Categorie: Fiscaal sanctierecht

Taakstraf van 240 uur wegens onterecht toepassing van de margeregeling

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude in 2014 door als feitelijk leidinggevende opzettelijk onjuiste aangiftes omzetbelasting te laten indienen door zijn boekhouder. Verdachte heeft ten onrechte gebruik gemaakt van de margeregeling. Hij verkoopt uitsluitend nieuwe telefoontoestellen, terwijl de margeregeling alleen geldt voor gebruikte goederen. Hierdoor is bijna € 135.000 te weinig belasting geheven. De verklaring van verdachte dat hij dacht dat het tweedehands telefoontoestellen betrof is ongeloofwaardig.

Verdachte heeft ook zijn boekhouder bewust onjuiste gegevens verstrekt en opdracht gegeven om (ten onrechte) de margeregeling toe te passen op de aangiftes omzetbelasting. De stelling van verdachte dat zijn boekhouder zonder medeweten van de verdachte onjuiste aangiftes heeft ingediend, wordt weersproken door de bewijsmiddelen. De Rechtbank acht bewezen daarom dat verdachte opzettelijk onjuiste aangiftes omzetbelasting heeft laten doen als feitelijk leidinggevende waardoor er te weinig belasting is geheven

De Rechtbank spreekt verdachte vrij van medeplegen, omdat verdachte zich als feitelijk leidinggevende schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde en hij ten tijde van het ten laste gelegde enig bestuurder en enig aandeelhouder was van de vennootschap. Een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zichzelf is onmogelijk.

Wat betreft de strafoplegging heeft de Rechtbank meegewogen dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld en de feiten zijn gepleegd in 2014. Sindsdien heeft verdachte zich niet opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De Rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten die gelden bij een lager benadelingsbedrag. De oriëntatiepunten bieden ook ruimte voor een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf. De Rechtbank zal verdachte een taakstraf van 240 uur opleggen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:10217

Boekhouder veroordeeld tot werkstraf en beroepsverbod voor het indienen van 91 onjuiste aangiftes omzetbelasting voor een cliënt

Verdachte is boekhouder. Hem is ten laste gelegd dat hij voor 4 bedrijven in totaal 91 onjuiste aangiftes omzetbelasting heeft gedaan in de periode 2011 tot en met 2017. Dat waren bedrijven van één van zijn cliënten. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het medeplegen van belastingfraude, omdat hij zijn cliënt in staat heeft gesteld op zeer grote schaal fraude te plegen. Verdachte heeft bekend dat hij de aangiftes niet heeft gedaan conform de boekhouding, maar heeft aangepast op verzoek. Hij wist dat de ingediende aangiftes omzetbelasting niet klopten met de werkelijkheid.

De Rechtbank heeft gekeken naar  de oriëntatiepunten voor straftoemeting. Gezien de hoogte van het benadelingsbedrag van ruim € 2.500.000 aan te weinig betaalde omzetbelasting zou in beginsel een gevangenisstraf van enige jaren op zijn plaats zijn. De Rechtbank vindt het in deze zaak echter niet passend het benadelingsbedrag als uitgangspunt te nemen voor de strafmaat. Reden hiervoor is dat niet is gebleken dat verdachte op de hoogte was van de precieze omvang van de fraude, dat hij geen initiatiefnemer was, dat hij een ondergeschikte rol had en geen financieel voordeel heeft gehad van de belastingfraude en dat hij vanaf de start van de onderzoeken openheid van zaken heeft gegeven.

In strafverzwarende zin weegt de Rechtbank mee dat verdachte de feiten heeft gepleegd als boekhouder en dat hij hiermee is begonnen toen hij nog in een proeftijd liep van een veroordeling voor het plegen van verduistering in dienstbetrekking. Verdachte moet zich als boekhouder bewust zijn geweest van het verwijtbare van zijn handelen. Hij heeft jarenlang belastingfraude gefaciliteerd en de schatkist, en daarmee de maatschappij, benadeeld.

De Rechtbank legt verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 240 uur op. Daarnaast heeft de Rechtbank verdachte een beroepsverbod van vijf jaar opgelegd om hem ervan te weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:10216

Gevangenisstraf van 12 maanden voor een leidinggevende van een accountants- en advieskantoor wegens het feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste aangifte

Verdachte, leidinggevende van een accountants- en advieskantoor, wordt veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting van twee BV’s en het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting. Dit laatste element heeft betrekking op een privé verbouwing waarvoor kosten zakelijk in aanmerking zijn genomen. Voor wat betreft de aangiften omzetbelasting betoogde verdachte dat hij hieraan geen feitelijk leiding had gegeven omdat hij nauwelijks betrokken was bij het doen van die aangiften binnen zijn bedrijven. De Rechtbank leidt echter uit getuigenverklaringen af dat verdachte wel degelijk, als ‘micro manager’, bij de administratie van zijn bedrijven betrokken was.

De Officier van Justitie eiste een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De raadsman van verdachte voert aan dat bij de straftoemeting in acht moet worden genomen dat de redelijke termijn ver is overschreven, de verdachte door toedoen van de FIOD zijn baan is kwijtgeraakt en dat verdachte een blanco strafblad heeft.

De Rechtbank legt de nadruk op het feit dat juist van een leidinggevende bij een accountants- en advieskantoor professionaliteit en zorgvuldigheid mag worden verwacht. Door binnen deze beroepsgroep belastingfraude te plegen wordt niet alleen het vertrouwen in het financiële systeem ondermijnd, maar wordt ook het vertrouwen in de beroepsgroep ondermijnd. Ten aanzien van de redelijke termijn heeft de verdediging overwogen dat deze begint te lopen vanaf het moment dat cautie is verleend. De Rechtbank merkt echter het eerste formele verhoor aan als startpunt. Als gevolg hiervan overweegt de Rechtbank dat de termijn niet zodanig is overschreden dat hier in aanzienlijke mate rekening mee moet worden gehouden. Verder houdt de Rechtbank ten nadele van de verdachte rekening met de verschillende gedragingen die gericht waren op het doen van onjuiste aangiften. Bovendien merkt de Rechtbank op dat de verdachte op geen enkele manier zelfinzicht ten aanzien van de strafbaarheid van de gedragingen heeft getoond.

De Rechtbank houdt verder rekening met een fiscaal nadeel van € 224.689,00 dat de maatschappij als gevolg van de belastingfraude heeft geleden. De Rechtbank merkt op dat de LOVS-richtlijn bij een fiscaal nadeel tussen de € 125.000,00 en € 250.000,00 als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden neemt.

Gelet op de voorgaande omstandigheden acht de Rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:2250

Gevangenisstraf van 10 maanden voor fiscale fraude en witwassen

Een kringloopstichting heeft de administratie valselijk opgemaakt door daarin een groot aantal donatiebevestigingen op te nemen, terwijl er in werkelijkheid geen donaties waren gedaan. De betalingen onder de noemer van ‘donatie’ bleken in werkelijkheid betalingen te zijn van klanten ten behoeve van in hun opdracht verrichte werkzaamheden. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan het valselijk opmaken van een administratie en het niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van 2 contante geldbedragen van in totaal 201.000 gulden, die ter inwisseling voor euro’s zijn aangeboden bij De Nederlandsche Bank. Bij de vraag of hiervoor voldoende bewijs voorhanden is, neemt het Hof allereerst in aanmerking dat veel vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. In dit geval heeft verdachte grote hoeveelheden contanten ter inwisseling aangeboden bij De Nederlandsche Bank. Volgens het Hof is het een feit van algemene bekendheid dat op deze manier geprobeerd wordt om criminele transacties af te wikkelen. Ook houdt het Hof rekening met het feit dat de bedragen over de jaren 2001 tot en met 2014 niet zijn opgenomen in de belastingaangiften. De verklaringen van verdachte – dat gelden contant in loondienst zijn verdiend en deze gelden contant zijn achtergehouden wegens mogelijke claims van (ex)-gehuwden acht het Hof onvoldoende om het vermoeden van witwassen te ontkrachten. Hierbij wordt ook in overweging genomen dat de verklaring van verdachte niet wordt gesteund door andere bewijsmiddelen zoals getuigenverklaringen. Er zijn hiermee voldoende aanwijzingen voor bewijs van witwassen, aldus het Hof.

In de straftoemeting houdt het Hof rekening met de drie verschillende bewezen geachte feiten en het nadeelbedrag, dat het Hof op € 120.324 stelt. Dit bedrag valt uiteen in een bedrag van € 10.311 aan omzetbelasting, een bedrag van € 18.804 aan inkomstenbelasting en een bedrag van € 91.209 (201.000 gulden) aan witgewassen gelden.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:2022

Een opeenstapeling van verzuimboetes is geen reden voor matiging

Belanghebbende drijft met zijn BV een accountantspraktijk. Aan belanghebbende zijn ambtshalve aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2014 opgelegd omdat belanghebbende geen aangiftes heeft ingediend. Daarbij zijn telkens ook verzuimboetes opgelegd. In geschil is of de aanslagen tot de juiste bedragen zijn verminderd en of de verzuimboetes terecht, en tot de juiste hoogte, zijn opgelegd.

Het Hof overweegt dat belanghebbende jaar in jaar uit geen,  of niet tijdig, aangifte doet. Een verzuimboete is gericht op het aanscherpen van de verplichting om aangifte te doen na daartoe te zijn uitgenodigd. In dit geval is sprake van het stelselmatig niet of niet tijdig doen van aangifte door belanghebbende die nota bene werkzaam is in de financiële en fiscale dienstverlening. Slechts in het geval van afwezigheid van alle schuld dient oplegging van een verzuimboete achterwege te blijven.

Belanghebbende voert aan dat hij buiten zijn schuld om niet de informatie ter beschikking had die nodig was voor het tijdig doen van aangifte. Ook zou door een medisch ongeval in 2018 sprake zijn van afwezigheid van alle schuld. Het Hof acht beide redenen onvoldoende voor afwezigheid van alle schuld.

Verder heeft belanghebbende ter zitting aangevoerd dat de opeenstapeling van verzuimboetes aanleiding moet geven tot matiging. Het Hof is echter van mening dat een verzuimboete moet aanzetten tot het nakomen van fiscale verplichtingen, en dat is nu juist niet gebeurd. Daarmee acht het Hof de boetes dus passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:1848

Opzettelijk onjuiste aangifte doen: belastingadviseur is geen pleger

Verdachte is bij arrest van 1 februari 2019 door het Hof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden voor het opzettelijk onjuist doen van aangifte, meermalen gepleegd. Verdachte heeft daartegen cassatieberoep ingesteld en daarbij twee middelen aangevoerd. Het eerste middel klaagt over de uitleg van artikel 69 lid 2 AWR; de verdachte is in zijn hoedanigheid van belastingadviseur niet degene die een bij een belastingwet voorziene aangifte heeft gedaan. Het tweede middel klaagt over ’s Hofs oordeel dat de verdachte opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist heeft gedaan.

De A-G overweegt ten aanzien van het eerste middel, onder verwijzing naar een recent arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2020, dat als pleger van het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte moet worden aangemerkt degene die aangifte doet ‘voor door hem verschuldigde belastingen’. Uit de bewezenverklaring blijkt dat  de verdachte bij de belastingwet voorziene aangiften onjuist heeft gedaan. Ook volgt uit de bewezenverklaring dat het om aangiftes voor andere personen dan de verdachte gaat. Verdachte kan dus gelet op deze bewijsvoering niet worden aangemerkt als een pleger in zin van artikel 69 lid 2 AWR. Hieruit volgt volgens de A-G, gelet op eerdere uitspraken van de Hoge Raad, dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Het eerste middel slaagt.

Vervolgens is de vraag of het slagen van het middel ook tot cassatie dient te leiden. Cassatie zou achterwege kunnen blijven als er de mogelijkheid is van een veroordeling voor een andere vorm van deelneming, in het bijzonder doen plegen. Voor een veroordeling wegens doen plegen is vereist dat de pleger straffeloos is aan het gronddelict dat aan de doen pleger is tenlastegelegd; dat de pleger zich wellicht schuldig heeft gemaakt aan een ander delict is voor de strafbaarheid wegens doen plegen niet van belang. Uit de bewijsmotivering van het Hof blijkt niet zonder meer dat de personen namens wie de verdachte de aangifte heeft gedaan straffeloos zijn geweest ten aanzien van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. Daarmee kan doen plegen verdachte niet bewijsbaar worden verweten, aldus de A-G. Het eerste middel moet daarom tot cassatie leiden.

Het tweede middel klaagt over ’s Hofs oordeel dat de verdachte opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist heeft gedaan. Verdachte heeft aangevoerd dat zijn werkwijze rondom het doen van aangifte niet zonder meer duidt op het bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans. Volgens verklaringen heeft verdachte geprobeerd genoeg bewijsstukken van cliënten te vergaren voor het doen van een juiste aangifte. Nu cliënten van verdachten deze bewijsstukken niet aanleverde, heeft verdachte bedragen geschat en belastingregels niet goed geïnterpreteerd. Voor verdachte was leidend welke aangifte de Belastingdienst ‘accepteert’. Het Hof heeft volgens de A-G terecht gewezen op het feit dat de Belastingdienst slechts steekproefsgewijs controleert en dat verdachte hiervan op de hoogte moest zijn. Het tweede middel faalt daarom volgens de A-G.

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugverwijzing van de zaak naar het Hof Amsterdam. De A-G stelt voor om de terugwijzingsopdracht zo te formuleren dat het Hof daarbij niet alleen artikel 69 AWR in aanmerking neemt (als primair ten laste gelegd), maar ook het indertijd cumulatief / alternatief ten laste gelegde artikel 225 Sr. Het hoger beroep ten aanzien van art. 225 Sr was door het Hof niet-ontvankelijk verklaard, maar volgens de A-G zou een beperking van de terugverwijzing tot alleen het primaire feit het Hof onvoldoende in staat stellen om het gehele aan de verdachte tenlastegelegde feitencomplex te beoordelen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:631

A-G bij de Hoge Raad: bewezenverklaring van witwassen van ‘zwarte omzet’ gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting, maar cassatie is niet nodig

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 10 juli 2019 de verdachte wegens witwassen, deelneming aan een criminele organisatie, opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift en handelen in strijd met de Wet wapen en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 148 dagen en een taakstraf van 150 uren.

De klacht in cassatie richt zich tegen het oordeel van het Hof dat alle niet fiscaal verantwoorde omzet van de BV als ‘uit misdrijf verkregen’ wordt beschouwd. Volgens de indieners getuigt dit ofwel van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel is dit onbegrijpelijk.

De Advocaat-Generaal stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 7 oktober 2008 geoordeeld heeft dat vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen ‘afkomstig van enig misdrijf’. Onder verwijzing naar arresten van de Hoge Raad van 25 maart 2014 en 3 maart 2020 wordt door verdachte aangevoerd dat niet alle fiscaal niet verantwoorde omzet van de BV als uit misdrijf verkregen kan worden aangemerkt omdat ‘de enkele omstandigheid dat de gestelde verdiensten – in strijd met de belastingwet – voor de belastingdienst zouden zijn verzwegen, volgens de Hoge Raad nog niet meebrengt dat deze in volle omvang moeten worden beschouwd als wederrechtelijk verkregen’.

Het gaat echter om de vraag of vermogensbestanddelen waarover iemand de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als ‘uit enig misdrijf verkregen’ in de zin van art. 420bis Sr. Volgens de A-G blijkt uit de genoemde arresten dat het daarom gaat. Dit vindt de A-G ook logisch, omdat het witwassen er immers toe zal moeten dienen dat alle buiten de boeken gehouden gelden weer vrij kunnen worden aangewend. Daarmee is overigens nog niet gezegd dat ten aanzien van de gehele niet verantwoorde omzet ook meteen sprake is van witwassen.

Dat het Hof in zijn bewijsoverwegingen heeft overwogen dat het de gehele niet verantwoorde omzet beschouwt als ‘uit misdrijf verkregen’, zou wellicht als kennelijke verschrijving van het Hof kunnen worden gezien, en verbeterd kunnen worden gelezen als ‘afkomstig uit enig misdrijf’. De verdere motivering duidt er echter op dat geen sprake is van een verschrijving, maar dat het Hof inderdaad is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting, te weten dat het Hof slechts na de vaststelling van vermenging een voldoende hoeveelheid illegaal verkregen vermogen met legaal vermogen tot een bewezenverklaring van de gehele zwarte omzet kon overgaan. Gelet op hetgeen hierboven opgemerkt, is dat niet de juiste maatstaf. In zoverre is het middel volgens de A-G terecht voorgesteld.

Tot cassatie hoeft dit evenwel niet te leiden vindt de A-G. Wanneer het in cassatie bestreden onderdeel van de motivering wordt weggedacht, is met de vaststellingen van het Hof over de belastingontduiking door de BV de bewezenverklaring van ‘de zwarte omzet van de BV’ als zijnde ‘afkomstig uit enig misdrijf’ toch voldoende gemotiveerd. Daarom heeft de verdachte volgens de A-G onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:580

 

Vrijspraak van BV van het doen van onjuiste aangiftes omzetbelasting en valsheid in geschrift: opzet niet bewezen

B.V. X wordt verdacht van het opzettelijk onjuist en/of onvolledig (laten) doen van aangiftes omzetbelasting. B.V. X handelde in koperafval. De vennootschap verrichtte als tussenhandelaar meerdere transacties waarbij deze koperafval inkocht bij Nederlandse bedrijven en deze goederen doorverkocht aan buitenlandse afnemers.

Het OM beschuldigt B.V. X ervan dat deze opzettelijk onjuiste kwartaalaangiftes omzetbelasting heeft laten indienen; er zou sprake zijn van btw-carrouselfraude. Dit is ten laste gelegd als primair het opzettelijk onjuist en/of onvolledig (laten) doen van belastingaangiftes en subsidiair het opmaken van valse geschriften (de belastingaangiftes).

Allereerst voert de verdediging aan dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de subsidiair ten laste gelegde valsheid in geschrift. Volgens de verdediging geldt art. 69 lid 4 AWR, waarin strafvervolging op grond van art. 225 lid 2 Sr is uitgesloten wanneer een verdachte ook vervolgd kan worden op basis van art. 69 lid 1 of 2 AWR. Volgens de verdediging moet artikel 69 lid 4 AWR ruim worden uitgelegd en zou ook vervolging op de voet van artikel 225 lid 1 Sr hierdoor moeten worden uitgesloten. De Rechtbank is echter van oordeel dat het OM ontvankelijk is in de vervolging, omdat uit het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2019 blijkt dat hij kennelijk van oordeel is dat de vervolgingsuitsluitingsgrond zich niet ook uitstrekt tot het art. 225 lid 1 Sr.

Wat betreft het primair ten laste gelegde acht het OM bewezen dat B.V. X ten onrechte het 0%-tarief voor intracommunautaire leveringen heeft opgevoerd in de belastingaangiftes. De verdediging stelt echter dat de vennootschap geen opzet heeft gehad op het betrokken raken bij btw-carrouselfraude.

De Rechtbank acht niet bewezen dat B.V. X opzettelijk onjuist en/of onvolledig kwartaalaangiftes omzetbelasting heeft laten indienen. De constatering van het OM dat ter zake van de transacties sprake is van kenmerken die kunnen wijzen op fraude elders in de keten, acht de Rechtbank onvoldoende om de vennootschap opzet op het doen van onjuiste belastingaangiftes te verwijten, ook niet indien ervan uit wordt gegaan dat (medewerkers van) verdachte wist(en) van de risico’s van btw-fraude bij intracommunautaire handel in koperafval. De Rechtbank acht ook het subsidiaire feit van valsheid in geschrift niet bewezen wegens ontbreken van opzet. De Rechtbank spreekt de verdachte daarom in zijn geheel vrij.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:2944

Vergrijpboete wegens het in aftrek brengen van hypotheekrente van een woning die niet als eigen woning gekwalificeerd kan worden

Voor de jaren 2014, 2015 en 2016 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting ingediend waarin een eigen woning in aanmerking is genomen waarop hij staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisregistratie. Uit onderzoek van de sociale recherche blijkt echter dat belanghebbende deze woning  in de onderhavige periode niet als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan. Belanghebbende bleek de woning feitelijk – op één kamer na – aan een gezin te verhuren. De inspecteur heeft voor de jaren 2014 tot en met 2016 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd alsmede vergrijpboetes.

Wat betreft de vergrijpboetes heeft de inspecteur aangevoerd dat belanghebbende willens en wetens een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en dat daarom sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Uit het vonnis blijkt onder andere dat belanghebbende (een deel) van de huurders niet kende en wisselende verklaringen over zijn verblijf heeft afgegeven.

De Rechtbank is echter van mening dat op basis van de verklaringen van belanghebbende niet kan worden uitgesloten dat hij van aanvang af de bedoeling heeft gehad een (klein) gedeelte van de woning eventueel voor zichzelf ter beschikking te houden. De Rechtbank wil ook niet uitsluiten dat belanghebbende naar de belastingtelefoon heeft gebeld om te informeren of hij onder die omstandigheden alsnog de hypotheekrente kon aftrekken. En hoewel uiteraard niet kan worden nagegaan welke informatie hij aan de medewerker van de belastingtelefoon heeft verstrekt en wat daarop het antwoord is geweest, acht de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende zich bewust is geweest van het risico een foute aangifte te doen. Daarom kan een vergrijpboete vanwege voorwaardelijk opzettelijk handelen niet worden opgelegd.

Subsidiair heeft de inspecteur aangevoerd dat sprake is van grove schuld. Het is een feit van algemene bekendheid dat betaalde hypotheekrente alleen in box 1 aftrekbaar is als de woning een eigen woning betreft. Dat is hier niet het geval. Belanghebbende heeft zich volstrekt onvoldoende geïnformeerd over de van toepassing zijnde regelgeving. Aangezien belanghebbende niet louter een kamer verhuurde en ook meer dan € 6.000 per jaar huur ontving was de kamerverhuurvrijstelling niet van toepassing en levert dit reeds daarom geen pleitbaar standpunt op. Naar het oordeel van de Rechtbank kan belanghebbende daarom grove schuld verweten worden. De vergrijpboetes worden daarom verminderd tot 25%.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:2524

Een DGA behoort te weten dat zijn BV geen loonheffing afdraagt, de vergrijpboete is daarom terecht opgelegd

Belanghebbende is in 2015 enig aandeelhouder en enig werknemer van zijn BV. In de aangifte inkomstenbelasting 2015 heeft belanghebbende loon van zijn BV aangegeven ten bedrage van € 32.749 en daarbij vermeld dat er € 10.370 loonheffing door de BV is ingehouden. In 2016 heeft de inspecteur een boekenonderzoek verricht. De inspecteur heeft bij het onderzoek geconstateerd dat geen recht bestaat op verrekening van voorheffingen, omdat de BV geen loonheffing heeft afgedragen. De inspecteur heeft daarop over het jaar 2015 een navorderingsaanslag opgelegd alsmede een vergrijpboete van 50%. In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht is opgelegd.

Naar het oordeel van de Rechtbank is belanghebbende niet te goeder trouw. Belanghebbende was als directeur grootaandeelhouder feitelijk zijn eigen werkgever waardoor hij had moeten weten dat er geen loonheffing was afgedragen. De BV had immers over dit jaar en eerdere jaren geen loonadministratie gevoerd en zich nooit als inhoudingsplichtige aangemeld bij de belastingdienst. Belanghebbende heeft ook volstrekt niet aannemelijk gemaakt dat de BV desondanks enig bedrag heeft ingehouden met het oogmerk van afdracht. Dat de BV feitelijk werd bestuurd door een curator doet aan het vorenstaande niet af. De curator was immers niet eerder dan met ingang van 10 november 2015 in beeld. Weliswaar dateert de jaaropgave van na die tijd, maar belanghebbende moet voor die tijd al van de gang van zaken bij de BV op de hoogte zijn geweest. Dat er een adviseur is betrokken bij indiening van de aangifte helpt belanghebbende om dezelfde reden evenmin. De navorderingsaanslag is dan ook terecht opgelegd.

De vergrijpboete acht de Rechtbank passend en geboden. De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van voorwaardelijk opzet om ten onrechte loonheffing als voorheffing in de aangifte inkomstenbelasting op te nemen. Belanghebbende moet hebben geweten dat de BV de loonheffing niet heeft ingehouden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4886