Categorie: Fiscaal sanctierecht

De Rechtbank acht geen grond aanwezig tot matiging van de verzuimboete wegens te laat betalen loonheffingen

Belanghebbende betaalt de verschuldigde loonheffing 15 dagen te laat en krijgt daarvoor een boete van € 2.209. Op 25 juni 2019 is aangifte loonheffingen gedaan voor het tijdvak juni 2019. Op basis van de aangifte is een bedrag van € 73.654 verschuldigd. Belanghebbende betaalt dit echter niet vóór de uiterste betaaldatum van 31 juli 2019 maar pas op 15 augustus 2019. De inspecteur legt op 22 augustus 2019 een naheffingsaanslag op van € 73.654 met een verzuimboete van € 2.209.

In geschil is de hoogte van de verzuimboete waarbij belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de verzuimboete niet in verhouding staat tot het verzuim.

Voor de beantwoording van de vraag of de boete in verhouding staat tot de ernst van het gepleegde feit dient naar het oordeel van de Rechtbank te worden nagegaan onder welke feiten en omstandigheden het verzuim is gepleegd. Belanghebbende heeft aangevoerd dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Door miscommunicatie en de vakantieperiode zou de verschuldigde loonheffingen te laat zijn voldaan.

In de door belanghebbende aangedragen feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de te late betaling ziet de Rechtbank geen aanleiding om de boete te matigen. Het is de inspecteur toegestaan om bij een verzuim een boete op te leggen van 3% van het bedrag aan belasting dat niet is betaald. De Rechtbank acht de boete, gelet op de hoogte van de verschuldigde loonheffingen, proportioneel. De Rechtbank begrijpt dat de boete een fors bedrag is, maar ziet geen grond om de boete te verminderen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:5123

Gevangenisstraf van 10 maanden maar geen beroepsverbod voor onder meer belastingfraude, schending ambtsgeheim en medeplichtigheid aan ambtelijke corruptie

Verdachte was medewerker van de Belastingdienst en tevens belastingadviseur. Hij wordt verdacht van het opzettelijk onjuist doen van aangiftes inkomstenbelasting, van schending van het ambtsgeheim door informatie uit systemen van de Belastingdienst aan te wenden ten behoeve van ongeoorloofde nevenwerkzaamheden als belastingadviseur, van valsheid in geschrift en van ambtelijke corruptie.

Samen met een medeverdachte werkte de verdachte bij de Belastingdienst. Ook werkten zij samen bij een belastingadvieskantoor met de naam Belasthink. Verdachte ontving op zijn Belastingdienst-e-mailadres een bezwaarschrift van een cliënt van Belasthink en zorgde er voor dat dit bij de medeverdachte terecht kwam, die het vervolgens honoreerde. Medeverdachte ontving hier € 500 voor. Hoewel verdachte niet van die vergoeding wist, vindt de rechtbank wel dat hij op zijn minst globale wetenschap heeft gehad van het feit waar hij bij behulpzaam is geweest. Dat levert ambtelijke corruptie op.

Ook was bij verdachte thuis informatie gevonden van de Belastingdienst. Dit betrof een cliënt van Belasthink, waardoor de Rechtbank er vanuit gaat dat de verdachte deze informatie gebruikt heeft voor zijn belastingadvies-werk. De verdachte had die informatie geraadpleegd en geprint uit systemen van de Belastingdienst waar hij als medewerker toegang toe had. Aangezien dit vertrouwelijke informatie is, heeft hij hiermee zijn ambtelijke geheimhoudingsplicht geschonden.

Wat betreft de valsheid in geschrift heeft verdachte een bezwaarschrift in naam van persoon X ingediend terwijl verdachte het bezwaarschrift zelf heeft opgesteld en ondertekend. Verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat hij het bezwaarschrift zelf heeft opgesteld en ondertekend, maar dit niet met zijn eigen naam kon ondertekenen aangezien hij belastingambtenaar was. De Rechtbank vindt dat hij daarmee opzettelijk in strijd met de waarheid de naam van persoon X onder het bezwaarschrift heeft vermeld, en dus valsheid in geschrift heeft gepleegd.

Verder heeft de verdachte in totaal € 3.000 aan donaties als aftrekpost in aangiften inkomstenbelasting opgevoerd, terwijl die donaties niet zijn gedaan. De Rechtbank acht het opzettelijk onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting daarmee bewezen.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk. Wel ziet de Rechtbank af van het opleggen van een beroepsverbod als belastingadviseur. De verdachte is inmiddels ontslagen bij de Belastingdienst en heeft geen toegang meer tot de systemen van de Belastingdienst om de daaruit voortvloeiende informatie aan te wenden voor zijn huidige werkzaamheden als Belastingadviseur.

De medeverdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk. Hij werd alleen vervolgd voor, en veroordeeld wegens, schending van een ambtsgeheim en ambtelijke corruptie verweten.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:6161

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:6162

Taakstraf van 180 uur wegens het doen plegen van het niet voeren van een deugdelijke administratie en valsheid in geschrift

Verdachte is fiscalist en oud-advocaat. Hij werkt voor een juridisch advieskantoor dat op naam van zijn vrouw staat en laat zijn aangiften omzetbelasting verzorgen door zijn boekhouder. Hij wordt na een onderzoek naar omzetbelastingfraude vervolgd wegens valsheid in geschrift en het niet voeren van een deugdelijke administratie voor het juridisch advieskantoor.

In juli 2014 werd door de Belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld bij het juridisch advieskantoor omdat er twijfel was ontstaan over wie bij deze onderneming als ondernemer kon worden gezien. Bij het inleidend gesprek heeft de vrouw verklaard dat zij de onderneming niet zelf heeft geëxploiteerd aangezien zij daar de kennis niet voor heeft. Zij heeft nooit als ondernemer daadwerkelijk werkzaamheden verricht in de onderneming. De werkzaamheden van verdachte bestonden uit het beheren van de onderneming. De Belastingdienst concludeert dan ook dat de inschrijving van de vrouw als ondernemer niet aansluit bij de feitelijke situatie.

Uit het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat de administratie dusdanige gebreken bevat dat deze niet voldoet aan de aan een bedrijfsadministratie te stellen eisen. De administratie is daardoor niet binnen een redelijke termijn te controleren. Volgens de Rechtbank strekken de geconstateerde gebreken er daarmee toe dat er te weinig belasting is geheven. De Rechtbank komt tot dit oordeel omdat de ondeugdelijke administratie als basis mocht dienen voor het doen van aangiftes omzetbelasting.

De Rechtbank staat voor de vraag wat de rol van verdachte is geweest bij het voeren van die gebrekkige administratie. De strafbaarstelling van art. 69 AWR richt zich tot degene die op grond van de belastingwet verplicht is tot het voeren van de vereiste administratie en dat is in het onderhavige geval alleen de vrouw. Verdachte kan niet als pleger worden aangemerkt, omdat hij niet op grond van de AWR verplicht is tot het voeren van die administratie.

De vraag die zich vervolgens voordoet is of verdachte kan worden aangemerkt als doen pleger. Van doen plegen is sprake wanneer iemand een ander een delict laat uitvoeren waarvoor die ander niet zelf kan worden gestraft. De Rechtbank is van oordeel dat de vrouw zonder opzet, schuld of toerekenbaarheid heeft gehandeld. Daarnaast moet er sprake zijn van opzet bij verdachte. Gelet op het feit dat verdachte fiscaal jurist is, met jarenlange ervaring als ondernemer, is de Rechtbank van oordeel dat verdachte bekend moet zijn geweest met de administratieve en fiscale eisen die aan een onderneming worden gesteld. De Rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde doen plegen van het niet voeren van een deugdelijke administratie kan worden bewezen.

Door het niet voeren van de vereiste administratie is het onmogelijk geweest om de omzet te bepalen en daarmee is het ook onmogelijk geweest om de juiste bedragen in te vullen in de aangiften omzetbelasting. Verdachte liet de aangiften opmaken door zijn boekhouder. De ingediende aangiften zijn, omdat zij zijn gebaseerd op deze ondeugdelijke administratie, dan ook per definitie gebaseerd op onjuiste bedragen aan omzet en daarmee vormen het valse geschriften. De Rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het valselijk laten opmaken hiervan en dat valsheid in geschrift kan worden bewezen.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Hoewel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel past bij het geschatte nadeelbedrag, vindt de rechtbank dat nu niet passend omdat het gaat om oude feiten, de zaak lang heeft geduurd en wegens de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:3311

Verzuimboete voor ANBI-stichting wegens nihilaangifte overdrachtsbelasting

De inspecteur heeft aan belanghebbende, een ANBI, een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd ter zake van de verkrijging van de economische eigendom van een onroerende zaak. Belanghebbende had – in afwachting van een minnelijke taxatie met de Belastingdienst – een belastbare verkrijging van nihil aangegeven. Het pand is uiteindelijk in een minnelijke overeenkomst met de inspecteur gewaardeerd op € 2.200.000. Naast de naheffing van 6% overdrachtsbelasting heeft de inspecteur ook een verzuimboete van € 4.400 opgelegd.

In geschil in hoger beroep is of de inspecteur de verzuimboete terecht aan belanghebbende heeft opgelegd.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur bij het opleggen van de boete niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht. Uit de motivering van de naheffingsaanslag kon belanghebbende volgens de rechtbank opmaken welk feit haar werd verweten. Die motivering kan in redelijkheid niet anders worden uitgelegd dan dat belanghebbende geen overdrachtsbelasting heeft voldaan terwijl zij dat wel had moeten doen. Voorts vermeldt de motivering de materiële boetebepaling, art. 67c Awr. Naar het oordeel van het Hof is hiermee op zichzelf al aan de mededelingsplicht voldaan.

Daarnaast meent belanghebbende dat de verzuimboete achterwege had moeten blijven vanwege de afwezigheid van alle schuld (‘avas’). Zij stelt dat haar bij het doen van de aangifte niet bekend was wat de waarde van de onroerende zaak was en daarmee wat het bedrag van de verschuldigde overdrachtsbelasting was. Vaststaat dat belanghebbende de belasting in het geheel niet heeft betaald, ook niet nadat zij van het belastbare feit pas enige maanden later aangifte had gedaan. Verder staat vast dat ten tijde van het ontstaan van de belastingschuld de onroerende zaak een waarde had, en ook dat belanghebbende daarmee bekend was. Dat er voor verschillende doeleinden verschillende waardes van de onroerende zaak in omloop waren, ontslaat belanghebbende niet ervan de belasting over een haar bekende waarde of een in haar opdracht vast te stellen waarde op aangifte te voldoen, temeer nu zij er ook mee bekend was dat die waarde niet nihil kon zijn. Hieruit volgt dat er geen sprake is van avas.

Ook meent belanghebbende dat zij een pleitbaar standpunt heeft. Belanghebbende voert aan dat zij de inspecteur om een gezamenlijke taxatie had verzocht en dat deze gezamenlijke taxatie ten tijde van het doen van de aangifte nog niet had plaatsgevonden. Volgens belanghebbende is in haar geval sprake van een pleitbaar standpunt, omdat zij meent dat zij juist heeft gehandeld door in de aangifte erop te wijzen dat om een middellijke taxatie was verzocht, en zij met deze handelwijze de koninklijke weg heeft bewandeld. Het Hof is van oordeel dat naar objectieve maatstaven gemeten het niet verdedigbaar is in zijn geheel geen overdrachtsbelasting te voldoen, ook niet in de door belanghebbende geschetste omstandigheden.

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond en het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1672

Verzuimboete wegens onterecht gebruik handelaars-kentekenplaat

Belanghebbende exploiteert een onderneming die is gespecialiseerd in autoverhuur, maar voert ook reparaties aan auto’s uit. Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van de weg waarbij hij een handelaarsplaat van een naburig bedrijf heeft geleend. Het originele kenteken dat bij de auto behoorde stond op naam van belanghebbende maar was al anderhalf jaar daarvoor geschorst en bij de RDW afgemeld als “voertuig geĂ«xporteerd”. Er heeft echter geen registratie in een ander land plaatsgevonden.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over de periode 25 december 2015 tot en met 24 december 2016 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 2.879 en een verzuimboete van € 2.879. Belanghebbende bestrijdt zowel de naheffingsaanslag als de verzuimboete.

Belanghebbende heeft ten aanzien van de verzuimboete primair gesteld dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (‘avas’) nu hij in de hoedanigheid van handelaar specifiek voor dit geval het handelaarskenteken kon gebruiken. Het Hof verwerpt deze stelling, reeds omdat het belanghebbende in casu niet was toegestaan om het handelaarskenteken van het naburige bedrijf te gebruiken voor een rit in verband met de mogelijke verkoop van zijn privĂ©auto. Ook de stelling dat de wetgeving rond handelaarskentekens complex is kan niet tot het oordeel leiden dat sprake is van avas, temeer nu belanghebbende in het verleden zelf over een handelaarskenteken heeft beschikt en uit dien hoofde mag worden verondersteld bekend te zijn met de daarvoor geldende regels.

Subsidiair heeft belanghebbende betoogd dat sprake is van een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de opgelegde boete. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Belanghebbende was, als vermeld, volgens het Hof op de hoogte van de regels voor handelaarskentekens. Hij is op Eerste Kerstdag 2016 aangetroffen op de openbare weg in zijn privéauto, die op dat moment reeds anderhalf jaar bij de RDW geregistreerd stond als geëxporteerd. Bovendien was de auto ten tijde van de controle voorzien van een handelaarskenteken dat niet aan belanghebbende maar aan het naburig bedrijf toebehoorde, terwijl belanghebbende de auto op dat moment gebruikte voor een privéaangelegenheid.

Ter zitting in hoger beroep heeft belanghebbende zich ook nog op het standpunt gesteld dat sprake is van een pleitbaar standpunt. Het Hof acht het standpunt van belanghebbende, dat het zou zijn toegestaan om een handelaarskenteken dat toebehoort aan een ander te gebruiken voor een privéaangelegenheid juridisch niet pleitbaar. Het Hof acht een boete van 100% passend en geboden. Van een wanverhouding is geen sprake.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1795

Taakstraf van 240 uur wegens onterecht toepassing van de margeregeling

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude in 2014 door als feitelijk leidinggevende opzettelijk onjuiste aangiftes omzetbelasting te laten indienen door zijn boekhouder. Verdachte heeft ten onrechte gebruik gemaakt van de margeregeling. Hij verkoopt uitsluitend nieuwe telefoontoestellen, terwijl de margeregeling alleen geldt voor gebruikte goederen. Hierdoor is bijna € 135.000 te weinig belasting geheven. De verklaring van verdachte dat hij dacht dat het tweedehands telefoontoestellen betrof is ongeloofwaardig.

Verdachte heeft ook zijn boekhouder bewust onjuiste gegevens verstrekt en opdracht gegeven om (ten onrechte) de margeregeling toe te passen op de aangiftes omzetbelasting. De stelling van verdachte dat zijn boekhouder zonder medeweten van de verdachte onjuiste aangiftes heeft ingediend, wordt weersproken door de bewijsmiddelen. De Rechtbank acht bewezen daarom dat verdachte opzettelijk onjuiste aangiftes omzetbelasting heeft laten doen als feitelijk leidinggevende waardoor er te weinig belasting is geheven

De Rechtbank spreekt verdachte vrij van medeplegen, omdat verdachte zich als feitelijk leidinggevende schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde en hij ten tijde van het ten laste gelegde enig bestuurder en enig aandeelhouder was van de vennootschap. Een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zichzelf is onmogelijk.

Wat betreft de strafoplegging heeft de Rechtbank meegewogen dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld en de feiten zijn gepleegd in 2014. Sindsdien heeft verdachte zich niet opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De Rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten die gelden bij een lager benadelingsbedrag. De oriëntatiepunten bieden ook ruimte voor een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf. De Rechtbank zal verdachte een taakstraf van 240 uur opleggen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:10217

Boekhouder veroordeeld tot werkstraf en beroepsverbod voor het indienen van 91 onjuiste aangiftes omzetbelasting voor een cliënt

Verdachte is boekhouder. Hem is ten laste gelegd dat hij voor 4 bedrijven in totaal 91 onjuiste aangiftes omzetbelasting heeft gedaan in de periode 2011 tot en met 2017. Dat waren bedrijven van één van zijn cliënten. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het medeplegen van belastingfraude, omdat hij zijn cliënt in staat heeft gesteld op zeer grote schaal fraude te plegen. Verdachte heeft bekend dat hij de aangiftes niet heeft gedaan conform de boekhouding, maar heeft aangepast op verzoek. Hij wist dat de ingediende aangiftes omzetbelasting niet klopten met de werkelijkheid.

De Rechtbank heeft gekeken naar  de oriëntatiepunten voor straftoemeting. Gezien de hoogte van het benadelingsbedrag van ruim € 2.500.000 aan te weinig betaalde omzetbelasting zou in beginsel een gevangenisstraf van enige jaren op zijn plaats zijn. De Rechtbank vindt het in deze zaak echter niet passend het benadelingsbedrag als uitgangspunt te nemen voor de strafmaat. Reden hiervoor is dat niet is gebleken dat verdachte op de hoogte was van de precieze omvang van de fraude, dat hij geen initiatiefnemer was, dat hij een ondergeschikte rol had en geen financieel voordeel heeft gehad van de belastingfraude en dat hij vanaf de start van de onderzoeken openheid van zaken heeft gegeven.

In strafverzwarende zin weegt de Rechtbank mee dat verdachte de feiten heeft gepleegd als boekhouder en dat hij hiermee is begonnen toen hij nog in een proeftijd liep van een veroordeling voor het plegen van verduistering in dienstbetrekking. Verdachte moet zich als boekhouder bewust zijn geweest van het verwijtbare van zijn handelen. Hij heeft jarenlang belastingfraude gefaciliteerd en de schatkist, en daarmee de maatschappij, benadeeld.

De Rechtbank legt verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 240 uur op. Daarnaast heeft de Rechtbank verdachte een beroepsverbod van vijf jaar opgelegd om hem ervan te weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:10216

Gevangenisstraf van 12 maanden voor een leidinggevende van een accountants- en advieskantoor wegens het feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste aangifte

Verdachte, leidinggevende van een accountants- en advieskantoor, wordt veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting van twee BV’s en het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting. Dit laatste element heeft betrekking op een privĂ© verbouwing waarvoor kosten zakelijk in aanmerking zijn genomen. Voor wat betreft de aangiften omzetbelasting betoogde verdachte dat hij hieraan geen feitelijk leiding had gegeven omdat hij nauwelijks betrokken was bij het doen van die aangiften binnen zijn bedrijven. De Rechtbank leidt echter uit getuigenverklaringen af dat verdachte wel degelijk, als ‘micro manager’, bij de administratie van zijn bedrijven betrokken was.

De Officier van Justitie eiste een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De raadsman van verdachte voert aan dat bij de straftoemeting in acht moet worden genomen dat de redelijke termijn ver is overschreven, de verdachte door toedoen van de FIOD zijn baan is kwijtgeraakt en dat verdachte een blanco strafblad heeft.

De Rechtbank legt de nadruk op het feit dat juist van een leidinggevende bij een accountants- en advieskantoor professionaliteit en zorgvuldigheid mag worden verwacht. Door binnen deze beroepsgroep belastingfraude te plegen wordt niet alleen het vertrouwen in het financiële systeem ondermijnd, maar wordt ook het vertrouwen in de beroepsgroep ondermijnd. Ten aanzien van de redelijke termijn heeft de verdediging overwogen dat deze begint te lopen vanaf het moment dat cautie is verleend. De Rechtbank merkt echter het eerste formele verhoor aan als startpunt. Als gevolg hiervan overweegt de Rechtbank dat de termijn niet zodanig is overschreden dat hier in aanzienlijke mate rekening mee moet worden gehouden. Verder houdt de Rechtbank ten nadele van de verdachte rekening met de verschillende gedragingen die gericht waren op het doen van onjuiste aangiften. Bovendien merkt de Rechtbank op dat de verdachte op geen enkele manier zelfinzicht ten aanzien van de strafbaarheid van de gedragingen heeft getoond.

De Rechtbank houdt verder rekening met een fiscaal nadeel van € 224.689,00 dat de maatschappij als gevolg van de belastingfraude heeft geleden. De Rechtbank merkt op dat de LOVS-richtlijn bij een fiscaal nadeel tussen de € 125.000,00 en € 250.000,00 als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden neemt.

Gelet op de voorgaande omstandigheden acht de Rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:2250

Gevangenisstraf van 10 maanden voor fiscale fraude en witwassen

Een kringloopstichting heeft de administratie valselijk opgemaakt door daarin een groot aantal donatiebevestigingen op te nemen, terwijl er in werkelijkheid geen donaties waren gedaan. De betalingen onder de noemer van ‘donatie’ bleken in werkelijkheid betalingen te zijn van klanten ten behoeve van in hun opdracht verrichte werkzaamheden. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan het valselijk opmaken van een administratie en het niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van 2 contante geldbedragen van in totaal 201.000 gulden, die ter inwisseling voor euro’s zijn aangeboden bij De Nederlandsche Bank. Bij de vraag of hiervoor voldoende bewijs voorhanden is, neemt het Hof allereerst in aanmerking dat veel vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. In dit geval heeft verdachte grote hoeveelheden contanten ter inwisseling aangeboden bij De Nederlandsche Bank. Volgens het Hof is het een feit van algemene bekendheid dat op deze manier geprobeerd wordt om criminele transacties af te wikkelen. Ook houdt het Hof rekening met het feit dat de bedragen over de jaren 2001 tot en met 2014 niet zijn opgenomen in de belastingaangiften. De verklaringen van verdachte – dat gelden contant in loondienst zijn verdiend en deze gelden contant zijn achtergehouden wegens mogelijke claims van (ex)-gehuwden acht het Hof onvoldoende om het vermoeden van witwassen te ontkrachten. Hierbij wordt ook in overweging genomen dat de verklaring van verdachte niet wordt gesteund door andere bewijsmiddelen zoals getuigenverklaringen. Er zijn hiermee voldoende aanwijzingen voor bewijs van witwassen, aldus het Hof.

In de straftoemeting houdt het Hof rekening met de drie verschillende bewezen geachte feiten en het nadeelbedrag, dat het Hof op € 120.324 stelt. Dit bedrag valt uiteen in een bedrag van € 10.311 aan omzetbelasting, een bedrag van € 18.804 aan inkomstenbelasting en een bedrag van € 91.209 (201.000 gulden) aan witgewassen gelden.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:2022

Een opeenstapeling van verzuimboetes is geen reden voor matiging

Belanghebbende drijft met zijn BV een accountantspraktijk. Aan belanghebbende zijn ambtshalve aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2014 opgelegd omdat belanghebbende geen aangiftes heeft ingediend. Daarbij zijn telkens ook verzuimboetes opgelegd. In geschil is of de aanslagen tot de juiste bedragen zijn verminderd en of de verzuimboetes terecht, en tot de juiste hoogte, zijn opgelegd.

Het Hof overweegt dat belanghebbende jaar in jaar uit geen,  of niet tijdig, aangifte doet. Een verzuimboete is gericht op het aanscherpen van de verplichting om aangifte te doen na daartoe te zijn uitgenodigd. In dit geval is sprake van het stelselmatig niet of niet tijdig doen van aangifte door belanghebbende die nota bene werkzaam is in de financiële en fiscale dienstverlening. Slechts in het geval van afwezigheid van alle schuld dient oplegging van een verzuimboete achterwege te blijven.

Belanghebbende voert aan dat hij buiten zijn schuld om niet de informatie ter beschikking had die nodig was voor het tijdig doen van aangifte. Ook zou door een medisch ongeval in 2018 sprake zijn van afwezigheid van alle schuld. Het Hof acht beide redenen onvoldoende voor afwezigheid van alle schuld.

Verder heeft belanghebbende ter zitting aangevoerd dat de opeenstapeling van verzuimboetes aanleiding moet geven tot matiging. Het Hof is echter van mening dat een verzuimboete moet aanzetten tot het nakomen van fiscale verplichtingen, en dat is nu juist niet gebeurd. Daarmee acht het Hof de boetes dus passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:1848