Categorie: Fiscaal sanctierecht

Boekhouder veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens indienen onjuiste aangiften omzetbelasting namens cliënten

Verdachte, een boekhouder, wordt ervan beschuldigd dat hij verantwoordelijk is voor valse aangiften omzetbelasting die namens andere personen zijn ingediend. Daarnaast zou verdachte valse/vervalste facturen en bankafschriften aan de Belastingdienst ter beschikking hebben gesteld.

De Rechtbank is van oordeel dat verdachte onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend voor twee personen. Gedurende ruim negen maanden is de Belastingdienst hierdoor voor in totaal bijna € 40.000 benadeeld. Toen de Belastingdienst onderzoek ging doen naar deze onjuiste aangiften heeft verdachte met valse facturen en vervalste bankafschriften de onjuistheid van de aangiften en de omstandigheid dat grote bedragen naar hem zijn doorbetaald proberen te verhullen. Veel van het ten onrechte ontvangen geld is uiteindelijk contant opgenomen, waardoor niet duidelijk is wat ermee is gebeurd of waar het geld is gebleven. Dit maakt naar het oordeel van de Rechtbank dat het uiterst onzeker is of het ten onrechte ontvangen geld aan de Belastingdienst terugbetaald zal worden. Ook is van belang dat verdachte anderen bij zijn strafbare feiten heeft betrokken. Het is niet verdachte die te maken krijgt met navorderingsaanslagen vanuit de Belastingdienst, maar de twee andere personen.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan de huidige feiten veroordeeld is tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verduistering in dienstbetrekking. Deze veroordeling is weliswaar geen fiscaal misdrijf, maar wel een vermogensdelict. Omdat ook in deze zaak het doel van verdachte kennelijk is geweest om ten koste van anderen geld te bemachtigen, neemt de Rechtbank de eerdere veroordeling als strafverzwarende omstandigheid mee. Ook de omstandigheid dat verdachte de strafbare feiten gepleegd heeft vanuit zijn functie als boekhouder vindt de Rechtbank strafverzwarend.

De combinatie van deze omstandigheden maakt dat de Rechtbank een taakstraf niet passend vindt. De Rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf van 4 maanden op, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:4542

Onderneming kan zich niet verschuilen achter boekhouder en krijgt vergrijpboetes opgelegd

Belanghebbende, een BV, houdt zich bezig met het beheren, bouwen en onderhouden van onroerend goed. Naar aanleiding van een boekenonderzoek zijn er naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de jaren 2009, 2012 en 2013 vanwege aansluitverschillen tussen de boekhouding en hetgeen daadwerkelijk is betaald, correcties van door belanghebbende in aftrek gebrachte omzetbelasting en de niet aangegeven omzetbelasting wegens privégebruik van een geleasete auto.

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2012 en 2013 vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 23.605 en € 13.060. In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet dan wel grove schuld. In dit verband voert hij aan dat de boetes uitsluitend de vooraftrek betreffen en dat de werkwijze van belanghebbende en de samenwerking met de boekhouder bij het doen van aangiften erop wijzen dat belanghebbende op de hoogte was dan wel had moeten zijn van het feit dat zij teveel voorbelasting claimde.

Anders dan de inspecteur acht de Rechtbank (voorwaardelijk) opzet niet bewezen. De werkwijze met betrekking tot de aangiften wijst er volgens de Rechtbank niet op dat belanghebbende wist dat zij teveel voorbelasting claimde. De inspecteur heeft in dit kader onvoldoende onderbouwd waaruit blijkt dat de bewustheid aanwezig was. Wel acht de Rechtbank bewezen dat sprake is van grove schuld. Het is aan een ondernemer zoals belanghebbende om te zorgen dat niet meer voorbelasting in aftrek wordt gebracht dan waarop recht bestaat. Het dubbel in aftrek brengen van voorbelasting voor kosten van een andere (gelieerde) vennootschap en het in aftrek brengen van voorbelasting terwijl facturen ontbreken dan wel wordt afgeweken van hetgeen op facturen staat vermeld, valt naar het oordeel van de Rechtbank geheel onder de verantwoordelijkheid van een ondernemer en wijst op grove onachtzaamheid. Belanghebbende heeft gesteld dat zij een boekhouder heeft ingeschakeld, in de veronderstelling was dat de door haar geleverde informatie juist was en dat zij mocht uitgaan van de expertise van de boekhouder. Belanghebbende kan zich volgens de Rechtbank niet verschuilen achter de samenwerking met en deskundigheid van de boekhouder. De boekhouder volgde immers voor wat betreft de vooraftrek een Excelsheet van belanghebbende. Die werkwijze is op zich niet onredelijk mits de juiste informatie daarop wordt ingevuld. Belanghebbende had zich ervan bewust moeten zijn dat de informatie in de Excelsheet niet juist was.

De Rechtbank ziet geen aanleiding om de boetes (verder) te matigen wegens samenloop of vanwege het feit dat de boekhouder de aangiften heeft ingediend. Evenmin is gebleken van een wanverhouding ten opzichte van de ernst van het feit. Wel ziet de Rechtbank aanleiding om de boetes met 15% te matigen vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:5165

Geslaagd beroep op pleitbaar standpunt ten aanzien van bestemming van onroerende zaak

Aan belanghebbende, een vennootschap, is een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van € 24.000 en een vergrijpboete van € 12.000. In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

De inspecteur heeft aangevoerd dat belanghebbende deskundig is op het gebied van de handel in en de exploitatie van onroerende zaken. Zij was in de jaren 2012 tot en met 2015 betrokken bij meer dan 60 transacties. Om die reden kan worden verwacht dat belanghebbende bekend is met de wet- en regelgeving op het gebied van de overdrachtsbelasting. Belanghebbende en X BV hebben bij het eerste bod de voorwaarde van het 2%-tarief gesteld. Partijen hebben bewust in de koopovereenkomst en akte het pand omschreven als ‘’perceel grond met opstal (zijnde een voormalig kantoorpand thans omvattende woningen/woonruimten), erf, tuin, en ondergrond’’, terwijl het pand te koop stond als kantoorpand. Daardoor heeft belanghebbende de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig overdrachtsbelasting zou worden geheven.

Belanghebbende doet een beroep op een pleitbaar standpunt, omdat de kwalificatie van de woning niet in strijd zou zijn met de geldende wet- en regelgeving en ook de notaris ervan overtuigd was dat toepassing van het 2%-tarief (hoogst)waarschijnlijk juist en, in ieder geval, pleitbaar was op dat moment.

De Rechtbank stelt vast dat bij de heffing van overdrachtsbelasting voor het lage tarief in aanmerking kan worden gekomen als het bouwwerk ‘’naar zijn aard bestemd is voor bewoning’’. De Rechtbank stelt evenwel vast dat de koopovereenkomst dateert van vóór de arresten van de Hoge Raad waarbij invulling is gegeven aan het criterium en daar bovendien uit op is te maken dat het in de praktijk niet altijd duidelijk was hoe het criterium moest worden toegepast. In dit licht beschouwt de Rechtbank de verklaring van belanghebbende, dat zij destijds voor de invulling ‘’naar zijn aard bestemd voor woning’’ voldoende achtte dat het pand de publiekrechtelijke bestemming ‘’gemengd’’ had en bewoond werd door zeven bewoners, geloofwaardig.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de verkrijging van het pand sprake was van (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende waardoor de vergrijpboete moet worden vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:3050

Navorderingen en vergrijpboetes in verband met zwarte vlees- en paardenhandel die aan het licht is gekomen vanwege een rookmelding

De politie heeft op het adres van belanghebbende, na een melding van rookontwikkeling, een werkend XTC-laboratorium aangetroffen. Tijdens het doorzoeken van de woning zijn diverse (financiële) administratieve bescheiden in beslag genomen. De inspecteur heeft de gegevens van het strafdossier opgevraagd bij de officier van justitie. Daaruit is gebleken dat belanghebbende heeft gehandeld in vleeswaren en paarden(attributen) en dat de inkomsten daaruit niet zijn opgegeven.

Er zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Over de jaren 2008 en 2009 zijn eveneens vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 7.238 en € 7.828 (50% over het bedrag van de navorderingsaanslagen). Onder meer is in geschil of de opgelegde vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

In het boeterapport wordt belanghebbende verweten dat hij niet het juiste inkomen heeft opgegeven. Immers heeft belanghebbende verklaard dat hij in die jaren een buitenlandse onderneming in vleesproducten heeft gedreven en daarnaast ook heeft gehandeld in paarden(attributen). De handel in vlees is aantoonbaar gebleken uit de in beslag genomen documenten op het woonadres van belanghebbende. De inspecteur stelt dat belanghebbende dan ook op de hoogte moet zijn geweest van de toepasselijke administratieve en fiscale verantwoordelijkheden die daarbij horen.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, aannemelijk heeft gemaakt dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De Rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende inkomsten uit overige werkzaamheden heeft genoten en deze inkomsten bewust niet in zijn aangiften heeft opgenomen. Vergrijpboetes van 50% acht de Rechtbank dan ook in beginsel op zijn plaats.

Belanghebbende verzoekt om matiging van de vergrijpboetes, omdat hij slechts een AOW-uitkering zou genieten en de uitkeringsinstantie ook een uitgebreide vermogenstoets zou hebben uitgevoerd.

De Rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat belanghebbende – zoals hij zelf heeft verklaard – een bankrekening in Zwitserland heeft (gehad) en dat belanghebbende vermogen in het buitenland kan hebben (gehad). Er zijn immers verschillende contante stortingen gedaan in het buitenland en belanghebbende heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt hoe hij aan die bedragen is gekomen en wat er is gebeurd met het geld na het afstorten daarvan. Ook heeft belanghebbende verklaard dat hij geld in de grond verborgen hield. Het betoog dat het inkomen en vermogen van belanghebbende uitsluitend bestaat uit de AOW-uitkering acht de Rechtbank niet aannemelijk. De Rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de vergrijpboetes te matigen vanwege de draagkracht van belanghebbende. Wel matigt de Rechtbank de vergrijpboetes met 20% in verband overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:1426

Inspecteur legt vergrijpboetes op aan grillrestaurant in verband met ten onrechte niet toegepaste gebruikelijk loonregeling

De inspecteur heeft bij belanghebbende, een grillrestaurant, een boekenonderzoek ingesteld ten einde de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting en loonheffingen te beoordelen.

De inspecteur is gebleken dat over de nettoloonbetalingen, zoals aangetroffen in de kasadministratie, geen loonheffingen zijn ingehouden en afgedragen. Ook is de fictief loonregeling niet juist toegepast. Om die reden heeft de inspecteur naheffingsaanslagen opgelegd en in verband met het verwijt van grove schuld vergrijpboetes van 25% opgelegd. In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Belanghebbende heeft aan haar werknemers nettoloon contant uitbetaald en hiervan aantekeningen gemaakt in het kasboek. Dit bedrag is niet verwerkt in de loonadministratie. Het is alsdan naar het oordeel van de Rechtbank niet voor redelijke betwisting vatbaar dat belanghebbende had moeten weten dat over nettoloonbetalingen loonheffingen ingehouden en afgedragen moesten worden en dat zij dat toerekenbaar heeft nagelaten.

Voorts heeft belanghebbende de gebruikelijk loonregeling ten onrechte niet toegepast, terwijl zij had moeten weten dat voor aanmerkelijk belanghouders de gebruikelijk loonregeling van toepassing is. De adviseur was op de hoogte van de regeling, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat – gezien de resultaten van de onderneming – geen hoger loon door belanghebbende kon worden uitbetaald dan feitelijk is gedaan. Echter had (de adviseur van) belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank contact met de inspecteur moeten opnemen over deze kwestie teneinde tot een overeenstemming te komen. Niet is gebleken dat belanghebbende een dergelijk verzoek heeft ingediend. Er is dan ook geen sprake van een pleitbaar standpunt, maar – naar het oordeel van de Rechtbank – sprake van grove schuld waardoor vergrijpboetes van 25% in beginsel passend en geboden zijn.

De Rechtbank matigt de vergrijpboetes wel met 15% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:5626

Verzuimboete gematigd omdat de boetegrondslag is vastgesteld op basis van (weerlegbare) vermoedens alsook financiële omstandigheden

Aan belanghebbende, een Nederlands ingezetene, is een naheffingsaanslag en verzuimboete opgelegd voor het gebruik maken van de weg met een motorrijtuigen met buitenlands kenteken.

Tijdens een controle op 24 november 2016 is door de politie geconstateerd dat belanghebbende met een personenauto, met een Duits kenteken, gebruik heeft gemaakt van de weg in Nederland. Er was geen motorrijtuigenbelasting betaald.

De inspecteur heeft vervolgens een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd voor het tijdvak 3 september 2013 tot en met 24 november 2016. De nageheven belasting bedraagt € 2.951 en de verzuimboete bedraagt eveneens € 2.951. In geschil is onder meer of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende heeft het gebruik van de openbare weg erkend en daarmee is de boete in beginsel gerechtvaardigd. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de boete moet worden gematigd omdat zij een bijstandsuitkering heeft en zij een netto inkomen van ongeveer € 1.400 per maand heeft. Voorts is aangevoerd dat het bedrag van de boete niet in overeenstemming is met het Unierecht, omdat er geen bewijs is dat zij meer dan 1 dag gebruik heeft gemaakt met de auto, terwijl de boete is berekend op basis van de naheffing over 3 jaar.

De Rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat de boete 100% bedraagt van het bedrag dat aan belasting niet (of gedeeltelijk niet) is betaald en zulks ook geldt indien het bedrag van die belasting is komen vast te staan met toepassing van een berekeningsregel, waartegen belanghebbende tegenbewijs kan leveren. Dit laat echter onverlet dat het aan de rechter is om te beoordelen of de in een concreet geval opgelegde boete passend en geboden is, gelet op alle omstandigheden van het geval. Daarbij weegt de Rechtbank mee dat de vaststelling van de boetegrondslag is gestoeld op een berekeningsregel die een (weerlegbaar) vermoeden inhoudt. Ook weegt de rechter de financiële omstandigheden mee.

In de omstandigheden ziet de Rechtbank aanleiding om de verzuimboete op € 500 vast te stellen. Omdat de redelijke termijn is overschreden matigt de Rechtbank de boete (verder) tot € 475.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:1878

Vrijspraak deelname criminele organisatie nu het oogmerk op het opzettelijk onjuist doen van aangiften, valsheid in geschriften en witwassen ontbreekt

Aan verdachte was als oprichter en leider van een criminele organisatie in eerste aanleg door de Rechtbank Den Haag een gevangenisstraf van vier jaar opgelegd. Verdachte is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.

Hof Den Haag overweegt dat sprake was van een samenwerkingsverband waarbij transacties plaatsvonden die gericht waren op het creëren van fiscale verliezen. Het Hof oordeelt dat de aangiften vennootschapsbelasting van tenminste zeven van de tien in de tenlastelegging genoemde vennootschappen onjuist zijn.

Daarmee is een strafrechtelijk verwijt volgens het Hof echter nog geen gegeven. Hiervoor moet komen vast te staan dat de organisatie het oogmerk had op het opzettelijk indienen van onjuist aangiften. Dit oogmerk is door de verdachte telkens ontkend. Hij heeft aangegeven dat hij vanuit zijn expertise als fiscalist telkens de grenzen van het fiscaal toelaatbare heeft opgezocht maar dat zijn handelen en inzet er op gericht was om grensoverschrijding te voorkomen. Het Hof acht dit aannemelijk en is overtuigd van het feit dat, hoewel zijn handelen wellicht moreel verwerpelijk is, hij niet het oogmerk heeft gehad om de wet te overtreden. Hiervoor vindt het Hof eveneens steun in het strafdossier, namelijk dat alle transacties volledig en compleet zijn gedocumenteerd, deskundigen zijn geraadpleegd omtrent de structuur, zekerheid is gesteld in geval de fiscus de transacties niet zou accepteren en op eigen initiatief een fout van de Belastingdienst heeft gecorrigeerd door ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te storten.

Naast vrijspraak voor het primair tenlastegelegde feit van de criminele organisatie, volgt vrijspraak voor het subsidiair tenlastegelegde valsheid in geschrifte. Dit verwijt betrof de documenten uit de boekhouding. Alle aangiften zijn gebaseerd op deze boekhouding. Nu het Hof geen materiële valsheden heeft kunnen vaststellen, wordt verdachte ook van dit feit vrijgesproken.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:1772

Vergrijpboetes opgelegd aan Zorgbureau gedeeltelijk gehandhaafd

Belanghebbende, een stichting, heeft naar het oordeel van de inspecteur ten onrechte de vrijwilligersregeling toegepast en geen loonheffing ingehouden op de betaling aan een drietal personen. De inspecteur heeft naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd met vergrijpboetes van 25%.

Aanvankelijk – in het rapport van het boekenonderzoek – werd belanghebbende opzet verweten voor het ten onrechte toepassen van de vrijwilligersregeling. In beroep stelt de inspecteur zich op het standpunt dat sprake is van een typefout en dat werd bedoeld grove schuld. Belanghebbende verzet zich tegen de wijziging van de schuldgradatie. De Rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan te nemen dat de juridische kwalificatie van de aan de boete ten grondslag gelegde feitelijke gedraging niet in de loop van de procedure kan worden gewijzigd. De Rechtbank zal derhalve toetsen of sprake is van grove schuld.

Belanghebbende en de inspecteur zijn het erover eens dat belanghebbende bekend was met de vrijwilligersregeling en deze maandelijks op betalingen heeft toegepast. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende zich ook op de hoogte had moeten stellen van alle voorwaarden voor de regeling. Daarbij wijst de inspecteur op een handboek loonheffingen. Belanghebbende had zich moeten realiseren dat het uiterst twijfelachtig was of zij voldeed aan alle voorwaarden.

De Rechtbank overweegt dat de wettelijke regelingen open normen bevatten en geen concrete handvatten bieden voor de beoordeling wanneer een vergoeding marktconform wordt geacht in het geval van een hoger loon dan de uurnorm. De handelwijze van belanghebbende kan naar het oordeel van de Rechtbank dan ook niet worden gekwalificeerd als een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. Voor zover de boetes zien op het ten onrechte toepassen van de vrijwilligersregeling moeten deze worden vernietigd.

Voor wat betreft de betalingen aan de drie verschillende personen is de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende in een oogopslag had moeten zien dat de verzonden facturen niet afkomstig waren van een ondernemer. In een dergelijk geval mag worden verwacht dat belanghebbende onderzoek had gedaan naar de vraag of de personen daadwerkelijk ondernemer waren, te meer omdat er geen VAR-verklaringen aanwezig waren. Derhalve is ten onrechte geen loonheffingen voldaan en is zodanig lichtvaardig gehandeld dat sprake is van grove schuld.

Nu onduidelijk is welke afspraken tussen belanghebbende en haar adviseurs zijn gemaakt en niet aannemelijk is geworden dat de adviseurs hebben geadviseerd omtrent de kwestie over de betalingen, kan belanghebbende geen geslaagd beroep doen op het vertrouwen in de adviseur.

De Rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes van 25% passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:2807

Auto(verhuur)bedrijf houdt – ondanks waarschuwingen – geen kasadministratie bij

Aan belanghebbende, een VOF met drie firmanten, is een aanslag in de omzetbelasting opgelegd en een vergrijpboete van € 13.890.

De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de handel in en het verhuren van nieuwe en gebruikte auto’s. Naar aanleiding van een ingesteld boekenonderzoek heeft de inspecteur geconcludeerd dat er een negatief kassaldo is en een negatief netto privé van één van de firmanten van belanghebbende. Om die reden heeft de inspecteur de omzet gecorrigeerd en verhoogd.

In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de VOF per 31 december 2012 is ontbonden, zodat geen boete kan worden opgelegd. Het Hof overweegt dat uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat de VOF nog actief was en bovendien was het voor derden niet kenbaar dat de VOF was ontbonden. Ter zitting is naar voren gekomen dat de onderneming van belanghebbende op de website wordt gepresenteerd als VOF. Belanghebbende heeft geen stukken ingebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat voor derden kenbaar was dat de VOF was ontbonden op het moment van opleggen van de boete. De inspecteur was derhalve naar het oordeel van het Hof bevoegd om een boete op te leggen.

Met de Rechtbank is het Hof verder van oordeel dat belanghebbende ondanks eerdere waarschuwingen geen kasadministratie bijhield, terwijl dit gezien de aard van de onderneming wel vereist was, en dat het negatieve kassaldo aanvankelijk was weggewerkt met stortingen in contanten waarvan de herkomst onbekend was. Het Hof deelt het oordeel van de Rechtbank dat daarmee is bewezen dat belanghebbende verwijtbaar nalatig is geweest in het voeren van een deugdelijke administratie en dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat daardoor te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan.

Het Hof verwerpt tot slot de stelling van belanghebbende dat sprake is van dubbele beboeting. Er is niet gebleken van dubbele beboeting, nu de aan firmant B voor de inkomstenbelasting opgelegde boete is verminderd tot nihil.

De Rechtbank heeft de boete reeds gematigd tot € 11.074. Het Hof ziet geen aanleiding om tot verdere matiging over te gaan.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:1571

Verzuimboete voor ondernemer die (ten onrechte) geen aangifte deed vanwege verliessituatie

Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de handel in gebruikte auto’s. In 2014 is een boekenonderzoek ingesteld waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting is onderzocht. Het gaat onder andere om het jaar 2013, waarover een omzet van € 2.074.868 is aangegeven.

Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte inkomstenbelasting over 2013. Belanghebbende heeft geen aangifte over 2013 ingediend.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en dat hij derhalve gehouden was die aangifte te doen. Na belanghebbende te hebben herinnerd aan zijn verplichting tot het doen van aangifte, heeft de inspecteur belanghebbende aangemaand uiterlijk op 8 december 2014 aangifte te doen. Belanghebbende heeft die termijn onbenut voorbij laten gaan. Belanghebbende heeft eerst aangifte gedaan nadat de (ambtshalve) aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2013 was opgelegd.

Ter onderbouwing van de hoogte van de aanslag heeft de inspecteur toegelicht dat hij is uitgegaan van de omzet zoals die blijkt uit het boekenonderzoek en het onderzoek dat is gedaan naar het brutowinstpercentage wat bij de onderneming van belanghebbende past. Het Hof is van oordeel dat de schatting van de inspecteur de redelijkheidstoets kan doorstaan en dat geen sprake is van willekeur.

Naar het oordeel van het Hof is aan belanghebbende terecht een verzuimboete van € 226 opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van aangifte inkomstenbelasting. Voor het opleggen van een dergelijke boete is opzet of grove schuld geen vereiste. Bij afwezigheid van alle schuld (avas) is voor het opleggen van een verzuimboete echter geen plaats. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat sprake is van avas. Belanghebbende is herinnerd en aangemaand voor het doen van aangifte, maar heeft niet tijdig aan zijn aangifteverplichting voldaan. Dat belanghebbende ten onrechte meende dat hij geen aangifte behoefde te doen omdat hij in een verliessituatie verkeerde, dient voor zijn rekening te komen.

Het Hof acht de verzuimboete van € 226 passend en geboden en ziet geen aanleiding tot matiging van de boete.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:5044