Categorie: Fiscaal sanctierecht

Geen pleitbaar standpunt; nota van afrekening is aan te merken als een factuur in de zin van art. 37 OB

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk namens de BV doen van onjuiste aangiftes omzetbelasting en valsheid in geschrift. Verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Met het eerste cassatiemiddel klaagt verdachte over het feit dat het Hof ten onrechte het pleitbaar standpunt-verweer terzijde heeft geschoven. In dit verband bevat het middel onder meer de klacht dat het Hof heeft geoordeeld dat een nota van afrekening – als zijnde factuur – resulteert in een formele BTW verschuldigdheid ex. art. 37 OB. Ingevolge de (deel)klacht zou naar materiële maatstaven de nota van afrekening niet tot BTW verschuldigdheid leiden.

Door het Hof is overwogen dat de BV op grond van art. 37 OB omzetbelasting had moeten aangeven en voldoen. Dit artikel bepaalt dat degene die op enigerlei wijze melding maakt van omzetbelasting welke hij, anders dan op grond van dit artikel, niet verschuldigd is geworden, die belasting verschuldigd wordt op het tijdstip waarop hij die factuur uitreikt en deze belasting op aangifte moet voldoen. Deze bepaling moet in het licht van art. 203 BTW-richtlijn worden uitgelegd. Uit dit artikel komt naar voren dat eenieder omzetbelasting is verschuldigd wanneer dit staat vermeld op een factuur. Onder ‘factuur’ moet worden verstaan elk bescheid waarin van een ander betaling gevorderd wordt. Het Hof heeft vastgesteld dat naast een akte van levering van de onroerende goederen ook een aparte nota van afrekening is opgemaakt door de notaris waarin onder andere het bedrag van de verschuldigde omzetbelasting is vermeld. Ook is vastgesteld dat de betaling aan de BV op basis van deze nota van afrekening is verricht, dat bij dergelijke verkooptransacties door de BV nooit een aparte verkoopfactuur werd opgemaakt en uitgereikt, en dat deze nota van afrekening, welke door de bestuurder van de BV voor akkoord werd ondertekend, bij de BV derhalve de plaats heeft ingenomen van een ‘eigen’ verkoopfactuur.

De nota van afrekening is hierdoor aan te merken als een factuur in de zin van art. 37 OB. De Hoge Raad overweegt dat dit geen onjuiste of onbegrijpelijke rechtsopvatting is. Het hieruit voortvloeiende oordeel van het Hof dat niet kan worden gezegd dat de BV ten tijde van het doen van haar aangifte redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze aangifte, ondanks het niet opnemen van de door haar in rekening gebrachte omzetbelasting, toch juist was, is evenmin onjuist of onbegrijpelijk.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1504

 

Vergrijpboete bij omkering van bewijslast wegens jarenlang niet opgeven van inkomsten uit hennephandel

Belanghebbende heeft al jaren (2006 tot 2013) geen aangifte inkomstenbelasting gedaan. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat belanghebbende in die jaren inkomsten uit hennephandel heeft gehad. Naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek heeft de inspecteur het inkomen van belanghebbende geschat en hem een navorderingsaanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2013 opgelegd en een vergrijpboete. Wegens het niet doen van de vereiste aangifte is de bewijslast omgekeerd. In bezwaar is de navorderingsaanslag verminderd naar een bedrag van € 227.810 en de vergrijpboete naar € 46.386.

In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende willens en wetens informatie heeft achtergehouden. Hierdoor is geen juiste aanslag inkomstenbelasting vastgesteld. Belanghebbende heeft geen expliciete gronden aangevoerd tegen de vergrijpboete.

De Rechtbank overweegt ten aanzien van de vergrijpboete dat belanghebbende het standpunt van de inspecteur niet betwist. De inspecteur heeft daarentegen toegelicht dat belanghebbende meerdere jaren heeft verzuimd aangifte te doen. Vlak voor het opleggen van de navorderingsaanslag is nog een aangiftebiljet voor 2013 ingediend maar daarin is alleen een eigenwoningschuld aangegeven. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor zijn financiële positie en heeft inkomsten uit hennephandel genoten, aldus de Rechtbank. Zodoende is de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende opzettelijk geen correcte aangifte heeft gedaan.

Wat betreft de omvang van de vergrijpboete is de Rechtbank van oordeel dat ondanks de omkering van de bewijslast, die het risico kan meebrengen dat het belastbaar inkomen te hoog wordt vastgesteld, de boete niet naar een te hoog bedrag is ingeschat. De inspecteur heeft namelijk gemotiveerd gesteld dat belanghebbende hoogstwaarschijnlijk meer inkomsten heeft genoten dan waarvan is uitgegaan bij het opleggen van de aanslag.

De Rechtbank stelt de aanslag € 1.414 lager vast en vermindert de vergrijpboete dienovereenkomstig. Daarnaast wordt de boete nog verlaagd met 20% vanwege overschrijding van de redelijke termijn (€ 9.204). De vergrijpboete bedraagt na vermindering € 36.815. De Rechtbank acht deze boete passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:3133

 

Boetebeschikking niet op juiste wijze bekend gemaakt; terugverwijzing bezwaar tegen boete

De inspecteur heeft op 14 oktober 2015 aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting, alsmede een beschikking belastingrente en een (vergrijp)boete opgelegd. De inspecteur heeft de bezwaren hiertegen niet-ontvankelijk verklaard, nu deze medio 2018 door belanghebbende zijn ingediend. De bezwaren zijn vervolgens aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering en deze zijn afgewezen. Belanghebbende gaat in beroep en stelt dat de aanslag, de belastingrente en de boete niet op de juiste wijze zijn bekendgemaakt nu hij deze wegens detentie niet heeft ontvangen.

In geschil in hoger beroep is onder andere of belanghebbende de aanslag en de beschikkingen heeft ontvangen.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de aanslag en de beschikkingen op de juiste wijze bij de postdienst zijn aangeboden. De inspecteur heeft toegelicht het adres van belanghebbende aan de hand van de klantenadministratie BRP van de Belastingdienst te hebben vastgesteld. Niet is gebleken dat de inspecteur een aanwijzing heeft gehad dat belanghebbende gedetineerd was. Belanghebbende heeft toegelicht dat zijn (rancuneuze) ex-partner niet de desbetreffende post aan hem heeft overhandigd. Voor wat betreft de aanslag en de rentebeschikking vindt het Hof de verklaring van belanghebbende onvoldoende; het Hof vindt dat voldoende aannemelijk is dat de aanslag en de rentebeschikking op de juiste wijze zijn bekend gemaakt. In zoverre wordt het hoger beroep van belanghebbende afgewezen.

Het Hof overweegt dat de inspecteur dient te bewijzen dat belanghebbende de boetebeschikking heeft ontvangen. Dit vloeit voort uit het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1102) waarin dit is uitgemaakt voor bezwaarschriften tegen boetes die zijn ingediend vóór 1 augustus 2019. Als bewijs voert de inspecteur een verzendrapportage aan. Volgens het Hof is dit een aanwijzing van ontvangst maar gelet op de bescherming die artikel 6 EVRM biedt is dit onvoldoende om te bewijzen dat belanghebbende de boetebeschikking daadwerkelijk heeft ontvangen. Ook de inspecteur heeft tijdens de zitting erkend dat hij de ontvangst niet kan bewijzen. Op basis hiervan gaat het Hof ervan uit dat belanghebbende de boetebeschikking niet heeft ontvangen waardoor deze niet op de juiste wijze is bekendgemaakt. Dit heeft tot gevolg dat de termijnoverschrijding wat betreft de vergrijpboete verschoonbaar is.

Het Hof komt al met al tot hetzelfde oordeel als de Rechtbank, namelijk dat de zaak terugverwezen wordt naar de inspecteur voor een inhoudelijke beoordeling van de opgelegde boete.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:1768

AG: Een fiscale bewezenverklaring voor het ‘gebruiken’ van een valse factuur staat geen strafrechtelijke bewezenverklaring van het ‘opstellen’ van diezelfde factuur in de weg

Verdachte heeft valse facturen opgemaakt en in zijn bedrijfsadministratie opgenomen. Een deel van de valse facturen is aan de Belastingdienst overgelegd toen deze een onderzoek naar de aangiftes omzetbelasting begon. Het Hof heeft onder andere bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan: belastingfraude (artikel 69 lid 2 AWR), het opmaken van een (deels) valse administratie (artikel 225 Sr lid 1) en het aan de Belastingdienst voor raadpleging beschikbaar stellen van valse stukken (artikel 68 lid 1 onderdeel c  jo. artikel 69 lid 2 AWR)).

De verdachte klaagt er in de eerste plaats over dat het Hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift ten aanzien van ‘een deel van de bedrijfsadministratie’. Artikel 225 Sr zou volgens de verdachte niet betrekking moeten hebben op ‘een deel’ van de bedrijfsadministratie, maar op het geheel. De AG overweegt gelet op eerdere rechtspraak dat valse facturen inderdaad kunnen resulteren in een valse administratie als geheel, maar dat dit niet de mogelijkheid wegneemt om het valse gedeelte als zodanig in de tenlastelegging c.q. bewezenverklaring op te nemen. De eerste klacht zou in de visie van de AG daarom falen.

Ook klaagt de verdachte er over dat het Hof ten onrechte het opmaken van de valse facturen in de administratie als strafbaar feit in de zin van artikel 225 lid 1 Sr heeft gekwalificeerd terwijl feitelijk sprake was van gebruik richting de Belastingdienst. Het gebruik maken van een vals geschrift is strafbaar gesteld in artikel 225 lid 2 Sr maar dit mag, als het gebruik richting de Belastingdienst betreft, slechts op grond van de AWR worden vervolgd, zo bepaalt artikel 69 lid 4 AWR. De verdachte voert in feite aan dat het opmaken én ter beschikking stellen van de factuur één gedraging is. Nu de (gehele) gedraging al bewezen is verklaard, is de vervolging omzeild door aansluiting te zoeken bij artikel 225 lid 1 Sr (geschrift vervalsen ‘om’ als zodanig te gebruiken).

De AG overweegt dat het opstellen van een vals geschrift en het gebruik daarvan (naar derden) twee verschillende vergrijpen zijn. Het opstellen van de valse facturen is bewezenverklaard onder artikel 225 lid 1 Sr, en niet onder het tweede lid waarin het ‘gebruik’ van het valse geschrift strafbaar is gesteld. Het ‘gebruik’ van een vals geschrift is in het onderhavige geval bewezenverklaard onder het fiscale delict (artikel 68 jo 69 AWR, het ter beschikking stellen van valse administratie). Zodoende is de vervolguitsluiting van artikel 69 lid 4 AWR niet omzeild. De tweede klacht faalt in de visie van de AG daarom eveneens.

De AG merkt tot slot nog op dat wanneer de vervolgingsuitsluitingsgrond van toepassing is, dit niet leidt tot niet-strafbaarheid maar tot niet-ontvankelijkheid van het OM.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:813

OM niet-ontvankelijk wegens het instellen van een opsporingsonderzoek en vervolging naar niet verstrekte informatie terwijl de rechtmatigheid van informatiebeschikkingen wordt aangevochten

De Belastingdienst onderzoekt de aangiften van twee natuurlijke personen en aanverwante vennootschappen. Ten behoeve van dit onderzoek worden diverse gegevens opgevraagd en verstrekt. Naar aanleiding hiervan worden vervolgvragen gesteld naar klantdossiers en facturen betreffende diverse Limiteds. De (rechts)personen en de Belastingdienst belanden vervolgens in een geschil over het verstrekken van deze gegevens. Hangende deze fiscale procedure start het OM een strafrechtelijk onderzoek tegen de desbetreffende (rechts)personen wegens het schenden van de fiscale inlichtingenverplichting (art. 69 lid 1 AWR). In dat kader worden diverse doorzoekingen verricht. De hieruit verkregen gegevens bevat de informatie waar het geschil omtrent de reikwijdte van de informatieverplichting op ziet. Het OM heeft desgevraagd deze informatie aan de inspecteur verstrekt. In geschil is de vraag of deze handelwijze van het OM leidt tot niet-ontvankelijkheid, hetgeen de rechtbank had geoordeeld.

Het Hof stelt voorop dat aan het OM op de voet van artikel 167 lid 1 Sv de bevoegdheid toekomt om te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Een inhoudelijke rechterlijke toetsing wordt zeer beperkt toegepast. Slechts in die gevallen waarin de regels van de goede procesorde zijn geschonden, bijvoorbeeld door een onevenredige vervolging, wordt op deze grond de niet-ontvankelijkheid uitgesproken.

Vervolgens overweegt het Hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte te goeder trouw gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om in bezwaar en beroep te gaan tegen de informatiebeschikking. De bezwaren waren op pleitbare gronden aangevoerd waardoor er geen sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Tijdens de doorzoekingen bij de verdachten zijn stukken en andere gegevens(dragers) in beslag genomen en vastgelegd die naar aanleiding van een vragenbrief hadden moeten worden verstrekt. Ondertussen lag in de fiscaalrechtelijke bezwaarprocedure nog de vraag voor of weigering van deze stukken en informatie wel of niet terecht was. Vervolgens zijn door het OM diezelfde gegevens en inlichtingen verschaft aan de inspecteur, die daar al om had gevraagd. Aangezien het OM met de bezwaarprocedure bekend is, mag een bijzondere voorzichtigheid worden verwacht. Met een dergelijke handelwijze van het OM wordt, aldus het Hof, de effectieve rechtsbescherming ernstig te kort gedaan van een verdachte die tevens met een zijns inziens onterecht informatieverzoek van de Belastingdienst wordt geconfronteerd.

Het Hof overweegt volledigheidshalve dat het niet ondenkbaar is dat het OM onder bepaalde omstandigheden ondanks de lopende fiscaalrechtelijke procedure, gerechtvaardigd is een opsporingsonderzoek en een vervolging te starten. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien een belastingplichtige aan het traineren is of in het geval er een dreiging is dat stukken worden weggemaakt.,

Tenslotte oordeelt het Hof dat onder deze omstandigheden het instellen en voortzetten van de vervolging van verdachte, onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Het OM wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:7629

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:7628

Belastingadviseur kan niet worden aangemerkt als ‘degene die bij belastingwet voorziene aangifte heeft gedaan’

Verdachte is een belastingadviseur die opzettelijk onjuist en/of onvolledig aangiftes inkomstenbelasting ten name van anderen deed. Meer specifiek nam hij in de aangiftes onjuiste aftrekposten op. De vraag in cassatie is of verdachte in zijn hoedanigheid van belastingadviseur kan worden aangemerkt als ‘degene die bij belastingwet voorziene aangifte heeft gedaan’ in de zin van art. 69 lid 2 AWR.

Het eerste cassatiemiddel klaagt dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij als belastingadviseur niet de in artikel 69 lid 2 AWR vereiste kwaliteit bezit. De aangifteplicht zou slechts rusten op degene die is uitgenodigd, dan wel de belastingplichtige die dat uit eigen beweging doet, maar in geen geval op de belastingadviseur. Het Hof Amsterdam had dit verweer verworpen. Het Hof was namelijk van oordeel dat in art. 69 lid 2 AWR slechts sprake is van kwaliteitsdelicten indien en voor zover wordt terugverwezen naar de in art. 68 lid 1 AWR omschreven gedragingen. In dit geval is daarvan geen sprake nu bewezen is verklaard dat de verdachte opzettelijk onjuiste aangiftes heeft gedaan. Deze gedraging is zelfstandig strafbaar gesteld in art. 69 lid 2 AWR zonder dat wordt terugverwezen naar de in art. 68 lid 1 AWR genoemde verplichtingen.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van 28 januari 2020 en merkt op dat in de parlementaire geschiedenis naar voren komt dat artikel 69 lid 2 AWR ziet op degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft of degene die als vertegenwoordiger van de belasting- of betalingsplichtige optreedt in de zin van art. 42 tot en met art. 44 AWR.

Daarnaast bevatten art. 47 tot en met art. 51 Sr mogelijkheden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij het onjuist en/of onvolledig doen van aangiftes onder specifieke omstandigheden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid, aldus de Hoge Raad. Ook kan onder omstandigheden de desbetreffende gedraging, het onjuist indienen van belastingaangiften kwalificeren als valsheid in geschrifte (artikel 225 Sr) nu deze delictsomschrijving tegen ‘eenieder’ is gericht.

Zodoende komt de Hoge Raad tot het oordeel dat artikel 69 lid 2 AWR niet ziet op het onjuist indienen van aangiften door een belastingadviseur. De overweging van het Hof inhoudende dat de verdachte in de hoedanigheid van belastingadviseur kan worden aangemerkt als ‘degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doet’ in de zin van art. 69 lid 2 AWR geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof en wijst de zaak terug naar hetzelfde Hof..

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1372

Oud-registeraccountant krijgt 9 maanden gevangenisstraf wegens het plegen van meerdere fiscale delicten en valsheid in geschrift

Verdachte, oud-registeraccountant en zelfstandig ondernemer, is door het Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden wegens het plegen van verschillende fiscale delicten en van valsheid in geschrift.

De verdediging voerde eerst een niet-ontvankelijkheidsverweer. Verdachte zou willekeurig zijn vervolgd nu tenminste 8.400 andere ondernemers vergelijkbare fouten in de aangiften hebben gemaakt. Het Hof overweegt daarentegen dat er niet voldoende is onderbouwd dat er sprake is van gelijke gevallen. Verdachte is jarenlang registeraccountant geweest en is werkzaam geweest in de accountancy, ook als vennoot. Met die hoedanigheid, kennis en opgedane ervaring mag bij verdachte niet alleen op boekhoudkundig, maar ook op fiscaal terrein de nodige kennis worden verondersteld. Het Hof acht daarom het OM ontvankelijk.

Inhoudelijk heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake zou zijn van noodweerexces. De verdachte zou bang zijn geweest voor zijn compagnon die geld uit de onderneming verduisterde, erg dominant was en die een pistool op zak had. Daarnaast zou hij verdachte gedwongen hebben om bepaalde investeringen te doen. Het Hof overweegt dat deze stelling niet is onderbouwd, er is niet gebleken dat voor verdachte sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging geboden was.

Wat betreft de strafoplegging overweegt het Hof dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zestal misdrijven die alle tot doel hebben om financieel gewin te behalen. Zo heeft hij onjuiste aangiftes omzetbelasting, loonbelasting en premie volksverzekeringen voor 2 bedrijven gedaan, een vervalste kilometeradministratie ingediend en heeft hij een factuur valselijk opgemaakt. Het benadelingsbedrag dat hierdoor is ontstaan is € 200.000.

Voor een benadelingsbedrag van €200.000 wordt normaalgesproken een gevangenisstraf voor de duur van tussen de 9 en 12 maanden opgelegd. Dat verdachte op verschillende rechtsgebieden valse aangiftes heeft gedaan, in verschillende tijdvakken en over meerdere jaren en dat verdachte jarenlang werkzaam is geweest als registeraccountant wordt aan hem zwaar aangerekend.

Ondanks het feit dat de procedure 5 jaar heeft geduurd ziet het hof geen aanleiding om de straf te matigen. Hiertoe overweegt het Hof dat de lange procedure niet geheel buiten de invloed van de verdediging is gelegen. Zo is de procedure vertraagd door vakantie van verdachte, wisseling van zijn raadsman, en een inhoudelijke zitting welke door de verdediging is gebruikt voor het behandelen van onderzoekswensen. Het Hof acht een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:7183

Vergrijpboete wegens een onverklaarbaar kasverschil dat belanghebbende niet kan onderbouwen

Belanghebbende vormt een fiscale eenheid met 6 (klein)dochtervennootschappen, waarbij de fiscale eenheid financieringswerkzaamheden verricht en bedrijfspanden aan horecaondernemers verhuurt. Uit een boekenonderzoek is onder meer gebleken dat er in het jaar 2011 een onverklaarbaar kasverschil van € 120.000 is geweest. In opdracht van de DGA is destijds € 50.000 van de €120.000 overgeboekt naar de rekening-courant en is het overige deel ten laste van het resultaat van belanghebbende gebracht. De inspecteur meent dat sprake is van voorwaardelijk opzet, waarvoor hij een vergrijpboete heeft opgelegd van 50%. Nu de onttrekking in de inkomstenbelasting als uitdeling in aanmerking is genomen, is de boete wegens samenloop met de inkomstenbelasting gematigd tot 25%..

Ter verweer (van voorwaardelijk opzet) voert belanghebbende aan dat het kasverschil is ontstaan door fraude waarna onmiddellijk maatregelen zijn genomen. Bovendien betrof het kasverschil slechts een klein percentage van de totale omzet, zo’n 2%. De inspecteur stelt hier tegenover dat belanghebbende beschikt over een automatenregistratiesysteem; handmatige fraudegevoelige telsessies zouden hierdoor zijn vervallen. Daarbij komt dat belanghebbende bij aanvang van het onderzoek had aangegeven dat er geen verschillen waren. De omzet had door het kasverschil € 70.000 hoger moeten zijn dan is aangegeven. Volgens de inspecteur is er geen sprake geweest van fraude, waardoor de correctie ten onrechte ten laste van de winst is gekomen.

De inspecteur heeft tevens een boete opgelegd omdat belanghebbende geen deugdelijke onderbouwing kan geven voor het kasverschil van € 120.000 en de verdeling van het kasverschil over de rekening-courant en de winst. Ook naar het oordeel van het Hof is het aan voorwaardelijk opzet te wijten dat door belanghebbende te weinig belasting is geheven. Daarbij is rekening gehouden met de positie van de directeur – tevens aanmerkelijkbelanghouder – die opdracht tot de boeking in rekening-courant heeft gegeven en die bij aanvang van het boekenonderzoek het kasverschil voor 2011 niet heeft gemeld. Hierdoor is het Hof van oordeel dat belanghebbende zich bewust was van het feit dat zij ten onrechte het kasverschil ten laste van de winst heeft gebracht.

De inspecteur had de boete verlaagd van 50% tot 25% wegens samenloop met de inkomstenbelasting. Daarnaast is bij de Rechtbank de boete verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof acht de resterende boete in beginsel passend en geboden. Wel beoordeelt het Hof of de boete nog verder gematigd dient te worden wegens overschrijding van de redelijke termijn. Die is met minder dan een half jaar overschreden waardoor het Hof de boete enigszins verder vermindert.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:7160

Hof: lagere straf dan rechtbank voor opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting als gevolg van te laat inleveren van facturen bij boekhouder

Verdachte wordt ervan verdacht feitelijk leiding te hebben gegeven aan het plegen van belastingfraude door twee vennootschappen, een holding en zijn werkmaatschappij, welke een fiscale eenheid vormen. De verdachte leverde zijn in- en verkoopfacturen met grote vertragingen in bij zijn boekhoudkantoor. Zodoende werd het boekhoudkantoor gedwongen de aangiften omzetbelasting naar schatting en niet op basis van de facturen te doen. Gebruikelijk was dat door verdachte vervolgens – geruime tijd later – alsnog de facturen werden verstuurd, waarna het boekhoudkantoor de aangiftes corrigeerde met de suppletieaangiften.

Het Hof overweegt dat de verdachte wist dat de aangiftes maandelijks moesten worden ingevuld en ingediend. Ook wist hij dat de aangiftes niet juist konden worden ingediend nu het boekhoudkantoor de aangiftes niet kon baseren op door de verdachte tijdig verstrekte informatie. Dat de verdachte de aan hem als bestuurder van de vennootschappen gerichte post met kopieën van de aangiftes niet opende disculpeert hem noch ten opzichte van zijn boekhouder, noch ten opzichte van de belastingdienst. Ter verweer voert de verdachte verder aan dat het boekhoudkantoor ten aanzien van de omschreven gang van zaken heeft aangegeven dat dit niet strafbaar zou zijn. Ter terechtzitting wordt dit echter door verklaringen van de medewerkers van het boekhoudkantoor en door eerdere e-mailcorrespondentie ontkracht. Het Hof concludeert dan ook dat de verdachte ten aanzien van het indienen van te lage aangiften minstens voorwaardelijke opzet heeft gehad en acht het tenlastegelegde bewezenverklaard.

Bij de straftoemeting weegt het Hof mee dat verdachte in het verleden publieke functies heeft bekleed, dus bewust is van de financiële liquiditeitsbelangen van de overheid. Ten voordele van verdachte weegt het Hof verder mee dat niet is gebleken dat sprake is geweest van zwarte inkomsten en dat bij de verdachte de bedoeling bestond om de op de facturen in rekening gebrachte omzetbelasting uiteindelijk via het systeem van suppletieaangifte af te dragen. Daarnaast heeft het Hof oog voor de ingrijpende gevolgen van de strafzaak voor het zakelijk- en privéleven van de verdachte. Gelet op deze omstandigheden veroordeelt het Hof verdachte tot een taakstraf van 100 uur en komt daarmee tot een andere weging dan de Rechtbank die verdachte in 2017 voor dezelfde feiten veroordeelde tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:2433

Verdachte, boekhouder en administrateur, is volgens rechtbank medepleger van belastingfraude ondanks dat hij geen weerstand kon bieden aan zijn medeverdachte

De verdachte is boekhouder en administrateur. Hem wordt verweten dat hij samen met anderen gedurende bijna vier jaar opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend voor enkele vennootschappen.

Ter verweer voert de verdediging aan dat verdachte zich weliswaar bewust is geweest van het indienen van onjuiste aangiften maar dit te doen in opdracht van zijn medeverdachten. De verdachte had door zijn ondergeschikte rol geen weerstand aan zijn medeverdachten kunnen bieden, aldus de verdediging. Volgens de verdediging is daarom hoogstens sprake van medeplichtigheid, wat niet aan hem ten laste was gelegd. De Rechtbank overweegt echter dat verdachte gedurende enkele jaren geen afstand heeft genomen van de frauduleuze gang van zaken waardoor er sprake is van medeplegen.

De Rechtbank neemt verdachte kwalijk de betrouwbaarheid van het voor bonafide ondernemers zeer belangrijke systeem van snelle belastingteruggave te hebben ondermijnd. Daarnaast houdt de Rechtbank rekening met het feit dat verdachte in zijn hoedanigheid als professioneel boekhouder en administrateur geen afstand heeft gehouden van fraude. De Rechtbank komt gelet op de ernst van de feiten tot het oordeel dat enkel een gevangenisstraf passend is. Hoewel de Rechtbank de eis van een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, redelijk en passend acht, wordt hiervan afgezien wegens overschrijding van de redelijke termijn met 1 jaar en 3 maanden. In plaats van het onvoorwaardelijk gedeelte van de straf legt de Rechtbank een taakstraf op van 240 uur.

De Rechtbank ziet in afwijking van het standpunt van het Openbaar Ministerie af van het opleggen van een beroepsverbod, omdat verdachte al vele jaren werkzaam is als boekhouder en administrateur en niet eerder voor strafbare feiten met justitie in aanraking is gekomen. De Rechtbank overweegt verder dat verdachte inziet dat hij onjuist heeft gehandeld; hij heeft zijn bestaan als zelfstandige ingeruild voor het werken in loondienst om te voorkomen dat hij nog eens in een soortgelijke situatie wordt verleid tot het doen van onjuiste aangiften.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:7928