Categorie: Wwft & tuchtrecht

Eerste Kamer behandelt wetsvoorstel UBO-register

De Eerste Kamer behandelt momenteel het wetsvoorstel UBO-register. Op 4 februari 2020 is het Voorlopig Verslag van de Vaste Commissie voor Financiën vastgesteld met enkele voor de praktijk relevante vragen en opmerkingen van de diverse Senaatsfracties.

Gevolgen voor Wwft-instellingen

Vanuit de VVD-fractie is aandacht gevraagd voor de administratieve lasten bij Wwft-instellingen. De extra verplichtingen als gevolg van het UBO-register betreft immers niet alleen tijd van administratief personeel maar ook van hoger personeel, en deze tijd is veelal niet declarabel.

De verplichtingen in het wetsvoorstel UBO-register kunnen zowel bestuurlijk als strafrechtelijk worden gehandhaafd. Dat geldt ook voor de Wwft-instelling die geen melding doet van een discrepantie tussen de eigen cliëntcontrole-gegevens en de gegevens in het UBO-register (de ‘terugmeldverplichting’). De Eerste Kamer vraagt om meer inzicht in hoe de handhaving zal worden vormgegeven en welke boetes zullen gelden. Ook wordt aan de minister gevraagd hoe in de eerste 18 maanden wordt omgegaan met de terugmeldverplichting als een rechtspersoon nog niet geregistreerd is. Moet de Wwft-instelling dan toch een terugmelding doen of hoeft dat pas als er wel gegevens zijn geregistreerd maar deze afwijken van wat de Wwft-instelling zelf aan gegevens heeft?

Praktische onduidelijkheden

Op een aantal punten constateert de Eerste Kamer onduidelijkheid ten aanzien van de vraag wie UBO is. Dat betreft bijvoorbeeld houders van cumulatief preferente aandelen: zijn zij UBO indien het cumulatief preferente dividend in een bepaald jaar meer dan 25% van de totale winst uitmaakt? Ook ontvangers van donaties van stichtingen kunnen bij hoge eenmalige schenkingen UBO zijn indien een stichting in een jaar relatief weinig geld beschikbaar heeft voor donaties en meer dan 25% daarvan bij één persoon terecht komt. De Eerste Kamer vraagt of dit wel de bedoeling is.

Het wetsvoorstel bevat daarnaast een verplichting voor stichtingen om uitkeringen van minder dan 25% bij te houden in een intern register. De CDA-fractie in de Eerste Kamer vraagt zich af wat dit betekent voor hulporganisaties die vele kleine giften in natura (dekens, voedsel) uitdelen. Moet dat allemaal worden geregistreerd? En verder wil de CDA-fractie graag een waarborg dat de informatie die bevoegde autoriteiten uit dit interne register halen niet wordt gedeeld met ‘onvrije landen’ of landen waar ontvangen gelden opgeëist zouden kunnen worden door overheden of ambtenaren.

Overgangsrecht

Tot slot heeft de Eerste Kamer vragen over de toepassing van het overgangsrecht. In beginsel moeten reeds bestaande instellingen binnen 18 maanden hun UBO-registratie bij het handelsregister op orde hebben. Maar wat nu als er in die 18 maanden een nieuwe UBO komt? Moet die dan wel onmiddellijk geregistreerd worden of moet de instelling als geheel gewoon aan het einde van de 18 maanden goed geregistreerd zijn? Verder geldt het UBO-register voor in Nederland opgerichte vennootschappen, maar tijdens de behandeling in de Tweede Kamer heeft de minister gezegd dat een vanuit het buitenland naar Nederland verplaatste rechtspersoon zich wel in het UBO-register moet registreren. De Eerste Kamer vraagt hoe zij deze opmerking van de ministerie moeten duiden.

De minister van financiën zal hier de gestelde vragen naar verwachting binnenkort beantwoorden, temeer nu Nederland al te laat is met de implementatie; deze had op grond van de EU-anti-witwasrichtlijn al op 10 januari 2020 rond moeten zijn.

Doorhaling voor accountant wegens handelen in strijd met meerdere fundamentele beginselen

Betrokkene is als accountant-administratieconsulent verbonden aan een accountantskantoor. Klager exploiteert sinds 2009 in maatschapsverband een melkveebedrijf waarvan klager en – onder meer – zijn vader maat zijn. Deze maatschap is sinds 2011 klant bij het kantoor. In het najaar van 2015 is ruzie ontstaan tussen klager en vader.

Klager verwijt betrokkene dat hij niet de vereiste objectiviteit en onpartijdigheid in acht heeft genomen omdat hij als accountant van de maatschap alleen de belangen van vader heeft behartigd. Daarnaast wordt betrokkene verweten onzorgvuldig en niet integer te hebben gehandeld.

De Accountantskamer overweegt dat het voor betrokkene, die op de hoogte was van het conflict tussen vader en klager, duidelijk moet zijn geweest dat de belangen van klager tegengesteld waren aan die van vader. Daarmee was sprake van een mogelijke bedreiging voor het zich houden aan het fundamentele beginsel van objectiviteit vanwege mogelijke belangenverstrengeling. Ook toen vader hem verzocht om in het kader van de uittreding van klager een benadering van de vermogenspositie van klager te geven, had hij daarin een bedreiging moeten zien voor het zich houden aan het fundamentele beginsel van objectiviteit. Betrokkene had in zijn hoedanigheid van accountant van de maatschap deze bedreiging moeten identificeren en de bedreiging, zijn beoordeling, de toegepaste maatregel en zijn conclusie moeten vastleggen. Betrokkene heeft op de zitting desgevraagd bevestigd dat hij deze bedreiging niet heeft onderkend en dat hij evenmin de op grond van de VGBA vereiste afwegingen heeft gemaakt. Daarmee heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Verder geeft de Accountantskamer aan dat betrokkene op de hoogte was van de discussie over het moment van uittreden van klager, waardoor hij niet zonder meer kon uitgaan van de door vader niet onderbouwde mededeling dat klager de maatschap per 1 januari 2016 had verlaten. Betrokkene heeft desondanks niet geverifieerd of klager daadwerkelijk per 1 januari 2016 uit de maatschap was getreden. Ook daarom heeft betrokkene de fundamentele beginselen van objectiviteit en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Voorts lag het volgens de Accountantskamer op de weg van betrokkene om een maatregel te nemen ten einde de onjuistheden in de jaarrekening 2016 weg te nemen toen hij daarmee – naar eigen zeggen in mei 2018 – bekend raakte. Betrokkene heeft evenwel geen verklaring – met daarin de mededeling dat in de jaarrekening is uitgegaan van de veronderstelling dat klager uit de maatschap was getreden – verstuurd aan de beoogde gebruikers van die jaarrekening. Daarmee heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer het fundamentele beginsel van integriteit geschonden.

Met betrekking tot de door betrokkene gemaakte berekening van de vermogenspositie van klager stelt de Accountantskamer vast dat de opdracht hiertoe mondeling door vader is gegeven en deze opdracht door betrokkene niet schriftelijk is bevestigd. Daarnaast heeft betrokkene het doel van de berekening niet opgenomen in zijn e-mail en heeft hij ook niets vermeld over de verspreiding van deze berekening. De Accountantskamer komt dan ook tot het oordeel dat betrokkene het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft geschonden.

Bij het opstellen van de genoemde berekening heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer tevens het fundamentele beginsel van objectiviteit geschonden. Betrokkene is daarbij namelijk uitgegaan van grond in verpachte staat en van een voorbehoud van vader ten aanzien van de stille reserves, wat in deze berekening leidde tot een lagere vermogenspositie van klager. Hierdoor heeft betrokkene hoofdzakelijk oog gehad voor de belangen van vader, aldus de Accountantskamer.

In deze klachtzaak acht de Accountantskamer de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van twee weken passend en geboden. De Accountantskamer heeft in haar oordeel betrokken dat betrokkene in strijd met drie fundamentele beginselen heeft gehandeld en dat betrokkene op de zitting geen blijk heeft gegeven van inzicht in deze beginselen en de bedreigingen daarvan en dat hij evenmin blijk heeft gegeven van besef dat de fundamentele beginselen leidend moeten zijn voor de uitoefening van zijn beroep.

De Accountantskamer 16 december 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:85.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_85

Het BFT gaat komende tijd de naleving van de Wwft monitoren bij administratiekantoren

Het BFT kondigt op de website aan dat het de komende tijd de naleving Wwft bij administratiekantoren gaat monitoren.

Regelmatig krijgen geselecteerde groepen administratiekantoren een informatiebrief met een toelichting op de Wwft toegezonden. Aan een gedeelte van deze geselecteerde kantoren zal op een later moment gevraagd worden een online vragenlijst in te vullen.

Het BFT tracht op deze wijze de Wwft onder de aandacht te brengen en de naleving van de Wwft bij administratiekantoren op een hoger niveau te tillen om zo de betrokkenheid van onder andere de administratiekantoren bij criminele activiteiten te voorkomen.

https://www.bureauft.nl/2020/01/30/het-bft-gaat-komende-tijd-de-naleving-van-de-wwft-monitoren-bij-administratiekantoren/

Hernieuwd Wwft-toetsingsarrangement tussen BFT en RB

Het BFT en het RB zijn per 1 februari 2020 voor de komende vijf jaar een nieuw toetsingsarrangement overeengekomen in het kader van de Wwft.

De ondertekening van het nieuwe toetsingsarrangement heeft op maandag 27 januari 2020 plaatsgevonden. Het BFT en het RB hebben met deze overeenkomst de intentie uitgesproken om de integriteit van het financiële stelsel te waarborgen en de betrokkenheid van de belastingadviseur (in het bijzonder de leden van het RB)  bij criminele activiteiten zoals witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen. In dat kader hebben het BFT en het RB het aflopende arrangement vernieuwd en verlengd. Met deze overeenkomst kan het RB de toetsingen die voortvloeien uit het arrangement  onderdeel uit laten maken van de algehele kwaliteitscontrole door de vereniging.

https://www.bureauft.nl/2020/01/28/hernieuwd-wwft-toetsingsarrangement-tussen-bureau-financieel-toezicht-en-register-belastingadviseurs/

Ontwikkelingen Wwft en UBO-register

Al eerder berichtten wij over aankomende wijzigingen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme als gevolg van aanpassingen van de Vierde Witwasrichtlijn, waaronder de introductie van een UBO-register en meer informatie-uitwisselingsmogelijkheden voor Wwft-toezichthouders. De planning was dat deze wijzigingen op 10 januari 2020 van kracht zouden worden, net op tijd om te voldoen aan de Europese verplichting om de gewijzigde richtlijn tijdig in de Nederlandse wet te implementeren. Deze planning is niet gehaald door vertraging in de behandeling in de Tweede Kamer, die de betreffende wetsvoorstellen op 10 december 2019 aannam.

Op 28 januari 2020 staat nu de behandeling in de Eerste Kamer gepland, daarna zal duidelijk worden of en wanneer de betreffende wetsvoorstellen van kracht worden.

Tweede-Kamerbehandeling wetsvoorstel UBO-register

De inhoudelijke behandeling van het UBO-register in de Tweede Kamer vond plaats op 3 december 2019. De Tweede Kamer heeft wijzigingen in het wetsvoorstel voor het UBO-register aangebracht. Zo is een extra waarborg gecreëerd bij raadpleging van het UBO-register. Derden moeten zich hiervoor identificeren en UBO’s krijgen inzicht in hoe vaak ze zijn opgezocht in het register. Daarnaast heeft de Tweede Kamer de wet aangepast zodat ook (UBO’s van) kerkgenootschappen zich in het UBO-register moeten registreren.

In de Tweede Kamer is verder besproken dat het UBO-register vanaf het aannemen van het wetsvoorstel gereed kan zijn, maar dat er dan nog een ‘vulproces’ van achttien maanden nodig is. Alle relevante entiteiten zullen in die periode worden aangeschreven en aangespoord worden om zich te registreren.

Het aangepaste wetsvoorstel ligt nu bij de Eerste Kamer. Dat geldt ook voor het hiermee verband houdende wetsvoorstel voor aanpassingen in de Wwft.

Aanpassing Wwft per 1 januari 2020

Per 1 januari 2020 is wel een andere wijziging in de Wwft van kracht geworden. Dit betreft de mogelijkheid voor het Bureau Financieel Toezicht om informatie te verstrekken aan de AFM. Het gaat daarbij om Wwft-toezichtsinformatie die het BFT heeft over accountants die onder toezicht staan van de AFM en die de AFM vervolgens kan gebruiken in het Wwft-toezicht dat de AFM uitvoert. De wet die deze informatie-uitwisseling toelaat was al op 3 juli 2019 aangenomen maar is nu dus ook van kracht geworden.

Waarschuwing voor accountant die objectiviteit onvoldoende waarborgt

Betrokkene is werkzaam als accountant-administratieconsulent bij een financieel adviesbureau. Op enig moment komt betrokkene via een cliënt van hem – BV1 – in contact met klager. Klager is aandeelhouder van BV2. Aan betrokkene is toen gevraagd voor BV2 de jaarrekeningen over 2014 samen te stellen welke opdracht door betrokkene is aanvaard.

Omstreeks november 2014 wist betrokkene dat tussen klager en BV1 onderhandeld werd over de verkoop van de aandelen van BV2, aan BV1. Alvorens de aandelen worden verkocht is betrokkene betrokken bij het uitwerken van de afspraken tussen klager en BV1 in verband met de verkoop van het aandelenpakket BV2 en het neerleggen hiervan in de definitieve tekst van de koopovereenkomst.

Betrokkene heeft vervolgens de jaarrekening 2014 voor BV2 samengesteld. Op 10 februari 2016 heeft hij een samenstellingsverklaring afgegeven.

Klager verwijt betrokkene te hebben gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit door – in het kader van het samenstellen van de jaarrekening van BV2 over 2014 – zowel de belangen van de kopende als van de verkopende partij te behartigen zonder zijn objectiviteit voldoende te borgen.

De Accountantskamer overweegt dienaangaande dat betrokkene sinds medio 2014 zowel voor klager, als verkopende partij, als voor BV1, als kopende partij, werkzaamheden heeft verricht. Na de totstandkoming van de overeenkomst van aandelenoverdracht was hij belast met het samenstellen van de jaarrekening van BV2, de overgenomen vennootschap, over 2014. De inhoud hiervan kon van invloed zijn op de hoogte van het door BV1 aan X1 te betalen bedrag. Derhalve is de Accountantskamer van oordeel dat voor wat betreft het samenstellen van de jaarrekening over 2014 sprake was van een bedreiging voor de objectiviteit van betrokkene. Aangezien betrokkene deze bedreiging heeft onderkend, is het de vraag of betrokkene een toereikende maatregel heeft genomen om zijn objectiviteit te waarborgen.

In dit verband neemt de Accountantskamer in aanmerking dat op aandringen van betrokkene in de overeenkomst tot overdracht van de aandelen van BV2 is vastgelegd dat klager het recht heeft om de jaarcijfers door derden te laten beoordelen, van welke mogelijkheid klager ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt. Deze bepaling was evenwel onvoldoende om betrokkenes objectiviteit te waarborgen. Voor het geval tussen de bij de koopovereenkomst betrokken partijen een geschil zou ontstaan over de inhoud van de door betrokkene samen te stellen jaarrekening, was een verdergaande maatregel nodig ter waarborging van betrokkenes objectiviteit. Betrokkene heeft dan ook in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van objectiviteit.

De Accountantskamer is van oordeel in deze klachtzaak kan worden volstaan met de maatregel van waarschuwing. Betrokkene heeft weliswaar gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit, maar hij heeft het bestaan van een bedreiging voor zijn objectiviteit wel onderkend en, zij het op een niet toereikende wijze, gepoogd om zijn objectiviteit te waarborgen.

De Accountantskamer 15 november 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:74.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_74

Klachten over het anders boeken van contante betalingen ongegrond

Klager en zijn broer zijn vennoten van een VOF. Deze VOF beschikt over een grote hal waarin zij onder meer opslagruimtes en postbussen verhuurt en een lunchroom exploiteert.

Betrokkene is vennoot van een accountantskantoor dat werkzaamheden heeft verricht voor de VOF. In de loop van 2017 bleek meermalen dat de kasstaten niet aansloten op de grootboekmutaties en dat het theoretische kassaldo niet aansloot op het werkelijke kassaldo (er was sprake van een negatief kassaldo). Hierover zijn door medewerkers van het accountantskantoor vragen gesteld. In reactie daarop heeft de VOF, zonder enige onderbouwing, laten weten dat sprake was van contante mutaties in de salarissen. Ook zou sprake zijn van extra pinopnames door klanten.

Eind 2017 is de VOF overgestapt naar een ander administratiekantoor en is afgesproken dat het accountantskantoor van betrokkene de boekhouding over 2017 nog zou afronden, maar dat geen samenstelwerkzaamheden meer zouden worden verricht.

In 2018 neemt de nieuwe dienstverlener contact op met betrokkene over de post contante uitgaven die als ‘overige algemene kosten’ waren geboekt. Betrokkene heeft de vragen beantwoord voor zover hij dat kon en de nieuwe dienstverlener verder verwezen naar de VOF.

In deze klachtprocedure wordt betrokkene verweten de post ‘contant uitbetaald’ niet correct te hebben geboekt. Het gaat om een bedrag van ongeveer € 27.000. Als gevolg daarvan klopt de jaarrekening niet en lijdt de VOF schade, aldus klager.

De Accountantskamer overweegt dat het accountantskantoor bij aanvang van de opdracht duidelijke instructies heeft gegeven over de wijze waarop de kasoverzichten moesten worden ingericht. Ondanks deze instructies bleken er toch nog onduidelijkheden over de kasstaten te zijn.

De Accountantskamer is van oordeel dat het betoog van klager niet slaagt. Medewerkers van het accountantskantoor hebben diverse keren om uitleg gevraagd over het kasverschil. Klager heeft op een gegeven moment laten weten het verschil zelf ook niet te kunnen verklaren. Volgens de Accountantskamer bleven er vragen komen over de kasstaten die door de VOF niet of niet eenduidig werden beantwoord.

Betrokkene heeft gesteld dat hij de posten waarover vragen waren tijdelijk onder ‘overige algemene kosten’ heeft geboekt met de bedoeling daar verder onderzoek naar te doen bij het samenstellen van de jaarrekening over 2017. Daar is betrokkene niet meer aan toegekomen omdat klager betrokkene in december 2017 heeft laten weten dat er geen gebruik meer van zijn diensten zou worden gemaakt. De boekhouding over 2017 zou nog worden afgerond, maar de jaarrekening zou door de nieuwe dienstverlener worden samengesteld.

Als gevolg van de beslissing van klager heeft betrokkene de opdracht niet kunnen afronden. Aan het uitzoeken van de vraagposten en het vervolgens correct boeken daarvan ten behoeve van het opstellen van de jaarrekening is hij niet meer toegekomen. Dit leidt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.

In het klaagschrift heeft klager de Accountantskamer verzocht betrokkene op te dragen de cijfers te corrigeren en alsnog een juiste jaarrekening over 2017 te laten opmaken zonder dat daarvoor kosten in rekening worden gebracht.

Deze bevoegdheid heeft de Accountantskamer niet. De Accountantskamer kan alleen oordelen over klachten, en bij gegrondbevinding tuchtrechtelijke maatregelen opleggen. Het opdragen van werkzaamheden behoort daar niet toe.

Accountantskamer 1 november 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:72

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TACAKN_2019_72

BFT gaat in op fraudepatronen en geeft notarissen tips over fraudepreventie

Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) heeft een aantal praktische tips en trends op het gebied van fraude(preventie) voor het notariaat uitgewerkt in een notitie. De notitie geeft enkele handvatten voor de invulling van de notariële onderzoeksplicht (Wna en Wwft). Daarbij kan onder andere worden gedacht aan het formuleren van de juiste vragen en het verifiëren van informatie die is opgevraagd. Met name welke instrumenten de notaris daarvoor kan gebruiken.

Blijkens de notitie ziet het BFT de volgende trends met betrekking tot fraudepatronen:

  • Gebruik van stichtingen als koper van aandelen of vastgoed zonder logische reden;
  • Dubbelrol van tussenpersoon (zowel aanbrenger van de zaak als vertegenwoordiger van partijen soms ook het aanleveren van de (overdrachts)balans op blanco papier zodat onduidelijk is wie deze heeft opgesteld);
  • Oprichting van rechtspersonen met als activiteit im- en export van fruit als dekmantel voor drugssmokkel (met name in Zeeland en Noord-Brabant op bijzondere vestigingsadressen die niet beschikken over koelhuizen e.d.);
  • Diverse oprichtingen van vennootschappen, stichtingen of rechtspersonen door dezelfde persoon in korte periode (soms met verschillende bedrijfsactiviteiten);
  • Het gebruik van 1 euro aandelenoverdrachten lijkt weer toe te nemen, alsmede aandelenoverdrachten voor een relatief lage koopsom (circa 500 euro). Materieel gezien soms hetzelfde effect bij hogere koopsommen met verrekening rekening courant schulden;
  • Oprichting van nieuwe rechtspersonen of vennootschappen door personen die al eigenaar zijn van een of meer noodlijdende rechtspersonen (feitelijk met als doel om bijvoorbeeld de oude BV met schulden achter te laten en de activiteiten in de nieuwe rechtspersoon voort te zetten).
  • Oprichting c.q. vestiging van bedrijven in bedrijfsverzamelgebouwen waar alleen kantoorruimte is.

Praktische tips aandelenoverdracht

Bij de overdacht van aandelen in een rechtspersoon spelen diverse factoren een rol. In de notitie worden enkele zaken besproken die daarbij relevant kunnen zijn. Zo wordt ingegaan op het cliëntenonderzoek (welke vragen kunnen er worden gesteld en waar kan de notaris informatie verifiëren) en het onderzoek naar derden (koper/verkoper/tussenpersoon). Tenslotte worden enkele voorbeelden gegeven van concrete vragen die kunnen worden gesteld over de verkochte onderneming, de koopprijs en het geldverkeer.

https://www.bureauft.nl/2019/11/22/bft-geeft-praktische-tips-voor-invulling-notariele-onderzoeksplicht-wna-en-wwft/

Wetsvoorstel plan van aanpak witwassen in consultatie

Het wetsvoorstel bevat grofweg drie maatregelen:

  1. Een verbod op contante betalingen vanaf € 3.000

Het verbod geldt alleen voor partijen die beroeps- of bedrijfsmatig handelen in goederen. Het verbod geldt niet voor particulieren. Een verbod op contante betalingen vanaf een bedrag van € 3.000 heeft tot gevolg dat voor handelaren de huidige verplichtingen tot het verrichten van cliëntenonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties komt te vervallen. Het verbod heeft geen invloed op de objectieve meldgrenzen en subjectieve meldplicht voor andere Wwft instellingen zoals financiële ondernemingen en overige beroepsgroepen waarvoor de meldplicht geldt.

De tweede en derde maatregel moeten het makkelijker maken gegevens met elkaar te kunnen uitwisselen voor instellingen die een wettelijke plicht hebben om transacties te monitoren op grond van de Wwft.

  1. Uitwisseling van het cliëntendossier tussen instellingen

Het betreft allereerst de verplichting om geconstateerde integriteitrisico’s bij cliënten waarbij een hoog risico op witwassen of financieren van terrorisme bestaat, tussen Wwft-instellingen te delen. Door meerdere partijen, waaronder Wwft-instellingen, toezichthouders en opsporingsinstanties, zou zijn gewezen op de risico’s van het probleem dat cliënten die bij een Wwft-instelling geweigerd zijn of waaraan de dienstverlening is gestaakt vanwege ontoelaatbare integriteitsrisico’s, vervolgens opnieuw dienstverlening kunnen aanvragen bij andere Wwft-instellingen. Als dat het geval is zullen deze Wwft-instellingen cliëntenonderzoek moeten doen zonder de wetenschap dat er bij deze cliënt al eerder door een andere Wwft-instelling integriteitsrisico’s zijn geconstateerd. Naast dat dit een onnodige extra werklast vormt voor Wwft-instellingen, vormt dit ook een risico voor de integriteit van het financiële stelsel en ondergraaft dit de effectiviteit van de Wwft. In het wetsvoorstel is de verplichting opgenomen om bij het verscherpt cliëntenonderzoek te onderzoeken of de cliënt eerder om dienstverlening heeft verzocht, eerder dienstverlening heeft afgenomen of op dit moment afneemt bij een andere instelling en indien dit het geval is, navraag te doen bij die instelling naar gebleken integriteitrisico’s.

De verplichting tot het verrichten van onderzoek naar eerdere (geweigerde) dienstverlening of huidige dienstverleners geldt alleen met betrekking tot dezelfde categorie Wwft-instellingen. Een bank behoeft dus alleen onderzoek te doen naar eerdere dienstverlening bij andere banken en niet naar bijvoorbeeld dienstverlening door een advocaat. Verder geschiedt het delen van informatie alleen in geval de eerdere dienstverlener daadwerkelijk integriteitrisico’s heeft geconstateerd en wordt alleen die informatie gedeeld.

  1. Uitbesteding van transactiemonitoring en uitwisselen van transactiegegevens

Omdat het combineren van transacties tot een effectievere transactiemonitoring en daarmee naleving van de meldingsplicht leidt, wordt met dit wetsvoorstel een expliciete grondslag opgenomen voor het delen door instellingen van transacties. In dat verband wordt evenwel opgemerkt dat het tipping-off verbod moet blijven worden gewaarborgd. Dit houdt in dat alleen transacties mogen worden gedeeld en niet de meldingen van ongebruikelijke transacties die op grond van die transacties zijn gedaan bij de FIU. De Wwft bepaalt in navolging van de (gewijzigde) vierde anti-witwasrichtlijn, namelijk dat een Wwft-instelling verplicht is tot geheimhouding van meldingen bij de FIU-Nederland die door die Wwft-instelling zijn gedaan (het tipping-off verbod).

Daarnaast maakt het wetsvoorstel het mogelijkheid om transactiemonitoring uit te besteden aan een derde partij.

Van 2 tot 14 januari kan worden gereageerd op het concept wetsvoorstel via https://www.internetconsultatie.nl/wetplanvanaanpakwitwassen.

Minister beantwoordt Kamervragen waarom de gegevens van een MOT-melder worden opgenomen in het strafdossier

Op 29 november 2019 heeft Minister Grapperhaus Kamervragen beantwoord over het opnemen van gegevens van een Melding Ongebruikelijke Transactie (MOT)-melder in het strafdossier. Aanleiding waren de antwoorden op eerdere vragen over het melden van verdachte of ongebruikelijke transacties door notarissen en de angst voor bedreigingen als gevolg daarvan.

Van Nispen (SP) heeft onder meer de vraag gesteld of het nog steeds gebruikelijk is dat de naam van een MOT-melder opgenomen wordt in het strafdossier en of dit wenselijk is.

In reactie daarop laat minister Grapperhaus weten dat het voor de bruikbaarheid en daarmee de effectiviteit van meldingen van ongebruikelijke transacties van belang is dat deze voor strafrechtelijke doeleinden kunnen worden gebruikt. Daarvoor zijn de gegevens van de MOT-melder nodig.

Een ongebruikelijke transactie dient namelijk door instellingen te worden gemeld bij de Financial Intelligence Unit (FIU). Na analyse kan een melding van een ongebruikelijke transactie verdacht worden verklaard door de FIU. Voor deze analyse dient de FIU de informatie in de melding van de ongebruikelijke transactie te kunnen verifiëren. Daarnaast moet de FIU nadere informatie kunnen opvragen bij instellingen.

Verdacht verklaarde transacties worden vervolgens door de FIU aan diverse (bijzondere) opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten ter beschikking gesteld. In de informatie die de FIU over de verdachte transactie ter beschikking stelt, wordt de bedrijfs- of kantoornaam van de meldende instelling opgenomen. De reden daarvoor is dat het Openbaar Ministerie alleen opvolging kan geven aan een verdacht verklaarde transactie wanneer deze ook geverifieerd kan worden. Bovendien moet het Openbaar Ministerie de mogelijkheid hebben om aanvullende en verduidelijkende gegevens op te kunnen vragen bij de instellingen, hetgeen belastend of ontlastend bewijs kan opleveren. Verder kunnen er – zeker in complexere zaken – bewijsproblemen ontstaan als de meldende instellingen, die gebruikt zouden zijn om bijvoorbeeld wit te wassen, niet bekend zijn bij het Openbaar Ministerie. Als vervolgens mede op basis van een verdacht verklaarde transactie een opsporingsonderzoek wordt opgestart, wordt die informatie van FIU in beginsel integraal opgenomen in het strafdossier. Dit gebeurt omdat zowel de verdediging als de zittende magistratuur inhoudelijk moeten kunnen toetsen op basis van welke specifieke informatie een opsporingsonderzoek is gestart.

Uitzondering is mogelijk

Een uitzondering ter bescherming van een meldende instelling is mogelijk, wanneer een dreigende situatie ontstaat naar aanleiding van een melding van een ongebruikelijke transactie of het afleggen van een verklaring daarover. In dergelijke gevallen kan een instelling worden verhoord volgens de procedure voor het verhoor van anonieme getuigen. Tevens kunnen in dat geval maatregelen worden genomen in het kader van getuigenbescherming. Verwijzingen naar namen van medewerkers bij meldende instellingen zullen zoveel mogelijk achterwege blijven.

Bedreigingen kunnen worden gemeld bij de Landelijk Officier van Justitie Witwasbestrijding. Bij het Openbaar Ministerie zijn tot op heden – op één aangekondigde melding na, die uiteindelijk niet daadwerkelijk is ingediend – geen meldingen van notarissen binnengekomen met betrekking tot bedreigingen die zij hebben ervaren en die gerelateerd zijn aan hun meldingen van ongebruikelijke transacties.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/11/29/antwoorden-kamervragen-inzake-het-opnemen-van-gegevens-van-een-mot-melder-in-het-strafdossier