Categorie: Fiscaal sanctierecht

Vergrijpboete van € 4.000 voor ten onrechte toepassen van stamrechtvrijstelling

Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd voor het jaar 2012. Daarbij is tevens een vergrijpboete van € 8.086 opgelegd. In geschil is onder meer of de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag een vergrijpboete aan belanghebbende heeft opgelegd.

De inspecteur heeft een vergrijpboete van 25% opgelegd wegens grove schuld aan de zijde van belanghebbende. De inspecteur is van mening dat belanghebbende had kunnen en moeten weten dat met het oprichten van een BV alleen, niet aan de voorwaarden voor de stamrechtvrijstelling is voldaan en dat de stamrechtvrijstelling dus niet had mogen worden toegepast. De inspecteur heeft de vergrijpboete na bezwaar verminderd tot € 4.000.

Belanghebbende is van oordeel dat de boete disproportioneel hoog is en dat de inspecteur eerder had moeten reageren, zodat belanghebbende alles had kunnen terugdraaien. Ook brengt belanghebbende naar voren dat de Belastingdienst nergens heeft aangegeven dat de stamrechtvrijstelling een complex product is waarvoor hij een belastingadviseur nodig zou hebben.

De Rechtbank is van oordeel dat sprake is van grove schuld aan de zijde van belanghebbende. Belanghebbende was op de hoogte van de voorwaarden voor de toepassing van de stamrechtvrijstelling. Toen belanghebbende een bedrag van de bankrekening van de stamrechtvennootschap overmaakte naar zijn privérekening (€ 62.207), had hij naar het oordeel van de Rechtbank kunnen en moeten begrijpen dat een dergelijke handelwijze niet in overeenstemming is met de voorwaarden. Dit geldt ook als een belastingplichtige niet fiscaal deskundig is en sprake is van een redelijk complexe regeling met specifieke voorwaarden.

Daarbij komt dat het de Rechtbank niet is gebleken dat belanghebbende op een andere manier een begin heeft gemaakt met het naleven van de voorwaarden. Belanghebbende heeft namelijk ook geen stramrechtovereenkomst afgesloten met de BV. Daardoor volgt nergens uit dat de BV uiterlijk in het jaar waarin belanghebbende 65 wordt periodieke uitkeringen zal gaan verstrekken. Het betoog van belanghebbende dat de inspecteur eerder had moeten reageren zodat hij alles kon terugdraaien slaagt niet volgens de Rechtbank, omdat de overschrijving vanaf de zakelijke rekening van de BV naar de privérekening van belanghebbende geen handeling is die achteraf kan worden teruggedraaid. Bij de beoordeling of het boetebedrag van € 4.000 passend en geboden is, houdt de Rechtbank rekening met het feit dat belanghebbende niet fiscaal deskundig is, dat het bedrag van € 62.207 beschikbaar is gebleven en dat belanghebbende de opname van dat bedrag niet in zijn aangiften inkomstenbelasting of de aangiften vennootschapsbelasting van de BV heeft verborgen. Desalniettemin acht de Rechtbank een vergrijpboete van € 4.000 gelet op de omstandigheden passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:148

Honderdtachtig uur taakstraf voor dga die een deel van de omzet van het bedrijf op zijn dochters bankrekening stortte

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode 2007 tot en met 2011 opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan.

Verdachte was directeur grootaandeelhouder van bedrijf Z. Verdachte heeft een deel van de omzet zonder haar medeweten op een bankrekening op naam van zijn dochter laten storten en niet op de bankrekeningen behorende bij andere bedrijven die deel uitmaakten van de fiscale eenheid. Over de jaren 2005 tot en met 2013 ontving hij circa € 500.000 op de bankrekening op naam van zijn dochter. Deze omzet heeft hij niet opgegeven bij de Belastingdienst. Verdachte heeft op deze manier gehandeld, om naar eigen zeggen, “zijn privéleven wat te veraangenamen”. Volgens de Rechtbank heeft verdachte met zijn handelen de Staat benadeeld. Ook heeft hij zijn dochter blootgesteld aan grote financiële risico’s door gebruik te maken van haar bankrekening. Volgens de Rechtbank heeft verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen financiële belangen. De Rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

De Rechtbank overweegt in het kader van de straftoemeting dat er sprake is van oude feiten, waarvan de redelijke termijn op 3 juli 2014 is gaan lopen. Dit betekent dat de redelijke termijn in deze zaak in aanzienlijke mate is overschreven. Dit tijdsverloop maakt dat de Rechtbank het niet meer passend vindt om een gevangenisstraf op te leggen. Daarbij betrekt de Rechtbank ook het feit dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld en dat hij inmiddels de naheffingen van de Belastingdienst heeft voldaan. Wel vindt de Rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Hierbij heeft de Rechtbank de financiële situatie van verdachte in overweging genomen en het feit dat, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, de rekenings-courantschuld aan zijn in 2013 opgerichte bedrijf X inmiddels is opgelopen tot bijna € 200.000. Gelet op deze situatie wil de Rechtbank, door het opleggen van een forse voorwaardelijke gevangenisstraf, het risico beperken dat verdachte weer een soortgelijk feit begaat. Daarnaast legt de Rechtbank aan verdachte een taakstraf van 180 uur op.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:158

Vergrijpboetes van 40% en 100% voor belanghebbende die UBS-bankrekening verzweeg

Belanghebbende heeft in haar aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 2003 tot en met 2014 geen melding gemaakt van de door haar aangehouden bankrekening bij de Zwitserse UBS-bank. Belanghebbende heeft op 27 oktober 2015 ten aanzien van deze bankrekening een beroep gedaan op de inkeerregeling.

De Rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van vrijwillige inkeer. Belanghebbende is door UBS in een brief van 16 september 2015 schriftelijk geïnformeerd over het feit dat de Belastingdienst om informatie heeft verzocht bij de Zwitserse belastingautoriteiten over UBS-rekeninghouders. Daarbij had publicatie in het Bundesblatt plaatsgevonden en vervolgens heeft een groot aantal Nederlandse media op zondag 27 september 2015 over het informatieverzoek bericht. Ook is namens belanghebbende op 30 september 2015 contact opgenomen met de Zwitserse autoriteiten. Deze feiten laten volgens de Rechtbank geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende objectief gezien redelijkerwijs moest vermoeden dat de inspecteur op de hoogte zou raken van haar rekening bij de UBS-bank en pas toen het voor haar duidelijk werd dat de inspecteur haar op het spoor zou komen, is ingekeerd. Hieraan voegt de Rechtbank nog toe dat na het formele beroep op de inkeerregeling van 27 oktober 2015 het nog ruim vier maanden heeft geduurd voordat belanghebbende – nadat de inspecteur daarom had gevraagd – alle gegevens met betrekking tot de bankrekening aan de inspecteur heeft verstrekt en daarmee de inkeer pas heeft voltooid.

De inspecteur heeft voor de jaren 2003 tot en met 2007 boetes opgelegd van 40% en boetes van 100% voor de jaren 2008 tot en met 2014. De Rechtbank acht de opgelegde boetes passend en geboden. In verband met een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden, ziet de Rechtbank aanleiding de boetes met 10% te verminderen.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:1

Aanslagen en boetes voor KB-Lux-houder die tegoeden op bankrekeningen achterhield voor de fiscus

Aan belanghebbende zijn over de jaren 1990 tot en met 1999 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd en over de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen (toen nog van toepassing zijnde) vermogensbelasting. Tevens zijn boetes opgelegd van 100%.

In geschil is of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. De inspecteur heeft de boetes opgelegd omdat belanghebbende rekeninghouder was van een of meer bankrekeningen bij KB-Lux, daaruit inkomsten heeft genoten en de rekeningen bij de Belastingdienst niet zijn opgegeven. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende er bewust voor gekozen een bankrekening te openen in een land met een bankgeheim teneinde de banktegoeden en de inkomsten daaruit op een listige wijze voor de Belastingdienst verborgen te houden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende houder was van de bankrekeningen bij de KB-Lux, dat de tegoeden aanzienlijk waren en dat deze ten onrechte niet zijn vermeld in de aangiften. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende het tegoed op en de inkomsten genoten van de bankrekeningen opzettelijk niet in zijn aangifte heeft vermeld. De verkregen gegevens zijn op rechtmatige wijze verkregen zodat deze ook in de procedure kunnen worden gebruikt.

De Rechtbank heeft de boetes gematigd met 10%, nu de aanslagen met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast zijn opgelegd. Anders dan in eerste aanleg, zijn de verschuldigde belastingbedragen in hoger beroep niet berekend met omkering en verzwaring van de bewijslast, maar gebaseerd op de door de KB-Lux verstrekte gegevens, zodat het Hof geen aanleiding ziet om op grond daarvan een matiging toe te passen. De Rechtbank heeft de boetes reeds gematigd met 20% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof ziet geen reden voor een verdergaande vermindering dan de 20%.

Het Hof merkt op dat de vastgestelde boetes, hoewel wordt uitgegaan van een hoger resterend percentage (namelijk 80% in plaats van 70% welke door de Rechtbank was vastgesteld), door de vermindering van de boetegrondslagen lager zijn dan door de Rechtbank waren vastgesteld.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:59

 

Heffing griffierecht in bestuursrechtelijke (fiscaal)sanctiezaken toegestaan

De Rechtbank heeft het betoog van belanghebbende dat voor het instellen van beroep tegen een (verzuim)boete geen griffierecht mag worden geheven verworpen. Tegen dat oordeel is beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad is van oordeel dat het heffen van griffierecht in (bestuursrechtelijke) boetezaken niet in strijd is met Europeesrechtelijke wetgeving. Het heffen van griffierecht is slechts in de gevallen waarbij dit – mede gelet op de voor de belastingplichtige in het geding zijnde belangen – een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt, niet toegestaan. Daarvan is echter niet gebleken.

Belanghebbende betoogt voorts dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Immers is voor de behandeling door de bestuursrechter van beroepen tegen opgelegde bestuurlijke boetes griffierecht verschuldigd, maar niet bij de behandeling van strafrechtelijke geschillen door de strafrechter.

De Hoge Raad verwerpt het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Met de heffing van het griffierecht in bestuursrechtelijke zaken heeft de wetgever onder meer beoogd dat rechtzoekenden aan de hand van de daaraan verbonden kosten een zorgvuldige afweging maken of het zin heeft om een zaak aan de rechter voor te leggen. Niet kan worden gezegd dat dit oordeel van de wetgever evident van iedere redelijke grond is ontbloot. Gelet op de aan de wetgever toekomende ruime beoordelingsvrijheid kan daarom naar het oordeel van de Hoge Raad niet worden gezegd dat het onderscheid met strafzaken, als al kan worden gesproken van gelijke gevallen, een objectieve rechtvaardiging ontbeert. Van een ongelijke behandeling is volgens de Hoge Raad geen sprake.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:30

 

Fiscale fraude met omgekatte auto’s

Ten laste van de (hoofd)verdachte is bewezen verklaard dat hij zich als feitelijk leidinggever schuldig heeft gemaakt aan het meermaals plegen van valsheid in geschrift en het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Voorts acht het Hof bewezen dat hij zich als natuurlijk persoon schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

Door valse verkoopfacturen op te maken en deze vervolgens in de administratie van zijn ondernemingen op te (laten) nemen heeft verdachte zich naar het oordeel van het Hof schuldig gemaakt aan BTW-fraude. Er is voordeel genoten door gebruik te maken van onder het reguliere BTW-regime vallende personenauto’s die waren omgekat naar marge-auto’s. Bij verkoop van een auto leidt deze fraudeleuze handelwijze ertoe dat de heffing van omzetbelasting alleen over de winstmarge van de transactie wordt afgedragen, terwijl zonder deze omkatting omzetbelasting over de totale vergoeding in rekening gebracht had moeten worden aan de eindverbruiker. Hierbij is gebruik gemaakt van plofbedrijven. Omdat deze plofbedrijven nauwelijks aangiften omzetbelasting indienden, verdwenen de door beginleveranciers in de keten aan deze plofbedrijven intracommunautair geleverde auto’s uit het zicht van de betrokken belastingdiensten. De auto’s zijn vervolgens door het plofbedrijf als margeauto aan de onderneming van verdachte verkocht, die de auto’s op zijn beurt doorverkocht als margeauto’s terwijl verdachte wist dat dit geen margeauto’s waren. Aangezien de auto in feite een auto was die onderworpen was aan het reguliere BTW-regime, rustte er op de volledige verkoopsom een BTW-claim en niet enkel op de winstmarge.

Voorts heeft verdachte, met betrekking tot de auto’s die aan Italiaanse bedrijven werden verkocht, naar het oordeel van het Hof zwaar verwijtbaar gehandeld door de door een bemiddelaar aangereikte gegevens van afnemers niet te verifiëren en deze vervolgens op zijn verkoopfacturen op te nemen. Verdachte heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij betrokken was bij BTW-carrouselfraude.

De verdediging heeft het Hof verzocht om uit te gaan van het in de belastingprocedure gestelde nadeelbedrag, zijnde ongeveer € 880.000. Het Hof zal evenwel niet dit concrete bedrag in de straftoemeting betrekken, nu het Hof niet beschikt over de stukken die ten grondslag liggen aan die nadeelberekening en de belastingkamer van het Hof nog geen uitspraak heeft gedaan. Voorts hoeft volgens het Hof hetgeen fiscaalrechtelijk is nageheven niet per definitie hetzelfde te zijn als het strafrechtelijk nadeel. Laatstgenoemd nadeelbedrag staat namelijk slechts in verband met de strafbare verwijten die de verdachte zijn gemaakt. Die verwijten kunnen uit opportuniteitsoverwegingen door het Openbaar Ministerie in tijd en omvang beperkt zijn tenlastegelegd. De feiten en omstandigheden die aan de fiscaalrechtelijke procedure ten grondslag liggen kunnen daarvan afwijken, omdat deze betrekking hebben op een andere periode en/of andere transacties.

Het Hof houdt voorts – in het voordeel van verdachte – rekening met het feit dat de redelijke termijn (fors) is overschreden. Het Hof oordeelt evenwel dat – gelet op de ernst van het bewezen verklaarde – niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het Hof veroordeelt de (hoofd)verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden. Ook overige verdachten zijn veroordeeld ter zake van de (fiscale) fraude met omgekatte auto’s.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:5463
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:5484
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:5485
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:5483

Twee jaar gevangenisstraf en beroepsverbod voor fraude met HIR

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in verschillende periodes belastingfraude heeft gepleegd, waaronder het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting alsmede valsheid in geschrift.

De Rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude met betrekking tot drie vennootschappen waarbij steeds sprake was van een ten onrechte opgevoerde herinvesteringsreserve (HIR). Het gevolg daarvan is geweest dat er te weinig belasting werd geheven bij verdachte en bij de vennootschappen waarvoor verdachte feitelijk verantwoordelijk was.

Het totale benadelingsbedrag van de bewezen verklaarde feiten is € 947.523. De Rechtbank overweegt dat daar in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden bij hoort. De Rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van strafverzwarende of -verlagende omstandigheden.

Uit door het Openbaar Ministerie verstrekte gegevens blijkt dat een deel van het veroorzaakte nadeel ongedaan is gemaakt. Ruim € 600.000 is ingevorderd bij een voormalig aandeelhouder. Hoewel het ongedaan maken van het veroorzaakte nadeel in beginsel een strafverlagende omstandigheid is, vindt de Rechtbank dat in dit geval niet. Daarvoor is van belang dat het nadeel niet door of namens verdachte ongedaan is gemaakt. Bij het feit waarbij de belastingplicht op verdachte als natuurlijk persoon rust is in het geheel geen sprake van het ongedaan maken van het nadeel.

De (forse) overschrijding van de redelijke termijn van 2,5 jaar neemt de Rechtbank als een strafverlagende factor mee. De Rechtbank vindt de strafverzwarende en -verlagende omstandigheden tegen elkaar opwegen en komt uit op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden.

Daarnaast ziet de Rechtbank aanleiding een beroepsverbod aan verdachte op te leggen, in die zin dat verdachte het beroep van statutair- of feitelijk bestuurder van rechtspersonen niet mag uitoefenen voor de duur van 5 jaren. Daarvoor is van belang dat verdachte zich als bestuurder van verschillende rechtspersonen schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrift en dat verdachte ook al eerder is veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen voor dit soort feiten. Kennelijk waren die eerdere straffen onvoldoende om verdachte ervan te weerhouden zich weer schuldig te maken aan fraude.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:9378

Vergrijpboetes voor belanghebbende die geen inkomsten heeft opgegeven terwijl uit kasopstellingen het tegendeel blijkt

In de woning van belanghebbende heeft een doorzoeking plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Daarbij zijn contante geldbedragen van in totaal € 16.000, een vuurwapen, munitie en plastic zakken met resten van henneptoppen aangetroffen.

Op 1 april 2014 is belanghebbende door de politie staande gehouden. Belanghebbende was op dat moment bestuurder van een personenauto. In de auto zijn onder meer een schietvest, contant geld voor een bedrag van € 28.000, gripzakjes met henneptoppen en een plastic zak met hennepplantenresten aangetroffen. Belanghebbende is toen aangehouden op verdenking van witwassen en overtreding van de Opiumwet.

De inspecteur heeft in 2014 de Officier van Justitie verzocht om inzage in de onderzoeksgegevens uit het strafrechtelijk onderzoek. De Belastingdienst is vervolgens een fiscaal onderzoek gestart. Daarbij zijn kasopstellingen gemaakt. In de kasopstelling zijn voor elk van de jaren 2009 tot en met 2013 de contante stortingen op bankrekeningen van belanghebbende, de contant bij belanghebbende aangetroffen bedragen en de contante aankopen bij elkaar opgeteld. Daarop zijn de contante opnamen in de betreffende jaren en de contante stortingen waar belanghebbende een toereikende verklaring voor had, in mindering gebracht.

Omdat belanghebbende voor elk van de jaren 2009 tot en met 2013 had aangegeven dat zijn inkomsten nihil waren, heeft de inspecteur (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting opgelegd alsmede vergrijpboetes. In geschil is of de opgelegde vergrijpboetes van respectievelijk € 12.076 en € 23.998 over 2012 en 2013 terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Ten aanzien van de opgelegde vergrijpboete over 2012 is de Rechtbank van oordeel dat deze op de juiste wijze is aangekondigd en terecht aan belanghebbende is opgelegd. Naar het oordeel van de Rechtbank is het aan de opzet van belanghebbende te wijten dat hij een onjuiste aangifte heeft gedaan. De Rechtbank acht bewezen dat belanghebbende inkomsten uit werkzaamheden heeft gehad en dat dit om een zodanig hoog bedrag gaat dat de Rechtbank tevens bewezen acht dat belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat sprake was van inkomsten die hij in de aangifte had dienen te vermelden. De stelling van belanghebbende dat hij niet bekend was met de wettelijke verplichting belastbaar inkomsten te melden in zijn aangifte, acht de Rechtbank niet geloofwaardig. Door zijn handelwijze heeft belanghebbende willens en wetens (op zijn minst) het risico genomen dat van hem te weinig belasting zou worden geheven. Wel ziet de Rechtbank aanleiding de vergrijpboete te matigen met 10% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

De vergrijpboete van 2013 zal worden verlaagd, omdat deze berust op een onjuiste grondslag. Bij het vaststellen van de vergrijpboete was abusievelijk uitgegaan van het inkomen uit werk en woning als grondslag in plaats van het bedrag van de aanslag. Verder zal de Rechtbank de boete (verder) matigen met 5% in verband de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:3756

 

Gevangenisstraf voor groeiende ondernemer met privéproblemen wegens indienen onjuiste belastingaangiften

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011, 2012 en 2015 waardoor te weinig belasting is geheven, het opzettelijk niet voeren van een administratie alsmede witwassen.

Verdachte heeft de feiten bekend. De Rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte gedurende vijf belastingjaren heeft gefraudeerd met betrekking tot de inkomstenbelasting. In de jaren 2011 en 2012 heeft verdachte onjuiste belastingaangiften gedaan en in 2015 heeft verdachte helemaal geen aangifte gedaan. Over de jaren 2013 tot en met 2015 heeft verdachte geen administratie bijgehouden, waardoor niet goed controleerbaar is wat verdachte verdiende.

Uit berekeningen van de Belastingdienst volgt dat verdachte in de jaren 2011-2015 in totaal € 399.617 aan belasting had moeten betalen. In plaats van die belasting te betalen heeft verdachte het geld naar het oordeel van de Rechtbank naar eigen goeddunken besteed. Uitgaande van een benadeling van ongeveer € 400.000 neemt de Rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden als uitgangspunt.

Verdachte lijkt volgens de Rechtbank niet doelbewust op zoek te zijn geweest naar mogelijkheden om de Belastingdienst te benadelen. Veeleer lijkt verdachte onvoldoende in staat te zijn geweest om te gaan met zijn groeiende onderneming(en) en zijn problemen in de privésfeer. Dit laat naar het oordeel van de Rechtbank onverlet dat door het handelen van verdachte de gemeenschap voor een groot bedrag is benadeeld.

Ter zitting heeft verdachte verklaard bereid te zijn de belastingschulden alsnog te betalen en gesteld dat hij hiertoe in de toekomst in staat te zijn, gelet op de verwachte opbrengsten van zijn ondernemingen. De Rechtbank moet echter vaststellen dat deze stelling van verdachte niet wordt ondersteund door stukken en dat ook niet is gebleken dat verdachte eind 2018 daadwerkelijk al een begin heeft gemaakt met het afbetalen van zijn belastingschuld. Ook blijkt uit het dossier dat verdachte niet altijd in staat is geweest om zijn toezeggingen in daden om te zetten. Zo heeft verdachte eerder voor belastingschulden gespaard, maar het geld toch aan iets anders uitgegeven.

Desalniettemin ziet de Rechtbank aanleiding om – in het voordeel van verdachte – af te wijken van het uitgangspunt. De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:9379

 

Ontnemingsvordering tóch mogelijk indien naast fiscale feiten ook sprake is van niet-fiscale feiten

Tegen veroordeelde is een ontnemingsvordering aanhangig gemaakt naar aanleiding van opzettelijk ingediende belastingaangiften, waardoor te weinig belasting is geheven.

Veroordeelde heeft als belastingadviseur namens klanten aangiften inkomstenbelasting gedaan en die klanten betaalden hem voor het doen van die aangiften. Vast is komen te staan dat in een groot aantal gevallen sprake was van een onjuiste belastingaangifte en dat daarmee sprake was van valsheid in geschrift. De vordering tot ontneming gaat uit van een wederrechtelijk voordeel dat veroordeelde heeft behaald doordat de klanten hem betaalden voor het opmaken van de valse geschriften en het doen van de onjuiste aangiften.

Omdat sprake is van een veroordeling op basis van onder meer de bij de belastingwet gestelde feiten, is het de vraag in hoeverre het Openbaar Ministerie ontvankelijk is, omdat de wet bepaalt dat geen ontnemingsvordering kan worden gestart ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten.

De Rechtbank komt tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.

De Rechtbank stelt voorop dat de wettekst duidelijk is: er wordt geen ontnemingsmaatregel opgelegd ter zake van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit. De wettekst maakt geen onderscheid in de wijze van deelnemen aan strafbare feiten noch in de aard van het verkregen voordeel. Bepalend is of sprake is van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit en of daarvan sprake is volgt uit de kwalificatie die de rechter aan het feit heeft gegeven.

Het is naar het oordeel van de Rechtbank voorstelbaar dat deze categorale uitsluiting van de bij belastingwet strafbaar gestelde feiten ertoe zou kunnen leiden dat bij een concreet feitencomplex sprake is van een onwenselijke uitkomst. De Rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om de wettekst zo uit te leggen dat het daarin geformuleerde toetsingsverbod in dergelijke gevallen niet zal gelden. Het moet ervoor worden gehouden dat de wetgever bij de totstandkoming van artikel 74 AWR de onderhavige situatie waarin geld wordt verdiend aan het doen van onjuiste aangiften voor een ander in ogenschouw heeft gehad, aangezien dit geregeld voorkomt.

Desalniettemin heeft de wetgever voor dergelijke gevallen geen uitzondering geformuleerd op de algemene regel dat ontneming niet mogelijk is bij een veroordeling voor een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit.

In de onderhavige zaak is echter sprake van niet alleen fiscale feiten, maar ook van valsheid in geschrift. De wettekst en jurisprudentie van de Hoge Raad verzetten zich er niet tegen dat wanneer ook sprake is van niet bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten, het op grond van die feiten verkregen voordeel wordt ontnomen.

Op grond van de dossierstukken bepaalt de Rechtbank het te ontnemen bedrag op € 81.690,36.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:9380