Categorie: Fiscaal sanctierecht

Ondernemer is zelf verantwoordelijk voor informatie die aan adviseur wordt verstrekt

Belanghebbende exploiteert een onderneming in consultancy en (interim) management. Aan belang-hebbende is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd alsmede een vergrijpboete van € 759.

In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Vast is komen te staan dat belanghebbende zelf de opdracht heeft gekregen om de administratie te voeren en dat het administratiekantoor de verstrekte informatie niet controleert aan de hand van de bonnen. Omdat belanghebbende diverse privé-uitgaven als zakelijk heeft opgegeven, aan verscheidene bedrijfsmiddelen een waarde in het economisch verkeer heeft toegekend die niet realistisch is gezien de aankoopprijzen in het verleden en heeft nagelaten de hoogte van zijn banktegoeden te controleren en deze door te geven aan zijn adviseur, is aan belanghebbende een vergrijpboete van 25% opgelegd wegens grove schuld.

Het Hof is – met de Rechtbank – van oordeel dat belanghebbende redelijkerwijs had moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat de aanslag tot een te laag bedrag zou worden vastgesteld. Er is dan ook sprake van grove schuld. Het in de aangifte ingenomen standpunt van belanghebbende dat de werkruimte in zijn woning een naar verkeersopvattingen zelfstandige ruimte betreft is in de gegeven omstandigheden volstrekt onhoudbaar. Aan de ingediende aangifte ligt daarmee niet een standpunt ten grondslag dat gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, in die zin dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van die aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze uitleg en daarmee de door hem gedane aangifte juist was.

Het Hof is van oordeel dat sprake is van grove, in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid en acht – evenals de Rechtbank – een vergrijpboete van 25% passend en geboden.

Belanghebbende heeft – tegenover de betwisting door de inspecteur – overigens naar het oordeel van het Hof evenmin aannemelijk gemaakt dat door hem onder dwang een verklaring is afgelegd die vervolgens is gebruikt als bewijs voor de opgelegde vergrijpboete. De grief dat de cautieplicht is geschonden en dat de vergrijpboete (om die reden) dient te vervallen, wordt door het Hof dan ook verworpen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1768

Rechtbank vernietigt vergrijpboete van 2 miljoen euro

Belanghebbende is enig aandeelhouder van X NV. De NV houdt alle aandelen in Y, een naar Cypriotisch recht opgerichte vennootschap. De NV heeft een lening verstrekt aan belanghebbende, welke op dezelfde dag is overgedragen aan Y. Op enig moment wordt de vordering overdragen aan X NV en wordt besloten om een gedeelte van de lening aan belanghebbende kwijt te schelden. De inspecteur is van oordeel dat belanghebbende de kwijtschelding had moeten opnemen in de aangifte inkomstenbelasting, nu sprake is van een uitdeling. De inspecteur heeft een vergrijpboete van € 2.000.000 opgelegd wegens (voorwaardelijk) opzet. Het geschil spitst zich toe op de vraag of is voldaan aan de vereiste dubbele bewustheid en of belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft laten indienen.

De inspecteur heeft gewezen op e-mailcorrespondentie tussen belanghebbende en zijn adviseur in de week voorafgaand aan het besluit tot kwijtschelding. De inspecteur stelt dat uit de delen van de tekst van de e-mailcorrespondentie kan worden afgeleid dat het een idee van belanghebbende was om een deel van de vordering kwijt te schelden en dit niet in de aangifte op te nemen. De adviseur van belanghebbende zou bovendien geen groen licht hebben gegeven de kwijtschelding op te nemen in de aangifte.

Belanghebbende heeft de stelling van de inspecteur gemotiveerd weersproken en gesteld dat de aangifte is ingevuld en ingediend door A, een medewerker van het belastingadvieskantoor, zonder dat zij de aangifte van tevoren met belanghebbende had afgestemd. A was niet op de hoogte van de gedeeltelijke kwijtschelding. De adviseur van belanghebbende was daarvan wel op de hoogte, maar hij heeft hierover niet gesproken met A. Ter onderbouwing heeft belanghebbende schriftelijke verklaringen overgelegd van A en de adviseur.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, tegenover de gemotiveerde weerspreking door belanghebbende, niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk een onjuiste aangifte heeft laten indienen. Belanghebbende behoefde niet te twijfelen aan de zorgvuldige taakuitoefening van zijn adviseur en belanghebbende was niet gehouden de aangifte te controleren. Dat de adviseur de aangifte niet zelf heeft ingediend en dat is verzuimd A in te lichten kan belanghebbende niet worden tegengeworpen. De Rechtbank vernietigt de vergrijpboete.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:6297

Belanghebbende kan zich naar het oordeel van de Rechtbank niet verschuilen achter haar boekhouder

De inspecteur heeft bij belanghebbende, een vennootschap die zich bezighoudt met het beheer van onroerend goed en het exploiteren van een restaurant, een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting. Daaruit is gebleken dat er onder meer aansluit-verschillen zijn tussen de kassa en de administratie, niet onderbouwde retourboekingen zijn op de kassa, tarieven onjuist zijn toegepast en sprake is van niet-aangegeven verschuldigde omzetbelasting. Om die reden zijn aan belanghebbende naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd alsmede vergrijpboetes.

De Rechtbank stelt vast dat A, de bestuurder, de gegevens ten behoeve van de aangiften omzetbelasting aan de boekhouder aanleverde door middel van Excel-bestanden. Belanghebbende stelt dat er – vanwege een fout in die Excel-bestanden – per abuis teveel omzetbelasting is geclaimd. De Rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. Juist een boekhouder moet hebben geweten dat ook andere tarieven van toepassing zijn en de Rechtbank acht het dan ook niet waarschijnlijk dat de boekhouder het Excel-bestand dusdanig heeft vormgegeven dat daaruit automatisch alleen een tarief van 21% volgt.

De Rechtbank acht echter (voorwaardelijk) opzet niet bewezen. De werkwijze met betrekking tot de aangiften wijst er niet op dat belanghebbende wist dat zij teveel voorbelasting claimde. Wel acht de Rechtbank bewezen dat sprake is van grove schuld.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij een boekhouder heeft ingeschakeld, in de veronderstelling was dat de door haar geleverde informatie juist was en dat zij mocht uitgaan van de expertise van de boekhouder. Belanghebbende kan zich naar het oordeel van de Rechtbank echter niet verschuilen achter de werkwijze en deskundigheid van de boekhouder. De boekhouder volgde voor wat betreft de vooraftrek immers de Excel-sheets van belanghebbende. Die werkwijze is op zich niet onredelijk mits de juiste informatie daarop wordt ingevuld. Belanghebbende had zich ervan bewust moeten zijn dat die Excel-sheets onjuist waren.

Belanghebbende heeft zich voorts beroepen op strafverminderende omstandigheden (waaronder een wanverhouding ten opzichte van de ernst van het feit). De verhouding tussen de hoogte van de nageheven omzetbelasting over 2013 van € 101.045, de vergrijpboete van € 10.091 en de ernst van het verwijt, wijst volgens de Rechtbank echter niet op een wanverhouding. De Rechtbank ziet voorts geen aanleiding om de boete te matigen wegens samenloop en acht deze passend en geboden.

De Rechtbank matigt de vergrijpboete nog wel met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:5166

Persoonlijke omstandigheden voor inspecteur reden om compromisvoorstel te doen tot matiging vergrijpboetes, hetgeen de rechtbank volgt

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2003 tot en met 2012 vergrijpboetes opgelegd, omdat in het buitenland aangehouden vermogen niet (tijdig) aan de Belastingdienst is opgegeven. In geschil is of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De Rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven nu is komen vast te staan dat belanghebbende de bankrekening niet heeft aangegeven in haar aangifte inkomstenbelasting. Dat rechtvaardigt in beginsel een boete van 100%. Omdat belanghebbende heeft meegewerkt, heeft de inspecteur de boete gematigd tot 60%. Dit is naar het oordeel van de Rechtbank op juiste gronden geschied.

Belanghebbende doet een beroep op matiging dan wel vernietiging van de aan haar opgelegde boete vanwege haar geestelijke gesteldheid. De Rechtbank is van oordeel dat de persoonlijke omstandig-heden geen aanleiding geven de boetes volledig te vernietigen. Vanuit een oogpunt van generale preventie is een strafoplegging passend en geboden. De gemachtigde van belanghebbende stelt dat vergelding niet meer aan de orde kan zijn en omschrijft het in zijn pleitnota slechts als een inkomstenbron voor de Staat. De Rechtbank overweegt echter dat juist belanghebbende gedurende vele jaren inkomsten aan de Staat heeft onthouden en ziet geen reden waarom belanghebbende niet in haar vermogen zou kunnen worden getroffen. De persoonlijke omstandigheden van belang-hebbende – zoals de indicatie voor beschermd wonen met intensieve dementiezorg voor onbepaalde tijd – geven de Rechtbank ook geen aanleiding de boetes verder te matigen.  De Rechtbank acht de boetes van 60% van de nagevorderde bedragen derhalve passend en geboden.

De inspecteur heeft een compromisvoorstel aan belanghebbende gedaan. Het compromisvoorstel, hetgeen door belanghebbende niet was geaccepteerd, hield in dat de boetes over de jaren 2003 tot en met 2007 zouden worden verminderd tot 25% en dat de boetes over de jaren 2008 tot en met 2012 gehandhaafd bleven op 60%. Gezien de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende heeft de inspecteur ter zitting aangegeven bereid te zijn de boetes voor de jaren 2003 tot en met 2007 te verminderen tot 20%. De Rechtbank zal dit volgen en de boetes verder matigen met 5% wegens overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:7234

Boekhouder veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens indienen onjuiste aangiften omzetbelasting namens cliënten

Verdachte, een boekhouder, wordt ervan beschuldigd dat hij verantwoordelijk is voor valse aangiften omzetbelasting die namens andere personen zijn ingediend. Daarnaast zou verdachte valse/vervalste facturen en bankafschriften aan de Belastingdienst ter beschikking hebben gesteld.

De Rechtbank is van oordeel dat verdachte onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend voor twee personen. Gedurende ruim negen maanden is de Belastingdienst hierdoor voor in totaal bijna € 40.000 benadeeld. Toen de Belastingdienst onderzoek ging doen naar deze onjuiste aangiften heeft verdachte met valse facturen en vervalste bankafschriften de onjuistheid van de aangiften en de omstandigheid dat grote bedragen naar hem zijn doorbetaald proberen te verhullen. Veel van het ten onrechte ontvangen geld is uiteindelijk contant opgenomen, waardoor niet duidelijk is wat ermee is gebeurd of waar het geld is gebleven. Dit maakt naar het oordeel van de Rechtbank dat het uiterst onzeker is of het ten onrechte ontvangen geld aan de Belastingdienst terugbetaald zal worden. Ook is van belang dat verdachte anderen bij zijn strafbare feiten heeft betrokken. Het is niet verdachte die te maken krijgt met navorderingsaanslagen vanuit de Belastingdienst, maar de twee andere personen.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan de huidige feiten veroordeeld is tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verduistering in dienstbetrekking. Deze veroordeling is weliswaar geen fiscaal misdrijf, maar wel een vermogensdelict. Omdat ook in deze zaak het doel van verdachte kennelijk is geweest om ten koste van anderen geld te bemachtigen, neemt de Rechtbank de eerdere veroordeling als strafverzwarende omstandigheid mee. Ook de omstandigheid dat verdachte de strafbare feiten gepleegd heeft vanuit zijn functie als boekhouder vindt de Rechtbank strafverzwarend.

De combinatie van deze omstandigheden maakt dat de Rechtbank een taakstraf niet passend vindt. De Rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf van 4 maanden op, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:4542

Onderneming kan zich niet verschuilen achter boekhouder en krijgt vergrijpboetes opgelegd

Belanghebbende, een BV, houdt zich bezig met het beheren, bouwen en onderhouden van onroerend goed. Naar aanleiding van een boekenonderzoek zijn er naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de jaren 2009, 2012 en 2013 vanwege aansluitverschillen tussen de boekhouding en hetgeen daadwerkelijk is betaald, correcties van door belanghebbende in aftrek gebrachte omzetbelasting en de niet aangegeven omzetbelasting wegens privégebruik van een geleasete auto.

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2012 en 2013 vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 23.605 en € 13.060. In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet dan wel grove schuld. In dit verband voert hij aan dat de boetes uitsluitend de vooraftrek betreffen en dat de werkwijze van belanghebbende en de samenwerking met de boekhouder bij het doen van aangiften erop wijzen dat belanghebbende op de hoogte was dan wel had moeten zijn van het feit dat zij teveel voorbelasting claimde.

Anders dan de inspecteur acht de Rechtbank (voorwaardelijk) opzet niet bewezen. De werkwijze met betrekking tot de aangiften wijst er volgens de Rechtbank niet op dat belanghebbende wist dat zij teveel voorbelasting claimde. De inspecteur heeft in dit kader onvoldoende onderbouwd waaruit blijkt dat de bewustheid aanwezig was. Wel acht de Rechtbank bewezen dat sprake is van grove schuld. Het is aan een ondernemer zoals belanghebbende om te zorgen dat niet meer voorbelasting in aftrek wordt gebracht dan waarop recht bestaat. Het dubbel in aftrek brengen van voorbelasting voor kosten van een andere (gelieerde) vennootschap en het in aftrek brengen van voorbelasting terwijl facturen ontbreken dan wel wordt afgeweken van hetgeen op facturen staat vermeld, valt naar het oordeel van de Rechtbank geheel onder de verantwoordelijkheid van een ondernemer en wijst op grove onachtzaamheid. Belanghebbende heeft gesteld dat zij een boekhouder heeft ingeschakeld, in de veronderstelling was dat de door haar geleverde informatie juist was en dat zij mocht uitgaan van de expertise van de boekhouder. Belanghebbende kan zich volgens de Rechtbank niet verschuilen achter de samenwerking met en deskundigheid van de boekhouder. De boekhouder volgde immers voor wat betreft de vooraftrek een Excelsheet van belanghebbende. Die werkwijze is op zich niet onredelijk mits de juiste informatie daarop wordt ingevuld. Belanghebbende had zich ervan bewust moeten zijn dat de informatie in de Excelsheet niet juist was.

De Rechtbank ziet geen aanleiding om de boetes (verder) te matigen wegens samenloop of vanwege het feit dat de boekhouder de aangiften heeft ingediend. Evenmin is gebleken van een wanverhouding ten opzichte van de ernst van het feit. Wel ziet de Rechtbank aanleiding om de boetes met 15% te matigen vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:5165

Geslaagd beroep op pleitbaar standpunt ten aanzien van bestemming van onroerende zaak

Aan belanghebbende, een vennootschap, is een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van € 24.000 en een vergrijpboete van € 12.000. In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

De inspecteur heeft aangevoerd dat belanghebbende deskundig is op het gebied van de handel in en de exploitatie van onroerende zaken. Zij was in de jaren 2012 tot en met 2015 betrokken bij meer dan 60 transacties. Om die reden kan worden verwacht dat belanghebbende bekend is met de wet- en regelgeving op het gebied van de overdrachtsbelasting. Belanghebbende en X BV hebben bij het eerste bod de voorwaarde van het 2%-tarief gesteld. Partijen hebben bewust in de koopovereenkomst en akte het pand omschreven als ‘’perceel grond met opstal (zijnde een voormalig kantoorpand thans omvattende woningen/woonruimten), erf, tuin, en ondergrond’’, terwijl het pand te koop stond als kantoorpand. Daardoor heeft belanghebbende de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig overdrachtsbelasting zou worden geheven.

Belanghebbende doet een beroep op een pleitbaar standpunt, omdat de kwalificatie van de woning niet in strijd zou zijn met de geldende wet- en regelgeving en ook de notaris ervan overtuigd was dat toepassing van het 2%-tarief (hoogst)waarschijnlijk juist en, in ieder geval, pleitbaar was op dat moment.

De Rechtbank stelt vast dat bij de heffing van overdrachtsbelasting voor het lage tarief in aanmerking kan worden gekomen als het bouwwerk ‘’naar zijn aard bestemd is voor bewoning’’. De Rechtbank stelt evenwel vast dat de koopovereenkomst dateert van vóór de arresten van de Hoge Raad waarbij invulling is gegeven aan het criterium en daar bovendien uit op is te maken dat het in de praktijk niet altijd duidelijk was hoe het criterium moest worden toegepast. In dit licht beschouwt de Rechtbank de verklaring van belanghebbende, dat zij destijds voor de invulling ‘’naar zijn aard bestemd voor woning’’ voldoende achtte dat het pand de publiekrechtelijke bestemming ‘’gemengd’’ had en bewoond werd door zeven bewoners, geloofwaardig.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de verkrijging van het pand sprake was van (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende waardoor de vergrijpboete moet worden vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:3050

Navorderingen en vergrijpboetes in verband met zwarte vlees- en paardenhandel die aan het licht is gekomen vanwege een rookmelding

De politie heeft op het adres van belanghebbende, na een melding van rookontwikkeling, een werkend XTC-laboratorium aangetroffen. Tijdens het doorzoeken van de woning zijn diverse (financiële) administratieve bescheiden in beslag genomen. De inspecteur heeft de gegevens van het strafdossier opgevraagd bij de officier van justitie. Daaruit is gebleken dat belanghebbende heeft gehandeld in vleeswaren en paarden(attributen) en dat de inkomsten daaruit niet zijn opgegeven.

Er zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Over de jaren 2008 en 2009 zijn eveneens vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 7.238 en € 7.828 (50% over het bedrag van de navorderingsaanslagen). Onder meer is in geschil of de opgelegde vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

In het boeterapport wordt belanghebbende verweten dat hij niet het juiste inkomen heeft opgegeven. Immers heeft belanghebbende verklaard dat hij in die jaren een buitenlandse onderneming in vleesproducten heeft gedreven en daarnaast ook heeft gehandeld in paarden(attributen). De handel in vlees is aantoonbaar gebleken uit de in beslag genomen documenten op het woonadres van belanghebbende. De inspecteur stelt dat belanghebbende dan ook op de hoogte moet zijn geweest van de toepasselijke administratieve en fiscale verantwoordelijkheden die daarbij horen.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, aannemelijk heeft gemaakt dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De Rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende inkomsten uit overige werkzaamheden heeft genoten en deze inkomsten bewust niet in zijn aangiften heeft opgenomen. Vergrijpboetes van 50% acht de Rechtbank dan ook in beginsel op zijn plaats.

Belanghebbende verzoekt om matiging van de vergrijpboetes, omdat hij slechts een AOW-uitkering zou genieten en de uitkeringsinstantie ook een uitgebreide vermogenstoets zou hebben uitgevoerd.

De Rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat belanghebbende – zoals hij zelf heeft verklaard – een bankrekening in Zwitserland heeft (gehad) en dat belanghebbende vermogen in het buitenland kan hebben (gehad). Er zijn immers verschillende contante stortingen gedaan in het buitenland en belanghebbende heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt hoe hij aan die bedragen is gekomen en wat er is gebeurd met het geld na het afstorten daarvan. Ook heeft belanghebbende verklaard dat hij geld in de grond verborgen hield. Het betoog dat het inkomen en vermogen van belanghebbende uitsluitend bestaat uit de AOW-uitkering acht de Rechtbank niet aannemelijk. De Rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de vergrijpboetes te matigen vanwege de draagkracht van belanghebbende. Wel matigt de Rechtbank de vergrijpboetes met 20% in verband overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:1426

Inspecteur legt vergrijpboetes op aan grillrestaurant in verband met ten onrechte niet toegepaste gebruikelijk loonregeling

De inspecteur heeft bij belanghebbende, een grillrestaurant, een boekenonderzoek ingesteld ten einde de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting en loonheffingen te beoordelen.

De inspecteur is gebleken dat over de nettoloonbetalingen, zoals aangetroffen in de kasadministratie, geen loonheffingen zijn ingehouden en afgedragen. Ook is de fictief loonregeling niet juist toegepast. Om die reden heeft de inspecteur naheffingsaanslagen opgelegd en in verband met het verwijt van grove schuld vergrijpboetes van 25% opgelegd. In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Belanghebbende heeft aan haar werknemers nettoloon contant uitbetaald en hiervan aantekeningen gemaakt in het kasboek. Dit bedrag is niet verwerkt in de loonadministratie. Het is alsdan naar het oordeel van de Rechtbank niet voor redelijke betwisting vatbaar dat belanghebbende had moeten weten dat over nettoloonbetalingen loonheffingen ingehouden en afgedragen moesten worden en dat zij dat toerekenbaar heeft nagelaten.

Voorts heeft belanghebbende de gebruikelijk loonregeling ten onrechte niet toegepast, terwijl zij had moeten weten dat voor aanmerkelijk belanghouders de gebruikelijk loonregeling van toepassing is. De adviseur was op de hoogte van de regeling, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat – gezien de resultaten van de onderneming – geen hoger loon door belanghebbende kon worden uitbetaald dan feitelijk is gedaan. Echter had (de adviseur van) belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank contact met de inspecteur moeten opnemen over deze kwestie teneinde tot een overeenstemming te komen. Niet is gebleken dat belanghebbende een dergelijk verzoek heeft ingediend. Er is dan ook geen sprake van een pleitbaar standpunt, maar – naar het oordeel van de Rechtbank – sprake van grove schuld waardoor vergrijpboetes van 25% in beginsel passend en geboden zijn.

De Rechtbank matigt de vergrijpboetes wel met 15% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:5626

Verzuimboete gematigd omdat de boetegrondslag is vastgesteld op basis van (weerlegbare) vermoedens alsook financiële omstandigheden

Aan belanghebbende, een Nederlands ingezetene, is een naheffingsaanslag en verzuimboete opgelegd voor het gebruik maken van de weg met een motorrijtuigen met buitenlands kenteken.

Tijdens een controle op 24 november 2016 is door de politie geconstateerd dat belanghebbende met een personenauto, met een Duits kenteken, gebruik heeft gemaakt van de weg in Nederland. Er was geen motorrijtuigenbelasting betaald.

De inspecteur heeft vervolgens een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd voor het tijdvak 3 september 2013 tot en met 24 november 2016. De nageheven belasting bedraagt € 2.951 en de verzuimboete bedraagt eveneens € 2.951. In geschil is onder meer of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende heeft het gebruik van de openbare weg erkend en daarmee is de boete in beginsel gerechtvaardigd. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de boete moet worden gematigd omdat zij een bijstandsuitkering heeft en zij een netto inkomen van ongeveer € 1.400 per maand heeft. Voorts is aangevoerd dat het bedrag van de boete niet in overeenstemming is met het Unierecht, omdat er geen bewijs is dat zij meer dan 1 dag gebruik heeft gemaakt met de auto, terwijl de boete is berekend op basis van de naheffing over 3 jaar.

De Rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat de boete 100% bedraagt van het bedrag dat aan belasting niet (of gedeeltelijk niet) is betaald en zulks ook geldt indien het bedrag van die belasting is komen vast te staan met toepassing van een berekeningsregel, waartegen belanghebbende tegenbewijs kan leveren. Dit laat echter onverlet dat het aan de rechter is om te beoordelen of de in een concreet geval opgelegde boete passend en geboden is, gelet op alle omstandigheden van het geval. Daarbij weegt de Rechtbank mee dat de vaststelling van de boetegrondslag is gestoeld op een berekeningsregel die een (weerlegbaar) vermoeden inhoudt. Ook weegt de rechter de financiële omstandigheden mee.

In de omstandigheden ziet de Rechtbank aanleiding om de verzuimboete op € 500 vast te stellen. Omdat de redelijke termijn is overschreden matigt de Rechtbank de boete (verder) tot € 475.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:1878