Categorie: Fiscaal sanctierecht

Niet (tijdig) geven van cautie heeft (ook) in fiscale zaken geen gevolgen als belanghebbende niet is benadeeld

Aan belanghebbende zijn vergrijpboetes opgelegd, welke in hoger beroep in geschil waren. Het Hof heeft verzuimd de zogenoemde cautie te geven, de aan een ondervraging voorafgaande mededeling dat belanghebbende niet verplicht is vragen te beantwoorden. Het cassatiemiddel komt op tegen het feit dat de cautie niet (tijdig) is gegeven door het Hof.

De Hoge Raad is van oordeel dat uit de wet en de parlementaire geschiedenis volgt dat de mededeling dat antwoorden niet verplicht is, moet worden gedaan in alle gevallen waarin anders dan schriftelijk vragen aan de belanghebbende worden gesteld die betrekking hebben op een bestuurlijke boete.

Dat strookt met de betekenis en uitleg van verhoorvoorschriften uit het Wetboek van Strafvordering. Daaruit blijkt dat – tijdens de terechtzitting – verdachte het recht heeft om vragen betreffende diens betrokkenheid bij het vermoedelijke begane strafbare feit onbeantwoord te laten. Bij een mondelinge behandeling wordt de cautie gezien als een zo wezenlijk voorschrift dat het verzuim die cautie te geven in de regel ertoe zal leiden dat de verkregen antwoorden voor het bewijs onbruikbaar zijn.

De Hoge Raad overweegt dat ook in (hoger) beroep in zaken waarin een bestuurlijke boete aan de orde is, de voorschriften ter bescherming van de verklaringsvrijheid behoren tot de wezenlijke waarborgen voor een behoorlijk proces. De cautie dient daarmee tijdig te worden gedaan. De rechtspraak betreffende strafzaken erkent dat het verzuim die cautie (tijdig) te geven zonder gevolgen kan blijven indien de rechter kan vaststellen dat de verdachte daardoor niet in zijn belangen is geschaad. De Hoge Raad is van oordeel dat er geen grond is een andere maatstaf te hanteren, ten aanzien van een fiscaal geding waarbij (ook) een boete moet worden beoordeeld. Omdat niet is gebleken dat het bewijs van het beboetbare feit is ontleend aan een ter zitting van het Hof namens belanghebbende afgelegde verklaring, kan het middel niet tot cassatie leiden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1786

Vergrijpboetes voor belanghebbende bij wie meermaals contante geldbedragen en henneptoppen zijn aangetroffen

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2009 tot en met 2013 aanslagen inkomstenbelasting opgelegd en zijn voor de jaren 2012 en 2013 vergrijpboetes opgelegd, die onder meer in geschil zijn.

Bij belanghebbende zijn bij een doorzoeking van de woning contante geldbedragen, een vuurwapen en plastic zakken met resten van henneptoppen aangetroffen. Enige tijd later is belanghebbende door de politie tijdens een controle staande gehouden. In de auto zijn onder meer een schietvest, contant geld, gripzakjes met henneptoppen en een plastic zak met henneptoppen aangetroffen.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur kasopstellingen gemaakt aan de hand van bankrekeningen die bij de recherche zijn ingezien. In de kasopstelling zijn voor elk van de jaren de contante stortingen op de bankrekeningen van belanghebbende, de contant bij belanghebbende aangetroffen geldbedragen en de contante aankopen bij elkaar opgeteld. Daarop zijn de contante opnamen en stortingen waarvoor belanghebbende een toereikende verklaring had in mindering gebracht.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende in 2012 en 2013 inkomsten uit werkzaamheden heeft genoten. Door nihilaangiften in te dienen heeft belanghebbende onjuiste aangiften gedaan. Door deze handelwijze heeft belanghebbende willens en wetens het risico genomen dat van hem te weinig inkomstenbelasting zou worden geheven en kan belanghebbende opzet worden verweten. Gelet op de hoogte van de inkomsten acht het Hof bewezen dat belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat sprake was van inkomsten die hij in de aangiften had dienen te vermelden. Het Hof acht niet geloofwaardig dat belanghebbende niet bekend zou zijn geweest met de in Nederland, evenals in vele – zo niet alle – andere landen van Europa, bestaande wettelijke verplichting om genoten belastbare inkomsten op te geven in de aangiften.

Het Hof acht boetes van 50% passend en geboden. De boetegrondslagen zijn niet vastgesteld met omkering van de bewijslast, maar gebaseerd op het kasverschil dat is ontstaan door de contante stortingen op de bankrekeningen, de contant aangetroffen bedragen en de contante aankopen, verminderd met de bedragen waarvoor belanghebbende een toereikende verklaring had. Het Hof ziet geen aanleiding om rekening te houden met de door belanghebbende veronderstelde ruwheid van het systeem waarmee de belastbare inkomsten zijn berekend. Het Hof ziet geen aanleiding de boetes verder te verminderen dan de Rechtbank reeds heeft gedaan vanwege een onjuist toegepaste boetegrondslag en de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:3249

Vergrijpboetes in inkeerzaak niet in strijd met het nulla poena-beginsel opgelegd

Aan belanghebbende zijn verschillende vergrijpboetes opgelegd omdat belanghebbende geen melding had gemaakt van de door hem aangehouden Zwitserse bankrekening.

Belanghebbende heeft in 2015 een beroep gedaan op de inkeerregeling. Daarbij zijn geen gegevens van de aangehouden bankrekening verstrekt. De inspecteur en belanghebbende hebben met betrekking tot de hoogte van de navorderingsaanslagen een vaststellingsovereenkomst getekend.

In geschil is of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd, meer specifiek of de boetes in strijd met art. 7 van het EVRM dan wel art. 15 IVBPR zijn opgelegd. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het nulla poena-beginsel eveneens geldt ten aanzien van het BBBB. Gelet op de tekst van het BBBB kon hij erop vertrouwen dat bij inkeer nadien geen hogere boete zou worden opgelegd dan de boete die gold ten tijde van die indiening. Dat geldt ook in het geval dat na wijziging van de beleidsregels wordt ingekeerd.

De Rechtbank is van oordeel dat het in art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR vervatte nulla poena-beginsel, dat inhoudt dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan de straf die van toepassing was ten tijde van het begaan van de overtreding, eveneens geldt ten aanzien van de toepassing van beleidsregels. De bepalingen in het BBBB zijn naar het oordeel van de Rechtbank te beschouwen als regels van sanctierecht, waarmee binnen het bereik wordt gekomen van art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR.

De stelling van belanghebbende dat de beleidsregels van toepassing blijven zoals die luidden ten tijde van het begaan van het beboetbare feit, volgt de Rechtbank evenwel niet. Naar het oordeel van de Rechtbank zijn de wettelijke bepalingen en de beleidsregels onlosmakelijk met elkaar verbonden. Aangezien de vrijwillige inkeer pas in 2015 heeft plaatsgevonden en op die inkeer art. 67n van toepassing is zoals dat artikel luidde in 2015, dienen naar het oordeel van de Rechtbank eveneens de beleidsregels tot uitgangspunt te worden genomen zoals die golden ten tijde van de inkeer. Het per 1 januari 2014 ingevoerde vierde lid van paragraaf 1 van het BBBB verhindert de toepassing van de vóór 1 januari 2014 geldende beleidsregels.

De Rechtbank stelt vast dat de inspecteur terecht vergrijpboetes heeft opgelegd en de Rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:11232

Verdachte met blanco strafblad veroordeeld tot 20 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens grootschalige belastingfraude

De verdenking luidt dat verdachte – als feitelijk leidinggever – valse facturen heeft opgemaakt, opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan en opzettelijk een valse administratie heeft verstrekt aan de Belastingdienst.

Verdachte stelt dat een aantal facturen correct zijn en dat hem ten onrechte wordt verweten dat de facturen valselijk zijn opgemaakt. De betaling van de facturen zou niet terug te vinden zijn op de bankafschriften doordat de in- en verkoopfacturen zijn gesaldeerd.

De Rechtbank acht bewezen dat verdachte een periode van 4 jaar feitelijk leiding heeft gegeven aan het opmaken van valse facturen. Verdachte heeft zich daarnaast langdurig en op grote schaal schuldig gemaakt aan belastingfraude door de op de valse facturen vermelde btw-bedragen op te voeren in de maandaangiften omzetbelasting. Het is aannemelijk dat verdachte daardoor een totaalbedrag van minstens bijna 2 miljoen euro heeft terug ontvangen van de Belastingdienst, terwijl hij daar geen recht op had. Verdachte heeft vervolgens, nadat de Belastingdienst een onderzoek was gestart naar de juistheid van de aangiften omzetbelasting,  feitelijk leiding gegeven aan het opzettelijk verstrekken van valse facturen en administratie aan de Belastingdienst.

Door het handelen van verdachte is de integriteit van het financiële en economische verkeer geschonden enkel ten behoeve van de belangen van verdachte. Aan dit handelen is pas een einde gekomen nadat de Belastingdienst een onderzoek heeft ingesteld naar de juistheid van de ingediende aangiften.

Gezien de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de Rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij dergelijke feiten past in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, ook voor iemand met een blanco strafblad. De Rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat de redelijke termijn is overschreden.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:8750

Vergrijpboetes voor het ten onrechte aanmerken van woning als ‘eigen woning’ en niet-aangegeven inkomsten in box 3

De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd voor de jaren 2011 t/m 2014 en vergrijpboetes van respectievelijk € 1.328, € 1.326, € 1.303 en € 50.

Belanghebbende is betrokken geweest bij een onderzoek van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente naar bijstandsfraude. Uit het onderzoek is gebleken dat belanghebbende een woning heeft verhuurd aan derden. In de aangiften inkomstenbelasting heeft belanghebbende hypotheekrenteaftrek geclaimd. De inspecteur heeft de in aftrek gebrachte bedragen aan negatieve inkomsten uit eigen woning gecorrigeerd. Ook heeft belanghebbende ten onrechte geen inkomen uit box 3 opgegeven, waarna de inspecteur is overgegaan tot het opleggen van navorderingsaanslagen en vergrijpboetes.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Evenals de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd. Naar het oordeel van het Hof is het aan de grove schuld van belanghebbende te wijten dat de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld en daardoor te weinig belasting is geheven. Belanghebbende verhuurde het pand aan derden en verbleef feitelijk op een ander adres. Vanwege deze omstandigheden diende belanghebbende er zich van bewust te zijn dat de woning, die belanghebbende verhuurde, niet als eigen woning kon worden aangemerkt.

Door desondanks in zijn aangiften negatieve inkomsten uit eigen woning op te voeren is het aan de grove schuld van belanghebbende te wijten dat daardoor te weinig belasting is geheven. Belanghebbende heeft voorts, terwijl hij eigenaar was van een in het buitenland gelegen woning en tevens houder was van een buitenlandse bankrekening met een aanzienlijk saldo, de inkomsten uit vermogensbestanddelen niet opgegeven in box 3. Ook in zoverre is het naar het oordeel van het Hof aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat de aanslagen te laag zijn vastgesteld. Gelet op de aard van het vergrijp en de hoogte van de boetes ziet het Hof in de omstandigheid dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast geen aanleiding de boetes te matigen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:2246

 

Door inspecteur opgelegde vergrijpboete van 50% wegens grove schuld met strafverzwarende omstandigheden houdt geen stand

Belanghebbende, een vennootschap, is in beroep gekomen ten aanzien van een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en een naheffingsaanslag omzetbelasting mét vergrijpboete van € 36.165.

De inspecteur voert aan dat het stelselmatig geen aangiften indienen, het accepteren van ambtshalve opgelegde naheffingsaanslagen (wetende dat deze te laag zijn) en het niet afdragen van de aan derden op factuur in rekening gebrachte omzetbelasting dermate aan opzet grenzende laakbare onzorgvuldige gedragingen zijn, dat deze gedragingen een hogere boete rechtvaardigen. Volgens de inspecteur is sprake van het omvangrijk of verhoudingsgewijs omvangrijk ontgaan van omzetbelasting. De inspecteur heeft om die reden vergrijpboetes opgelegd op basis van grove schuld en – vanwege strafverzwarende omstandigheden – deze vastgesteld op 50%.

Belanghebbende bestrijdt dit omdat volgens haar het beboetbare feit het niet doen van aangiften is. Daarom zouden gedragingen na het beboetbare feit niet mogen meewegen. Ook voert belanghebbende aan dat de onderneming is gestaakt, hetgeen een strafverminderende omstandigheid vormt.

De Rechtbank overweegt dat het aan grove schuld van belanghebbende te wijten is dat ten onrechte verschuldigde omzetbelasting niet is betaald. De Rechtbank stelt het percentage vast op 25% en acht geen zodanig strafverzwarende omstandigheden aanwezig die een hogere boete rechtvaardigen. Daarbij merkt de Rechtbank op dat de hoogte van de niet aangegeven en betaalde omzetbelasting reeds in de straftoemeting is verdisconteerd aangezien de boete een percentage is van de verschuldigde belasting. De Rechtbank matigt de vergrijpboete tot € 18.082.

Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn met elf maanden matigt de Rechtbank de vergrijpboete (verder) met 10%, tot € 16.273.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:3096

Hof oordeelt dat vergrijpboete door de Rechtbank ten onrechte is vernietigd

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2010 tot en met 2013 aanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Over de jaren 2010 en 2011 zijn tevens vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk  €  1.342 en € 1.414.

Belanghebbende verricht voor de werkmaatschappij werkzaamheden, waaronder het voeren van de administratie, de planning en het ad hoc verrichten van koeriers- en postservicediensten (hoofdactiviteit van de werkmaatschappij). Uit een boekenonderzoek is naar voren gekomen dat de werkmaatschappij aan belanghebbende in de jaren 2010 tot en met 2013 een bestelbus ter beschikking heeft gesteld die privé mocht worden gebruikt. Een kilometeradministratie ontbreekt.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes van 25% terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Ten aanzien van de boete over 2010 is het Hof – met de Rechtbank – van oordeel dat het voor belanghebbende (als ondernemer) bekend had moeten zijn dat bij het ter beschikking stellen van een auto, een sluitende kilometeradministratie moet worden bijgehouden om het privégebruik aan te tonen. Belanghebbende kan in ernstige mate worden verweten dat hij ervan is uitgegaan dat met het niet aangeven van het voordeel wegens privégebruik auto te weinig belasting zou worden geheven. Het Hof acht de boete ook passend en geboden wegens grove schuld.

De Rechtbank heeft de boete over 2011 vernietigd. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur in hoger beroep terecht aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat belanghebbende, door loon van de BV aan te geven dat boven het privégebruik auto uitgaat, daarmee tevens het privégebruik auto van de door de BV aan hem ter beschikking gestelde auto heeft aangegeven in 2011. Het Hof stelt vast dat dit niet het geval is.

Belanghebbende heeft de terbeschikkingstelling en het privégebruik in het geheel niet in zijn aangifte vermeld. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat er geen privégebruik was. Het Hof is echter van oordeel dat wel degelijk sprake is van een privégebruik en het oordeel van de Rechtbank, dat de bijtelling geacht moet worden in het aangegeven loon te zijn begrepen, wordt niet gesteund door de feiten. De Rechtbank had de boete voor het jaar 2011 niet mogen vernietigen.

Het Hof acht een boete van 25% wegens grove schuld voor het jaar 2011 passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:2749

Directeur van accountancy- en adviesbureau voert ten onrechte ‘zakelijke’ kosten op

X is directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende. X verricht als werknemer van belanghebbende accountancy- en adviesdiensten voor een coöperatie waarvan belanghebbende de ledencertificaten houdt. Y, de echtgenote van X, is eveneens in dienstbetrekking bij belanghebbende en verricht de dagelijkse administratie.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur correcties toegepast omdat de zakelijkheid van kosten niet is aangetoond, onvoldoende is aangetoond dat sprake is van zakelijke relatiegeschenken en er afschrijvingskosten dienen te worden gecorrigeerd.

Tevens zijn vergrijpboetes opgelegd, welke in geschil zijn.

De Rechtbank stelt vast dat, zoals uit het rapport van het boekenonderzoek volgt, de boetes zien op de door belanghebbende bij het bepalen van haar belastbare winst ten onrechte in aanmerking genomen bedragen, waaronder afschrijvingskosten, verantwoorde kosten en kosten van relatiegeschenken.

De Rechtbank acht aannemelijk dat X, mede gelet op de aard van bedoelde kosten en de omstandigheid dat X accountancy- en adviesdiensten verricht, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat belanghebbende haar aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2015 tot een onjuist bedrag heeft gedaan. Dit is naar het oordeel van de Rechtbank dan ook aan voorwaardelijk opzet van X te wijten. Nu X directeur en aandeelhouder, alsmede, zo volgt uit de stukken, feitelijk leidinggevende van belanghebbende is, is de Rechtbank van oordeel dat de opzet van X moet worden aangemerkt als opzet van belanghebbende.

De Rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes van 25%, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden van het geval, passend en geboden. De boetes zullen wel worden verminderd vanwege het verlagen van de grondslag. De omstandigheid dat de opgelegde boetes voor onder andere de loonbelasting zijn teruggebracht tot nihil acht de Rechtbank niet relevant voor de beoordeling van de bij de aanslagen vennootschapsbelasting opgelegde boetes.

De Rechtbank vermindert de boetes met 5% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:4059

Art. 6 EVRM verzet zich tegen het opnemen in de boetegrondslag van niet genoten inkomsten

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2010 en 2011 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd alsmede vergrijpboetes van respectievelijk € 1.400.398 en € 1.448.666.

Belanghebbende is betrokken bij een strafrechtelijk onderzoek als verdachte van deelname aan een criminele organisatie die zich voornamelijk bezig hield met grootschalige verkoop van hennep vanuit een bedrijfspand. Het strafdossier is aan de inspecteur verstrekt. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vergrijpboetes opgelegd.

Naar het oordeel van het Hof was belanghebbende zich bewust van het feit dat het zeer aanzienlijke voordeel dat is genoten met de handel in hennep een belastbare baat vormt, hetgeen bovendien een feit van algemene bekendheid is. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te maken dat de wettelijke verplichting om dergelijke inkomsten in de aangifte te verantwoorden bij hem niet bekend was. In dit verband acht het Hof van belang dat belanghebbende zich in de strafzaak vrijwel steeds heeft beroepen op zijn zwijgrecht; bij de zittingen van de Rechtbank en het Hof is belanghebbende niet verschenen en heeft hij derhalve de gelegenheid voorbij laten gaan om zijn kant van het verhaal te laten horen.

Het Hof acht derhalve aannemelijk dat belanghebbende op de hoogte was van de op hem rustende verplichting om ook uit de illegale bronnen genoten inkomsten aan te geven, doch hij heeft er willens en wetens voor gekozen om niet aan deze wettelijke verplichting te voldoen. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat er op het moment van het doen van de aangiften sprake was van voorwaardelijke opzet gericht op het doen van onjuiste aangiften.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht overwogen dat art. 6 EVRM zich verzet tegen het tot de boetegrondslag rekenen van inkomensbestanddelen waarvan niet aannemelijk is gemaakt dat deze door de desbetreffende belastingplichtige zijn genoten. De boetebeschikkingen dienen met 60% te worden gematigd, nu de inspecteur voor beboetingsdoeleinden aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende 40% van de in de navorderingsaanslagen betrokken inkomsten, heeft genoten.

Naar het oordeel van het Hof leidt de omstandigheid dat de navorderingsaanslagen zijn vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast tot aanvullende vermindering van de boetebeschikkingen. De aan de navorderingsaanslag ten grondslag liggende berekeningen getuigen immers van een zekere ruwheid. Het Hof acht in dit kader een vermindering van de aan belanghebbende toerekenbare boetegrondslag met 20% passend en geboden. Ook wordt de vergrijpboete iets verminderd vanwege een onredelijke vertraging.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:3086

Niet-ontvankelijkheid van de door directe vertegenwoordiger ingediend bezwaar

Eiseres doet op naam en voor rekening van A B.V. aangiften voor het brengen in het vrije verkeer van zonnepanelen. Eiseres en A B.V. zijn in een overeenkomst overeengekomen dat eiseres handelt als directe vertegenwoordiger van A B.V.

Aan eiseres is het gebruik toegestaan van de uitstelregeling maandkrediet. Via een maandkredietsaldo worden alle betalingen verricht waartoe door eiseres ingediende aangiften aanleiding geven. De bij deze betalingsfaciliteit verplichte doorlopende zekerheidstelling van eiseres geschied door borgstelling.

De inspecteur heeft A B.V. per brief meegedeeld voornemens te zijn vier van de desbetreffende aangiften te corrigeren, omdat het land van oorsprong niet correct zou zijn. Deze brieven zijn per adres aan eiseres gestuurd met het verzoek deze brieven aan A B.V. te overhandigen.

Daarnaast heeft de inspecteur aan eiseres ter zake van de vier genoemde aangiften viermaal een ‘Mededeling financiële aansprakelijkheid’ gestuurd. In deze mededelingen stond, onder andere, dat de financiële aansprakelijkheid voor de opgelegde utb’s aan A B.V. volledig blijft rusten op eiseres.

Eiseres maakt bezwaar tegen de ‘Mededelingen financiële aansprakelijkheid’ en tegen de utb’s. Zij stelt dat de utb’s en de ‘Mededelingen financiële aansprakelijkheid’ haar rechtstreeks en individueel raken en dat zij daarom ingevolge art 243, eerste lid, van het CDW zelf het recht heeft daartegen bezwaar en beroep in te stellen.

Volgens de inspecteur bestaat voor deze mededeling geen bezwaarmogelijkheid, aangezien het geen beschikking is in de zin van de AWB. Daarnaast stelt de inspecteur dat eiseres niet rechtstreeks wordt geraakt omdat zij geen geadresseerde is van deze utb’s.

De rechtbank oordeelt dat de utb’s wel beschikkingen zijn in de zin van CDW, maar stelt dat eiseres door deze beschikkingen niet rechtstreeks wordt geraakt. Eiseres heeft de aan de utb’s ten grondslag liggende aangiften gedaan als direct vertegenwoordiger van A B.V.

Wanneer eiseres de douaneschulden van A B.V. voor haar betaalt, vloeien de rechtsgevolgen voor eiseres, namelijk dat zij door de douane aansprakelijk wordt gesteld voor deze douaneschulden, niet voort uit de douanewetgeving, maar uit de civielrechtelijke overeenkomst tussen eiseres en A B.V. De utb’s zelf hebben derhalve voor eiseres geen rechtstreekse rechtsgevolgen. Eiseres is niet de schuldenaar. Dat blijft A. B.V.

De rechtbank oordeelt wat betreft de ‘Mededelingen financiële aansprakelijkheid’ dat deze mededelingen moeten worden gezien als informatieve brieven waarin de inspecteur aangeeft hoe hij tegen de mogelijk toekomstige aansprakelijkheid van eiseres voor de douaneschuld van A B.V. aankijkt. Deze brieven bevatten dus geen rechtsgevolgen voor eiseres en zijn dan ook geen besluiten waartegen een rechtsmiddel open staat. De beroepen zijn dus ongegrond. Het is te hopen dat A. B.V. zelf ook bezwaar heeft ingesteld…

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:6475