Categorie: Fiscaal sanctierecht

Ernst van de vergrijpboetes staat niet aan matiging van boetes o.g.v. overschrijding van de redelijke termijn in de weg

Belanghebbende drijft voor eigen rekening een eenmanszaak als interimmanager. In de aangifte inkomstenbelasting heeft belanghebbende ten behoeve van zijn eenmanszaak huurkosten van een loods aangegeven als ‘overige kosten’. De loods is indirect in eigendom bij belanghebbende en zijn familie en wordt gebruikt voor stichtingen in de auto- en motorsport.  Volgens de inspecteur leent de loods zich niet voor de werkzaamheden van de eenmanszaak en zijn de kosten onterecht als zakelijk aangemerkt.

De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting inclusief vergrijpboetes opgelegd. In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht, en tot de juiste hoogte, zijn opgelegd.

Zowel het Hof als de Rechtbank oordelen dat er sprake is van opzet en dat de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd. Door de huurkosten als ‘overige kosten’ aan te merken heeft belanghebbende geprobeerd de werkelijkheid te verhullen. Hierdoor zijn opzettelijk kosten voor een hobby gepresenteerd als zakelijke kosten. Daarbij wordt meegewogen dat van belanghebbende als certified controller in het bijzonder kennis en alertheid ter zake van het (ook fiscaal) verantwoorden van uitgaven mag worden verwacht.

Het Hof volgt de rechtbank echter niet in het oordeel dat gelet op de ernst van het feit geen toepassing wordt gegeven aan een boetematiging wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een overschrijding van de redelijke termijn leidt tot de matiging, aldus het Hof. Het Hof vernietigt de uitspraak voor wat betreft de vergrijpboetes en zal deze opnieuw vaststellen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1235

AG wijst het Hof op toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel: een rechtsoverweging van de Hoge Raad kan een impliciete bevestiging zijn van eerdere uitleg

Hof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar wegens het feitelijk leiding geven aan het onjuist of onvolledig indienen van aangiftes en het plegen van valsheid in geschrifte. Door de verdachte is cassatieberoep ingesteld.

Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het in hoger beroep gevoerde verweer dat inhoudt dat geen sprake was van een aanmerkelijke kans op een onjuiste en een onvolledige c.q. een valse aangifte, omdat het te lage bedrag aan opgegeven omzetbelasting berustte op een pleitbaar standpunt.

Het pleitbaar standpunt spitst zich onder meer toe op de reikwijdte van art. 37 OB.  Op grond van die bepaling wordt hij die op een factuur op enigerlei wijze melding maakt van omzetbelasting welke hij op zichzelf niet verschuldigd is geworden, die belasting toch verschuldigd wordt op het tijdstip waarop hij die factuur heeft uitgereikt.

In een uitspraak van 25 november 2016 van de Hoge Raad is bepaald dat een notariële akte niet wordt aangemerkt als een factuur zoals bedoeld in art. 37 OB. Het Hof heeft overwogen dat de aangifte in casu is gedaan in 2008 waardoor de werking van dit arrest nog geen toepassing heeft. De akte, in casu een nota van afrekening, moest ten tijde van het doen van aangifte dus nog als factuur worden aangemerkt, aldus het Hof.

Volgens de AG heeft de Hoge Raad echter in zijn oordeel uit 2016 tot uitdrukking gebracht dat geen sprake was van een  veranderingen in de wet- en regelgeving. Dat lijkt de AG een belangrijke indicatie dat het standpunt ten tijde van het doen van de aangifte naar objectieve maatstaven gemeten achteraf bezien in zoverre minst genomen pleitbaar was. Het oordeel van het Hof dat de rechtspersoon waaraan de verdachte leiding heeft gegeven reeds op grond van art. 37 OB niet mocht menen dat de in de bewezenverklaring bedoelde aangifte juist was, is in zoverre niet begrijpelijk.

Het gevoerde verweer dat de verdachte en/of de rechtspersoon waaraan hij feitelijk leiding heeft gegeven redelijkerwijs kon en mocht menen dat de in de bewezenverklaring bedoelde aangifte voor de omzetbelasting juist en volledig was, omdat deze was gebaseerd op een pleitbaar standpunt, heeft het Hof verworpen op gronden die de verwerping ervan niet kunnen dragen. Deze deelklacht slaagt.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:493

Niet-tenlastegelegde feiten door het Hof terecht meegenomen in de straftoemeting bij fiscale fraude

Verdachte is door het Hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Het cassatiemiddel klaagt dat het Hof bij de strafoplegging ten onrechte rekening heeft gehouden met onjuiste belastingaangiftes die niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan ondernemingen die opzettelijk onjuiste aangiftes omzetbelasting  hebben gedaan.

Het Hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte schuldig is. Ook acht het Hof de wijze van de tenlastelegging aanvaardbaar. Uit de in totaal 32 onjuist gedane aangiften is uit ‘efficiency’ oogpunt een representatieve selectie opgenomen in de tenlastelegging. Het Hof wijst daarbij op de repetitieve aard van de strafbare gedraging: uit de bewijsstukken blijkt dat verdachte ook voor de niet-tenlastegelegde tijdvakken opzettelijke foute aangifte heeft laten doen. Het feit dat deze tijdvakken niet formeel zijn opgenomen in de tenlastelegging doet hier niet aan af. De niet-tenlastegelegde aangiften zijn namelijk in het dossier gevoegd en ter zitting behandeld waardoor de verdediging niet in haar belang is geschaad, aldus het Hof. Aangezien ervan mag worden uitgegaan dat er ten aanzien van de niet-tenlastegelegde aangiften geen vervolging zal zijn, is de verdediging ook op dat vlak niet in haar belang geschaad. Het Hof gaat voor de straftoemeting dan ook uit van 32 onjuist gedane aangiften.

Voor het betrekken van niet-tenlastegelegde feiten in de straftoemeting is volgens het Hof verder van belang dat verdachte deze feiten heeft erkend. Het Hof heeft overwogen dat de verklaring van verdachte dat opzettelijk foutieve aangiften werden gedaan om ‘gaten op te vullen’ en de onderneming draaiende te houden, een erkenning is. De ontkenning van verdachte wat betreft het opzet ten aanzien van de niet-tenlastegelegde feiten bestempelt het Hof als ongeloofwaardig.

De vraag die bij de Hoge Raad voorligt is of het Hof terecht de niet-tenlastegelegde aangiften heeft betrokken bij de straftoemeting.

De Hoge Raad volgt de overwegingen van het Hof en overweegt dat de 23 niet in de tenlastelegging genoemde feiten terecht in de straftoemeting zijn betrokken. Het middel faalt.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:896

Standpunt dat de box 3-heffing in strijd is met art. 1 EP EVRM, rechtvaardigt niet dat in het geheel geen box 3-vermogen is aangegeven

Belanghebbende heeft in haar aangifte inkomstenbelasting voor de jaren 2005 tot en met 2016 geen melding gemaakt van de door haar in Zwitserland aangehouden bank- en effectenrekening. Vervolgens heeft belanghebbende in verband met haar bankrekening in Zwitserland een beroep gedaan op de inkeerregeling. De inspecteur heeft naar aanleiding hiervan aan belanghebbende voor de jaren 2005 tot en met 2016 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Daarnaast zijn er ook vergrijpboetes voor de jaren 2006 tot en met 2014 opgelegd.

Ten aanzien van de vergrijpboetes is in geschil of voor de jaren 2006 tot en met 2008 sprake is van vrijwillige inkeer alsmede of er sprake is van een pleitbaar standpunt voor de jaren 2006 tot en met 2014. Belanghebbende stelt dat de vergrijpboetes die voor de jaren 2006 tot en met 2008 zijn opgelegd in strijd zijn met art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR. Ter onderbouwing stelt belanghebbende dat zij voor het doen van onjuiste aangiftes begaan vóór 31 december 2009, op grond van de inkeerregeling zoals die luidde tot 2 juli 2009, kan inkeren zonder dat vergrijpboetes werden opgelegd. Daarnaast stelt belanghebbende dat er sprake is van een pleitbaar standpunt voor de jaren 2006 tot en met 2014 voor het niet vermelden van de Zwitserse bankrekening.

Wat betreft de inkeerregeling heeft de Hoge Raad al eerder geoordeeld dat de aan de inkeerregeling te ontlenen verwachting omtrent het al dan niet belopen van een boete, niet moet worden beoordeeld naar het moment waarop de onjuiste aangifte wordt gedaan, maar naar het moment waarop de betrokkene inkeert. Nu belanghebbende op 3 mei 2017 heeft ingekeerd, heeft de inspecteur de wet juist toegepast door aan belanghebbende vergrijpboetes op te leggen voor de jaren 2006 tot en met 2008.

Vervolgens stelt de rechtbank dat het beroep op een pleitbaar standpunt niet slaagt. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende de bankrekening opzettelijk voor de inspecteur verborgen heeft gehouden met het oogmerk heffing van inkomstenbelasting over het tegoed te ontlopen. Het standpunt dat er sprake is van strijd met artikel 1 van het EP ontslaat een belastingplichtige namelijk niet van zijn plicht de vraag naar zijn vermogen in de aangifte naar waarheid te beantwoorden, aldus de rechtbank.

De rechtbank acht de opgelegde boetes gelet op de ernst van het feit passend en geboden. De boetes zijn terecht en tot de juiste bedragen opgelegd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:1328

Geen sprake van een geaccepteerd bewijsvermoeden ten aanzien van opzet of grove schuld omdat deze enkel is gebaseerd op verklaringen van derden

Belanghebbende heeft in zijn aangiftes inkomstenbelasting voor de jaren 2012 en 2013 onder meer giften aan de Islamitische Universiteit van Europa (IUE) opgenomen. Door de belastingdienst is geconstateerd dat diverse belastingplichtigen in hun aangiftes inkomstenbelasting een veel groter bedrag aan giften aan de IUE hebben opgenomen dan in de jaarstukken van de IUE is verantwoord. Door de penningmeester van de IUE is verklaard dat de kwitanties op grote schaal werden verkocht en in de regel niet (volledig) werden betaald. Er zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd waarbij de aangegeven giften aan IUE zijn gecorrigeerd. Ook heeft de inspecteur vergrijpboetes opgelegd.

In geschil is of de inspecteur de giftenaftrek met betrekking tot de IUE terecht heeft gecorrigeerd en of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij de gestelde giften heeft gedaan. Gezien de verklaringen van de penningmeester, die worden bevestigd door anderen, kan aan de overgelegde kwitanties op zichzelf onvoldoende bewijskracht worden toegekend. De inspecteur heeft dan ook op goede gronden de giften met de navorderingsaanslagen gecorrigeerd.

Wat betreft de vergrijpboete onderbouwt de inspecteur zijn stelling met het verschil tussen de door de IUE afgegeven kwitanties en de door IUE verantwoorde giften, en de verklaringen van de penningmeester. Op zichzelf mag de inspecteur gebruikmaken van bewijsvermoedens, maar die vermoedens moeten wel redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen. Daarvan is in dit geval geen sprake omdat het bewijsvermoeden slechts is gebaseerd op verklaringen van derden over wat de kennelijk gebruikelijke werkwijze was binnen de IUE. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de administratie van het IUE gelet op de frauduleuze handelingen van de penningmeester niet betrouwbaar is. Een bewijsvermoeden in het voordeel van de inspecteur gebaseerd op deze administratie zou feitelijk betekenen dat bewijslast voor de boete op de belanghebbende komt te rusten. De inspecteur is dan ook niet geslaagd in het bewijs dat het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De rechtbank heeft om die reden de vergrijpboetes vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:1964

Geen geslaagd beroep op AVAS wegens verblijf in het buitenland, de aangifte is niet tijdig ingediend

De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting. Na geen reactie te hebben ontvangen, heeft de inspecteur de belanghebbende herinnerd en aangemaand. Belanghebbende heeft hierna in een brief aan de inspecteur gesteld dat hij wegens verblijf in het buitenland niet in de gelegenheid was tijdig aangifte te doen. Hij verzoekt in deze brief uitstel tot het doen van aangifte. De inspecteur heeft het verzoek afgewezen en aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.515 alsmede een verzuimboete van € 369.

In geschil is of de inspecteur terecht en voor het juiste bedrag aan belanghebbende de verzuimboete heeft opgelegd.

Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte. Desondanks heeft belanghebbende zijn aangifte niet (tijdig) ingediend. Aan de voorwaarden voor het opleggen van een verzuimboete is in beginsel voldaan. Dat belanghebbende na de uiterste termijn alsnog via een aangifteformulier gegevens heeft verstrekt doet hier niet aan af.

Voor het opleggen van een verzuimboete is niet vereist dat er sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij afwezigheid van alle schuld dient oplegging van een boete achterwege te blijven. Belanghebbende stelt dat hier wegens zijn verblijf in het buitenland en het feit dat van de sociale dienst geen jaaropgave van 2015 is ontvangen sprake van is. De rechtbank acht dit niet voldoende voor een geslaagd beroep op afwezigheid van alle schuld.

De rechtbank acht de verzuimboete passend en geboden. Dat de financiële omstandigheden van belanghebbende aanleiding geven om de verzuimboete te verlagen, is onvoldoende met (bewijs)stukken onderbouwd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1204

5 Jaar gevangenisstraf voor deelname aan een grootschalige, internationale btw-carrouselfraude

De verdachte in deze zaak staat terecht voor deelname aan grootschalige, internationale btw-carrouselfraude. Hij wordt beschuldigd van het plegen van valsheid in geschrift, belastingfraude, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank acht bewezen dat X BV zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijk onjuist doen van aangiftes. De vraag is (onder andere) of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan het door X BV opzettelijk onjuist of onvolledig indienen van aangiftes omzetbelasting.

De rechtbank neemt in overweging dat verdachte nieuwe ploffers aanleverde, meedeelde in de winst, facturen kreeg toegestuurd en zeggenschap heeft gehad in het betaalverkeer van X BV. De verdachte heeft hiermee het oogmerk gehad op de verboden gedraging en moet als feitelijk leidinggevende van X BV worden aangemerkt, aldus de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat bij verdachte het oogmerk op de verboden gedragingen daarmee aanwezig was en dat hij als feitelijke leidinggevende van X BV kan worden aangemerkt.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar wegens het feitelijk leiding geven aan het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van X BV en het opzettelijk onjuist doen van de aangiftes omzetbelasting van X BV, het meermalen schuldig maken aan gewoontewitwassen en het hebben bijgedragen aan een criminele organisatie.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:1436

De gronden waarop de boete berust dienen uiterlijk bij de oplegging van de boete aan de belanghebbende te worden meegedeeld

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag opgelegd naar aanleiding van een boekenonderzoek. In het hieruit opgemaakte controlerapport heeft de inspecteur aangekondigd dat vergrijpboetes van 50% van de nageheven omzetbelasting zullen worden opgelegd op basis van art. 67f AWR en art. 10a AWR. Het gaat dus om twee verschillende beboetbare feiten. Aangekondigd is dat er twee boetes van elk € 25.000 zullen worden opgelegd.

Op het aanslagbiljet is expliciet toegelicht dat de boete van € 50.000 is gebaseerd op art. 67f AWR en dat belanghebbende reeds over de gronden is geïnformeerd. In geschil is of de boete(s) terecht zijn opgelegd.

Het Hof oordeelt dat, aangezien het aanslagbiljet slechts vermeldt dat de boete gebaseerd is op art. 67f AWR, belanghebbende redelijkerwijs mocht aannemen dat overtreding van het voorschrift in art 10a AWR haar niet meer werd verweten. Eventuele twijfel dient, gezien de meervoudige aankondiging in het controlerapport, en gelet op de aard van een boete en de daarbij behorende verdedigingsrechten te blijven voor rekening en risico van de inspecteur.

De AG oordeelt dat het Hof terecht heeft getoetst of de verdediging in haar belang is geschaad. Het behoeft volgens de AG geen verdere uitleg dat een belanghebbende op de hoogte moet zijn van de beschuldiging. Vervolgens benadrukt de AG dat ingevolge o.a. het EHRM een boetebeschikking de formalisering is van de beschuldiging. Het is dus formeel vereist dat een boetebeschikking de materiële gronden van de ten laste legging bevat. Vervolgens kan dan worden bezien of op correcte en heldere wijze is verwezen naar de eerder gegeven motivering. In het onderhavige geval behoeft dus niet aan de feitelijke discussie toe te worden gekomen omdat het ontbreken van de wetsbepaling fataal is voor de boete.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:420

Gevangenisstraf van 18 maanden wegens opgeven van voorbelastingen terwijl er geen sprake is van onderliggende facturen

Verdachte wordt verdacht van het opzettelijk onjuist doen van aangiftes omzetbelasting. Verdachte heeft over 3 verschillende tijdvakken onjuiste aangiftes omzetbelasting ingediend voor X BV en Y BV. Hierdoor heeft de Belastingdienst aan X BV een bedrag van in totaal € 298.000 onverschuldigd uitgekeerd.

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Bij de strafoplegging weegt het Hof in het voordeel van verdachte mee dat hij nooit eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Naar het oordeel van het hof brengt de hoogte van de straf, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten en de straffen opgelegd in vergelijkbare zaken, echter mee dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming.

Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 8 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd inclusief een proeftijd van 2 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:4851

 

De inspecteur slaagt in bewijslast niet opgegeven inkomsten op grond van strafvonnis

Belanghebbende is betrokken geweest in een strafrechtelijk onderzoek en uiteindelijk in 2017 veroordeeld voor witwassen. Uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat belanghebbende in de jaren 2010 t/m 2012 bedragen (in totaal € 82.940) uit onbekende bronnen op zijn rekening heeft gestort. Op verzoek van de inspecteur verklaart belanghebbende dat de contante stortingen afkomstig zijn uit gokwinsten, leningen en huwelijkscadeaus. De inspecteur acht deze verklaringen ongeloofwaardig en legt voor de jaren 2010 t/m 2012 aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting op. Aangezien belanghebbende in 2010 niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2010 worden alleen voor jaren 2011 en 2012 een vergrijpboetes van 50% opgelegd. Hoewel de inspecteur (voorwaardelijk) opzet aanwezig acht worden de vergrijpboetes vanwege overschrijding van de redelijke termijn verlaagd naar 25%. In geschil is of de (navorderings)aanslagen en vergrijpboetes terecht, en zo ja, tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Zowel het Hof als de Rechtbank zijn van oordeel dat, nu belanghebbende in 2010 niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de bewijslast voor dit jaar op de inspecteur rust. Voor de jaren 2011 en 2012 wordt aan de hand van de normale bewijsregels bepaald dat de bewijslast wordt verzwaard en omgekeerd aangezien niet de vereiste aangifte is gedaan. Met de veroordeling voor witwassen is een gebrek in de aangifte aannemelijk gemaakt.  Doordat de werkelijke verschuldigde IB/PVV zowel relatief als absoluut afwijkt van oorspronkelijke aangiften is de vereiste aangifte niet gedaan.

Voor het jaar 2010 volgt het Hof het oordeel van de Rechtbank dat de inspecteur slaagt in zijn bewijslast dat belanghebbende extra inkomsten uit werk en woning heeft genoten. De inspecteur heeft daarbij het bedrag aan de contante stortingen in 2010 zoals dat naar voren is gekomen in het (onherroepelijke) strafvonnis van 3 oktober 2017 omtrent het witwassen (en in het proces-verbaal) in aanmerking kunnen nemen. De verklaringen van belanghebbende dat de stortingen onder meer afkomstig zouden zijn uit contante leningen van familieleden en winsten uit het casino en gokhallen zijn niet met concreet bewijs onderbouwd. Voor de jaren 2011 en 2012 geldt een omgekeerde bewijslast; de aanslag van de inspecteur moet gebaseerd zijn op een redelijke schatting. Met de inhoud van het proces-verbaal, het onherroepelijke strafvonnis (witwassen van gelden) en de verzoeken om informatie omtrent de contante stortingen aan belanghebbende (gevolgd door de niet afdoende verklaringen van belanghebbende) heeft de inspecteur hieraan voldaan.

Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende opzet heeft gehad bij het onjuist doen van aangifte. De aard en de omvang van het bedrag, alsmede de veroordeling voor witwassen maakt dat belanghebbende bewust onjuiste aangiften heeft gedaan. Ten slotte oordeelt het Hof dat de inspecteur reeds met overschrijding van de redelijke termijn rekening heeft gehouden waardoor verdere matiging niet aan de orde is.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1150