Categorie: Fiscaal sanctierecht

Vrijspraak voor verdachten die gebruik maakten van kassasysteem met ‘afroommodule’

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij onjuiste aangiften voor de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting heeft gedaan. Verdachte zou daarbij gebruik hebben gemaakt van een kassasysteem met een verborgen afroommodule.

In het dossier wordt door verschillende betrokkenen op verschillende manieren gesproken over de functionaliteit in de kassasystemen waarmee met behulp van niet in de handleiding vermelde handelingen retourboekingen kunnen worden voorzien van een specifieke typeaanduiding. Benamingen die door de verschillende betrokkenen voor deze functie onder meer worden gebruikt zijn: demofunctie, trainingsfunctie, afroommodule of zwartboekmodule. Vast staat dat met al deze aanduidingen wordt gedoeld op de mogelijkheid om retourboekingen in het systeem te verbergen. Het effect daarvan is dat de daarin ondergebrachte kassa-aanslagen niet zichtbaar worden op de dag-, week of maandstaten, die de basis vormen voor de administratieve en fiscale verwerking van het kassaverkeer. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om omzet aan het oog van de fiscus te onttrekken.

De verdediging heeft erop gewezen dat de functionaliteit aanvankelijk is ontworpen om medewerkers in staat te stellen de apparatuur bij installatie- en onderhoudswerkzaamheden te testen, zonder dat de resultaten van de test de gebruiker administratief in de weg zouden zitten.

Het Hof overweegt dat de module aanwezig was om de apparatuur te testen maar dat er ook signalen waren dat de functie door klanten werd gebruikt om omzet buiten de boeken te houden. Het Hof komt tot die overweging omdat het immers wonderlijk en onpraktisch is dat deze ten behoeve van de klant ingebouwde functionaliteit niet is opgenomen in de uitgebreide handleiding van het systeem. Daar komt bij dat het erg onpraktisch en inefficiënt is om een dergelijke toepassing in te bouwen en dat voor iedere trainingshandeling telkens een groot aantal niet voor de hand liggende handelingen moet worden verricht.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan naar het oordeel van het Hof niet worden vastgesteld wanneer het systeem is aangeschaft. Evenmin blijkt uit het dossier welke medewerkers bij die koop zijn betrokken. Ten slotte kan niet worden vastgesteld welke informatie over de werking van het systeem bij gelegenheid van de koop is verstrekt. Het dossier biedt derhalve onvoldoende aanknopingspunten om verdachte te veroordelen voor belastingfraude.

De verdachte (en medeverdachten) worden om die reden door het Hof vrijgesproken.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:8160
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:8161
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:8163

 

Vergrijpboete vernietigd omdat deze bij afzonderlijke beschikking had moeten worden opgelegd

Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd over de jaren 2007, 2008 en 2009. Voorts is een vergrijpboete opgelegd van 50% van de nageheven belasting, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 94.924.

In geschil is onder meer of een vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van opzet.

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is geweest van opzet. Genoegzaam is gebleken dat belanghebbende in niet geringe mate werknemer A en B betaalde werkzaamheden heeft laten verrichten zonder de loonbetalingen in de administratie op te nemen, waardoor de daarover verschuldigde loonheffingen niet werden ingehouden en afgedragen.

Enige twijfel over de belastbaarheid van de betaalde vergoedingen kan bij belanghebbende niet hebben bestaan. Hieraan doet naar het oordeel van het Hof niet af dat belanghebbende bij de tewerkstelling van deze werknemers ook heeft willen bijdragen aan een verbetering van de psychische gezondheidstoestand van beide werknemers. Van samenloop is geen sprake (meer), zodat om die reden geen aanleiding wordt gezien de boete om die reden te matigen. Wel vindt het Hof aanleiding de boete te verminderen tot 40% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

De naheffingsaanslag voor het jaar 2007 is opgelegd op 14 december 2012. De boete voor dit jaar is niet tegelijk met het vaststellen van de aanslag vastgesteld. De naheffingsaanslag en boete voor het tijdvak 2008-2009 zijn, verenigd op één biljet, op 24 april 2013 opgelegd. In de opgelegde boete is tevens de boete voor het jaar 2007 begrepen.

Het Hof is van oordeel dat de boete voor het jaar 2007 bij afzonderlijke beschikking had moeten worden opgelegd. De vergrijpboete is volgens de systematiek van de AWR en het BBBB een percentage van de na te heffen belasting. Dit brengt met zich mee dat de op een aanslagbiljet vermelde boete, alhoewel dit een afzonderlijke beschikking vormt, geen betrekking kan hebben op belasting van een ander jaar dan de op hetzelfde biljet nageheven belasting. Het Hof vernietigt de vergrijpboete voor het jaar 2007.

De inspecteur had de vergrijpboete na bezwaar reeds vastgesteld op € 10.294. Nu het Hof de boete over 2007 heeft vernietigd, blijft er een boetebedrag over van € 4.837.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:7810

 

Inspecteur maakt niet aannemelijk dat belanghebbende omzet buiten de boeken heeft gehouden

Belanghebbende was houder van alle certificaten van aandelen in en bestuurder van D BV, welke vennootschap op haar beurt enig aandeelhouder was van B BV en E BV. De inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd. Daarbij is voorts een vergrijpboete opgelegd van € 6.805.

Naar aanleiding van ontvangen informatie heeft de inspecteur een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van onder meer de aangiften inkomstenbelasting. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat dat B BV en E BV niet in de boekhouding opgenomen lonen hebben betaald aan werknemers, dat deze zwarte lonen moeten zijn betaald uit eveneens zwarte omzet en dat het overschot van die zwarte omzet bij wijze van verkapte uitdeling van winst door D BV aan belanghebbende ten goede zijn gekomen.

De inspecteur heeft na het bezwaar de vergrijpboete verminderd tot € 1.139. De Rechtbank heeft de boetebeschikking vervolgens vernietigd, waarna de inspecteur hoger beroep heeft ingesteld.

In de uitspraak van B BV heeft het Hof geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat deze vennootschap niet in de boekhouding verantwoorde lonen heeft betaald aan haar werknemers. Anders dan de inspecteur veronderstelt, betekent dit niet dat daarmee tevens aannemelijk is dat die vennootschap een bedrag dat hoger is dan die zwarte lonen als niet geboekte omzet heeft gerealiseerd en het verschil daartussen aan haar aandeelhouder als verkapt dividend heeft doen toekomen.

Geenszins kan naar het oordeel van het Hof worden uitgesloten dat die zwarte lonen zijn voldaan uit op correcte wijze verantwoorde inkomsten, waarbij die lonen anders dan als loonkosten in de boekhouding zijn verantwoord. Uit het controlerapport blijkt dit evenmin. De inspecteur heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat B BV tot de door de inspecteur gestelde zwarte bedragen omzet heeft gerealiseerd waarvan een gedeelte als uitdeling van winst aan belanghebbende ten goede is gekomen.

Daarmee is voor een vergrijpboete evenmin plaats.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:7811

Juridisch adviseur krijgt vergrijpboete opgelegd vanwege gebrekkige administratie

Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd. De inspecteur heeft gelijktijdig een vergrijpboete opgelegd van € 1.022. In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende dreef een eenmanszaak waarbij de activiteiten bestonden uit het verlenen van juridische adviezen. Ook was belanghebbende in loondienst als juridisch adviseur op basis van een nul-urencontract. De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld en een conceptrapport opgestuurd naar belanghebbende, waarbij de inspecteur drie dagen aan belanghebbende de tijd gaf om te reageren in verband met een dreigende verjaring.

In het controlerapport is onder meer vermeld dat belanghebbende geen deugdelijke administratie heeft kunnen overleggen. Ook heeft belanghebbende niet aannemelijk kunnen maken dat hij voldeed aan het urencriterium. Te meer, omdat belanghebbende ook in loondienst was en een studie fiscaal recht volgde. Deze studiekosten heeft belanghebbende zowel zakelijk als privé afgetrokken in de aangifte. De inspecteur heeft om die reden een aantal posten gecorrigeerd en een vergrijpboete opgelegd wegens grove schuld.

Het Hof is van oordeel dat een reactietermijn van drie dagen voldoende is voor het indienen van een zienswijze. Belanghebbende heeft bij de inspecteur aangegeven dat hij een gesprek niet zinvol achtte en dat de inspecteur kon overgaan tot het opleggen van de aanslagen.

Gebleken is dat belanghebbende een universitaire studie contractenrecht en fiscaal recht deed en dat belanghebbende daarnaast als aandeelhouder/bestuurder werkzaam was bij X, een volgens de website van X hoogstaand juridisch en fiscaal adviesbureau met adviezen van uitmuntende kwaliteit. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat mag worden verwacht dat belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte (zeer) goed op de hoogte was van de fiscale regelgeving.

Belanghebbende heeft geen administratie bijgehouden dan wel niet bewaard en heeft achteraf een overzicht van inkomsten en uitgaven opgesteld op basis waarvan verschillen in de winst naar voren komen ten opzichte van de aangegeven winst, terwijl belanghebbende daarvoor geen verklaring kan geven.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat dienaangaande sprake is van een ernstig verwijt, ten minste gelijk te stellen met grove schuld. Er is volgens het Hof geen sprake van een pleitbaar standpunt. Het Hof acht de boete passend en geboden en ziet geen aanleiding om de boete te matigen vanwege de omstandigheid dat de aanslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:2076

Inspecteur stuurt uitnodiging tot het doen van aangifte en aanmaning naar onjuist adres; Rechtbank vernietigt verzuimboete

Belanghebbende heeft aan de inspecteur een adreswijziging doorgegeven. Deze wijziging heeft evenwel niet geleid tot een aanpassing van de gegevens in het systeem van de inspecteur. De inspecteur heeft belanghebbende op het oude adres uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2015. Na het uitblijven van een reactie heeft de inspecteur een ambtshalve aanslag en een verzuimboete opgelegd, deze laatste ter hoogte van € 369. Ook de aanslag is naar het oude adres gestuurd en is daarnaast online geplaatst via het digitale Berichtenbox op MijnOverheid.

Eerst na een ontvangen dwangbevel is belanghebbende op de hoogte geraakt van de aanslag en opgelegde verzuimboete. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat, hoewel is gebleken dat de adreswijziging van belanghebbende abusievelijk niet is verwerkt waardoor belanghebbende de per post verzonden aanslag niet heeft ontvangen, de aanslag met het plaatsen in de digitale Berichtenbox op de juiste wijze aan belanghebbende bekend is gemaakt.

De Rechtbank volgt de inspecteur daarin niet. Conform wet- en regelgeving geldt voor het opleggen van een (ambtshalve) aanslag dat de bekendmaking daarvan niet uitsluitend digitaal plaatsvindt. Hetzelfde heeft te gelden voor de uitnodiging tot het doen van aangifte en voor de aanmaning daartoe. Nu vaststaat dat de per post verzonden aanslag niet naar het juiste adres is verzonden en deze belanghebbende niet heeft bereikt, is de aanslag niet op de juiste wijze aan belanghebbende bekend gemaakt. Gelet op de omstandigheden komt de Rechtbank ook toe aan een inhoudelijke beoordeling.

De boete is opgelegd vanwege het niet binnen de termijn doen van aangifte. Vaststaat dat belanghebbende niet op de juiste wijze is uitgenodigd tot het doen van aangifte, deze is immers eveneens aan het onjuiste adres verzonden en daarnaast is niet gebleken dat de inspecteur een aanmaning tot het doen van aangifte aan het juiste adres heeft verzonden. Onder die omstandigheden is de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet kan worden beboet voor het feit dat hij niet of niet tijdig aangifte heeft gedaan. De Rechtbank vernietigt de verzuimboetebeschikking.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:10132

Verzuimboete voor ondernemer die bestelauto heeft omgebouwd tot personenauto

De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 2.598 alsmede een verzuimboete van € 2.598.

Belanghebbende is een ondernemer in de zin van de Wet op de motorrijtuigenbelasting en was volgens de kentekenregistratie van 4 augustus 2015 tot in elk geval 18 april 2017 houder van een auto. Belanghebbende heeft voor het onderhavige tijdvak voor de auto motorrijtuigenbelasting voldaan naar het tarief voor bestelauto’s, dat geldt voor ondernemers.

Tijdens een controle op 17 mei 2016 is door een controlemedewerker geconstateerd dat zich een L-vormige bank in de laadruimte van de auto bevond, waarvan foto’s zijn gemaakt. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd, omdat de auto volgens de constatering van de controlemedewerker was voorzien van zitplaatsen in de laadruimte.

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur de auto van belanghebbende terecht heeft aangemerkt als een personenauto. Op de foto’s is duidelijk te zien dat zich in de laadruimte van de auto een L-vormige bank bevindt en dat deze bank passend is gemaakt voor de auto waardoor er zitplaatsen zijn gecreëerd die de auto geschikt maken voor personenvervoer.

De stelling van belanghebbende dat hij slechts een tuinbank vervoerde naar de tuin van zijn vader, acht het Hof niet geloofwaardig. Belanghebbende heeft dit niet onderbouwd en evenmin heeft belanghebbende, hoewel er wordt aangegeven dat deze er wel is, een factuur overgelegd waaruit blijkt dat hij de bank bij een tuincentrum in Enschede heeft gekocht. Belanghebbende heeft bovendien wisselende verklaringen afgelegd.

Nu belanghebbende als houder verantwoordelijk is voor het voldoen aan de voorwaarden van het bestelautotarief, en daar niet aan heeft voldaan omdat niet is voldaan aan de inrichtingseisen die gelden voor een bestelauto, is belanghebbende in verzuim. Van een geval waarin belanghebbende geen enkel verwijt kan worden gemaakt (afwezigheid van alle schuld) is hier geen sprake.

Naar het oordeel van het Hof is geen sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot matiging of het doen vervallen van de boete. Het Hof laat de verzuimboete in stand.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:7885

Vergrijpboetes van 100% vanwege listigheid, valsheid en samenspanning door glaszetondernemer

Belanghebbende was directeur en enig aandeelhouder van X BV. X BV hield zich onder meer bezig met de exploitatie van een glaszetbedrijf. Naar aanleiding van een boekenonderzoek concludeert de inspecteur dat X BV gebruik heeft gemaakt van valse in- en verkoopfacturen.

De inspecteur corrigeert de kasadministratie en stelt dat de berekende kastekorten winstuitdelingen van de BV aan belanghebbende zijn. Naast de opgelegde aanslagen zijn aan belanghebbende vergrijpboetes opgelegd voor de winstuitdelingen van 100% van de verschuldigde belasting, omdat sprake is van listigheid, valsheid en samenspanning.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de door belanghebbende gestelde in- en verkopen van glaslatten en dergelijke in feite niet hebben plaatsgevonden en dat belanghebbende derhalve gebruik heeft gemaakt van valse facturen. Bij belanghebbende zijn onder meer blanco facturen van de vermeende leveranciers aangetroffen, waarvoor geen geloofwaardige verklaring is gegeven. Ook is bij belanghebbende een usb-stick aangetroffen met daarop in Word de facturen van de leveranciers. De productiedatum van de factuur is bovendien later dan de vermeende levering, waarvoor evenmin een geloofwaardige verklaring kon worden gegeven.

Ook neemt de Rechtbank mee dat de vermeende leveranciers in eerste instantie niets over de transacties konden vertellen en de transacties ook niet in de administratie voorkwamen.

Belanghebbende heeft bij het opmaken van de kasadministratie van X BV aldus gebruik gemaakt van door hem zelf opgemaakte valse in- en verkoopfacturen en heeft hiermee opnamen uit de kas ten behoeve van zichzelf willen verdoezelen. Gelet hierop zijn de op die inkoopfacturen vermelde bedragen niet als inkoopkosten aan te merken en de op de verkoopfacturen vermelde bedragen niet als gerealiseerde omzet aan te merken. De Rechtbank acht aannemelijk dat de handelwijze van belanghebbende heeft geresulteerd in kastekorten en dat belanghebbende die bedragen uit de kas van X BV heeft opgenomen en dat zowel belanghebbende als X BV zich hiervan bewust waren.

De Rechtbank is van oordeel dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan listigheid, valsheid en samenspanning en dat de opgelegde vergrijpboetes passend en geboden zijn. De Rechtbank zal de vergrijpboete verminderen tot het bedrag van de nagevorderde inkomstenbelasting over het jaar 2013 (€ 28.329). Alle overige vergrijpboetes zijn terecht opgelegd.

De Rechtbank matigt de vergrijpboetes met 5% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn en (verder) met 20% vanwege de omkering van de bewijslast en schatting van de correcties.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:10329

 

Vergrijpboetes voor aandeelhouders autobedrijf dat fungeerde als dekmantel voor hennephandel

Belanghebbende was voor 50% aandeelhouder van een autobedrijf. C is aandeelhouder van de overige 50%. Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd, omdat hij naar het oordeel van de inspecteur als een van de leiders van een criminele organisatie voordelen heeft behaald uit (met name) grootschalige verkoop van hennep vanuit een bedrijfspand.

Aan belanghebbende zijn – naast de navorderingsaanslagen – ook vergrijpboetes opgelegd.

De Rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende de inkomsten heeft verzwegen om daarover geen belasting te hoeven betalen. De Rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende daarmee willens en wetens de reële kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Het is daarom aan de opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven. Het toegepaste boetepercentage van 50% acht de Rechtbank passend en geboden.

De hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan met toepassing van de omkering van de bewijslast. Daarbij heeft de inspecteur het resultaat uit overige werkzaamheden geschat. Als boetegrondslag heeft hij bij zowel belanghebbende als bij C de verschuldigde belasting over het gehele voordeel uit de criminele organisatie in aanmerking genomen. Naar het oordeel van de Rechtbank verdraagt deze toerekening zich niet met de vereisten die art. 6 EVRM aan het bewijs voor beboeting stelt. Nu op grond van het strafrechtelijk vonnis aannemelijk is dat belanghebbende een leidende rol in de criminele organisatie vervulde, doch na C als tweede man fungeerde, is de Rechtbank van oordeel dat de inspecteur voor beboetingsdoeleinden aannemelijk heeft gemaakt dat aan belanghebbende 40% van het totale voordeel is toegekomen, maar onvoldoende heeft bewezen dat dit meer is geweest. De Rechtbank vermindert de boetegrondslag in zoverre.

De Rechtbank vernietigt de vergrijpboetes eveneens met € 2.500 in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:3140

 

Verzuimboete passend en geboden voor belanghebbende die aangiftegedrag niet verbetert

Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2013 te doen. Die aangifte wordt in eerste instantie niet gedaan. Uit het boekenonderzoek, waarbij de inspecteur is uitgegaan van de grootboekcijfers alsmede een aantal specifieke kostenposten, is gebleken dat het resultaat van belanghebbende uitkomt op € 69.513. De inspecteur heeft vervolgens ambtshalve de aanslag vastgesteld op € 70.000 en een verzuimboete opgelegd van € 226.

Nadat de inspecteur de ambtshalve aanslag had opgelegd, heeft belanghebbende alsnog aangifte gedaan. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft dit voor de beoordeling echter geen gevolgen, omdat een aangifte die wordt gedaan nadat de aanslag is opgelegd niet meer kan worden aangemerkt als de vereiste aangifte. Omdat belanghebbende niet tijdig aangifte heeft gedaan, ook niet nadat hij hiertoe was uitgenodigd, herinnerd en aangemaakt, heeft hij niet de vereiste aangifte gedaan.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft belanghebbende niet het van hem verlangde tegenbewijs geleverd dat geen sprake is van een redelijke schatting.

Ten aanzien van de boete overweegt de Rechtbank dat sprake is van een verzuimboete. Het verzuim is dat belanghebbende niet op tijd aangifte heeft gedaan, terwijl hij hiertoe wel is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand. De stelling van belanghebbende dat hij dit niet opzettelijk heeft gedaan is daarbij niet relevant. Van afwezigheid van alle schuld is naar het oordeel van de Rechtbank niets gebleken. Belanghebbende heeft weliswaar in de bezwaarfase alsnog aangifte gedaan, maar dit is pas drie maanden nadat de aanslag was vastgesteld. De Rechtbank ziet bovendien geen verbetering in het aangiftegedrag van belanghebbende en acht de opgelegde verzuimboete passend en geboden.

De Rechtbank ziet wel aanleiding de verzuimboete te verminderen tot € 203 in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:3707

 

Verzuimboete voor ervaren btw-ondernemer die op onjuist advies adviseur zou zijn afgegaan

Belanghebbende exploiteert een aantal herenkledingwinkels. Op enig moment koopt belanghebbende een monumentaal pand, zodat hij op de begane grond daarvan een nieuwe kledingwinkel kan vestigen. Op de bovenverdiepingen moesten appartementen komen, waarbij het eerst de bedoeling was dat belanghebbende daar zelf ging wonen. Belanghebbende heeft de btw ter zake van de verbouwing van de appartementen als voorbelasting in aftrek genomen.

De inspecteur heeft een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften omzetbelasting. De inspecteur concludeert dat belanghebbende geen recht had op aftrek van voorbelasting voor de verbouwing van de appartementen. De inspecteur is van oordeel dat de bestemming van de appartementen vrijgestelde verhuur is en dat niet aannemelijk is gemaakt dat een bestemming tot belaste verkoop bestond. De inspecteur heeft de voorbelasting nageheven en een verzuimboete opgelegd van 10% wegens het niet tijdig betalen van de omzetbelasting.

De stelling van belanghebbende dat sprake was van een belaste bestemming levert volgens de Rechtbank geen pleitbaar standpunt op, nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat op het relevante moment een voornemen bestond om belaste prestaties te verrichten met de appartementen.

De gemachtigde van belanghebbende heeft verder naar voren gebracht dat hij oprecht meende dat hij een juist advies aan belanghebbende had gegeven en dat belanghebbende er niets aan kan doen dat het advies onjuist blijkt te zijn. Een fout van de adviseur kan volgens de gemachtigde niet aan belanghebbende worden toegerekend.

De Rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in het licht van de door de inspecteur genoemde omstandigheden onvoldoende heeft gesteld om te concluderen dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). De Rechtbank acht op zichzelf wel aannemelijk dat belanghebbende op het advies van zijn adviseur is afgegaan. Echter, er is niet gesteld dat (zonder voorbehoud over de risico’s) is geadviseerd dat het mogelijk was om de vooraftrek desondanks op dat moment te vragen en om deze omzetbelasting pas later weer aan te geven als herzienings-btw. Over wat op dit punt precies is besproken, is niets gesteld. Een verklaring van belanghebbende hieromtrent ontbreekt en belanghebbende is ook niet ter zitting verschenen om vragen te beantwoorden. Belanghebbende is bovendien een ervaren btw-ondernemer, die in een eerder stadium schriftelijk juist was geadviseerd over de btw-aspecten van de verbouwing. Weliswaar is de herziening van btw een complex onderwerp, zeker gezien de afwijking tussen de Nederlandse wet en de Europese btw-richtlijn op dit punt, maar dat is volgens de Rechtbank onvoldoende voor een geslaagd beroep op avas.

De Rechtbank acht de opgelegde verzuimboete passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:3508