Categorie: Fiscaal sanctierecht

Vergrijpboete omdat belanghebbende uitkeringen aangeeft in België terwijl hij weet dat heffingsrecht toekomt aan Nederland

Belanghebbende, woonachtig in België, ontvangt uitkeringen van een in Nederland gevestigde (pensioen)BV waarvan hij 100% aandeelhouder is. Het vermogen in de BV is opgebouwd ten laste van de door een Nederlandse vennootschap behaalde fiscale winst. Op grond van een oude regeling in de Wet Loonbelasting krijgt belanghebbende in 1995 goedkeuring van de inspecteur dat geen loonbelasting en premie volksverzekeringen wordt ingehouden op de uitkering uit de (pensioen) BV. Het exclusieve heffingsrecht komt aan België toe. Door een wetsaanpassing is deze regeling vanaf juni 2004 gedateerd.  Belanghebbende vult echter tot ver daarna in het aangiftebiljet voor buitenlands belastingplichtigen in dat het exclusieve heffingsrecht aan België toebehoort. De inspecteur volgt jaren de nihilaangiften van belanghebbende. Na nieuwe inlichtingen vanuit de Belgische autoriteiten blijkt dat de pensioenuitkeringen in België niet als zodanig zijn aangemerkt waardoor er slechts een geringe heffing heeft plaatsgevonden in België. Naar aanleiding hiervan legt de inspecteur  voor de jaren 2012, 2013 en 2014 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en  vergrijpboetes op.

In geschil is of de navorderingsaanslagen en de boetes terecht en voor de juiste bedragen zijn vastgelegd.

Allereerst oordeelt de Rechtbank over de vraag of er sprake is van een nieuw feit zoals bedoeld in artikel 16 Awr. Belanghebbende beweert dat de inspecteur behoorde te weten hoe het pensioen in België in de heffing werd betrokken. De rechtbank komt echter tot de conclusie dat de aangiften van belanghebbende dusdanig zorgvuldig oogde dat de inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan door geen vragen te stellen. Hierbij kent de Rechtbank waarde toe aan het feit dat de hoofdregel meebrengt dat pensioen in principe in de woonstaat (België) wordt belast en dat er een directe aanwijzing van de Belgische autoriteiten aan de navordering ten grondslag lag.

Daarnaast beoordeelt de Rechtbank in hoeverre belanghebbende vertrouwen mocht ontlenen aan eventuele uitlatingen van Belgische belastingambtenaren, de oude regeling, dan wel het volgen van de belastingaangiften. Voor deze omstandigheden geldt niet dat belanghebbende er vanuit kon gaan dat de (Nederlandse) inspecteur daadwerkelijk van de concrete situatie omtrent de pensioenuitkering op de hoogte is geweest.

Vervolgens buigt de Rechtbank zich over de mate van het laakbaar handelen. De Rechtbank merkt op dat belanghebbende in de aangiften nadrukkelijk het standpunt inneemt dat het heffingsrecht aan België toekomt, terwijl het verdrag (tussen België en Nederland) de heffing toekent aan Nederland. Hierbij neemt de Rechtbank in het bijzonder mee dat belanghebbende veelvuldig met de inspecteur en ander bestuursorganen over de kwestie heeft gecommuniceerd. Er is meerdere malen en vrij recent nog over geprocedeerd. Het ligt daardoor voor de hand dat belanghebbende zich goed in de materie heeft verdiept, aldus de Rechtbank. Daarmee is volgens de Rechtbank een vergrijpboete van 25% op basis van grove schuld gerechtvaardigd.

Tenslotte neemt de Rechtbank de jaren waarin belanghebbende, naar het blijkt ten onrechte een lage verschuldigde belasting heeft genoten, mee in de afweging of de belastingrente een buitensporige last ex. artikel 1 Eerste Protocol vormt. Dit brengt mee dat van een dergelijke last geen sprake is.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:6113

Vergrijpboete omdat de administratie niet overeenkwam met de werkelijkheid voor toepassing van de afdrachtsvermindering onderwijs

De inspecteur legt aan belanghebbende over de jaren 2010 en 2011 naheffingsaanslagen en vergrijpboetes (van 10%) op wegens onrechtmatige afdrachtsvermindering loonbelasting. Het betreft afdrachtvermindering in verband met werknemers die bepaald onderwijs hebben gevolgd. Het Hof oordeelt dat belanghebbende met betrekking tot deze werknemers in de onderhavige jaren geen recht heeft op toepassing van de afdrachtvermindering loonbelasting. In het incidenteel hoger beroep van de inspecteur is vervolgens in geschil of de vergrijpboetes over de desbetreffende jaren terecht zijn opgelegd nu de administratieve verantwoording inzake de afdrachtsvermindering de nodige onjuistheden bevatten.

De vergrijpboetes zijn opgelegd vanwege het gedeeltelijk niet afdragen van de verschuldigde loonbelasting. Volgens de inspecteur is niet voldaan aan één van de kernvereiste voor vermindering afdracht loonbelasting in de zin van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen (Wva): een praktijkovereenkomst. De praktijkovereenkomsten ten aanzien van de werknemers van belanghebbende correspondeerden niet met de werkelijkheid. Zo stonden in de praktijkovereenkomsten foute aantallen uren, onjuiste opleidingen en data. De inspecteur stelt dat er sprake is van grove schuld en dat aan belanghebbende terecht vergrijpboetes van 10% zijn opgelegd nu belanghebbende wist, dan wel had moeten weten, dat hetgeen is opgenomen in de administratieve verantwoording voor het recht op de afdrachtvermindering loonbelasting niet overeenkwam met de werkelijkheid.

Het Hof overweegt dat uit de Wva blijkt dat belanghebbende aan de vereisten voor vermindering van afdracht loonbelasting moet voldoen vóórdat de ingehouden belasting wordt afgedragen. Aangezien op basis van dergelijke administratie het niet mogelijk is de rechtmatigheid van de verminderde afdracht te controleren, en belanghebbende dit niet heeft geverifieerd, is er sprake geweest van grove onachtzaamheid van belanghebbende. Als gevolg van deze grove onachtzaamheid van belanghebbende bij het claimen van de afdrachtvermindering loonbelasting is er in onderhavige jaren te weinig belasting is betaald.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een pleitbaar standpunt. Dat de afdrachtvermindering onderwijs complex is, maakt niet dat sprake is van een pleitbaar stadpunt, dan wel dat er geen sprake kan zijn van grove schuld.

Het Hof acht de opgelegde vergrijpboete passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:866

Vergrijpboetes omdat belanghebbende had moeten weten dat nihilaangiftes onjuist zijn bij een lopend en actief bedrijf

Belanghebbende is een VOF waarin een onderneming wordt gedreven die vis op de markt verkoopt. Zij heeft geen aangiftes dan wel nihilaangiftes gedaan, behoudens over december 2009. Daar is per saldo zo weinig omzetbelasting verschuldigd dat belanghebbende een beroep doet op de kleine ondernemersregeling. Na een boekenonderzoek blijkt aanzienlijk te weinig omzetbelasting te zijn aangegeven. Hierdoor treedt omkering en verzwaring van de bewijslast in. De inspecteur legt over de jaren 2009 t/m 2014 naheffingsaanslagen omzetbelasting alsmede (m.u.v. 2009) vergrijpboetes op.

De inspecteur heeft de nieuwe aanslagen opgelegd aan de hand van een redelijke schatting. Op grond van de administratie van belanghebbende is het niet mogelijk een redelijke schatting te maken, waardoor de inspecteur een theoretische berekening toepast. De berekening is gebaseerd op inkoopcijfers en de verkoopprijzen van de verschillende soorten vis. Zodoende is de inspecteur zorgvuldig tot een redelijke schatting gekomen, aldus de Rechtbank.

De inspecteur heeft aan belanghebbende vergrijpboetes opgelegd van 50% wegens opzettelijk niet of onjuist doen van aangiftes omzetbelasting De inspecteur voert aan dat belanghebbende nihilaangiftes heeft ingediend, terwijl niet in geschil is dat belanghebbende een lopend, actief bedrijf runde. Daarnaast zijn de opgevraagde bescheiden niet door belanghebbende overgelegd en zijn de transacties niet in de administratie verwerkt. In de uitspraak op bezwaar zijn de vergrijpboetes verlaagd tot 25% omdat er ook voor de inkomstenbelasting vergrijpboetes zijn opgelegd. Belanghebbende betwist dat er sprake is van opzet. De Rechtbank is van oordeel dat belanghebbende wist dat zij onjuiste aangiftes deed. Nihilaangiftes zijn per definitie onjuist bij een lopend, actief bedrijf. In feite heeft belanghebbende dat ook niet bestreden. Belanghebbende moet zich dus ook bewust zijn geweest van het feit dat de nihilaangiftes zouden leiden tot het afdragen van te weinig  omzetbelasting.

In de samenloop met de boetes in de inkomstenbelasting en de beperkte financiële draagkracht van de vennoten, die de boetes uiteindelijk zullen moeten dragen, en het feit dat de naheffingen door middel van omkering van de bewijslast tot stand zijn gekomen, ziet de Rechtbank aanleiding de boetes te matigen tot 20% van de nageheven omzetbelasting. Dat betekent dat de boete over de jaren 2010 en 2011 wordt gematigd tot € 2.162 en die over de jaren 2012 tot en met 2014 tot € 4.459. Deze boetes acht de Rechtbank passend en geboden. Gelet hierop zijn de beroepen ter zake van de boetebeschikkingen gegrond.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:5160

Vernietiging vergrijpboete omdat de bestuurder van belanghebbende als oud-registeraccountant niet behoefde te weten dat de gebruikelijkloonregeling van toepassing was

Belanghebbende exploiteert een adviesbureau. De enig aandeelhouder en enig bestuurder van belanghebbende verricht als interim manager zijn diensten aan bedrijven en organisaties. Belanghebbende heeft over de tijdvakken in 2014 nihilaangiftes loonheffingen gedaan.

Uit een boekenonderzoek ingesteld door de inspecteur is naar voren gekomen dat belanghebbende ten onrechte het gebruikelijke loon van de enig aandeelhouder niet heeft toegekend voor het jaar 2014. De inspecteur heeft een correctieverplichting van € 25.000 opgelegd. Belanghebbende is de correctieverplichting niet nagekomen. De inspecteur heeft ten aanzien van de correctie een vergrijpboete opgelegd van 25%.

In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

Wat betreft de boete is de inspecteur van mening dat belanghebbende als indiener van de loonaangiftes behoorde te weten dat de gebruikelijkloonregeling bestond en had zich daarin moeten verdiepen. De inspecteur wijst erop dat de aandeelhouder namens belanghebbende optreedt als organisatieadviseur en een achtergrond heeft als registeraccountant.

De Rechtbank acht het niet aannemelijk dat belanghebbende aanleiding had zich nader in de regelgeving te verdiepen en/of op dit punt nadere inlichtingen in te winnen. Dit volgt ook niet uit de omstandigheid dat de bestuurder van belanghebbende optrad als organisatieadviseur en een opleiding had als registeraccountant. De Rechtbank vernietigt de vergrijpboete.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:1425

Belanghebbende heeft bij de samenwerking met zijn adviseur niet de zorg betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd, zodat de vergrijpboete terecht is

De inspecteur heeft in 2014 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende over het jaar 2010 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor een bedrag van € 11.466. Er is tevens een boete opgelegd van € 5.314. De verschuldigde omzetbelasting zou in het geheel niet zijn aangegeven en het geclaimde bedrag aan voorbelasting zou niet aannemelijk zijn gemaakt.

Er is een brief van belanghebbende met dagtekening 14 oktober 2016, gericht aan de ontvanger, door de inspecteur aangemerkt als beroepschrift en aan de Rechtbank gezonden.

De Rechtbank heeft deze brief van belanghebbende nog aangemerkt als een ontvankelijk beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar, maar het Hof is van oordeel dat dit ten onrechte is geschied, omdat uit de bewoordingen van de brief onmiskenbaar blijkt dat het jaar 2010 niet is betrokken in de omschrijving van het besluit waarop de geschrift betrekking heeft.

Het Hof overweegt ten aanzien van de boete – indien het Hof daaraan zou zijn toegekomen – dat de stelling dat deze ten onrechte is opgelegd zou zijn verworpen. Uitgangspunt is dat indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet hoefde te twijfelen, er geen aanleiding is voor het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept. De adviseur/boekhouder van belanghebbende, die voor hem de btw-aangiftes deed, ontving van belanghebbende telefonisch de omzetcijfers en de voorbelasting per kwartaal op basis waarvan telkenmale aangifte is gedaan. Daarin is enkel aftrek van voorbelasting geclaimd omdat belanghebbende met zijn adviseur/boekhouder had besproken dat de zogenoemde verleggingsregeling van toepassing kon zijn. In weerwil hiervan zijn toch facturen met btw uitgereikt, wat niet te verenigen valt met de toepassing van de verleggingsregeling. Dat moet belanghebbende hebben beseft, zodat belanghebbende bij de samenwerking met zijn adviseur/boekhouder niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd. Hij mocht niet op de juistheid van de door die adviseur/boekhouder opgestelde aangiften vertrouwen. Belanghebbende moet hebben opgemerkt, dat de door hem gefactureerde btw niet in de aangiften was verwerkt en dat dit niet correct kon zijn. Er is dus sprake van het (voorwaardelijk) opzettelijk indienen van onjuiste (te lage) aangiften omzetbelasting.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1006

Vergrijpboetes omdat belanghebbende had moeten weten dat zij deelnam aan btw-fraude bij verkoop van tweedehands leaseauto’s

Belanghebbende heeft gehandeld in personenauto’s. Zij heeft auto’s ingekocht bij leasemaatschappijen en heeft deze verkocht aan particulieren, aan bedrijven in Nederland en aan buitenlandse kopers (voornamelijk bedrijven, waarvan 90% binnen de EU). Door de inspecteur is een boekenonderzoek ingesteld naar aanleiding waarvan correcties omzetbelasting zijn opgelegd almede vergrijpboetes voor de jaren 2014, 2015 en 2016.

In geschil is onder meer of de opgelegde vergrijpboetes terecht zijn.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de toepassing van het nihiltarief terecht niet heeft toegestaan zodat de naheffingsaanslagen in stand blijven. Daarnaast had belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank ten tijde van het doen van de aangiftes omzetbelasting de wetenschap van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting werd aangegeven en afgedragen door de onterechte toepassing van het nihiltarief. Zij had moeten weten dat haar afnemers niet aan hun omzetbelastingverplichtingen voldeden en dat zij daarmee een schakel vormde in een keten waarin btw-fraude werd gepleegd. Door onder deze omstandigheden geen passende maatregelen te treffen heeft zij de aanmerkelijke kans dat te weinig omzetbelasting werd aangegeven en afgedragen bewust aanvaard. De Rechtbank acht de hoogte van de opgelegde vergrijpboetes passend en geboden en ziet dan ook geen aanleiding deze te matigen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2020:2192

Boetes worden opgelegd volgens de regels die gelden ten tijde van de inkeer in plaats van ten tijde van het doen van de (onjuiste) aangifte

Belanghebbende heeft bij brief van 11 november 2015 een beroep gedaan op de inkeerregeling. Er zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd alsmede boetes van 30% dan wel 60%.

In geschil is de vraag of de boetes terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de boetes zijn opgelegd in strijd met art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR. Belanghebbende stelt dat het nulla poena-beginsel uit art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR eveneens geldt ten aanzien van de beleidsregels zoals neergelegd in het BBBB. Hij stelt dat gelet op de tekst van het BBBB ten tijde van het begaan van het beboetbare feit (het indienen van onjuiste aangiftes) hij erop mocht vertrouwen dat na de inkeer geen hogere boete zou worden opgelegd dan de boete die zou zijn opgelegd ten tijde van het indienen van de aangifte. Dat zou ook moeten gelden in het geval dat na wijziging van de beleidsregels wordt ingekeerd.

De Rechtbank oordeelt dat het in art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR vervatte nulla poena-beginsel, dat inhoudt dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan de straf die van toepassing was ten tijde van het begaan van de overtreding, eveneens geldt ten aanzien van de toepassing van beleidsregels. De bepalingen in het BBBB zijn naar het oordeel van de Rechtbank te beschouwen als regels van sanctierecht in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011, waarmee binnen het bereik wordt gekomen van art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR.

De stelling van belanghebbende dat de beleidsregels van toepassing blijven zoals die luidden ten tijde van het begaan van het beboetbare feit, volgt de Rechtbank  eveneens niet. Naar het oordeel van de Rechtbank zijn de wettelijke bepalingen en de beleidsregels onlosmakelijk met elkaar verbonden. Aangezien de vrijwillige inkeer pas in 2015 heeft plaatsgevonden en op deze inkeer de destijds geldende art. 67n AWR van toepassing is, dienen naar het oordeel van de Rechtbank eveneens de destijds geldende beleidsregels tot uitgangspunt te worden genomen. Het per 1 januari 2014 ingevoerde vierde lid van paragraaf 1 van het BBBB verhindert de toepassing van de vóór 1 januari 2014 geldende beleidsregels.

De inspecteur heeft de boetes daarom terecht en overigens naar de juiste bedragen opgelegd. De Rechtbank acht de opgelegde boetes passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:3875

Vergrijpboete (25%) wegens grove schuld omdat belanghebbende voor de aangifte relevante gegevens niet heeft verstrekt aan zijn adviseur

Belanghebbende is plastisch chirurg en houdt indirect alle aandelen in BV Y. BV Y heeft aangifte vennootschapsbelasting 2011 gedaan. In die aangifte zijn 2 vorderingen op belanghebbende opgenomen, te weten onder de financiële vaste activa een bedrag van € 225.000 en onder de vorderingen een bedrag van € 801.166. De aangifte inkomstenbelasting van belanghebbende is ingediend door zijn belastingadviseur. Daarin zijn de vorderingen niet aangegeven. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur aan belanghebbende de onderhavige navorderingaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.486 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 803.414. Voorts is een vergrijpboete van 50% (€ 100.000) aan belanghebbende opgelegd.

In geschil is of de boete terecht is opgelegd.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende door het laten oplopen van de schuld aan de BV de bedoeling heeft gehad dat te weinig belasting zou worden geheven. Wel heeft belanghebbende dermate lichtvaardig gehandeld, hij was zich immers bewust van de onttrekking, dat hemzelf grove schuld verweten kan worden. Dat belanghebbende zijn aangifte heeft laten doen door een belastingadviseur maakt het oordeel niet anders. Als uitgangspunt geldt dat indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet hoefde te twijfelen, er geen aanleiding is voor het stellen van de algemene eis dat belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept. Gelet op de hoogte van het onttrokken bedrag (€ 1.026.166) had belanghebbende informatie hieromtrent moeten verstrekken aan de adviseur die de aangifte verzorgde. Belanghebbende heeft die informatie klaarblijkelijk niet aan de adviseur verstrekt. Bovendien heeft belanghebbende kennelijk ook geen enkele controle op het werk van de adviseur uitgeoefend en dat had wel verwacht mogen worden bij dergelijke hoge bedragen. Daarom heeft belanghebbende verzuimd de zorg te betrachten die redelijkerwijs van hem gevergd kon worden bij de samenwerking met de adviseur.

Het Hof acht een bij grove schuld behorende boete van 25%, oftewel € 50.000, passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:2879

Taakstraf van 180 uur voor feitelijk leidinggeven aan onjuist ingediende aangiftes VPB en OB en het niet bijhouden van een verplichte administratie (fiscaal nadeel circa € 70.000)

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat de BV te laat of onjuiste belastingaangiftes vennootschapsbelasting en omzetbelasting heeft gedaan in de jaren 2014 tot en met 2018. Daarnaast zou de BV geen administratie hebben gevoerd. Verdachte wordt ook verweten een aangifte inkomstenbelasting onjuist te hebben gedaan.

Naar aanleiding van het niet doen van aangiftes omzetbelasting en vennootschapsbelasting  is in eerste instantie een boekenonderzoek gestart bij de BV. Daarbij is een groot aantal gebreken naar voren gekomen. Vervolgens is het strafrechtelijk onderzoek gestart. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de BV een groot aantal aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting niet binnen de gestelde termijnen heeft ingediend. Daarnaast zijn voor een aantal jaar c.q. perioden ten name van de BV nihilaangiften ingediend. Daarbij is aangegeven dat de BV geen activiteiten heeft gehad. Er werd omzetbelasting teruggevraagd. Uit het boekenonderzoek en het strafrechtelijke onderzoek is gebleken dat de BV aanzienlijke omzetten en substantiële winsten heeft gerealiseerd in de betreffende jaren. Op de in de administratie aangetroffen facturen is omzetbelasting vermeld. Er zijn aanzienlijke privé-uitgaven vanaf de zakelijke rekening van de BV gedaan alsook hebben er aanzienlijke contante opnamen en overboekingen naar de privérekeningen van verdachte en zijn echtgenote plaatsgevonden. Hiervan is geen kasboek bijgehouden. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat er activiteiten waren in de BV en heeft ook erkend dat er omzet en winst is gerealiseerd. De rechtbank acht bewezen dat de BV opzettelijk onjuiste aangiftes vennootschapsbelasting en omzetbelasting heeft ingediend en opzettelijk de verplichte administratie niet heeft gevoerd, aan welke gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.  Ook de aangifte inkomstenbelasting van verdachte is opzettelijk onjuist ingediend. Het verweer dat opzet zou ontbreken omdat verdachte de aangiften en de administratie had uitbesteed aan derden gaat niet op, onder meer omdat verdachte in de samenwerking zodanig is tekort geschoten dat hem zelf opzet moet worden verweten.

De Rechtbank vindt het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. Verdachte erkent zijn fouten en heeft spijt. Daarnaast heeft hij grote schulden die afgelost moeten worden. Het is van belang dat verdachte kan werken om zijn schulden af te lossen.

Om die reden vindt de rechtbank ook een geldboete onwenselijk. Daardoor zou immers de schuldenlast van verdachte nog verder toenemen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:2031

Pleitbaar standpunt nu er jurisprudentie bestaat die het standpunt van belanghebbende over de toepassing afdrachtvermindering onderwijs ondersteunt

Belanghebbende heeft een bedrijf in de kinderopvang. Zij heeft met medewerking van een onderwijsinstelling X in 2011 de bedrijfsschool opgericht. Op 1 oktober 2011 is de bedrijfsschool gestart waar 138 medewerkers van belanghebbende een tweejarige MHBO-programma hebben gevolgd. Belanghebbende heeft voor deze 138 medewerkers afdrachtvermindering onderwijs geclaimd. Over de jaren 2012 en 2013 bedroegen deze verminderingen € 106.343 respectievelijk € 91.845.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd naar een bedrag van € 129.123, alsmede een vergrijpboete van € 16.139. In geschil is onder andere de juistheid en de hoogte van de opgelegde boete.

De boete is opgelegd vanwege grove schuld en is reeds gematigd tot 12,5 percent vanwege verzachtende omstandigheden. De boete heeft na het oordeel van de rechtbank omtrent de naheffing nog betrekking op 37 werknemers.

De reden voor de resterende naheffing ter zake van 24 werknemers is dat niet of laattijdig aan de formele voorwaarden is voldaan. Het te beoordelen standpunt is dat voor de afdrachtvermindering niet de door de inspecteur voorgestane formele voorwaarden golden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een pleitbaar standpunt omdat er jurisprudentie is die dit ondersteunt. Dit leidt tot de conclusie dat dit standpunt naar objectieve maatstaven verdedigbaar was. De boete voor deze 24 werknemers dient dus te vervallen omdat geen sprake is van grove schuld.

Voor wat betreft de boete ter zake van de 13 resterende werknemers is de rechtbank van oordeel dat het claimen van een afdrachtvermindering onderwijs zonder dat daaraan een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8. WEB ten grondslag is gelegen, een dusdanig laakbaar handelen dat het aan grove schuld is te wijten dat te weinig loonheffing is voldaan. Er is geen sprake van een pleitbaar standpunt.

De boete dient dus te worden berekend als 12,5 percent van de nageheven loonheffing ter zake van de resterende 13 werknemers (€ 4.848). De boete wordt vervolgens, in verband met overschrijding van de redelijke termijn, nog met 5 percent verminderd tot € 4.605.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:734