Categorie: Fiscaal sanctierecht

Hoge schulden en een jong gezin leiden bij belastingfraude tot een taakstraf i.p.v. een onvoorwaardelijke gevangenisstraf

Verdachte heeft een ‘contracting bureau’ en leende via een eenmanszaak en later via een vennootschap (medeverdachte in een aanverwante zaak) Roemeens personeel uit. De voornaamste opdrachtgever van de onderneming bouwden vakantiehuisjes in Nederland. Uit een boekenonderzoek is gebleken dat over de facturatie te weinig omzetbelasting is afgedragen alsmede dat er door de vennootschap geen loonheffing is ingehouden. Aan verdachte en de vennootschap is tenlastegelegd het gedurende meerdere jaren doen van onjuiste aangiften.

De Rechtbank acht ten aanzien van verdachte bewezen verklaard het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting en loonbelasting en ten aanzien van de vennootschap het indienen van onjuiste aangiften loonbelasting.

Wat betreft de straftoemeting rekent de Rechtbank verdachte en de vennootschap aan 2,5 jaar lang belastingfraude te hebben gepleegd. Verdachte en de vennootschap hebben verklaard niet de financiële middelen te hebben om de belasting te betalen. Ook zouden zij niet geweten hebben hoe de belastingen op juiste wijze zou moeten worden ingediend en geen middelen voorhanden te hebben gehad om een boekhouder te betalen. De Rechtbank stapt hier gemakkelijk overheen en overweegt dat verdachte en de vennootschap te lang zijn doorgegaan met het niet juist indienen van de aangiften. Een gebrek aan liquide middelen kan niet worden opgelost door geen aangiften te doen en de verschuldigde belasting niet betalen.

Normaal gesproken zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd worden, maar de Rechtbank legt een forse werkstraf op. Hierdoor krijgt verdachte de mogelijkheid om zijn belastingschulden af te betalen. Overigens zou het (jonge) gezin lijden onder het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel legt de Rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op om te voorkomen dat verdachte nog eens zulke feiten zal plegen. Verdachte krijgt een taakstraf van 240 uur opgelegd alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Aan de vennootschap wordt een voorwaardelijke geldboete van € 10.000 opgelegd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:4461

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:4463

Opzet en grove schuld zijn twee van elkaar te onderscheiden kwalificaties; inspecteur bewijst opzet in plaats van grove schuld: vergrijpboetes vernietigd

Belanghebbende, een maatschap, verricht werkzaamheden als accountants- en belastingadvieskantoor. Belanghebbende verzorgt zelf haar jaarrekeningen en aangiften omzetbelasting. Uit een boekenonderzoek is gebleken dat over de jaren 2014 tot en met 2016 een totaal van € 40.782 aan omzetbelasting te weinig is afgedragen. Uit het dossier blijkt dat belanghebbende bewust te weinig omzet heeft opgegeven wegens liquiditeitsproblemen. De inspecteur legt naheffingsaanslagen op alsmede vergrijpboetes van 25%, met als schuldkwalificatie grove schuld.  In het controlerapport is niet onomwonden toegelicht of belanghebbende grove schuld of opzet wordt verweten.

In geschil is of de boetes terecht zijn opgelegd en zo ja, of de boetes dienen te worden gematigd.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat ten aanzien van de verwijtbaarheid opzet kan worden bewezen maar dat is gekozen voor de kwalificatie grove schuld, waarbij de strafverzwarende en strafverminderende omstandigheden in acht zijn genomen. In dat verband wijst de inspecteur op het feit dat belanghebbende een financieel dienstverlener is.

De Rechtbank overweegt dat de bewijslast voor grove schuld bij de inspecteur ligt. Gelet op de geldende rechtspraak (o.a. ECLI:NL:HR:2003:AE3220) ligt in de kwalificatie opzet geen grove schuld besloten. Het zijn twee van elkaar te onderscheiden kwalificaties. De Rechtbank concludeert louter te zullen toetsen of er sprake is geweest van grove schuld. De bewijsmiddelen uit het dossier – specifiek het hoorverslag en controlerapport – onderbouwen opzet bij belanghebbende, maar niet grove schuld. Het betoog van verweerder dat het niet mogelijk was meer informatie te krijgen voor het opleggen van de boete kan hem niet baten nu de bewijslast ongewijzigd bij de inspecteur ligt.

De Rechtbank vernietigt de vergrijpboetes.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:4450

Niet ten laste gelegde onjuiste aangiften leiden tot een benadelingsbedrag van € 2.225.240; gevangenisstraf van 30 maanden

Verdachte heeft een eenmanszaak en drie vennootschappen. De eenmanszaak fungeerde als afnemer van de drie vennootschappen. Bij de eenmanszaak werd omzetbelasting in aftrek gebracht terwijl bij de vennootschappen de verkopen en omzetbelasting niet in de administratie werden verwerkt. In dit verband zijn teven valse facturen opgemaakt om toch voorbelasting terug te vragen bij de eenmanszaak. Ook de loonbetalingen zijn uit de loonadministratie gehouden. Aan verdachte wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard; het medeplegen aan het doen van onjuiste aangiften, het feitelijk leiding geven aan het doen van onjuiste aangiften en valsheid in geschrifte.

Uit cijfers van de FIOD blijkt dat het benadelingsbedrag op basis van het bewezenverklaarde € 1.605.111 bedraagt (omzetbelasting € 1.121.717 en loonheffing € 483.394). Wanneer de onjuiste aangiften welke niet ten laste zijn gelegd, maar wel ter terechtzitting zijn behandeld, in acht worden genomen, komt het nadeel neer op € 2.225.240. Het Hof overweegt dat met het totale benadelingsbedrag rekening mag worden gehouden omdat de niet tenlastegelegde aangiften zijn voorgehouden op zitting en aan verdachte de mogelijkheid is gegeven hierover een verklaring af te leggen.

Wat betreft de straftoemeting overweegt het Hof dat verdachte nooit eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten. Daarnaast wordt rekening gehouden met het faillissement van zijn onderneming als gevolg van de strafzaak, de executoriale verkoop van zijn woning en zijn echtscheiding. Ook wordt opgemerkt dat verdachte werkt in de verpakkingsindustrie waarmee hij inkomen verkrijgt en zijn schulden afbetaalt. Gelet op de ernst van de delicten kunnen deze persoonlijke omstandigheden echter niet leiden tot een lichtere straf, aldus het Hof.

Het Hof acht een gevangenisstraf van 32 maanden passend en geboden. Wel is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 7 maanden. Hierdoor wordt een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:3870

Winstuitdeling aan aandeelhouder uit niet opgegeven gerealiseerde omzetten van vennootschap; vergrijpboete van 50%

Belanghebbende heeft via een personal holding, een STAK en een BV aandelen in BV X die een horecaonderneming drijft. Belanghebbende is tevens bestuurder en feitelijk leidinggevende in de onderneming. Naar aanleiding van een boekenonderzoek is vastgesteld dat belanghebbende in 2011 een hoger inkomen uit werk en woning heeft genoten dan dat zij heeft opgegeven. Daarnaast heeft zij € 0 aan inkomen uit aanmerkelijk belang opgegeven. Dit is naar aanleiding van het boekenonderzoek gecorrigeerd naar € 1.000.000. Er is bij Holding Y een verschil ontstaan in de aangegeven omzet. Uit de gegevens uit het kassysteem kan worden afgeleid dat er een hogere omzet is gerealiseerd dan is verantwoord in de aangiften. Deze niet opgegeven omzetbelasting is toegekomen aan de aandeelhouders, vandaar dat bij belanghebbende het aanmerkelijk belang is gecorrigeerd.

De inspecteur legt voor de jaren 2011 (box 2 € 848.440) en 2012 (box 2 € 925.000) een navorderingsaanslag IB alsmede een vergrijpboete (2012) van 50%, ofwel € 115.625 op. In geschil is of de navorderingsaanslagen en de vergrijpboete terecht en voor de juiste hoogte zijn opgelegd.

De hoogte van de navorderingsaanslag is geschat aan de hand van het kassysteem van de horecaonderneming. Tussen het kassysteem en de opgegeven omzetten zijn verschillen van € 1.592.460 (2011) en € 1.601.367 (2012) geconstateerd. Het kassysteem is van een gecertificeerde partij waar tevens is geverifieerd of het systeem niet dergelijke verschillen zou kunnen veroorzaken. Dit was niet het geval. Deze omzetten zijn omgerekend naar winsten zodat een winstuitdeling kan worden geschat.

De inspecteur is geslaagd in de bewijslast dat de verschuldigde belasting die is aangegeven op de aangiften aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Belanghebbende heeft niet aannemelijk kunnen maken dat dit volgens haar een programmafout was. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd. Volgens de Rechtbank heeft de inspecteur de aanslag gebaseerd op een redelijke schatting.

De winstuitdeling is niet opgegeven in de aangiften Inkomstenbelasting van belanghebbende terwijl de omzetten niet meer in de vennootschap zitten. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende het geld heeft genoten in zijn hoedanigheid van aandeelhouder en heeft onttrokken aan de vennootschap. Het is algemeen bekend dat winstuitdelingen moeten worden opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting. Door dit niet te doen heeft belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting wordt geheven. De Rechtbank acht een vergrijpboete van 50% passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:12595

Schending zorgvuldigheidsbeginsel bij aansprakelijkstelling bestuurder; tevens onvoldoende bewijs voor aansprakelijkstelling voor boete

Belanghebbende is gezamenlijk met zijn broer formeel bestuurder geweest van een BV. Door de ontvanger is belanghebbende aansprakelijk gesteld voor schulden van de BV. Het betreft twee naheffingsaanslagen omzetbelasting en de ter zake daarvan opgelegde vergrijpboetes, in rekening gebrachte belastingrente en de invorderingskosten.

Eerst is in geschil of het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De ontvanger stelt zich op het standpunt dat de motivering van het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. De Rechtbank is echter van oordeel dat belanghebbende wel ontvankelijk is. Ingevolge het relevante beleid dient de ontvanger bij het stellen van de termijn voor het motiveren van het bezwaar belanghebbende te wijzen op de gevolgen van het niet tijdig indienen van bezwaar, hetgeen niet is gebeurd.

Inhoudelijk buigt de Rechtbank zich over de vraag of belanghebbende aansprakelijk gesteld kan worden voor de schulden van de BV. De ontvanger heeft alleen belanghebbende en niet de andere formele bestuurder aansprakelijk gesteld. De Rechtbank overweegt dat de ontvanger niet verplicht is beide bestuurders (gelijktijdig) aansprakelijk te stellen. In het onderhavige geval blijkt echter dat de ontvanger niet op de hoogte was van het feit dat er sprake was van twee formele bestuurders. Ook heeft de ontvanger ondanks contra-indicaties geen nader onderzoek hiernaar gedaan. De ontvanger heeft hierdoor onzorgvuldig gehandeld.

Ten aanzien van de boete heeft de ontvanger slechts gewezen op de totale gang van zaken bij de BV. Volgens de Rechtbank is dit onvoldoende om te bewijzen dat belanghebbende een verwijt treft ten aanzien van het beboete feit. Hierdoor is belanghebbende ten onrechte aansprakelijk gesteld voor de vergrijpboetes.

De Rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende gegrond en wijst de zaak terug naar de ontvanger om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:4180

Boetes voor box-2- en box-3-inkomen bij zwartsparen; geen matiging wegens samenloop

Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren (2003 t/m 2014) een bankrekening in Zwitserland gehad waarop hij omzetten stortte vanuit een BV  waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder was. Het saldo van de rekening betrof in 2003 € 55.000 en in 2014 € 632.964. Het Central Liaison Office (CLO) van de Belastingdienst heeft in 2015 bij de Zwitserse bank een groepsverzoek ingediend betreffende Nederlandse rekeninghouders. Dit is kort daarna ook in het nieuws verschenen. In 2016 heeft belanghebbende een beroep gedaan op de inkeerregeling en de inspecteur medegedeeld dat hij een bankrekening had in Zwitserland. De inspecteur heeft vervolgens ten aanzien van de jaren 2003 t/m 2014 navorderingsaanslagen IB alsmede vergrijpboetes opgelegd.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd.

Eerst oordeelt de Rechtbank dat de inkeerregeling niet van toepassing is nu belanghebbende gelet op de mediaberichten in Nederland wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de inspecteur op de hoogte zou raken van zijn rekening bij de Zwitserse bank waardoor geen sprake is van vrijwillige inkeer. De inkeerregeling staat dus niet aan de boetes in de weg.

Belanghebbende voert ten aanzien van de boetes aan dat ten onrechte geen cautie is verleend. De Rechtbank overweegt dat de cautie slechts aan een verdachte zelf kan worden gegeven. Nu in casu belanghebbende slechts via de adviseur met de inspecteur heeft gecommuniceerd en van de mogelijkheden voor een hoorgesprek heeft afgezien, behoefde er geen cautie te worden gegeven.

Belanghebbende beroept zich verder, mede onder verwijzing naar art. 55 Sr en 56 Sr, op het feit dat de boetes moeten worden verminderd wegens samenloop van strafoplegging van strafbare feiten. Er zijn boetes opgelegd ten aanzien box 2 (40% ten aanzien van de heffing over de niet opgegeven uitdelingen vanuit de BV naar privé) en ten aanzien van box 3 (50% voor de jaren tot en met 2007 en 150% voor de jaren daarna). De Rechtbank is echter van oordeel dat geen sprake is van twee verschillende beboetbare feiten per aangifte. Het doen van onjuiste aangifte valt niet uiteen in meerdere beboetbare handelingen, ongeacht of de aangifte een of meerdere onjuistheden bevat of in welke mate de aangifte onvolledig is. Het jaarlijks indienen van onjuiste aangifte is dan ook niet aan te merken als een voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr.

De Rechtbank acht de boetes passend en geboden. De boetes worden nog wel met 10% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:5815

Omkering bewijslast: Hof verlaagt door inspecteur opgelegde boetes wegens willekeurige schatting

Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2011 en 2012. Uit een luchtfoto, gemaakt ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek, is het vermoeden gerezen dat er een woonwagen door belanghebbende is aangekocht en verbouwd. Nu belanghebbende gelet op het aangegeven inkomen geen (bekende) middelen heeft gehad voor dergelijke uitgaven zijn er door de inspecteur navorderingsaanslagen IB opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn door de inspecteur opgelegd naar geschatte belastbare inkomens van € 175.000 voor beide jaren. De boetes die de inspecteur had opgelegd (€ 40.134 voor 2011 en € 37.462 voor2012) zijn door de rechtbank verminderd naar € 23.879 (2011) en € 22.289 (2012).

In hoger beroep is onder meer in geschil of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.

Relevant is de hoogte van de boetegrondslag. De aanschafwaarde van de woonwagen is door de inspecteur geschat op € 350.000. Het Hof overweegt dat de verklaringen van experts waar de inspecteur naar verwijst geen deel uitmaken van het dossier. De schatting is volgens het Hof willekeurig en het Hof stelt de (ver)bouwkosten daarom schattenderwijs op € 250.000, gelijkelijk verdeeld over 2011 en 2012.

Ten aanzien van de vergrijpboetes is het Hof het met de Rechtbank eens dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Belanghebbende heeft een aanzienlijk inkomen genoten dat hij bewust niet heeft opgegeven in de aangiftes. De inspecteur heeft daarom terecht boetes opgelegd van 50%. Wel worden de boetes verminderd omdat de grondslagen van de navorderingsaanslagen zijn verminderd.  Omdat de boetes zijn vastgesteld met omkering van de bewijslast en gelet op overschrijding van de redelijke termijn worden deze verder verlaagd. De uiteindelijke boetes worden vastgesteld op € 18.450 en € 16.633.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:3732

Vernietiging vergrijpboete; belanghebbende mocht afgaan op accountant die adviseerde om nihilaangiftes te doen in afwachting van vooroverleg

Belanghebbende is een rechtspersoon die zorgvastgoed realiseert. In 2018 ontwikkelde belanghebbende een woon(zorg)-complex voor een investeerder. Voor de werkzaamheden zijn facturen verstuurd, maar de hierop in rekening gebrachte omzetbelasting is niet aangegeven in de aangiftes omzetbelasting. Deze aangiftes werden verzorgd door een accountant. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur een naheffingsaanslag van € 76.604 opgelegd alsmede een vergrijpboete van 25%.

In geschil is uitsluitend of de vergrijpboete terecht en niet naar een te hoog bedrag is opgelegd.

De Rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van grove schuld omdat belanghebbende de aangiftes heeft laten verzorgen door een accountant. Niet in geschil is dat deze adviseur als voldoende deskundig gehouden mocht worden en aan diens zorgvuldige taakvervulling niet getwijfeld hoefde te worden.

Tijdens de zitting heeft de Rechtbank nog naar voren gebracht hoe het kan dat de omzetbelasting wel is opgenomen in de boekhouding maar dat vervolgens nihilaangiftes zijn gedaan. Volgens belanghebbende had haar accountant geadviseerd om in afwachting van vooroverleg met de Belastingdienst nihilaangiften te doen. Dat vooroverleg zag op besparing van omzet- en overdrachtsbelasting ten aanzien van het woon(zorg)-complex. Volgens de inspecteur is sprake van grove schuld bij belanghebbende omdat zij toezicht had moeten houden. De Rechtbank gaat hier niet in mee. Het betreft een (fiscaal) inhoudelijke component die op het terrein van de adviseur ligt en waarbij belanghebbende op haar adviseur mocht vertrouwen. De stelling dat belanghebbende wist dat wanneer zij facturen verstrekt waarop omzetbelasting in rekening is gebracht deze omzetbelasting ook aangegeven en voldoen moet worden, is in het licht hiervan onvoldoende om te concluderen dat bij belanghebbende sprake is van het grofschuldig niet betalen van omzetbelasting.

De vergrijpboete wordt vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:5411

Gevangenisstraf van 36 maanden voor omzetbelastingfraude van € 773.864; hogere straf dan LOVS-oriëntatiepunten wegens recidive en listigheid.

Verdachte heeft zich volgens de Rechtbank schuldig gemaakt aan grootschalige belastingfraude. Hij heeft van 2014 tot en met 2017 met behulp van verschillende katvangers vennootschappen opgericht en telkens op naam van die vennootschappen onjuiste kwartaalaangiftes omzetbelasting ingediend. In deze aangiftes zijn omvangrijke bedragen aan voorbelasting en terug te ontvangen omzetbelasting opgegeven terwijl daar geen grond voor bestond. Om de aangiftes te onderbouwen zijn door verdachte valse facturen opgemaakt. Daarnaast hield verdachte zijn identiteit verborgen door aliassen te gebruiken tegenover de Belastingdienst, de Kamer van Koophandel en de katvangers van de vennootschappen.

De Rechtbank is van oordeel dat verdachte op zeer listige wijze feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van belastingfraude in onderhavige jaren. De Rechtbank noemt het handelen van verdachte ondermijnend, doortrapt, gewetenloos en heel ernstig. Daarbij neemt de Rechtbank in aanmerking dat verdachte allerlei rookgordijnen opwierp om zelf buiten beeld te blijven. Hierdoor zijn de Belastingdienst en de FIOD pas na een zeer tijdrovend onderzoek erin geslaagd de identiteit van verdachte te achterhalen. De Rechtbank gaat uit van het benadelingsbedrag van € 773.864, en niet van een derde daarvan zoals verdachte had aangevoerd, omdat dit het bedrag is waarover verdachte had kunnen beschikken indien de Belastingdienst alle door verdachte geclaimde bedragen daadwerkelijk had uitbetaald.

De LOVS-oriëntatiepunten hanteren bij een dergelijk fraudebedrag als uitgangspunt een gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden. De Rechtbank ziet echter verschillende strafverzwarende omstandigheden. Dit betreft de duur van het strafbare handelen, de berekende rol die verdachte heeft gespeeld, het gebrek aan medewerking aan het onderzoek en de recidive. Daarnaast weigert verdachte verantwoordelijkheid te nemen voor zijn laakbare handelen. De Rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden daarom passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:4151