Categorie: Fiscaal sanctierecht

Geen matiging van aanslag motorrijtuigenbelasting en verzuimboete ter hoogte van twee maandsalarissen

Op 11 oktober 2016 stond de auto van belanghebbende, terwijl deze was geschorst, op het talud in de berm naast een onverharde weg geparkeerd. De onverharde weg en de plek waar de auto stond, is niet afgesloten en er staan geen (verkeers)borden waarmee de toegang wordt verboden.

Een controleambtenaar van de Belastingdienst heeft melding gemaakt van de aanwezigheid van belanghebbendes auto op die plek. In die melding is opgenomen dat sprake is van een geschorst motorrijtuig dat op de openbare weg is aangetroffen. Op grond daarvan is aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 2.086 en voor hetzelfde bedrag een verzuimboete.

In geschil is onder meer of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende stelt dat de plek waar zijn auto is aangetroffen geen deel uitmaakt van de openbare weg, dat autodealers waarbij geschorste auto’s op het terrein staan geen aanslagen krijgen, dat de rechter eerder heeft aangegeven dat de auto aldaar goed zou hebben gestaan en dat de bedragen van de naheffingsaanslag en boete samen te hoog zijn in verhouding tot zijn inkomsten.

Het Hof is van oordeel dat er geen afsluiting is geplaatst en evenmin enige bebording waaruit voor een bestuurder van een auto duidelijk moet zijn dat de eigenaar het oogmerk had het parkeren door derden op de plek waar de auto is aangetroffen niet te dulden. Nu de auto van belanghebbende op die plek geparkeerd stond, is gebruik gemaakt van de openbare weg.

De stelling van belanghebbende dat in gevallen waarin auto’s met geschorste kentekens van autodealers op hun niet afgesloten terreinen staan, geen naheffingsaanslagen worden opgelegd, merkt het Hof aan als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft zijn stelling echter niet – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – feitelijk onderbouwd en derhalve niet aannemelijk gemaakt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen.

Het Hof merkt de stelling dat de rechter in een eerdere zaak heeft aangegeven dat ‘’de auto beneden aan de zeekant goed stond’’ aan als een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas). De inspecteur heeft die stelling weersproken en naar voren gebracht dat de inspecteur bij die gelegenheid had gezegd dat er geen gebruik van de openbare weg is als belanghebbende de auto op zijn eigen terrein achter de woning zet. Reeds omdat de juistheid van de stelling van belanghebbende niet is komen vast te staan, faalt het beroep op avas.

De verzuimboete is in overeenstemming met de regelgeving opgelegd. Het Hof acht de hoogte van de boete passend en geboden. In de door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de bedragen van de naheffingsaanslag en de boete samen circa twee maandsalarissen van belanghebbende belopen, ziet het Hof geen grond voor matiging.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:4320

 

Verzuimboete vanwege te late aangifte terecht opgelegd omdat adviseur geen uitstel had gevraagd

Op 15 september 2017 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2016 ingediend. Met dagtekening 2 februari 2018 heeft de inspecteur de definitieve aanslag inkomstenbelasting opgelegd en een verzuimboete van € 369 omdat de aangifte niet binnen de gestelde termijn is ingediend.

In geschil is of de verzuimboete terecht is opgelegd en of deze boete passend en geboden is.

Belanghebbende stelt dat de boete ten onrechte is opgelegd, omdat zij de uitnodiging tot het doen van aangifte, de herinnering en de aanmaning niet heeft ontvangen en omdat namens haar uitstel tot het doen van aangifte is gevraagd op grond van de uitstelregeling voor belastingconsulenten (Beconregeling). Subsidiair betoogt belanghebbende dat de boete naar nihil moet worden verminderd, omdat de inspecteur te laat uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

De inspecteur stelt dat hij geen uitstelverzoek heeft ontvangen en dat er geen uitstel is verleend. Verder stelt de inspecteur dat er wel degelijk een uitnodiging, herinnering en aanmaning naar het woonadres van belanghebbende is verzonden, waarbij een uiterste datum is gegeven tot 28 juli 2017.

De Rechtbank overweegt dat de inspecteur kopieën heeft overgelegd van de brieven van de Belastingdienst met daarop het juiste adres van belanghebbende en een schermprint van het systeem van de Belastingdienst dat de brieven zijn geregistreerd. Hoewel dit naar het oordeel van de Rechtbank geen hard bewijs is dat de brieven daadwerkelijk zijn verzonden, acht de Rechtbank toch aannemelijk dat ze zijn verzonden gelet op de wijze waarop de verzending is georganiseerd. Daarbij weegt ook mee dat belanghebbende zelf niet op de zitting was om een verklaring af te leggen en haar gemachtigde niet met zekerheid kon zeggen of belanghebbende de stukken echt niet had ontvangen. De Rechtbank gaat er daarom vanuit dat de stukken wel zijn verzonden en ook zijn ontvangen. De inspecteur kon dan ook een verzuimboete opleggen.

Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij voor al zijn cliënten uitstel vraagt en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat dit voor belanghebbende ook was gebeurd en ook was verleend. Hij heeft dit destijds niet gecontroleerd omdat op de desbetreffende lijst van de Belastingdienst 1100 tot 1200 namen van cliënten staan en die controle te veel tijd zou vergen. Inmiddels heeft de gemachtigde geconstateerd dat belanghebbende niet op de uitstellijst voorkomt. De Rechtbank is van oordeel dat in deze situatie het risico bij belanghebbende ligt, omdat geen sprake kan zijn geweest van gerechtvaardigd vertrouwen op verleend uitstel.

De argumenten voor verlaging van de boete verwerpt de Rechtbank. Een verzuimboete is aan de orde zodra te laat aangifte wordt gedaan. De lange bezwaarduur is geen reden voor matiging omdat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. De boete van € 369 acht de Rechtbank passend en geboden voor het verzuim dat door belanghebbende is begaan.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:2140

Omzetbelastingfraude met valse facturen

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij als feitelijk leidinggever belastingfraude zou hebben gepleegd door opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting in te dienen en dat hij facturen valselijk zou hebben opgemaakt.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, omdat sprake is van een onrechtmatige start van het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte. Zij stelt dat uit stelselmatig onderzoek naar voren is gekomen dat sprake was van mogelijke strafrechtelijke fraude bij verdachte en daarbij is een redelijk vermoeden van schuld ontstaan. In plaats van het Wetboek van Strafvordering in acht te nemen bij de toepassing van dwangmiddelen, is ervoor gekozen om een belastingambtenaar naar verdachte te sturen. Verdachte heeft toen zijn volledige boekhouding aan de Belastingdienst verstrekt. Door deze gang van zaken is verdachte doelbewust en onherstelbaar in zijn belangen geschaad, waardoor het Openbaar Ministerie het recht op vervolging zou hebben verspeeld.

Het Hof is van oordeel dat verdachte zijn boekhouding vrijwillig ter beschikking heeft gesteld aan de Belastingdienst. Gezien het feit dat de aangiften omzetbelasting zijn gebaseerd op vermoedelijk vervalste verkoopfacturen, ontstaat op dat moment het redelijk vermoeden dat verdachte opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting heeft gedaan. Hierna is een gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte gestart. Het verweer wordt verworpen.

Verdachte heeft zich als bestuurder van een BV gedurende een periode van bijna 4 jaar schuldig gemaakt aan belastingfraude. De fraude bestond eruit dat verdachte in deze periode vrijwel alle verkoopfacturen op een zodanige manier vervalste dat het leek alsof er door de onderneming veel minder omzetbelasting verschuldigd was dan in werkelijkheid het geval was. Op basis van deze vervalste facturen diende de verdachte de aangiften omzetbelasting in. De fiscus is hierdoor een bedrag van € 665.000 misgelopen. Verdachte heeft uiteindelijk een schikking met de Belastingdienst getroffen, op grond waarvan hij een bedrag van € 100.000 heeft terugbetaald. De rest van het geld zal vermoedelijk nooit meer geïnd kunnen worden.

Verdachte is zijn frauduleuze handelingen pas gestopt nadat de Belastingdienst onderzoek is gaan doen naar de juistheid van de aangiften. Nergens blijkt dat hij van plan is geweest er eerder mee op te houden. Zijn onderneming heeft jaren geprofiteerd van de fraude en zou het volgens verdachte zonder die fraude niet hebben gered. Aldus heeft verdachte jarenlang, in feite gesubsidieerd door de Staat, een oneerlijke concurrentiepositie tegenover andere marktpartijen kunnen innemen. Verdachte heeft daarvan zelf, als bestuurder van de onderneming, ook jarenlang geprofiteerd. De aangevoerde omstandigheid dat verdachte niet het oog heeft gehad op zelfverrijking snijdt naar het oordeel van het Hof geen hout. Omdat sprake is van oude feiten ziet het Hof aanleiding om, in afwijking van het vonnis van de Rechtbank en thans door de Advocaat-Generaal gevorderde, een groter deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:727

 

Rechtbank matigt boetes wegens geslaagd beroep op vrijwillige verbetering verzwegen vermogen bij de UBS bank

De inspecteur heeft over verschillende jaren vergrijpboetes opgelegd aan belanghebbende vanwege in het buitenland verzwegen aangehouden gelden (bij de UBS bank en andere bankinstellingen). Voor de jaren 2005 tot en met 2008 bedraagt de boete die ziet op de gelden bij UBS 40% en de boete die ziet op gelden bij overige bankinstellingen 30%. Voor de jaren 2009 tot en met 2014 bedraagt de boete die ziet op de gelden bij UBS 100%. Voor de jaren 2009 tot en met 2013 bedraagt de boete die ziet op de gelden bij overige bankinstellingen 60%. De inspecteur heeft ten aanzien van alle opgelegde boetes een matiging toegepast vanwege het meewerken van belanghebbende aan het vaststellen van de juiste omvang van de belastingschuld. Verder heeft de inspecteur rekening gehouden met vrijwillige verbetering (inkeer), maar alleen ten aanzien van de boetes die zien op gelden die werden gehouden bij andere bankinstellingen dan de UBS bank.

In geschil is of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De Rechtbank overweegt dat het erom gaat of op het moment van de inkeer louter objectief bezien de serieuze mogelijkheid bestond dat de buitenlandse bankrekening niet zou worden achterhaald. Als dat het geval is, is sprake van een vrijwillige verbetering. De inspecteur dient naar het oordeel van de Rechtbank aannemelijk te maken dat belanghebbende in de concrete omstandigheden van het geval er op het moment van de inkeer objectief gezien niet vanuit mocht gaan dat er een serieuze kans bestond dat de inspecteur zijn bankrekening bij de UBS bank niet op het spoor zou komen.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende destijds redelijkerwijs moest vermoeden dat de Nederlandse Belastingdienst lucht zou krijgen van het bij de UBS bank aangehouden vermogen. Met name heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat er geen serieuze mogelijkheid bestond dat zijn buitenlandse bankrekeningen bij het onderzoek van de Belastingdienst niet zou worden achterhaald. De Rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de feiten en omstandigheden van dit geval (de handelwijze van belanghebbende) weliswaar aanleiding geven tot het vermoeden dat is geanticipeerd op het onderzoek van de inspecteur, maar dat dit vermoeden door belanghebbende voldoende is ontzenuwd door (onweersproken) te stellen dat UBS zelf al eerder een beleid was gaan voeren om de relatie met klanten die vermogen verzwegen voor de Belastingdienst, op te zeggen. De Rechtbank wijst er hierbij op, dat tussen de klantcontacten van belanghebbende met de UBS bank en de ruime media-aandacht over het groepsverzoek geruime tijd is verstreken. Verder overweegt de Rechtbank dat de omstandigheid dat belanghebbende eind 2013/begin 2014 wellicht bewust heeft getracht het verzwegen vermogen buiten het zicht van de Nederlandse Belastingdienst te blijven houden, niets zegt over de relevante omstandigheden ten tijde van de inkeer op 30 juni 2016.

Ook als de Rechtbank ervan uit gaat dat belanghebbende naar aanleiding van het aangekondigde beleid van de UBS bank zijn rekening heeft opgezegd met als doel om het vermogen bij een ander bank (met een minder streng beleid) onder te brengen, bewijst dat niet meer dan dat belanghebbende opzettelijk vermogen is blijven verzwijgen, iets wat in deze zaak niet in geschil is en dus geen (nader) bewijs behoeft.

De Rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat (ook) ten aanzien van de bankrekening van belanghebbende bij de UBS bank sprake is van een vrijwillige verbetering. De Rechtbank sluit daarbij aan bij de matiging die de inspecteur heeft toegepast bij de boetes die zien op de overige bankrekeningen, waarvoor reeds een vrijwillige verbetering werd aangenomen. Zo zal de boete voor het jaar 2014 in zijn geheel komen te vervallen, zullen de boetes voor de jaren 2009 tot en met 2013 worden gematigd tot 60% en voor de jaren 2005 tot en met 2008 tot 30%. De Rechtbank acht deze boetes passend en geboden, aangezien er op deze manier rekening is gehouden met zowel de vrijwillige verbetering als met het meewerken na de inkeer. De Rechtbank matigt de vergrijpboetes verder met 10% matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:2017

Grove schuld bij toepassen afdrachtvermindering onderwijs niet aangetoond door inspecteur

Belanghebbende exploiteert een timmerfabriek. Haar activiteiten bestaan uit het vervaardigen van houten deuren, ramen en kozijnen en het verhandelen van de producten uit de timmerfabriek. Verschillende werknemers hebben een opleidingsprogramma bij belanghebbende gevolgd.

Belanghebbende heeft in haar loonaangiften voor de werknemers die het opleidingsprogramma hebben gevolgd, de afdrachtvermindering onderwijs toegepast. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende de afdrachtvermindering onderwijs ten onrechte heeft toegepast en is overgegaan tot het opleggen van naheffingsaanslagen loonheffingen over de jaren 2010 en 2011. De inspecteur heeft over 2010 en 2011 voorts vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 3.277 en € 7.227 waarbij is uitgegaan van grove schuld. Vanwege het tijdsverloop tussen de bekendmaking van het boetevoornemen en het opleggen van de boetes en de omstandigheid dat belanghebbende tijdens het onderzoek heeft meegewerkt, zijn de boetes gematigd tot 10% van de nageheven belasting.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Naar het oordeel van de Rechtbank rust op de inspecteur de bewijslast dat sprake is van grove schuld. De Rechtbank overweegt dat belanghebbende ten onrechte de afdrachtvermindering onderwijs heeft toegepast, omdat het opleidingsprogramma niet is gekwalificeerd als een beroepsopleiding in de zin van de WEB. Dit leidt tot het oordeel dat belanghebbende de loonheffingen die zij op aangifte moest afdragen gedeeltelijk niet heeft betaald.

Naar het oordeel van de Rechtbank is echter geen sprake van grove schuld. Belanghebbende verkeerde, op basis van informatie die zij had gekregen van een stichting, in de veronderstelling dat het opleidingsprogramma wel degelijk aan de eisen van de WEB voldeed. Zij mocht op die informatie vertrouwen, nu deze afkomstig is van een stichting die door de minister is erkend. Naar het oordeel van de Rechtbank kon en mocht belanghebbende – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs menen dat haar standpunt en daarmee de door haar gedane aangiften loonheffingen juist waren. Voor zover de boetes zijn gestoeld op de omstandigheid dat aan de praktijkovereenkomsten formele gebreken zouden kleven dan wel dat stukken ontbreken, is de Rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat die gebreken te wijten zijn aan de grove schuld van belanghebbende.

De Rechtbank vernietigt de opgelegde vergrijpboetes.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3890

Voormalig gemeenteraadslid veroordeeld voor omzetbelastingfraude en gewoontewitwassen

Verdachte, voormalig gemeenteraadslid, wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan twee stichtingen waarvoor hij alleen en zelfstandig bevoegd was, die belastingfraude pleegden. Vervolgens zou het daarvan afkomstige geld zijn witgewassen door het over te boeken naar andere (privé)rekeningen.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan btw-fraude en gewoontewitwassen. Verdachte heeft jarenlang, ieder kwartaal, opzettelijk ten onrechte omzetbelasting teruggevraagd en heeft dat geld vanaf de rekeningen van zijn stichtingen overgeboekt naar onder meer zijn privérekening en rekeningen van zijn gezinsleden. Het benadelingsbedrag voor de Nederlandse Staat bedraagt ruim € 300.000.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de Rechtbank in zijn nadeel rekening met de omstandigheid dat verdachte als voormalig gemeenteraadslid een voorbeeldfunctie bekleedde, en in die rol mee besliste over de besteding van middels belastingheffing verkregen publieke middelen. Daartegenover heeft hij jarenlang de gemeenschap benadeeld door een eerlijke belastingheffing te frustreren met het doen van onjuiste aangiften en het privé aanwenden van de verkregen belastinggelden . De Rechtbank merkt op dat het onderwerp integriteit van politieke ambtsdragers de afgelopen jaren frequent aandacht heeft gekregen. Verdachte heeft met zijn handelen het aanzien van het openbaar bestuur beschadigd.

Anderzijds houdt de Rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte op zijn 63e jaar nog niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De Rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:2544

 

Vergrijpboetes voor opvoeren fictieve kosten als voorbelasting

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2009 tot en met 2013 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Daarbij zijn tevens vergrijpboetes opgelegd.

Belanghebbende drijft een eenmanszaak en handelt in richtmiddelen voor schietsportwapens en in messen. Naar aanleiding van een bedrijfsbezoek en een boekenonderzoek door de inspecteur is een controlerapport opgemaakt. Daaruit blijkt dat belanghebbende vrijwel niets van de primaire administratie kan tonen. De administratie zou dan ook niet voldoen om te dienen als basis voor de aangiften omzetbelasting. Over de jaren 2009 tot en met 2013 zou een bedrag van € 49.698 ten onrechte als voorbelasting zijn geclaimd.

In geschil is onder meer of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij door hem gemaakte kosten, waaronder fictieve kosten in aftrek heeft gebracht. Ook heeft belanghebbende verklaard dat hij aan hem uitgereikte facturen abusievelijk bij het oud papier heeft gezet, op grond waarvan hij het bewijs van de aan voorbelasting aan hem in rekening gebrachte bedragen niet meer kan leveren.

Het Hof is van oordeel dat bij het doen van de kwartaalaangiften het belanghebbende niet vrij stond in plaats van de daadwerkelijke bedragen aan voorbelasting, bedragen aan gemaakte en fictieve kosten in zijn aangiften op te nemen. Dat belanghebbende door het weggooien van de facturen thans niet meer over de juiste gegevens beschikt, behoort volgens het Hof tot zijn risico. Nu belanghebbende geen enkel inzicht heeft kunnen verschaffen in de beweerdelijk aan hem in rekening gebrachte voorbelasting en de hoogte daarvan, heeft de inspecteur de aftrek van de als zodanig in de kwartaalaangiften opgenomen bedragen terecht geweigerd.

De grondslag voor de boetes wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat als gevolg van opzet van belanghebbende niet is betaald. De boetes dienen derhalve te worden berekend over de naheffingsaanslagen, zoals deze luiden na de door het Hof aan te brengen vermindering. Het Hof bepaalt de boetes op € 6.955,50 voor de jaren 2010 en 2011 en op € 4.272,50 voor de jaren 2012 en 2013. In de financiële omstandigheden van belanghebbende ziet het Hof grond tot matiging van de boetes tot € 6.000 respectievelijk € 3.500. Het Hof acht deze boetes passend en geboden. Wegens het tijdverloop tussen de kennisgeving van de boetes en de uitspraak van de Rechtbank is een vermindering van 10% geïndiceerd. De boetes worden daarmee vastgesteld op € 5.400 respectievelijk € 3.150.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:3911

 

Geen geslaagd beroep op avas of pleitbaar standpunt; verzuimboetes terecht opgelegd

Aan belanghebbende zijn twee naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd alsmede twee verzuimboetes van € 61 en € 79.

Belanghebbende is als communicatieadviesbureau opgericht in 2008. De activiteiten van belanghebbende bestaan voornamelijk uit het samenstellen van ‘’De verloskundigentas’’. Deze tas bevat informatie voor zwangere vrouwen en is op verzoek van de samenwerkende verloskundigen en kraamzorgstichtingen ontwikkeld. Belanghebbende heeft op de door haar ingediende aangiften omzetbelasting naar een tarief van 21% aangegeven over de vergoeding die zij factureert. Belanghebbende heeft de verschuldigde omzetbelasting niet betaald, maar een verzoek tot vrijstelling ingediend. Dit verzoek is door de inspecteur afgewezen.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op vrijstelling alsmede of de verzuimboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De Rechtbank overweegt ten aanzien van de vrijstelling dat er geen gronden zijn de activiteiten van belanghebbende in aanmerking te laten komen voor vrijstelling. De Rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van een pleitbaar standpunt dan wel afwezigheid van alle schuld (avas).

Het Hof overweegt dat het vooroverleg met de Belastingdienst over de in geschil zijnde kwestie is begonnen op 12 april 2015. Kort na een bedrijfsbezoek is belanghebbende door de Belastingdienst geïnformeerd over het feit dat de betaalde werkzaamheden door de inspecteur worden gezien als het verstrekken van reclame. Belanghebbende kende het standpunt van de inspecteur dus al voordat uiterlijk aangifte moest worden gedaan. Belanghebbende heeft geen jurisprudentie naar voren gebracht die het door belanghebbende ingenomen standpunt rechtvaardigt.

Overigens heeft belanghebbende aangevoerd dat een medewerkster van de Belastingdienst heeft geadviseerd om de op aangifte verschuldigde belasting niet te betalen, maar eerst de beslissing van de inspecteur af te wachten. Het Hof beschouwt deze stelling als een beroep op avas en wijst dit af, omdat de inspecteur ontkent dat zulke toezeggingen zijn gedaan en belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit wel het geval was.

De verzuimboetes zijn terecht aan belanghebbende opgelegd en de hoogte daarvan is passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:549

 

Matrassenhandelaar veroordeeld tot gevangenisstraf voor omzetbelastingfraude en het opmaken van valse facturen

Verdachte wordt ervan verdacht (als feitelijk leidinggever) onjuiste dan wel onvolledige aangiften omzetbelasting te hebben ingediend en valse facturen met onjuiste btw-vermelding te hebben opgemaakt.

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – als feitelijk leidinggever – matrassen heeft verkocht aan particulieren. Op de levering van deze matrassen was tot 1 juli 2012 het verlaagd BTW-tarief van toepassing. In 2012 heeft de Belastingdienst het standpunt ingenomen dat de geleverde matrassen niet langer kwalificeerden voor het verlaagd tarief en dat derhalve het algemeen tarief van toepassing was.

Verdachte heeft ter zitting desgevraagd erkend dat hij van dit gewijzigde standpunt op de hoogte was. Verdachte heeft er desondanks voor gekozen om het verlaagde tarief te blijven toepassen, zonder daarvan mededeling te doen aan de Belastingdienst. De kennelijk daaraan ten grondslag liggende reden, te weten dat hij van mening was en is dat de matrassen voldoen aan de voorwaarden van het verlaagd tarief vanwege de (gestelde) antidecubituswerking, doet er naar het oordeel van het Hof niet aan af dat hij op de hoogte was van het andersluidende oordeel van de Belastingdienst.

Verdachte heeft niet aannemelijk kunnen maken dat zijn standpunt door (fiscale) deskundigen wordt gedeeld. Derhalve staat vast dat er onjuiste aangiften omzetbelasting zijn ingediend voor de leveringen van matrassen door het verlaagd tarief in rekening te brengen, terwijl dat tegen het algemeen tarief had moeten gebeuren. Verdachte heeft dit met opzet gedaan, zonder de Belastingdienst daarover te informeren.

Het Hof is voorts van oordeel dat de opgestelde facturen op een volstrekt gekunstelde wijze tot stand zijn gekomen, waarbij geen recht wordt gedaan aan de werkelijke verhoudingen, waaronder de verwachtingen bij de klanten van de onderneming. Op de facturen zijn – in strijd met de waarheid – onjuiste bedragen vermeld, met als enig doel om deze valse facturen te hanteren als onderbouwing van de onjuiste aangiften omzetbelasting. De Staat is daarmee voor ongeveer € 750.000 benadeeld.

De handelwijze van verdachte wordt gekenmerkt door een hardnekkige en principiële houding van verdachte die niet wil accepteren dat het verlaagd tarief voor de omzetbelasting voor een deel van zijn producten niet mag worden gehanteerd. Dit levert evident een recidiverisico op met daaruit voortvloeiende schade voor de maatschappij.

Gelet op de omvang van de fraude, de lange duur ervan en de volhardendheid van de verdachte is het Hof van oordeel, daarbij ook rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat hij thans in faillissementsbewaring verblijft, dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:359

Gevangenisstraf voor belastingconsulent die op grote schaal opzettelijk onjuiste aangiften voor zijn cliënten indiende

Verdachte heeft over een periode van een aantal jaren op grote schaal als belastingconsulent voor klanten bij het doen van aangifte inkomstenbelasting onjuiste – want te hoge – bedragen aan persoonsgebonden aftrek opgevoerd. Hij heeft ten onrechte geschatte bedragen opgevoerd en heeft bovendien kosten vermeld die zijn klanten in het geheel niet hadden gemaakt of waarvan zij geen bonnen konden overleggen. Het resultaat van deze werkwijze was dat het belastbaar inkomen van de klanten steeds te laag werd vastgesteld, waardoor te weinig belasting werd geheven. Het laat zich daarbij aanzien dat verdachte voor zijn klantenbestand heeft geput uit minder kapitaalkrachtigen die normaliter niet aangifteplichtig zijn. Door het opvoeren van hoge kosten – waardoor zijn klanten dikwijls geld terugkregen – werden zij elk jaar opnieuw uitgenodigd om aangifte te doen, waarvoor zij steeds weer bij de verdachte aanklopten. Op die manier lijkt verdachte in staat te zijn geweest veel klanten aan zich te binden. Het verdienmodel van verdachte was daarbij gestoeld op het in korte tijd afhandelen van zoveel mogelijk aangiften, waardoor de klanten van verdachte – die in voorkomende gevallen de Nederlandse taal überhaupt niet machtig waren – slechts in zeer geringe mate controle hebben kunnen uitoefenen op de inhoud van de aangiften.

Op deze manier heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn klanten in hun belastingadviseur hebben gesteld. Daarbij komt nog dat de procesopstelling van verdachte volgens het Hof allerminst een sympathieke is. Ter zitting heeft verdachte categorisch geweigerd de hand in eigen boezem te steken en de schuld voor het gebeurde enkel gelegd bij zijn klanten en de Belastingdienst. Dit alles neemt het Hof verdachte zeer kwalijk en maakt dat het Hof, alles afwegende, slechts een gevangenisstraf recht vindt doen aan het verwijt dat verdachte treft.

Het Hof gaat uit van een benadelingsbedrag van € 470.522. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:275