Categorie: Fiscaal sanctierecht

Vóór het verstrijken van bij aanmaning nader gestelde termijn kan (nog) niet worden geconstateerd dat niet of niet tijdig aangifte is gedaan als bedoeld in art. 69 lid 2 AWR

De verdachte staat terecht voor het op of omstreeks 1 september 2015, althans in de periode van 1 mei 2015 tot en met 11 november 2015 niet of niet binnen de door de inspecteur gestelde termijn doen van aangifte inkomstenbelasting 2014.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat aan de verdachte op 28 februari 2015 een uitnodiging tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2014 is uitgereikt. In deze uitnodiging is vermeld dat deze aangifte vóór 1 mei 2015 ingevuld en ondertekend bij de Belastingdienst moest worden ingediend. Aangezien de verdachte daar geen gevolg aan heeft gegeven, volgde op 29 september 2015 een herinneringsbrief met de mededeling dat de aangifte alsnog uiterlijk 13 oktober 2015 moest zijn ingediend. Nadat de verdachte andermaal had verzuimd zijn aangifte inkomstenbelasting in te dienen, heeft de fiscus op 28 oktober 2015 een aanmaning naar de verdachte gestuurd om de aangifte alsnog uiterlijk 11 november 2015 in te dienen. Deze aanmaning heeft niet het gewenste effect gesorteerd, aangezien het door of namens de verdachte doen van aangifte inkomstenbelasting 2014 uitbleef.

Het Hof ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte reeds op de tenlastegelegde datum niet, of niet binnen de door de inspecteur gestelde termijn aangifte inkomstenbelasting 2014 heeft gedaan. Het Hof is van oordeel dat alvorens de conclusie kan worden getrokken dat niet (tijdig) aangifte is gedaan, een belastingplichtige eerst aan de aangifteplicht herinnerd en vervolgens daartoe aangemaand moet worden.

Bij de toepassing van de AWR geldt dat de inspecteur bij de vaststelling van de aanslag rekening dient te houden met een binnen de bij een herinnering of een aanmaning gestelde termijn ingediend aangiftebiljet. Slechts een aangiftebiljet dat wordt ingediend na de bij de aanmaning gestelde termijn, en waarmee de inspecteur geen rekening heeft kunnen houden bij het opleggen van de aanslag, kan niet worden aangemerkt als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69 lid 2 AWR en dient te worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslag. Vóór het verstrijken van de bij de aanmaning nader gestelde termijn kan (nog) niet worden geconstateerd dat niet of niet tijdig aangifte is gedaan als bedoeld in art. 69 lid 2 AWR.

Bij die stand van zaken kan de verdachte slechts een strafrechtelijk verwijt worden gemaakt na afloop van de door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn voor het alsnog doen van de aangifte inkomstenbelasting 2014, te weten vanaf 12 november 2015. De tenlastegelegde periode ziet echter op het tijdsbestek dat daarvoor is gelegen. Mitsdien zal het hof de verdachte vrijspreken van het op of omstreeks 1 september 2015, althans in de periode van 1 mei 2015 tot en met 11 november 2015 niet, dan wel niet binnen de door de inspecteur gestelde termijn, doen van aangifte inkomstenbelasting 2014, zoals aan hem bij inleidende dagvaarding ten laste is gelegd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:421

Verdachte krijgt voordeel van de twijfel ten aanzien van niet opgegeven Amerikaanse rekening van $ 5.000.000

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2007 tot en met 2015.

De Officier van Justitie vindt dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Verdachte is een man die lange tijd op goede posities, vaak in het buitenland, heeft gewerkt bij het bedrijf Philip Morris. De Belastingdienst heeft in 2016 uit Amerika financiële gegevens ontvangen over verdachte. Verdachte bleek daar 2 rekeningen te hebben: de ene rekening vertegenwoordigde een waarde van ongeveer $ 800.000 en de andere ongeveer $ 5.000.000.

De politierechter is van oordeel dat verdachte heeft bekend dat hij de Amerikaanse rekening van $ 800.000 niet heeft aangegeven bij de Belastingdienst. Hij heeft het administratiekantoor, dat normaal gesproken zijn aangiften inkomstenbelasting voor hem doet, bewust niet ingelicht over die rekening. Dit heeft tot gevolg gehad dat ook de Belastingdienst niet van het bestaan van deze rekening wist en er daarom te weinig belasting is geheven bij verdachte. Uit het dossier blijkt dat deze rekening vanaf 2009 een bepaalde waarde vertegenwoordigde, daarvoor stond er niks op. De politierechter acht bewezen dat verdachte opzettelijk onvolledige aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2009 tot en met 2015 heeft laten doen.

De politierechter acht niet bewezen dat verdachte opzettelijk de rekening met een waarde van ongeveer $ 5.000.000 niet heeft opgegeven aan de Belastingdienst. Er bevindt zich in het dossier geen bewijs dat verdachte dit willens en wetens heeft nagelaten. Het enkele feit dat een belastingaangifte onjuist of onvolledig is, brengt namelijk nog niet mee dat verdachte daarop van meet af aan opzet heeft gehad. Dit betekent dat concreet bewijs voor opzet moet worden geleverd. Verdachte heeft op zitting uitgelegd dat het geen ‘gewone’ rekening betrof, maar een rekening waarop opties en eventuele aandelen staan, die volgens hem door zijn voormalig werkgever is geopend. Daarnaast heeft verdachte uiteengezet dat hij in de jaren rondom zijn pensionering in 2006 zware jaren heeft gehad en ten gevolge daarvan wellicht die rekening is vergeten. Verdachte maakte een geloofwaardige indruk met zijn verhaal. Verdachte heeft gesteld dat hij in de veronderstelling was dat hij de rekening die een waarde vertegenwoordigde van ongeveer $ 800.000 had opgegeven en dat toen mogelijk ook belasting is geheven over de andere rekening. In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit anders zou moeten blijken, wat betekent dat verdachte in dezen het voordeel van de twijfel krijgt. Verdachte wordt daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.

De politierechter veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:10058

Verdachte verzweeg een aanmerkelijk belang waardoor ongeveer € 400.000 te weinig aan belasting werd geheven

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het doen van valse belastingaangiften, het medeplegen van valsheid in geschrift en het plegen van het gebruikmaken van dat valse geschrift. Bij deze feiten speelde de vennootschapsstructuur die was uitgedacht en opgezet door de medeverdachte een grote rol. In het Verenigd Koninkrijk werden twee limiteds, een werkmaatschappij en een holding, aangeschaft en medeverdachte schoof daar in ieder geval één van zijn holdings boven. Die aandelen waren op papier op naam van medeverdachte, maar in werkelijkheid was de economische eigenaar verdachte. Om de werkelijkheid te blijven verhullen heeft verdachte samen met medeverdachte een vals geschrift opgesteld waarin stond, dat verdachte geen enkel belang bij de aandelen van de limited had.

Verdachte betwist dat hij een aanmerkelijk belang heeft. Hij heeft geen economisch eigendom van de aandelen, noch is hij Ultimate Beneficial Owner van de limited. Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte een aanmerkelijk belang heeft. Het economisch belang van de aandelen berust immers bij verdachte. Medeverdachte heeft meermaals en consequent verklaard dat verdachte de Ultimate Beneficial Owner is en dat hij zelf slechts een marginale rol had in de uitoefening. Het Hof acht daarom bewezen dat verdachte opzettelijk dit aanmerkelijk belang niet in zijn aangifte heeft verwerkt. Verdachte wenste te voorkomen dat derden van zijn belang op de hoogte waren, gelet op de geheimhoudingsclausule en zijn uitingen richting derden.

Door het aanmerkelijk belang niet aan te geven in zijn aangiften voorkomt verdachte dat reguliere of vervreemdingsvoordelen uit dit aanmerkelijk belang tot zijn inkomsten uit aanmerkelijk belang worden gerekend. Hieraan doet niet af dat verdachte voor de jaren 2010 en 2011 niet daadwerkelijk voordelen uit het aanmerkelijk belang heeft genoten. Door zijn aangiften inkomstenbelasting 2010 en 2011 geen aanmerkelijk belang aan te geven, heeft de inspecteur in deze aangiften geen aanleiding kunnen vinden zich te buigen over het gebruikelijk loon. Gelet op de omzet die de limited heeft behaald met de werkzaamheden van verdachte van ongeveer € 141.750 (2010) en € 266.692 (2011) was een hoger loon dan € 40.000 geenszins ondenkbeeldig geweest.

Wat betreft het valse geschrift, is het Hof van oordeel dat verdachte en medeverdachte de brief samen hebben opgemaakt. Verder is al vastgesteld dat verdachte de brief heeft gebruikt. De vraag is vervolgens of de inhoud van de brief vals of vervalst was. Zoals het Hof heeft overwogen was verdachte de economische eigenaar van de aandelen. Dit betekent dat die inhoud van de brief onjuist was. Het Hof acht bewezen dat verdachte samen met medeverdachte een vals geschrift heeft opgesteld en dat hij dit valse geschrift meermalen heeft gebruik.

Het Hof is van oordeel dat een straf van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk passend en geboden is.

 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:1203

Grove schuld van BV veroorzaakt door belanghebbende en levert bestuurdersaansprakelijkheid op

De ontvanger heeft belanghebbende aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 24.900 voor de door zijn BV onbetaald gelaten naheffingsaanslag omzetbelasting over het kalenderjaar 2011. Belanghebbende is bestuurder van de BV en was dit ook in het jaar 2011.

De BV deed maandaangiften voor de omzetbelasting. Over 2011 heeft de BV, met uitzondering van de maanden februari en juni, nihilaangiften gedaan, zij het voor november eerst nadat aan de BV een naheffingsaanslag naar een geschat bedrag aan omzetbelasting is opgelegd. In oktober 2011 heeft de Rabobank de bankrekeningen van de BV en van belanghebbende geblokkeerd en verkeert de BV in betalingsonmacht. Naar aanleiding van de ontvangen melding van betalingsonmacht heeft de ontvanger bij brief van 26 juni 2012 vragen gesteld aan de BV en heeft de ontvanger vervolgens op 3 augustus 2012 de melding van betalingsonmacht beoordeeld als niet rechtsgeldig, wegens het niet ontvangen van de informatie waar in de brief van 26 juni 2012 om is verzocht en het ontbreken van een openstaande schuld van de BV.

In geschil is of belanghebbende terecht als bestuurder aansprakelijk is gesteld voor de omzetbelastingschuld van de BV.

Het Hof is van oordeel dat het doen van een onjuiste aangifte over het tijdvak december 2011 is te wijten aan grove schuld van de BV en ook van belanghebbende. De enige relevante transactie in dit tijdvak betrof de oplevering van een onroerende zaak, waarvoor belanghebbende namens de BV een factuur heeft opgesteld met vermelding van omzetbelasting. Naar het oordeel van het Hof had belanghebbende moeten weten dat de BV de aldus in rekening gebrachte omzetbelasting op aangifte dient te voldoen. Door desondanks een nihilaangifte in te dienen is sprake van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid.

Aangezien de grove schuld van de BV wordt veroorzaakt door het handelen van belanghebbende zelf, kan geen sprake zijn van een situatie dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam de betalingsonmacht niet rechtsgeldig kon melden, doordat opzettelijk of grofschuldig geen aangifte of een te lage aangifte is gedaan. In een dergelijke situatie is het handelen van de BV immers per definitie aan belanghebbende te wijten.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:229

In cassatie: een algemeen verzoek tot matigen van de straf behoeft niet te worden opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt; strafoplegging behoeft niet nader te worden gemotiveerd

Verdachte is door het Hof wegens deelneming aan een criminele organisatie en het feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk niet tijdig alsook onjuist doen van belastingaangiften veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld.

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te motiveren waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de strafmaat.

De raadsman van verdachte brengt naar voren dat het leven van verdachte zich de afgelopen 10 jaren gewoon heeft afgespeeld. Dit houdt in dat verdachte niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie, druk bezig is om carrière op te bouwen, een gezinsleven te vormen en hard bezig is om zijn leven op een goede manier te leven hetgeen verdachte tot op de dag van vandaag ook allemaal goed gelukt is. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal zondermeer roet gooien in de ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt en zal negatieve gevolgen met zich meebrengen.

Het Hof oordeelt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die tot doel had en het mogelijk heeft gemaakt om door middel van grootschalige BTW-fraude grote financiële voordelen te ontvangen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geeft het Hof geen aanleiding om af te zien van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

De vraag is of hetgeen door de verdediging is aangevoerd, is aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Een algemeen verzoek tot matigen van de straf behoeft namelijk niet te worden opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het Hof behoefde de waardering van de strafoplegging in aanmerking genomen factoren, waaronder de persoonlijke omstandigheden, ook als het door de verdediging gedane verzoek als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet worden gezien, niet nader te motiveren.

Het middel faalt en wordt afgedaan met art. 81 RO.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:108

In cassatie: strafrechtelijke veroordeling voor BTW-fraude blijft in stand ondanks andersluidend oordeel belastingrechter

Verdachte is door het Hof wegens deelneming aan een criminele organisatie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met een gevoerd verweer een verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, bij de bewijsvoering heeft betrokken. Uit de overwegingen van het Hof leidt de Hoge Raad af dat de verdachte niet de gelegenheid is geboden voorafgaand aan het verhoor door de politie een advocaat te raadplegen. Dit is een vormverzuim. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat het geconstateerde verzuim zonder gevolg kan blijven, omdat er geen nadeel door dat verzuim is veroorzaakt. De verdachte is immers bij zijn eerder afgelegde verklaring gebleven nadat hij een advocaat had geconsulteerd. De situatie kan zich voordoen dat met weglating van de door een Salduz-verzuim besmette verklaring -gelet op de overige bewijsmiddelen- de bewezenverklaring toereikend is gemotiveerd. Het middel faalt dus wegens gebrek aan belang in cassatie.

Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat het onderzoek aan elektronische gegevensdragers van de verdachte (een mobiele telefoon, een laptop en desktopcomputers) onrechtmatig is en dat de resultaten daarvan moeten worden uitgesloten van de bewijsvoering. Het Hof is volgens de Hoge Raad ingegaan op de vraag of aan dat verzuim rechtsgevolgen moeten worden verbonden. Het geleden nadeel dat door het verzuim wordt veroorzaakt, bestaat er volgens het Hof uit dat verbalisanten kennis hebben kunnen nemen en hebben genomen van privé-informatie die de verdachte op zijn telefoon had staat. Daarbij nam het Hof in aanmerking dat (i) gesteld noch gebleken is dat de kennisneming door de verbalisanten van privé-gegevens van de verdachte, anders dan in het kader van het onderzoek in deze zaak, heeft geleid tot enige verdere verspreiding van privégegevens of enig ander concreet nadeel, en (ii) het politieonderzoek plaatsvond in het kader van de opsporing van grootschalige BTW-fraude. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is volgens de Hoge Raad voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Het middel faalt.

Het derde middel behelst de klacht dat onbegrijpelijk is dat het Hof tot een bewezenverklaring is gekomen, terwijl de belastingrechter op basis van hetzelfde dossier heeft geoordeeld dat de verdachte te goeder trouw heeft gehandeld en dat de verdachte niet wist of heeft moeten weten dat hij heeft deelgenomen aan BTW-fraude. Het Hof heeft bij zijn bewijsoordeel geen onjuiste maatstaf gehanteerd. Het Hof moet om tot een bewezenverklaring te kunnen komen namelijk het tenlastegelegde feit bewezen achten op basis van de bewijsmiddelen. Dat heeft het Hof ook gedaan. Het oordeel waarover wordt geklaagd is een andere kwestie, dat betreft namelijk de waardering, oftewel de redengevendheid van de bewijsmiddelen waarop die bewezenverklaring steunt. Het oordeel van het Hof geeft dus niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is overigens ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt ook.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:107

Verzuimboetes wegens het 7 jaar lang niet doen van aangiften inkomstenbelasting

Belanghebbende heeft geen aangiften inkomstenbelasting gedaan voor de jaren 2008 tot en met 2015. De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen inkomstenbelasting en daarbij verzuimboetes opgelegd. In geschil in hoger beroep is of de inspecteur bij het vaststellen van de omstreden aanslagen en boetebeschikkingen heeft gehandeld in strijd met het recht.

Het Hof oordeelt dat – nu belanghebbende binnen de daartoe gestelde termijnen geen aangifte heeft gedaan –  de inspecteur bevoegd was de aanslagen ambtshalve vast te stellen. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Het is dan ook aan belanghebbende om op overtuigende wijze te tonen dat de bestreden uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Belanghebbende is in de op hem rustende bewijslast niet geslaagd. Over de jaren heeft hij geen enkel inkomensgegevens verschaft en de door hem in de beroepsfase alsnog door middel van een aangifte verstrekte gegevens zijn door de inspecteur gemotiveerd bestreden waartegenover belanghebbende niet heeft doen blijken dat zijn aangifte wel juist is.

Het Hof acht de boetes opgelegd wegens het niet nakomen van de aangifteverplichting passend en geboden. De inspecteur neemt terecht het standpunt in dat belanghebbende stelselmatig in verzuim is. Feiten of omstandigheden die het Hof aanleiding geven één of meer van de boetes (verder) te verminderen zijn niet aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende inhoudende dat in een geval als het onderhavige met een boete moet worden volstaan, is onjuist.

Het Hof vindt geen gronden voor het oordeel dat de inspecteur anderszins heeft gehandeld in strijd met enige door hem in acht te nemen regel van Nederlands, Europees of internationaal recht, en is bij de beoordeling van de onderhavige zaak niet gestuit op vragen van Europees recht die aanleiding zouden kunnen geven tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:83

Bewijsvermoedens die slechts zijn gebaseerd op onvermogen om nadere informatie te verstrekken en niet redelijkerwijs voortvloeien uit aanwezige bewijsmiddelen zijn niet bruikbaar

Belanghebbende drijft een stoeterij in de vorm van een eenmanszaak. De inspecteur heeft naar aanleiding van een boekenonderzoek de in de jaren 2013 tot en met 2017 op aangifte afgetrokken omzetbelasting gedeeltelijk gecorrigeerd door de per saldo ontvangen omzetbelasting na te heffen. Daarnaast heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd.

Belanghebbende stelt dat sprake is geweest van overmacht, omdat zijn administratie uit zijn auto is gestolen. De Rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van overmacht. Dat de administratie door diefstal verloren is gegaan, dient voor rekening en risico van belanghebbende te blijven. Belanghebbende heeft zelf de keuze gemaakt om zijn gehele administratie over de onderhavige jaren in een aktetas in zijn auto achter te laten. Dat geldt ook voor het gegeven dat belanghebbende niet beschikt over een back-up of andere kopieën van de administratie.

Op de inspecteur rust de bewijslast dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. Belanghebbende heeft onvoldoende bewijs geleverd voor de door hem op aangifte in aftrek gebrachte voorbelasting waardoor te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan. De inspecteur stelt dat belanghebbende geen stukken ter onderbouwing van de afgetrokken voorbelasting kan overleggen en geen namen kan verstrekken van zijn leveranciers. Dat leidt de inspecteur tot het vermoeden dat ook ten tijde van het doen van aangifte de stukken niet aanwezig waren omdat de kosten niet zijn gemaakt.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur op zichzelf gebruik mag maken van bewijsvermoedens, maar dat die vermoedens wel redelijkerwijs moeten voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen. Daarvan is in dit geval geen sprake omdat het bewijsvermoeden slechts is gebaseerd op het onvermogen van belanghebbende om nadere informatie te verstrekken. Dat belanghebbende om hem moverende redenen niet kan of wil verklaren over zijn leveranciers, kan niet worden aangemerkt als een bewijsmiddel. Het niet kunnen overleggen van administratie en het niet kunnen verstrekken van nadere informatie zijn verder op zichzelf geen beboetbare feiten. De inspecteur is dan ook niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat het aan opzet of grove schuld van eiser is te wijten dat op de aangifte te weinig belasting is voldaan. De boetebeschikking kan daarom niet in stand blijven.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:13841

Verdachte heeft als medewerkster en onder leiding van medeverdachte opzettelijk BTW-fraude gepleegd voor € 1.500.000

De medeverdachte had een bedrijf dat zich toelegde op de verkoop van voornamelijk luxe campers. De verdachte wordt ervan verdacht als medewerkster bij het concern van haar leidinggevende (medeverdachte) gedurende een lange periode opzettelijk onjuist en onvolledige opgave van de omzetbelasting te hebben gedaan.

Voor alle vennootschappen was verdachte als enige in het concern door medeverdachte belast met het indienen van de aangiften voor de omzetbelasting. Verdachte deed de aangiften op basis van de proef- en saldibalans, terwijl zij wist dat de administratie vaak niet was bijgewerkt, omdat zij het daarvoor te druk had met andere werkzaamheden. Ook heeft zij in opdracht van medeverdachte wel eens bewust geschoven met de BTW. Uit een e-mailbericht aan de boekhouder blijkt dat zij ook op de hoogte was van de noodzaak om suppletie-aangiften te doen. Voordat verdachte omzetbelasting aangaf en zorgde voor de afdracht, besprak zij dat altijd met medeverdachte. De Rechtbank stelt op grond van deze verklaringen vast dat verdachte telkens opzettelijk onvolledige en onjuiste omzetbelastingaangiften namens de vennootschappen heeft gedaan en dat ook medeverdachte van die onvolledigheid en onjuistheid op de hoogte was.

Aangevoerd is dat het steeds de bedoeling was om eventuele verschillen met de achterlopende administratie later in het jaar middels suppletieaangifte recht te trekken, waarbij medeverdachte noch verdachte de intentie hadden dat er te weinig belasting werd afgedragen. De Rechtbank verwerpt dit verweer, omdat naar haar oordeel sprake is van een onjuiste interpretatie van het strekkingsvereiste. De Rechtbank is van oordeel dat de gedragingen bij uitstek geschikt zijn om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven. Dat is ook gebleken, nu de Belastingdienst over de gehele tenlastegelegde periode en over alle vennootschappen gezien voor ruim € 1.500.000 is benadeeld.

Er is een beroep gedaan op psychische overmacht, dan wel afwezigheid van alle schuld, nu verdachte haar werk zo goed mogelijk wilde doen en dat zij als werkneemster uitvoering heeft gegeven aan wat haar leidinggevende van haar verwachtte. Daarnaast had zij het veel te druk op haar werk en was zij mogelijk niet capabel genoeg voor de haar opgedragen taken. Verdachte heeft nooit stilgestaan bij de gevolgen. De Rechtbank overweegt dat een beroep op psychische overmacht alleen dan kan slagen wanneer er sprake is geweest van een zodanige van buiten komende drang dat de verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaar en legt een taakstraf op voor de duur van 120 uur.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:471

Strafbepaling art. 69 lid 2 AWR ziet alleen op aangifteplichtige

Het OM heeft beroep in cassatie ingesteld. In cassatie wordt geklaagd over de juistheid van het oordeel van het Hof dat verdachte niet als pleger van het tenlastegelegde kan worden aangemerkt. Aan verdachte is tenlastegelegd dat verdachte met medeverdachte, althans alleen, opzettelijk aangifte omzetbelasting en inkomstenbelasting onjuist en/of onvolledig heeft gedaan op naam van de medeverdachte.

Het Hof heeft overwogen dat verdachte niet op grond van art. 69 lid 2 AWR strafbaar gesteld kan worden omdat hij ten aanzien van het tenlastegelegde niet is aan te merken als aangifteplichtige, terwijl ook niet is gebleken dat hij met de aangifteplichtige vereenzelvigd moet worden, zodat hij niet binnen het bereik van de strafbepaling valt. Het medeplegen door de verdachte met de belastingplichtige kan onder deze omstandigheden niet worden bewezen. Nu de verdachte zelf niet verplicht was tot het doen van de in de tenlastelegging genoemde aangiften, moet hij van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Art. 69 lid 2 AWR is gericht tot degene die een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’ onjuist of onvolledig doen. Als pleger van het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte moet daarom worden aangemerkt degene die tot het doen van de aangifte gehouden is. Die gehoudenheid tot het doen van aangifte kan worden vastgesteld bij eenieder die tot het doen van aangifte is uitgenodigd als voorzien in art. 8 lid 1 AWR. De omstandigheid dat de in art. 8 lid 1 AWR bedoelde uitnodiging tot het doen van aangifte (nog) niet was ontvangen, staat op zichzelf beschouwd niet in de weg aan het oordeel dat sprake is van een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’ in de zin van art. 69 lid 2 AWR.

Mede gelet op de parlementaire geschiedenis kan een als aangifte ingediende gegevensdrager uitsluitend worden aangemerkt als een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’ indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft, of door degene die uit hoofde van de art. 42 tot en met 44 AWR als vertegenwoordiger van de belasting- of betalingsplichtige kan optreden.

Het middel gaat uit van de opvatting dat ook buiten deze gevallen sprake kan zijn van het als pleger stafrechtelijk aansprakelijk zijn voor het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69 lid 2 AWR. Deze opvatting is onjuist, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.

De Hoge Raad merkt nog op dat – zoals ook blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de AWR – de art. 47 t/m 51 Sr diverse mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid. Onder omstandigheden kan een dergelijke gedraging ook opleveren het in art. 225 lid 2 Sr strafbaar gestelde (‘valsheid in geschrift’), welke delictsomschrijving tot eenieder is gericht.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2020:121