Categorie: Fiscaal sanctierecht

Vergrijpboete wegens grove schuld omdat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat sprake is van export

Belanghebbende handelde in shampoos en aanverwante artikelen. Deze artikelen kocht hij met contant geld in bij drie leveranciers in Duitsland. Hiervoor werden afhaalverklaringen opgemaakt waarop stond vermeld dat belanghebbende de goederen naar Nederland brengt. De drie leveranciers hebben dit gelist als intracommunautaire levering en hebben 0% omzetbelasting in rekening gebracht. Belanghebbende heeft telkens nihilaangiftes gedaan en geen intracommunautaire verwerving aangegeven. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur naheffingsaanslagen voor de jaren 2012 en 2013 opgelegd alsmede vergrijpboetes van 25%, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op het 0%-tarief.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd.

Op grond van artikel 37e Wet omzetbelasting wordt een in Nederland wonende of gevestigde ondernemer geacht zijn leveringen in Nederland te verrichten, tenzij hij het tegendeel aantoont. Belanghebbende stelt dat hij de artikelen via België naar Libanon heeft geëxporteerd, waardoor hij recht heeft op 0%-tarief. Belanghebbende heeft verschillende stukken overgelegd ter onderbouwing. Dit betreffen verkoopfacturen, vrachtbrieven betreffende het vervoer van Duitsland naar België en invoerdocumenten voor Libanon. De inspecteur heeft de authenticiteit van deze stukken bestreden. De Rechtbank gaat hierin mee. De stelling van belanghebbende dat de goederen van Duitsland rechtstreeks naar België zijn vervoerd, wijkt af van de afhaalverklaringen over vervoer naar Nederland. Ook overigens heeft belanghebbende volgens de Rechtbank onvoldoende aangevoerd tegenover de door de inspecteur ingebrachte punten in verband met de authenticiteit (de ‘echtheid’) van de overgelegde stukken. De Rechtbank kent daarom aan de door belanghebbende overgelegde stukken geen bewijskracht toe.

Belanghebbende heeft volgens de Rechtbank al met al niet kunnen aantonen dat hij zijn leveringen buiten Nederland heeft verricht, zodat op grond van artikel 37e Wet omzetbelasting de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

De Rechtbank acht aannemelijk dat de leveringen in Nederland hebben plaatsgevonden en acht onaannemelijk dat sprake is van leveringen in Libanon. Daarmee is volgens de Rechtbank op zijn minst sprake van grove schuld en zijn de vergrijpboetes terecht opgelegd. Belanghebbende stelt tevergeefs dat de door hem ingehuurde accountant fouten heeft gemaakt en dat die fouten hem niet mogen worden aangerekend. Deze stelling gaat er volgens de Rechtbank van uit dat de goederen wel aan Libanese ondernemingen zijn geleverd, wat de Rechtbank onaannemelijk achtte.

De Rechtbank acht de vergrijpboetes van 25% passend en geboden. Deze worden nog wel gematigd met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn met 23 maanden.

 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:5627

Boetes terecht opgelegd wegens bewust stelselmatig te weinig omzetbelasting voldoen en het niet-nakomen van de suppletieverplichting

Belanghebbende drijft een administratiekantoor. De firmanten van dit kantoor zijn A, B en C. Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van aangiften omzetbelasting 2010 tot en met 2014. Uit het rapport is naar voren gekomen dat A, die de dagelijkse administratie verzorgt, voor de onderhavige jaren de hoogte van de aangiften berekend heeft op een kladblaadje omdat de administratie niet goed was bijgehouden. A is in de gelegenheid gesteld de administratie op orde te brengen, waarna de aangiften zijn vergeleken met de administratie. De aangegeven bedragen komen niet overeen met de op orde gebrachte administratie. Daarnaast is het kasstelsel toegepast voor het bepalen van de verschuldigde omzetbelasting, hetgeen niet is toegestaan. Belanghebbende had het factuurstelsel moeten hanteren.

In totaal wordt ruim € 100.000 omzetbelasting nageheven. Daarnaast zijn vergrijpboetes opgelegd op grond van zowel art. 67f AWR als art. 10a AWR. In geschil is of de naheffingsaanslagen en de vergrijpboetes in de onderhavige jaren terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Belanghebbende voert aan dat de vergrijpboetes niet terecht zijn opgelegd omdat zij het kasstelsel wel heeft mogen toepassen en ook de inspecteur het kasstelsel en het factuurstelsel door elkaar gebruikt. Volgens het Hof mocht belanghebbende er niet op vertrouwen dat de inspecteur toepassing van het kasstelsel had geaccordeerd. Bovendien sluiten, ook indien van het kasstelsel zou worden uitgegaan, de aangiften omzetbelasting niet aan bij de administratie van belanghebbende.

De inspecteur is volgens het Hof geslaagd in de bewijslast dat belanghebbende bewust en stelselmatig te weinig omzetbelasting op aangifte voldeed. Het Hof vindt een totale boete van 50% over de nageheven belasting wegens voorwaardelijk opzet in beginsel op zijn plaats. Dit geldt voor de art. 67f- en de art. 10a-boetes gezamenlijk. De art. 67f-boetes zijn wel met 10% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure bij de rechtbank. De art. 10a-boetes blijven in stand, omdat belanghebbende daartegen geen bezwaar had gemaakt.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:9549

Illegaal verhuren panden levert vergrijpboetes op van € 7.500 per jaar wegens het niet opgeven van de huuropbrengsten en het vastgoed in de aangiftes

Naar belanghebbende is een opsporingsonderzoek en een strafrechtelijk financieel onderzoek uitgevoerd. Hieruit is naar voren gekomen dat belanghebbende 7 woningen illegaal verhuurde die hij samen met zijn echtgenote in bezit had. Daarnaast verhuurde hij 8 woningen die hij tot zijn beschikking had. Over de jaren 2006 tot en met 2014 heeft hij in totaal € 523.060 aan huuropbrengsten gestort op bankrekeningen waarover hij de beschikking had. Belanghebbende heeft noch de huuropbrengsten, noch het vastgoed in de aangiften inkomstenbelasting opgenomen. De inspecteur heeft vervolgens navorderingsaanslagen, boetes en rentebeschikkingen opgelegd.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd.

Belanghebbende voert aan dat de vergrijpboetes moeten worden verminderd naar nihil omdat hem geen opzet kan worden verweten. De inspecteur heeft volgens de Rechtbank echter wel aannemelijk gemaakt dat sprake is van opzet bij belanghebbende. Er was sprake van meer dan normaal actief vermogensbeheer. Het is volgens de rechtbank een feit van algemene bekendheid dat inkomsten moeten worden aangegeven. Daarnaast wordt in de aangiften uitdrukkelijk gevraagd of sprake is van inkomsten uit overige werkzaamheden en of sprake is van overige onroerende zaken. De vergrijpboetes zijn terecht opgelegd.

De inspecteur heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de boetes moeten worden verlaagd naar € 7.500 per jaar. Dat is iets minder dan 50%. De Rechtbank acht de verlaagde vergrijpboetes passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:11743

Tipgeverszaak: navorderingsaanslagen en vergrijpboetes ten aanzien van Luxemburgse bankrekeningen blijven deels in stand ondanks onbetrouwbaarheid tipgeversinformatie

Een tipgever heeft in 2009 tegen betaling informatie aan de Belastingdienst verstrekt over Luxemburgse bankrekeningen van Nederlanders. Belanghebbende is een van die Nederlanders. Naar aanleiding hiervan is aan belanghebbende om informatie gevraagd, die hij – na hiertoe te zijn veroordeeld in een civiel kort geding – heeft verstrekt. Naar aanleiding van deze informatie zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen opgelegd. Ook zijn aanvullende navorderingsaanslagen opgelegd, onder meer naar aanleiding van later door de tipgever verstrekte informatie.

De vraag die belanghebbende stelt is of de inspecteur deze verkregen informatie mag gebruiken voor het opleggen van belastingaanslagen. Het Hof is van oordeel dat de manier waarop het bewijsmateriaal is verkregen door de inspecteur maar ook door de tipgever in beginsel niet leidt tot uitsluiting van dat bewijsmateriaal. Dit leidt het Hof onder andere af uit het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2019. Toch moet volgens het Hof het bewijsmateriaal van gebruik worden uitgesloten, omdat er twijfels bestaan over de betrouwbaarheid van de tipgever en over de betrouwbaarheid van de ten aanzien van belanghebbende van de tipgever verkregen informatie – de tipgever zou deze volgens het Hof gemanipuleerd kunnen hebben om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen.

Dit leidt er echter niet toe dat alle navorderingsaanslagen,  rente- en boetebeschikkingen worden vernietigd, aangezien deze voor een deel waren gebaseerd op door belanghebbende zelf verstrekte informatie over een rekening bij een andere bank.

Ook laat het Hof de boetes grotendeels in stand. Belanghebbende heeft niet rechtsgeldig ingekeerd volgens het Hof. Ook is geen sprake van schending van het verbod op zelfincriminatie nu de verstrekte gegevens wilsonafhankelijk materiaal vormen. Dat verstrekking via een civiel kort geding is afgedwongen maakt dit niet anders. Boetes van 100% zijn volgens het Hof in beginsel gerechtvaardigd, maar deze worden verminderd met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:3557

Witwassen en ondergronds bankieren leiden naast 54 maanden gevangenisstraf ook tot forse vergrijpboetes

Eiser is strafrechtelijk veroordeeld voor het leidinggeven aan een criminele organisatie die tot doel had gewoontewitwassen en ondergronds bankieren met geld van criminele herkomst. Het betrof ruim € 18 miljoen. Naar aanleiding van een boekenonderzoek zijn aan eiser en zijn echtgenote navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2012 tot en met 2015 opgelegd. Ook zijn in totaal voor ruim € 950.000 aan vergrijpboetes opgelegd die in beroep worden bestreden.

Uitgangspunt voor de Rechtbank is dat het aan voorwaardelijk opzet te wijten is dat te weinig belasting is geheven nu willens en wetens de inkomsten zijn verzwegen. De Rechtbank acht daarom de boetepercentages, 50% voor box 1-inkomsten en 150% voor box 3-inkomsten, passend en geboden.

De Rechtbank oordeelt dat aan de (hoogte van de) verzwegen inkomsten de normale bewijsregels ten grondslag liggen waardoor er geen aanleiding is om de boete wegens verzwaring en omkering van de bewijslast te matigen. Daarnaast is er geen sprake van dubbele bestraffing door een samenloop van de fiscale boetes en de strafrechtelijke veroordeling. Gewoontewitwassen en het leidinggeven aan een criminele organisatie zijn andere delicten dan dat een aanslag tot een te laag bedrag wordt vastgelegd, aldus de Rechtbank. Wel worden de boetes verminderd met 15%, met als maximum € 20.000, wegens overschrijding van de redelijke termijn.

In de zaak van de echtgenote ligt de vraag voor in hoeverre zij bewust de saldi van twee buitenlandse rekeningen, welke op naam van haar echtgenoot (eiser) stonden, niet heeft opgegeven in haar aangifte inkomstenbelasting 2013. De inspecteur heeft – naast de navorderingsaanslag – een vergrijpboete van 150% opgelegd wegens het verzwijgen van deze inkomsten in box 3.

De echtgenote stelt dat zij geen opzet had omdat zij niet wist dat haar echtgenoot deze buitenlandse bankrekeningen in bezit had. De bankrekeningen stonden immers geregistreerd op naam van de echtgenoot. De inspecteur heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de echtgenote van de bankrekeningen afwist. De vergrijpboete van de echtgenote wordt daarom vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:9695

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:9697

Vrijspraak van valsheid in geschrift, belastingfraude, deelname aan een criminele organisatie en witwassen omdat niet bewezen is dat verdachte hierbij betrokken is geweest

Een 50-jarige vrouw wordt ervan verdacht in de jaren 2011 tot en met 2013 valselijk facturen te hebben opgenomen in de administratie van bedrijf X en bedrijf Y. Tevens wordt zij verdacht van het opzettelijk onjuist of onvolledig indienen van aangiftes omzetbelasting van bedrijf X en bedrijf Y en van het deelnemen aan een criminele organisatie. Tot slot wordt zij verdacht van witwassen van geldbedragen van in totaal ruim € 750.000. De verdenking komt voort uit een onderzoek van de FIOD naar carrouselfraude met elektronica. In dat onderzoek zijn onder meer 7 bedrijven van verdachte onderzocht.

Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de verdenking van witwassen, vrijspraak gevorderd. Ten aanzien van witwassen wordt aangevoerd dat verdachte aanwezig is geweest bij de overdracht van aandelen van bedrijven welke bij de btw-carrouselfraude betrokken zijn geweest. Bij de overdracht zijn volgens het Openbaar Ministerie misdrijfgelden overgeschreven – via een Zwitserse bankrekening en een Panamese rechtspersoon – naar een rekening waar ook verdachte een gemachtigde van was. Verdachte heeft een bankpas van deze rekening ter beschikking gehad en heeft daadwerkelijk betalingen gedaan vanaf deze rekening. Het Openbaar Ministerie betoogt dat de gang van zaken erop duidt dat verdachte wetenschap heeft gehad van de illegale herkomst van het geld en dat daarmee opzet kan worden bewezen.

De Rechtbank acht geen van de feiten, waaronder witwassen, bewezen. Ten aanzien van het witwassen oordeelt de Rechtbank dat uit de stukken niet blijkt dat verdachte op de hoogte is geweest van het bestaan van de Panamese rechtspersoon en de Zwitserse bankrekening. Het feit dat verdachte formeel bestuurder is geweest van het bedrijf waarvan de aandelen zijn overgedragen, is onvoldoende om vast te stellen dat verdachte wist van de bankrekening in Zwitserland en het bestaan van de Panamese rechtspersoon. Verdachte wordt daarom van alle tenlastegelegde feiten vrijgesproken.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:3816

Vergrijpboetes wegens niet opgeven buitenlandse bankrekening; vergrijpboetes fiscale partner vervallen

Belanghebbende beschikte vanaf 1994 over een bankrekening in Luxemburg. De procedure betreft de jaren 2006 tot en met 2015. Het saldo op de bankrekening is in de aangiften over die jaren door belanghebbende en haar echtgenoot niet opgegeven. Na een spontane gegevensuitwisseling in 2016 heeft de inspecteur belanghebbende benaderd, waarna belanghebbende openheid van zaken heeft gegeven. De inspecteur heeft over de onderhavige jaren navorderingsaanslagen opgelegd. Voor de jaren 2007 tot en met 2015 zijn  vergrijpboetes opgelegd. De vergrijpboetes voor 2007 en 2008 bedragen 50% en de vergrijpboetes voor 2009 tot en met 2015 bedragen 150%.

In geschil zijn onder meer de vergrijpboetes.

De inspecteur neemt als strafverzwarende omstandigheden onder meer in acht dat belanghebbende specifiek heeft gekozen voor een rekening in Luxemburg omdat destijds een bankgeheim gold, dat zij stelselmatig onjuiste aangifte heeft gedaan en dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de inkeerregeling hoewel hierover veel media aandacht is geweest. De inspecteur heeft in strafverminderende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat belanghebbende openheid van zaken heeft gegeven. Belanghebbende voert aan dat de vergrijpboeten zijn gestoeld op feitelijke onwaarheden (het fictieve rendement) in plaats van het feitelijke spaarvoordeel.

De Rechtbank verwerpt deze laatste stelling van belanghebbende nu op grond van art. 67e lid 2 AWR de grondslag van een vergrijpboete wordt gevormd door het bedrag van de navorderingsaanslagen. Nu de Rechtbank heeft geoordeeld dat het hanteren van fictief rendement in casu niet in strijd is met artikel 1 Eerste Procotol EVRM, is de feitelijke grondslag van de navorderingsaanslag niet (meer) in geding; de vergrijpboetes zijn niet op onwaarheden gebaseerd. De Rechtbank vindt de opgelegde boetes passend en geboden.

Wel besteedt de Rechtbank ambtshalve aandacht aan de redelijke termijn. De boetes zijn aangekondigd op 23 augustus 2018. De tijd tussen de aankondiging en de uitspraak van de Rechtbank betreft 27 maanden. De boetes worden daarom met 5% worden verminderd.

Aan de fiscale partner van belanghebbende zijn eveneens navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd gekregen. Doordat niet is gebleken dat belanghebbende medegerechtigd was tot de bankrekening kan niet worden vastgesteld dat de fiscale partner op de hoogte was van de bankrekening. Opzet kan daarmee volgens de Rechtbank niet worden bewezen, zodat de boetes worden vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:9094

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:9098

Vergrijpboete van 25% wegens het laten storten van een schadevergoeding toekomend aan een BV op een aan belanghebbende gelieerde Limited

Belanghebbende is in 2013 enig aandeelhouder van een vennootschap geworden. Deze BV is in 1999 met een stichting een samenwerkingsverband aangegaan. De samenwerking is in 2001 beëindigd. Wegens schending van het concurrentiebeding wordt bij vonnis in 2012 aan de BV een schadevergoeding van € 1.511.970,35 toegekend. Een maand nadat de aandelen van de BV in 2013 aan belanghebbende zijn geleverd, is een Limited opgericht waarvan belanghebbende en een derde directeur zijn geworden. In 2013 heeft de stichting de schadevergoeding van € 1.511.970 overgemaakt naar de deurwaarder en deze heeft, na aftrek kosten deurwaarder, dit bedrag overgemaakt naar de bankrekening van de Limited. In de jaarrekening van de BV is dit bedrag niet vermeld en overigens is niet gemeld dat schulden zijn afgelost.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd naar een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.509.844 alsmede een vergrijpboete van 50% wegens het opzettelijk niet aangeven van een winstuitdeling. In geschil zijn de aanslag en de vergrijpboete.

De Rechtbank is van oordeel dat de betaling van € 1.511.970 namens de BV aan de Limited geen zakelijke grondslag heeft maar enkel is gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoefte van belanghebbende. Belanghebbende had zich er van bewust moeten zijn dat hij in de hoedanigheid van aandeelhouder werd bevoordeeld. De Rechtbank beslist op grond hiervan dat sprake is van een winstuitdeling van de BV aan belanghebbende. Dat betekent dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd en het beroep in zoverre ongegrond is.

Volgens de Rechtbank heeft de inspecteur niet voldaan aan de primaire bewijslast van het opleggen van een vergrijpboete. De inspecteur heeft slechts de feitelijke gang van zaken weergegeven, te weten dat de belanghebbende aan de deurwaarder heeft verzocht het bedrag te laten storten op de bankrekening van de Limited. Dit is onvoldoende om aan te tonen dat de wil van belanghebbende er op was gericht dat te weinig belasting zou worden geheven. Er is dus geen sprake van opzet, en de inspecteur heeft daarom ten onrechte een boete van 50% opgelegd. Wel blijkt uit de feitelijke gang van zaken dat belanghebbende  zich redelijkerwijs had moeten of kunnen realiseren dat zijn handelwijze fiscale gevolgen in het leven zou roepen. Dat vormt volgens de Rechtbank grove schuld waarvoor een vergrijpboete van 25% passend en geboden is.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:3850

Beroep op AVAS slaagt: onjuiste inhouding dividendbelasting niet aan belanghebbende te wijten maar aan de adviseur

Belanghebbende heeft in 2016, 2017 en 2018 dividend uitgekeerd aan 3 aandeelhouders in Tsjechië. Belanghebbende heeft daar telkens 10% dividendbelasting op ingehouden en afgedragen. Belanghebbende meende dat dit verlaagde tarief van het belastingverdrag van toepassing was. Ten tijde van het doen van aangifte beschikte zij niet over IB 92-verklaringen.  Hoewel belanghebbende de verklaringen later verkreeg en heeft nagestuurd, wordt door de inspecteur dividendbelasting nageheven en worden verzuimboetes opgelegd. In geschil is of de naheffingsaanslagen en verzuimboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

Wat betreft de naheffingsaanslagen overweegt de Rechtbank dat een belanghebbende over de IB 92-verklaringen dient te beschikken op het moment dat de dividenden worden uitgekeerd. Dit was niet het geval waardoor ten onrechte op dit tijdstip het verlaagde tarief van 10% dividendbelasting is ingehouden; de naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd. Het feit dat de aandeelhouders (materieel) recht hadden op het verlaagde tarief van 10% en dat de verklaringen later zijn verstrekt, maakt dit niet anders.

Nu de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd, zijn de verzuimboetes volgens de Rechtbank ook terecht opgelegd. Dat er achteraf teruggaaf wordt verleend aan de aandeelhouders, is voor de rechtmatigheid van de naheffingsaanslagen niet relevant en vormt geen aanleiding om de verzuimboetes te verlagen. Ook het verweer dat het verkrijgen van de verklaring tijdrovend is en dat de inspecteur traag heeft geantwoord, vormt geen grond om de boetes te vernietigen of te verlagen. De verzuimboetes zijn daarom terecht opgelegd.

Wel komt belanghebbende een beroep toe op afwezigheid van alle schuld (AVAS). Een dergelijk beroep kan slagen indien belanghebbende voldoende zorgvuldig heeft gehandeld in de keuze van samenwerking met een adviseur, hetgeen belanghebbende heeft gedaan nu de adviseur aangesloten is bij de NOB én lid is van de commissie IFZ van de NOB. Het beroep op AVAS slaagt waardoor de verzuimboetes worden vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:9067

15 maanden gevangenisstraf voor accijnsfraude waarbij verdachte een stroman heeft ingezet om zelf op de achtergrond te blijven

Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever en medepleger schuldig gemaakt aan accijnsfraude. Gedurende 3 maanden zijn 21 zendingen sterke drank uit Frankrijk voorhanden geweest, waarover geen accijns is geheven.

Wat betreft de strafoplegging overweegt de Rechtbank dat de samenleving door de belastingontduiking van verdachte een bedrag van € 1.559.816 is misgelopen. Hierbij wordt overwogen dat bonafide ondernemers als gevolg hiervan meer belasting moeten betalen en in een nadelige concurrentiepositie komen te verkeren. In het bijzonder acht de Rechtbank het kwalijk dat verdachte een stroman heeft ingezet met als doel  zelf op de achtergrond te blijven en op die manier zijn eigen handelen te verdoezelen.

Ten gunste van verdachte wordt overwogen dat achter de accijnsfraude een organisatie op Europees niveau schuilgaat, waarin verdachte niet een aansturende rol had. In het nadeel van verdachte wordt zijn proceshouding meegewogen: hij heeft geen openheid van zaken gegeven en volhardt in zijn ontkennende verklaring.

Alle omstandigheden overwegend, acht de Rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden passend en geboden. Wegens overschrijding van de redelijk termijn met 2 jaar en 10 maanden, wordt de gevangenisstraf met 3 maanden verminderd. De Rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:5162