Categorie: Fiscaal sanctierecht

Waarde en verkoopopbrengst ligboxenstal niet opgegeven: taakstraf van 160 uur voor opzettelijk doen van onjuiste aangiftes inkomstenbelasting

Verdachte is adviseur op het gebied van belastingen, bedrijfseconomie en subsidies. Hij heeft via een eenmanszaak in 2004 de economische eigendom verworven van een ligboxenstal die onderdeel is van een boerderij. In 2011 is op de balans van de eenmanszaak een post onroerend goed opgenomen voor een bedrag van € 592.780, waar de ligboxenstal onderdeel van is. De ligboxenstal is op basis van een koopovereenkomst in oktober 2012 verkocht. In de aangiften inkomstenbelasting 2012 en 2013 is de waarde van de ligboxenstal als nihil opgegeven en is de verkoopopbrengst niet (in zijn geheel) als bate opgenomen. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij opzettelijk onjuiste belastingaangifte heeft gedaan voor die jaren.

Uit de administratie zou volgens de FIOD blijken dat een bedrag van € 251.000 niet als verkoopopbrengst is opgegeven, met een belastingnadeel van € 95.380 tot gevolg. De verdediging voert aan dat de post onroerend goed meer behelst dan de ligboxenstal en dat zodoende niet het gehele bedrag als verkoopopbrengst kan worden aangemerkt. De Rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het bedrag van € 251.000 niet alleen betrekking heeft op de ligboxenstal. Wel vormde de ligboxenstal het grootste element van de verkoopopbrengst, waardoor de Rechtbank van oordeel is dat de ligboxenstal een substantiële waarde heeft vertegenwoordigd.

De verweren van verdachte (dwaling en pleitbaar standpunt) gaan volgens de Rechtbank niet op; de verdachte heeft de aangiften 2012 en 2013 onjuist opgemaakt. Hoewel de exacte waarde van de ligboxenstal niet kan worden vastgesteld, concludeert de Rechtbank dat er een aanzienlijk belastingnadeel is ontstaan.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf houdt de Rechtbank rekening met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Hoewel het exacte nadeelbedrag niet is komen vast te staan, worden ook de oriëntatiepunten van het LOVS in aanmerking genomen. Rekening houdend met het feit dat het strafbare feit een lange tijd geleden is gepleegd, acht de Rechtbank het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Hierbij wordt ook gelet op het feit dat verdachte als adviseur werkzaam is.

De Rechtbank acht een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:3433

Belastingfraude door de BV en de 2 bestuurders voor het illegaal exploiteren van kansspelautomaten en het niet voldoen van belastingschulden

Bij een horecabedrijf (verdachte) wordt in maart 2016 de vergunning voor het exploiteren van speelautomaten ingetrokken (Wet op de kansspelbelasting). Het horecabedrijf zou desondanks door zijn gegaan met het exploiteren van de speelautomaten. Als eerste feit is aan het horecabedrijf en de twee feitelijk leidinggevers (medeverdachten) het opzettelijk zonder vergunning exploiteren van kansspelautomaten tenlastegelegd. Ook zou het horecabedrijf loonbelasting en de kansspelbelasting opzettelijk niet hebben afgedragen.

Ten aanzien van het eerste feit voeren de verdachten aan dat de speelautomaten vanaf juli 2016 zijn overgenomen door bedrijf X. Hiertoe wordt een overnameverklaring overgelegd. Door de uitbater van bedrijf X wordt de juistheid van de overnameverklaring betwist. De Rechtbank overweegt mede gelet op de inhoud van de overlegde verkoopakte – waarin is bepaald dat de dochter van een medeverdachte voor één euro feitelijk de exploitatierechten zou kunnen overnemen – dat er sprake is van een kennelijk valse overeenkomst. De Rechtbank acht feit 1 bewezen.

De verdediging voert wat betreft feit 2 aan dat er veelvuldig contact gezocht is met de fiscus voor het verlenen van een uitstel. Op Ă©Ă©n verzocht uitstel na, blijkt uit het dossier echter niet van dergelijke correspondentie. Ook het verweer dat andere kosten bedrijfsmatig voorrang verdienden, kan verdachten niet baten.

Beide feiten kunnen ook aan de natuurlijk personen worden toegerekend. Beiden zijn ingeschreven als bestuurders van de verdachte BV en zijn tevens ieder in bezit van de helft van de aandelen. De Rechtbank overweegt dat de strafbare feiten behoren tot de normale bedrijfsuitvoering, zodoende hebben de natuurlijk personen feitelijk leiding gegeven aan de strafbare gedragingen. De bestuurders worden beiden ook veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift – dit feit was niet aan verdachte ten laste gelegd.

Wat betreft de strafoplegging wordt uitgegaan van een benadelingsbedrag van € 275.000. Ten gunste van de verdachten overweegt de Rechtbank dat in het kader van de LOVS-oriëntatiepunten er geen acht wordt geslagen op de belasting welke wel is aangegeven, maar niet is afgedragen. Aan beide bestuurders heeft de Rechtbank een taakstraf van 240 uur opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Dit wordt ook meegenomen in de strafoplegging van verdachte. Tot slot wordt meegenomen dat de redelijke termijn is overschreden. De Rechtbank acht een geldboete van € 50.000 waarvan € 25.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:3450

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:3451

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:3453

Grote gebreken administratie, afwijkend brutowinstpercentage en negatief netto privé leidt tot een vergrijpboete

Belanghebbende exploiteert sinds 1 maart 2012 een eenmanszaak, een bloemenstal. Belanghebbende heeft na te zijn uitgenodigd aangifte inkomstenbelasting gedaan voor het jaar 2013. Op grond van de aangifte is een primitieve aanslag opgelegd. Vervolgens is er een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangifte inkomstenbelasting en de aangifte omzetbelasting van de eenmanszaak voor het jaar 2013.

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er gebreken waren in het kasboek, zoals geen begin- en eindsaldo. Ook zijn pinontvangsten niet opgenomen, omdat die volgens belanghebbende geen invloed hadden op de contante geldstroom. Deze werden namelijk als ontvangst en uitgave geboekt. Ook kwam uit het onderzoek naar voren dat het brutowinstpercentage significant afwijkt (48%) van wat gebruikelijk is in de branche. Tot slot is er in het onderzoek een privévermogensvergelijking gemaakt. Deze leidt tot een negatief netto privé. Uit het netto privé blijkt dat belanghebbende over meer financiële middelen heeft beschikt dan dat er in de aangifte aan winst is verantwoord. Uit dit alles blijkt dat de administratie als verregaand ondeugdelijk moet worden beschouwd. De inspecteur heeft daarom een nieuwe opstelling van het kasboek gemaakt en een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd, met vergrijpboete van 50%.

In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht is opgelegd.

De inspecteur voert aan dat de administratie ernstige gebreken vertoont, dat het brutowinstpercentage te veel afwijkt van wat gebruikelijk is in de branche en dat sprake is van een negatief netto privé. Door het niet volgens art. 52 AWR bijhouden van een deugdelijke administratie heeft belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangiftes onjuist zouden worden ingediend. Dit rechtvaardigt een boete van 50%, maar de boete is door samenloop verminderd tot 35%.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur geslaagd is in de bewijslast. Het is ten minste aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig inkomstenbelasting is afgedragen. De gemachtigde van belanghebbende voerde nog aan dat belanghebbende onwetend was. Dit kan echter niet afdoen aan het feit dat te weinig belasting is geheven en de Rechtbank ziet ook onvoldoende grond om afwezigheid van alle schuld aan te nemen.

De Rechtbank acht de boete van 35% passend en geboden. De boete wordt nog wel verminderd doordat de inspecteur geen rekening heeft gehouden met de vermindering van het belastbaar inkomen na uitspraak op bezwaar. De boete bedraagt na vermindering € 1.419.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:7397

Inspecteur laat belanghebbende in de waan over de aanleiding voor een bedrijfsbezoek na ontvangst klikbrief: vergrijpboetes verminderd van 50% naar 10%

Belanghebbende drijft sinds 2012 een onderneming in het reinigen, conserveren en hydrofoberen van gevels en kozijnen. De Belastingdienst heeft een klikbrief ontvangen waarin gedetailleerd wordt vermeld dat belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2016 belasting zou ontduiken. De inspecteur heeft het bedrijf bezocht zonder het geven van enige toelichting of het vermelden van de klikbrief. Uit het onderzoek en het controlerapport dat volgt blijkt de onjuistheid van de aangiftes omzetbelasting in de jaren 2013 tot en met 2016. Ook in het controlerapport is de aanleiding van het onderzoek niet toegelicht. In het rapport worden navorderingsaanslagen, naheffingsaanslagen en vergrijpboetes van 50% aangekondigd en deze worden vervolgens opgelegd. Nadat belanghebbende de rapporten heeft kunnen inzien en hem duidelijk werd dat er vergrijpboetes werden opgelegd, heeft hij zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM en dat de inspecteur hem niet tijdig op zijn rechten heeft gewezen. Zodoende kunnen er volgens hem geen vergrijpboete worden opgelegd.

In geschil is of de boetes rechtmatig en voor het juiste bedrag zijn opgelegd.

In beroep was de Rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van behoorlijk bestuur of het nemo-tenetur-beginsel. Er is sprake van wilsonafhankelijk materiaal waardoor de niet gegeven cautie zonder gevolgen kan blijven. De aanslagen en boetes bleven in stand.

Tijdens de zitting bij het Hof zijn partijen overeengekomen dat de navorderingsaanslagen, de naheffingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente in stand blijven. Ook is overeengekomen dat sprake is van onzorgvuldig handelen van de inspecteur, waardoor de vergrijpboetes worden verminderd tot 10%.

Het Hof komt tot een andere conclusie dan de Rechtbank en oordeelt dat de inspecteur niet de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen met betrekking tot de straftoemeting. Hiertoe overweegt het Hof dat de inspecteur, door niet de werkelijke aanleiding van het onderzoek kenbaar te maken, belanghebbende volstrekt in de waan heeft gelaten over de aanleiding voor het onderzoek, waardoor de inspecteur aan belanghebbende geen mogelijkheden heeft gelaten zich tegen de verdenkingen te kunnen verweren.

Gelet op de op zitting gemaakte afspraak concludeert het Hof tot het in stand laten van de navorderingsaanslagen, de naheffingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente. De vergrijpboetes worden verminderd tot 10%. Tenslotte wordt de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:1201

Controlerapporten niet genoeg voor aansprakelijkstelling voor vergrijpboetes; belanghebbende is wél aansprakelijk voor naheffingsaanslagen

Belanghebbende, voormalig bestuurder van twee BV’s, wordt door de Ontvanger aansprakelijk gesteld voor het onbetaald blijven van naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboetes van de BV’s. De BV’s hebben tegen de beschikkingen bezwaar aangetekend, welke door de inspecteur niet-ontvankelijk zijn verklaard. De naheffingsaanslagen zijn door de inspecteur ambtshalve verlaagd naar € 24.481 en € 57.046. In geschil is of belanghebbende terecht en voor de juiste bedragen aansprakelijk is gesteld.

Beide BV’s hebben hun betalingsonmacht ruim een jaar na de datum van de naheffingsaanslagen en de boetes aan de Ontvanger gemeld. De Rechtbank overweegt dat de termijn voor het doen van een melding betalingsonmacht verstrijkt twee weken na de datum waarop de schuld moet zijn voldaan. De Rechtbank ziet geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Zodoende kan de bestuurder aansprakelijk worden gesteld voor de belastingschulden.

Belanghebbende stelt dat het bedrag van de aansprakelijkstelling te hoog is nu de naheffingsaanslagen voor een te hoog bedrag zijn vastgesteld. De ontvanger heeft de naheffingsaanslagen onderbouwd met controlerapporten ten aanzien waarvan de Rechtbank niet aan de juistheid twijfelt.

Wat betreft de aansprakelijkheid voor de boete (en heffingsrente) geldt een andere bewijslast. De Ontvanger moet aannemelijk maken dat het belopen van de boete aan belanghebbende is te wijten. Belanghebbende heeft betwist dat de bedragen van de vergrijpboetes juist zijn. De Ontvanger heeft alleen controlerapporten overgelegd zonder nader inzicht te hebben verschaft in de onderliggende administratie en aangifte. De Rechtbank is van oordeel dat de Ontvanger niet heeft voldaan aan de bewijslast dat de vergrijpboetes die toekomen aan BV’s aan belanghebbende zijn te wijten. Belanghebbende is dus voor wat betreft de vergrijpboetes ten onrechte aansprakelijk gesteld. Ook is niet gebleken dat het beloop van de heffingsrente aan belanghebbende is te wijten.

De Rechtbank vermindert de aansprakelijkstelling naar € 19.411 en € 52.087 zijnde de bedragen van de naheffingsaanslagen, zonder de bedragen van de boetes en heffingsrente.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:4506 

DGA met een hoge rekeningcourant-schuld doet stelselmatig geen aangifte: vergrijpboete

Belanghebbende, DGA, heeft een rekening courant schuld aan zijn vennootschap, welke is opgelopen tot € 1.677.984. De opnamen in rekening-courant zijn aangewend voor levensonderhoud van belanghebbende. Belanghebbende heeft vervolgens in de jaren 2011 tot en met 2016 geen inkomsten uit werk en woning opgegeven met uitzondering van de eigen woning. Belanghebbende heeft ondanks te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte inkomstenbelasting in de onderhavige jaren geen of niet tijdige aangifte gedaan. De inspecteur legt over de onderhavige jaren aanslagen op waarbij over de jaren 2011 tot en met 2015 een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen. Daarnaast heeft de inspecteur een vergrijpboete van 50% opgelegd wegens het stelselmatig, opzettelijk, niet doen van aangifte. In geschil is onder meer of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende stelt dat de boete vernietigd moet worden nu hij de aankondigingsbrieven niet heeft ontvangen en dat tevens op de aanslag niet de feiten waarop de boete is gebaseerd, zijn vermeld. Belanghebbende voert aan dat brieven over boetes anders worden verzonden dan geautomatiseerde brieven en dat hij daarom de brief niet heeft ontvangen. De Rechtbank is van oordeel dat louter het verschil in verzending zonder verdere onderbouwing onvoldoende is om te twijfelen aan de ontvangst of aanbieding van de brief. De Rechtbank is dus van oordeel dat belanghebbende de brieven over de vergrijpboete heeft ontvangen.

Tenslotte voert belanghebbende aan dat de boete gematigd dient te worden naar 25% nu deze hoogte bij de aankondiging van de boete was vermeld. De Rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding nu de aankondiging verband hield met een navorderingsaanslag en dus een boetegrondslag op grond van artikel 67e AWR, terwijl de boete feitelijk is opgelegd op de voet van artikel 67d AWR wegens het opzettelijk niet doen van aangifte. Wel vormt de duur van de procedure aanleiding om de boete ambtshalve te matigen, omdat de redelijke termijn met 6 maanden is overschreden. De boete wordt daarom gematigd met 10%.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:3061

Zes maanden onvoorwaardelijke celstraf voor belastingfraude

Aan verdachte, een adviseur, is tenlastegelegd (het feitelijk leiding geven aan) het doen van onjuiste aangifte omzetbelasting gedurende een periode van meerdere jaren. De Rechtbank komt tot een bewezenverklaring.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte voert de raadsman aan dat het handelen niet aan verdachte kan worden toegerekend wegens zijn medische toestand en zijn psychisch functioneren. Door deskundigen zijn twee Pro Justitia rapportages opgemaakt. De Rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het ten laste gelegde handelen bij verdachte niet is gebleken dat sprake was van een gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, in de zin van dat het handelen niet aan verdachte kan worden toegerekend. Verdachte is en blijft volgens de Rechtbank strafbaar.

Daarnaast voert de verdediging aan dat moet worden uitgegaan van een lager benadelingsbedrag dan berekend door de FIOD. In de berekening van de FIOD is onder andere uitgegaan van management fees ter hoogte van € 53.000 welke door verdachte niet tot deze hoogte zijn ontvangen. Daarnaast is niet voldoende rekening gehouden met de gemaakte kosten en de teruggaaf van voorbelasting, aldus de verdediging. De Rechtbank overweegt dat uit het FIOD-onderzoek is gebleken dat kosten als voorbelasting waren opgegeven. Deze kosten kwamen echter niet voor in de administratie dan wel de kostenfacturen. Volgens de Rechtbank zijn deze onvoldoende geconcretiseerd en/of onderbouwd. Verdachte heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van zakelijke kosten die tot aftrek zouden moeten leiden. Ook concludeert de Rechtbank dat de management fees wel zijn ontvangen omdat er geen creditfacturen zijn opgemaakt. De Rechtbank volgt dus de berekening en onderbouwing van de FIOD. Het benadelingsbedrag bedraagt € 158.670.

De Rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden gelet op de hoogte van het benadelingsbedrag, de duur, de opleiding en werkervaring als financieel deskundige, de stelselmatigheid en de oriëntatiepunten. Dit leidt tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 4 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Ook acht de Rechtbank het noodzakelijk om aan de proeftijd de bijzondere voorwaarde te verbinden. Verdachte mag gedurende de proeftijd geen werkzaamheden verrichten op financieel-administratief gebied.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2019:5292

Matiging verzuimboete omdat de financiële situatie van belanghebbende rond dat van een bijstandsgerechtigde zit

De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2017. Belanghebbende heeft hier geen gehoor aan gegeven, waardoor de inspecteur belanghebbende heeft herinnerd en aangemaand. Vervolgens heeft de inspecteur ambtshalve de aanslag alsmede een verzuimboete opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, waarna belanghebbende alsnog een papieren aangifte heeft ingediend. In de uitspraak op bezwaar is hieraan gedeeltelijk tegemoetgekomen, de verzuimboete is echter volledig in stand gebleven.

In geschil is of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

De Rechtbank benadrukt dat een verzuimboete niet juist is opgelegd, wanneer een belastingplichtige de aanmaning tot het doen van aangifte niet op het adres heeft ontvangen, niet is aangeboden of belanghebbende niet heeft bereikt. De inspecteur heeft aan de hand van het uittreksel adresgegevens en het feit dat de brieven niet onbestelbaar retour zijn gekomen aannemelijk gemaakt dat de brieven naar het juiste adres zijn verzonden.

Belanghebbende slaagt er niet in dit te ontkrachten. Zodoende is de Rechtbank van oordeel dat de verzuimboete terecht aan belanghebbende is opgelegd. Daarnaast heeft belanghebbende geen geslaagd beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld.

In dat verband heeft belanghebbende aangevoerd dat haar financiële situatie problematisch is. Als gevolg hiervan zou zij vergeten zijn de aangifte te doen. Volgens de Rechtbank maakt dit niet ongedaan dat belanghebbende de vereiste zorg niet heeft betracht om te voorkomen dat het verzuim zou worden begaan.

Ten aanzien van de straftoemeting heeft belanghebbende inkomensgegevens overgelegd waaruit blijkt dat haar inkomen nabij het niveau van bijstandsgerechtigden bevindt. De Rechtbank vermindert de boete van € 369 tot €50.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:3485

Geldboete van € 5.000 voor het opzetten van een constructie waardoor geen IB geheven zou worden over de verkoop aan aandelen

Een belastingadviseur heeft aan vier klanten, waaronder verdachte, een constructie geadviseerd waardoor er geen belasting wordt voldaan over uitgekeerde bedragen. Aan verdachte is geadviseerd de aandelen van de vennootschap over te dragen aan een stichting (2011), nadat onder andere de liquide middelen via de rekening-courant – in geval van verdachte € 419.425 – aan de DGA zouden zijn uitbetaald. Vast staat dat de uitkeringen niet als zodanig zijn verwerkt in de aangifte van verdachte. Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het doen van onjuiste aangifte en valsheid in geschrifte.

De raadsman van verdachte voert ten eerste aan dat sprake is van een pleitbaar standpunt waardoor er geen sprake is van een onjuiste/onvolledige aangifte. De raadsman betoogt dat de heffing ten aanzien van de verkoop van aandelen niet grond vindt in de inkomstenbelasting, maar in de dividendbelasting. De betalingen uit onzakelijke leningen zouden als dividend aangemerkt dienen te worden. Verdachte mocht er zodoende van uit gaan dat een nihilaangifte inkomstenbelasting juist was, aldus de verdediging.  De Rechtbank volgt deze redenering niet. Hiertoe overweegt de Rechtbank dat onder andere uit de akte van levering blijkt dat de verkoopprijs € 419.425 is geweest zijnde hetzelfde bedrag als de rekening-courant schuld. Zodoende komt de Rechtbank tot het oordeel dat er dus sprake is van een rekening courant-schuld en niet van dividenduitkeringen: verdachte heeft geen pleitbaar standpunt.

Ten tweede voert de raadsman aan dat niet kan worden bewezen dat er sprake is van opzet nu verdachte vertrouwde op de belastingadviseur en de aangifte zelf niet heeft ingezien noch ingediend. Uit e-mailcorrespondentie tussen verdachte en de adviseur Ă©n uit het verhoor bij de FIOD komt naar voren dat verdachte wist dat inkomstenbelasting betaald moest worden, maar dat hij wachtte totdat hij ‘iets hoorde’ van de Belastingdienst. Dit (samenhangend) verweer gaat volgens de Rechtbank niet op. Het gebruiken van een adviseur heeft verdachte niet ontslagen van zijn eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het doen van juiste aangifte; de verdachte heeft zodoende willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangifte onjuist was.

De Rechtbank acht het onjuist/onvolledig doen van aangifte en valsheid in geschrift bewezen. Wat betreft de oplegging van de straf gaat de Rechtbank uit van een benadelingsbedrag van € 108.679. Daarnaast heeft de strafzaak te lang geduurd door het niet voortvarend handelen van het OM. Ook is verdachte niet eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Deze omstandigheden in acht nemend komt de Rechtbank tot een geldboete van € 5.000.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:4945

De inspecteur wijzigt de schuldgradatie op zitting, schending artikel 6 EVRM en vernietiging vergrijpboetes

Belanghebbende heeft als notaris een omvangrijke nalatenschap behandeld. In dat verband is een landgoed uit de nalatenschap in een stichting ondergebracht. Belanghebbende heeft een certificaatrecht gekregen dat hem voor de helft economisch gerechtigd maakt tot het vermogen van de stichting. De uitkeringen door de stichting op grond van het certificaatrecht, zijn door belanghebbende niet verantwoord in zijn aangiften inkomstenbelasting 2010 en 2011. De inspecteur heeft aanslagen inkomstenbelasting opgelegd waarbij hij deze uitkeringen als winst uit onderneming in aanmerking heeft genomen. Ook heeft de inspecteur  vergrijpboetes opgelegd.

In geschil is onder meer of de uitkeringen terecht zijn gecorrigeerd en of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd.

De Rechtbank oordeelt dat de inkomsten uit de certificaten als resultaat uit overige werkzaamheden moeten worden aangemerkt nu het voordeel voorzienbaar was en belanghebbende kon beschikken over het vermogen als ware het zijn eigen vermogen. Bovendien moest gelet op alle werkzaamheden welke belanghebbende heeft verricht in het kader van de afwikkeling van de erfenis geconcludeerd worden dat er sprake was van actief vermogensbeheer.

Wat betreft de boetes heeft de inspecteur ter zitting – net zoals in de aankondiging van de boete – aangevoerd dat sprake is geweest van opzet. Belanghebbende voert aan dat de boete eerst zou zijn opgelegd wegens schuld en deze transformatie (naar opzet) zou moeten leiden tot het vernietigen van de boete.

De Rechtbank stelt vast dat een vergrijpboete wegens opzet kan worden opgelegd bij een primitieve aanslag in de zin van art. 67d AWR. Het opleggen van een vergrijpboete wegens schuld bij een primitieve aanslag kan echter niet. De inspecteur is bij de uitspraak op bezwaar en in het verweerschrift uitgegaan van grove schuld, omdat daarin staat dat sprake is van onzorgvuldig en zeer lichtvaardig handelen. Door in de pleitnota alsnog uit te gaan van opzet handelt de inspecteur in strijd met artikel 6 EVRM. In dit verband acht de Rechtbank het zeer onzorgvuldig dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar heeft verwezen naar een onjuist wetsartikel. Alles in acht nemend is de Rechtbank van oordeel dat de vergrijpboetes vernietigd moeten worden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2020:4135