunt ingenomen dat de verzuimboete dient te worden verminderd tot € 50.

De Rechtbank acht een boete van € 50 passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2015:4447

20 maanden gevangenisstraf voor het plegen van fraude, valsheid in geschrifte en witwassen

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift en (gewoonte-)witwassen. Hierbij is over een periode van vier jaar een substantieel geldbedrag van circa drie miljoen euro ten behoeve van privédoeleinden onttrokken aan rechtspersonen waarover verdachte zeggenschap had. Het aldus verkregen geld werd grotendeels omgezet in onroerende zaken in Nederland en op Bonaire.

Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan het leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift door één van zijn B.V.’s, tijdens de handel in biotickets. Bij dit strafbare handelen ging het om een bedrag van in totaal circa twee miljoen euro.

Bij de strafoplegging houdt de Rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de bepalende en leidinggevende rol die verdachte in het genoemde strafbare handelen heeft gespeeld, de omvang van de periode waarin het strafbare handelen zich heeft voorgedaan en de omvang van het witgewassen geldbedrag.

Het was verdachte die telkens het initiatief nam tot het bedoelde strafbare handelen en die anderen – personeel van zijn ondernemingen en zijn echtgenote – daarin heeft meegezogen. Zijn belangrijkste drijfveer daarbij was het eigen financieel gewin. Naar het oordeel van de Rechtbank getuigt het handelen van de verdachte van een grote mate van brutaliteit en tegelijkertijd van een ernstige mate van onverschilligheid ten aanzien van de regelgeving en het belang van een gezonde bedrijfsvoering voor zijn onderneming. De Rechtbank acht de feiten zeer ernstig en rekent deze de verdachte zwaar aan.

In het voordeel van verdachte houdt de Rechtbank er nadrukkelijk rekening mee dat verdachte, nadat hij werd betrapt en met de onderzoeksbevindingen werd geconfronteerd, goed heeft meegewerkt in het opsporingsonderzoek. Ook wordt in het voordeel van verdachte meegewogen dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel houdt de Rechtbank in het kader van samenloop er rekening mee dat tijdens deze strafrechtelijke procedure aan verdachte een strafbeschikking is opgelegd wegens overtreding van het Asbestverwijderingsbesluit alsook dat de redelijke termijn met een periode van één jaar en tien maanden is geschonden.

Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, veroordeelt de Rechtbank verdachte tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2019:3019