Categorie: Wwft & tuchtrecht

Accountant enkel tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor eigen handelen of nalaten: klacht ongegrond

Betrokkene is accountant-administratieconsulent en mede-eigenaar van A Accountants en Belastingadviseurs B.V. (hierna: het accountantskantoor). Klager drijft een eenmanszaak – een administratiekantoor – en is gehuwd met C. Klager en C zijn in een echtscheidingsprocedure verwikkeld. In het kader van de afwikkeling van de echtscheiding heeft C de belastingadviseur van het accountantskantoor gevraagd om een indicatie van de waarde van de onderneming van klager. De belastingadviseur heeft C daarom de “Berekening van de goodwill bij benadering iz Administratiekantoor B” toegezonden.

Klager heeft op zijn beurt een medewerker van het accountantskantoor laten weten dat de berekening niet correct is en hij heeft deze medewerker verzocht ofwel daarvan afstand te nemen ofwel de bijlage op papier van het kantoor te printen en te laten ondertekenen door een tekenbevoegde persoon. Hierop heeft de betreffende medewerker aangegeven het verzoek niet in behandeling te nemen omdat niet klager, maar C de opdrachtgever is. Vervolgens heeft klager een ander accountantskantoor opdracht gegeven de goodwill van zijn onderneming te berekenen. Dit andere accountantskantoor heeft klager een geheel andere waardering van de goodwill toegezonden.

Bij de Accountantskamer verwijt klager betrokkene dat het accountantskantoor moedwillig een verkeerd beeld heeft gegeven van de waarde van het administratiekantoor waardoor klager onnodig hoge advocaatkosten heeft moeten maken.

De Accountantskamer overweegt dienaangaande dat een accountant alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor eigen handelen of nalaten, tenzij de accountant als vaktechnisch verantwoordelijke voor handelen of nalaten van een ander heeft te gelden. In het onderhavige geval ziet de klacht op werkzaamheden betreffende de goodwill-berekening die niet door betrokkene, maar door de belastingadviseur (van hetzelfde kantoor) zijn uitgevoerd. Deze belastingadviseur is daarvoor zelfstandig als Register Belastingadviseur tuchtrechtelijk bij een ander college (de Raad van Tucht van de Vereniging Register Belastingadviseurs) aan te spreken. In beginsel is een accountant niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor handelen van een kantoorgenoot die zelf onder het bereik van accountantstuchtrecht of ander (fiscaal) tuchtrecht valt.

Naar het oordeel van de Accountantskamer staat vast dat betrokkene niet betrokken is geweest bij de advisering aan C of de waardering van de onderneming van klager. Dat betrokkene achteraf kennis heeft gekregen van het bestaan van de berekening en de inhoudelijke bezwaren van klager daartegen maakt evenmin dat betrokkene als gevolg daarvan toch tuchtrechtelijk verantwoordelijk is te houden. De klacht is naar het oordeel van de Accountantskamer dan ook ongegrond.

De Accountantskamer 12 augustus 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:56.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_56?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=4

Berisping voor accountant die onzorgvuldig en niet vakbekwaam rapporteert over zijn werkzaamheden

Betrokkene is als openbaar accountant werkzaam bij een accountantskantoor, dat sinds 2007 jaarlijks rapport uitgebracht heeft omtrent de jaarrekening van een stichting. Betrokkene is sinds 2015 de tekenend accountant van de stichting en heeft een samenstellingsopdracht aanvaard. Derhalve heeft betrokkene een accountantsrapport met betrekking tot de stichting opgesteld waarin tevens een samenstellingsverklaring is opgenomen.

Klager heeft tegen betrokkene een klacht ingediend en kan naar het oordeel van de Accountantskamer in zijn klacht worden ontvangen. In zijn klacht verwijt klager betrokkene dat hij bij de uitvoering van de samenstellingsopdracht onzorgvuldig en onbekwaam heeft gehandeld.

De Accountantskamer overweegt dat de vermeldingen in de samenstellingsverklaring van betrokkene dat hij is nagegaan dat een aantal posten juist is weergegeven in de jaarrekening en dat hem geen andere zaken bekend zijn geworden die in dit rapport tot uitdrukking moeten worden gebracht, duiden op beoordelingswerkzaamheden in het kader van een assurance-opdracht. Hierdoor heeft betrokkene onduidelijkheid laten bestaan over de aard van zijn werkzaamheden, waarbij hij de indruk heeft gewekt dat zekerheid wordt verstrekt. Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene hiermede niet vakbekwaam en zorgvuldig gerapporteerd over zijn werkzaamheden en derhalve het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Voorts had betrokkene gelet op het bepaalde in de statuten van de stichting in zijn samenstellingsverklaring duidelijk moeten vermelden dat hij geen oordeel kan geven over de getrouwheid van de jaarrekening, opdat voor derden voldoende duidelijk zou zijn geweest dat met de samenstellingsverklaring geen rapport omtrent de getrouwheid is afgegeven. Door dit na te laten heeft betrokkene het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet in acht genomen.

Tenslotte heeft betrokkene in de jaarrekening slechts vermeld dat deze is samengesteld in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde verslaggevingsregels, zonder dat hij daarbij heeft vermeld welke specifieke regels hij daarmee bedoelt. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de opdrachtbevestiging staat vermeld dat de jaarrekening zal worden samengesteld in overeenstemming met de van toepassing zijnde grondslagen voor financiële verslaggeving en de wettelijke voorschriften volgens titel 9 van boek 2 BW, terwijl betrokkene de jaarrekening (grotendeels) op grond van RJK-C1 heeft samengesteld. Aangezien de jaarrekening een andere grondslag heeft dan genoemd in de opdrachtbevestiging, kon betrokkene niet volstaan met een verwijzing naar de algemeen aanvaarde verslaggevingsregeling. Betrokkene had in dit geval duidelijk moeten vermelden op welke grondslag de jaarrekening was gebaseerd. Nu betrokkene dat niet heeft gedaan, heeft hij het voor hem geldende fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet in acht genomen.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van berisping passend en geboden.

De Accountantskamer 5 augustus 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:55.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_55?dateperiodstart=01-08-2019&dateperiodend=31-08-2019&dateperiod=tussen&DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=2

Waarschuwing voor bestuursvoorzitter Ernst & Young wegens tekortkomingen in kwaliteitssysteem

Betrokkene is als partner-registeraccountant en bestuursvoorzitter van Ernst & Young Accountants LLP (hierna: EY Accountants)er voor verantwoordelijk dat binnen de organisatie een stelsel van kwaliteitsbeheersing geldt.

DNB heeft klager 1 (hierna: X1) een boete opgelegd van € 4.977.500 in verband met niet-toegestane nevenactiviteiten door de aan haar gelieerde klaagster 2 (hierna: X2). X1 heeft tegen dit besluit bij DNB bezwaar gemaakt omdat de hoogte van het door haar behaalde voordeel minder dan € 2 miljoen zou zijn. Haar standpunt in die procedure heeft ze onderbouwd met een door C opgesteld rapport (hierna: het rapport). EY Accountants heeft het rapport van C beoordeeld en daarover een rapport opgeleverd. Op basis van de bevindingen van EY Accountants neemt DNB de conclusie van C, dat het behaalde voordeel minder dan EUR 2 miljoen zou zijn, niet over.

Naar aanleiding van het rapport hebben klagers tegen betrokkene een klacht ingediend bij de Accountantskamer. In het klaagschrift houden klagers betrokkene op het niveau van het kwaliteitssysteem van EY Accountants verantwoordelijk voor de wijze waarop de opdracht is uitgevoerd.

Ter zitting is de Accountantskamer gebleken dat voor de adviesopdrachten die namens EY Accountants door niet-accountants worden uitgevoerd symptomatisch niet dezelfde borging van de kwaliteit geldt als voor adviesopdrachten die (zouden) worden uitgevoerd door accountants, terwijl cliënten over deze gevolgen van het toepasselijke kwaliteitssysteem niet duidelijk worden geïnformeerd. Betrokkene had hetna kennisneming daarvan moeten opvallen dat, zonder duidelijke in het kwaliteitssysteem op te nemen waarborgen, verwarring bij gebruikers het gevolg zou kunnen zijn. Aldus had een maatregel genomen moeten worden met als strekking dat bij dergelijke opdrachten duidelijk wordt vermeld dat zij worden of zijn uitgevoerd door niet-accountants en zonder dat de voor accountants geldende wet- en regelgeving van toepassing is. Omdat een dergelijke maatregel ontbreekt, kent het kwaliteitssysteem een (zonder meer kenbare) tekortkoming die strijdig is met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. In zoverre is de klacht naar het oordeel van de Accountantskamer gegrond.

Voorts is naar het oordeel van de Accountantskamer niet gebleken dat betrokkene, nadat hij daarop is aangesproken door klagers, tot stappen is gekomen om een maatregel te treffen om de door het rapport gewekte onjuiste, onvolledige of misleidende indruk weg te nemen. Daarom is de Accountantskamer met klagers van oordeel dat er sprake was van in ieder geval materieel onvolledige informatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de VGBA. Betrokkene had als de voor dit kwaliteitssysteem verantwoordelijke accountant een passende maatregel dienen te treffen, hetgeen hij, daartoe aangesproken, heeft nagelaten. Ook in zoverre is de klacht naar het oordeel van de Accountantskamer gegrond.

Aangezien betrokkene verantwoordelijk moet worden gehouden voor de opzet en werking voor het kwaliteitssysteem van EY accountants en naar aanleiding van onderhavige kwestie, daartoe door klagers aangesproken, geen maatregel (c.q. waarborg) in dit individuele geval heeft getroffen om de klaarblijkelijke, materiële onvolledigheden op te heffen, is de Accountantskamer van oordeel dat aan betrokkene een maatregel dient te worden opgelegd. De Accountantskamer acht alle omstandigheden van het geval afwegende dat kan worden volstaan met de maatregel van waarschuwing.

De Accountantskamer 6 september 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:59.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_59

Trustkantoor Vistra betaalt € 350.000 voor het niet melden van ongebruikelijke transacties

Het trustkantoor Vistra heeft een door het Openbaar Ministerie (OM) aangeboden transactie in de vorm van een betaling van € 350.000 geaccepteerd en betaald voor het niet tijdig melden van ongebruikelijke transacties bij de Financial Intelligence Unit (FIU-NL).

De betreffende transacties werden verricht door een dochteronderneming van een bedrijfsgroep uit Oekraïne, actief in de energie- en grondstoffensector. Deze dochteronderneming was een cliënt van Vistra. Volgens het OM heeft Vistra vier transacties door de bedrijvengroep in 2013 niet tijdig gemeld bij de FIU-NL. Daarnaast heeft Vistra volgens het OM nagelaten afdoende onderzoek te verrichten naar de UBO’s van de verkopende partij en de transacties en zijn de integriteitsrisico’s onvoldoende onderkend.

Feiten

Trustkantoor Vistra was medebestuurder van de Nederlandse dochteronderneming van een bedrijfsgroep. De dochteronderneming sloot in 2013 een deal met een vijftal op de BVI gevestigde bedrijven om zeggenschap te verkrijgen in een belangrijke speler in de Oekraïense energie en grondstoffensector. De onderneming kocht voor ruim 200 miljoen euro vier andere Cypriotische bedrijven. De betaling van deze koop bestond uit vier samenhangende transacties en vonden plaats via Zwitserse en Oostenrijkse banken.

Vistra had de betreffende voorgenomen transactie nader onderzocht vanwege de betaling via een Zwitserse bankrekening. Zowel medewerkers van het cliënt-team als de afdeling Compliance hebben beoordeeld of de transactie verband zou kunnen houden met witwassen. Naar het oordeel van Vistra was daar geen sprake van.

Onderzoek DNB

DNB verrichtte in juni 2014 een themaonderzoek naar political exposed persons (PEPs) of politiek prominente personen uit hoogrisicolanden, met specifieke aandacht voor Rusland en Oekraïne. In dit kader werd ook Vistra onderzocht. DNB heeft tijdens haar onderzoek een eerste betaling met betrekking tot de hierboven genoemde aandelenkoop beoordeeld. DNB is van oordeel dat de betreffende transactie als ongebruikelijk aangemerkt had moeten worden en vervolgens bij de FIU had moeten worden gemeld. Ook vindt DNB dat Vistra te weinig onderzoek heeft gedaan naar de achtergrond van deze transactie en was zij niet op de hoogte wie de UBO’s waren van de verkopende partijen. In maart 2015 heeft DNB aangifte gedaan en de bevindingen van het onderzoek met het OM gedeeld.

De FIOD heeft deze transacties onderzocht en komt tot hetzelfde oordeel als DNB. Van enig nader onderzoek door Vistra is niet gebleken. Daarnaast is de FIOD van oordeel dat ook drie andere transacties – die hadden plaatsgevonden om de deal compleet te maken – hadden moeten worden gemeld.

Vistra had bij de cliëntacceptatie de klant aangemerkt als een ‘High Risk’ klant, zodat Vistra de cliënt doorlopende diende te controleren. Desondanks heeft Vistra de deal door laten gaan en de betalingen daarvoor laten verrichten, terwijl zij slechts summier op de hoogte was van de achtergrond van de deal.

Naar aanleiding van het onderzoek van DNB heeft Vistra alsnog nadere vragen gesteld aan haar cliënt over onder andere de bestemming van de betalingen en de omstandigheden waaronder de transacties plaatsvonden. Toen de cliënt geen bevredigende antwoorden gaf op de vragen, besloot Vistra in 2014 alsnog over te gaan tot het melden.

Afdoening

Vistra heeft volgens het OM rond de betrokken transacties in 2013 de poortwachtersfunctie niet goed vervuld. Het OM ziet de betaling van € 350.000 als een passende en effectieve afdoening. Vistra is niet eerder vervolgd voor dit soort feiten en heeft medewerking verleend aan het onderzoek. In de zittingszaal zou het OM een vergelijkbare straf hebben geëist. Verder heeft meegespeeld dat het bedrijf inmiddels compliance maatregelen heeft genomen en dat de huidige organisatie ten opzichte van 2013 geheel is veranderd en verbeterd.

Openbaar Ministerie 3 september 2019

https://www.om.nl/@106596/trustkantoor-vistra/

Financial Intelligence Unit-Nederland schiet doel voorbij

Als bijlage bij zijn brief van 23 juli 2019 heeft minister Grapperhaus het rapport van Financial Intelligence Unit-Nederland (hierna: FIU) over het jaar 2018 aan de Tweede Kamer aangeboden.

De objectieve landenindicator

Het jaarverslag typeert 2018 als “een jaar van superlatieven”. De FIU-Nederland ontving in 2018 in totaal 753.352 meldingen van ongebruikelijke transacties. Het aantal meldingen is daarmee meer dan verdubbeld ten opzichte van 2017.[1] Deze enorme stijging is met name veroorzaakt door een nieuwe objectieve indicator die bij implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn is ingevoerd.[2] Daarmee werden instellingen verplicht gesteld om alle transacties met hoog-risico-landen als ongebruikelijke transactie te melden bij FIU-Nederland.[3] Als gevolg van deze nieuwe indicator zijn 358.609 transacties als ongebruikelijk gemeld in 2018. Daarvan waren slechts 222 transacties als verdacht aangemerkt door de FIU.[4] Daar komt bij dat deze transacties een relatief geringe waarde vertegenwoordigen van slechts € 94.000 op een totaal van 9,5 miljard.

In feite wordt de FIU dus overstroomd met weinig zinvolle meldingen op basis van deze objectieve indicator. Daarom heeft het Ministerie van Financiën het Wijzigingsbesluit financiële markten 2019 ter consulatie aangeboden. Onderdeel van deze voorgestelde wijzigingen betreft het schrappen van de objectieve landenindicator uit de bijlage Indicatorenlijst bij het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. Naar verwachting zal deze wijziging binnenkort in werking treden.

Tot die tijd heeft het BFT aangegeven met betrekking tot de meldingsplicht op grond van de objectieve landenindicator coulant te zullen handhaven. Meer concreet betekent dit dat “instellingen ten aanzien van mogelijke overtredingen van de objectieve landenindicator door het BFT of BTWwft niet zullen worden gesanctioneerd”, zo valt te lezen op de website van het BFT.[5]

Denkt men de transacties op basis van de onverwachte werking van de objectieve landenindicator weg, dan resteert een aantal “reguliere”[6] meldingen van 394.743. Ten opzichte van 2017 zijn 33.728 meer reguliere transacties gemeld op grond waarvan het FIU concludeert dat “het aantal ontvangen “reguliere” ongebruikelijke transacties op de lange termijn gestaag [blijft] toenemen”.

         Met de meeste meldingen wordt niets gedaan

Uit de bijna 400.000 meldingen filterde de FIU ongeveer 58.000 verdachte transacties. Dat komt neer op ongeveer 15% en 10 miljard euro. De FIU stelt deze informatie ter beschikking aan de politie, justitie en FIOD, maar volgens diverse bronnen van de Volkskrant[7] gebeurt er maar weinig met deze informatie.

Een medewerker van de FIU schat dat van die 15% verdachte transacties, niet meer dan 10% tot een vervolging leidt. Oftewel van de 58.000 verdachte transacties krijgen 5.800 een gevolg. Met de overige 52.000 wordt dus niets gedaan. Bovendien zouden de bevindingen van de FIU in de praktijk door de politie veelal alleen in lopende onderzoeken gebruikt worden.  De meeste personen die betrokken zijn bij een door de FIU verdacht verklaarde transactie komen echter nooit in aanraking met de politie.

Het wringt dat instellingen als belastingadviseurs, accountants, notarissen en bankiers grote investeringen doen om de Wwft-verplichtingen na te leven, terwijl de opsporing er nauwelijks gebruik van maakt. De reden: politie, justitie en FIOD hebben nauwelijks mankracht en beschikken over te weinig expertise van financieel rechercheren.

         FIU stelt jarenlang onbevoegd processen-verbaal op

De Minister van Justitie en Veiligheid merkt in zijn brief verder op dat de FIU feitelijk jarenlang zijn boekje te buiten is gegaan. De FIU heeft namelijk processen-verbaal opgemaakt van witwastransacties “terwijl de FIU geen opsporingstaak heeft en zij daartoe ten behoeve van de FIU-taak niet bevoegd [was]”.

De werkprocessen van de FIU zijn inmiddels zodanig aangepast dat de medewerkers van de FIU niet langer een proces-verbaal opmaken maar een rapportage. Dergelijke rapportages bevatten dezelfde informatie als de voormalige processen-verbaal en zouden bovendien nog steeds als bewijsmiddel kunnen dienen in strafzaken. Alleen dan onder het mom van een “andere geschriften” in de zin van artikel 344 Sv. De minister spreekt weliswaar over “een kleine wijziging” maar deze heeft mogelijkerwijs grote gevolgen.

Waar van processen-verbaal voldoende bewijskracht uit kan gaan voor een bewezenverklaring, ontbreekt het “andere geschriften” aan een dergelijke bewijskracht. Voornoemd wetsartikel regelt over dergelijke bescheiden namelijk dat “deze alleen [kunnen] gelden in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen”. Anders gezegd, veroordelingen die alleen zijn gestoeld op een door de FIU opgesteld proces-verbaal komen hiermee op losse schroeven te staan. Een woordvoerder van het Openbaar Ministerie heeft aangegeven geen zaken te kennen waarbij men alleen met een proces-verbaal van het FIU naar de rechter is gestapt. De beschreven bevoegdheidsoverschrijding lijkt daarmede op het eerste gezicht zonder grote gevolgen te blijven.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/07/23/tk-jaaroverzicht-fiu-2018

https://www.fiu-nederland.nl/sites/www.fiu-nederland.nl/files/documenten/jaaroverzicht_fiu-nederland_2018.pdf

 

[1] In 2017 werden 361.015 ongebruikelijke transacties gemeld aan het FIU.

[2] Op 25 juli 2018 is de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn in werking getreden.

[3] De lijst met hoog risicolanden is te raadplegen via: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:02016R1675-20181022

[4] In totaal zijn er 57.950 gemelde transacties als verdacht aangemerkt door het FIU.

[5] https://www.bureauft.nl/2019/03/21/coulant-handhavingsbeleid-wwft-met-betrekking-tot-objectieve-indicator-wwft-derde-hoog-risico-landen/

[6] Met reguliere meldingen worden meldingen bedoeld die niet zijn ontvangen op basis van de in 2018 geïmplementeerde wetswijziging waarin meldplichtige instellingen op basis van een objectieve meldgrens transacties dienen te melden in relatie tot de door de Europese Commissie aangewezen risicolanden.

[7] https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/9-5-miljard-aan-fout-geld-ontdekt-in-nederland-en-dat-is-slechts-het-topje-van-de-ijsberg~b87fc731/ en; https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/voor-bijna-tien-miljard-aan-ontdekte-frauduleuze-transacties-in-2018~b3eb77ab/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F

 

Vrijspraak nu tussenpersoon geen ‘cliënt’ is in de zin van de Wwft

Verdachte – een rechtspersoon – hield zich samen met een medeverdachte bezig met de verkoop van horloges. Het Openbaar Ministerie verwijt verdachte het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting, het valselijk opmaken van verkoopfacturen en het niet melden van ongebruikelijke transacties op grond van de Wwft.

De Rechtbank is van oordeel dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is van onjuist ingediende aangiften omzetbelasting. Ook acht de Rechtbank het opmaken van valse facturen niet bewezen.

Inzake het niet melden van ongebruikelijke transacties onderscheidt de Rechtbank drie categorieën: a) niet, b) niet juist en c) te laat gemelde transacties.

a) Niet gemelde transacties

De niet gemelde transacties van contante bedragen zijn naar het oordeel van de Rechtbank niet ongebruikelijk, omdat het geen contante betalingen van € 25.000,- of meer betreffen.

b) Niet op juiste wijze gemelde transacties

Dit deel van het verwijt ziet op transacties die wel zijn gemeld, maar op naam van de buitenlandse afnemers, terwijl de transacties in de ogen van het Openbaar Ministerie feitelijk werden aangegaan met de medeverdachte. Volgens het Openbaar Ministerie had verdachte de ongebruikelijke transacties moeten melden op naam van medeverdachte.

De verdediging stelt dat slechts de uiteindelijke koper of opdrachtgever als ‘cliënt’ in de zin van de Wwft kwalificeert, en die dus moet worden opgenomen op de melding. Dat was telkens één van de buitenlandse afnemers. Het dossier bevat geen bewijs dat de medeverdachte voor zichzelf heeft gekocht.

De Rechtbank overweegt dat de meldingsplicht geldt ten aanzien van “(rechts)personen met wie een transactie wordt aangegaan, alsmede degene die een transactie laat uitvoeren en de ultimate beneficial owner”. De medeverdachte behoort als tussenpersoon tot geen van deze categorieën. Derhalve acht de Rechtbank niet bewezen dat verdachte opzettelijk geen melding heeft gedaan van ongebruikelijke transacties met medeverdachte.

c) Te laat melden

De Rechtbank oordeelt verder dat verdachte de overige in de tenlastelegging opgenomen ongebruikelijke transacties te laat heeft gemeld. De transacties zijn immers verricht in de periode van april 2011 tot en met oktober 2011, terwijl de meldingen bij de FIU pas in 2012 zijn binnengekomen. Daarmee is sprake van het te laat melden van ongebruikelijk transacties.

Met betrekking tot het te laat melden, wijst de Rechtbank op de tenlastelegging die luidt dat verdachte “telkens opzettelijk geen melding [heeft] gedaan van” ongebruikelijke transacties. De opsteller van de tenlastelegging verwijt verdachte daarmee in zijn geheel geen melding te hebben gemaakt van de betreffende transacties. Nu verdachte wel degelijk melding heeft gemaakt van deze ongebruikelijke transacties, alleen te laat, kan dit onderdeel van het ten laste gelegde naar het oordeel van de Rechtbank evenmin worden bewezen.

De Rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van al het ten laste gelegde.

Rechtbank Amsterdam 4 juni 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3997.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3997

De Egmont Groep publiceert 72 indicatoren die kunnen helpen bij het identificeren van corruptie

De Egmont Groep is een internationaal samenwerkingsverband gericht op het verbeteren van de internationale gegevensuitwisseling tussen Fiscale Inlichtingen Eenheden (FIU’s). Om dit doel te bereiken, wisselen de leden van de Egmont Groep kennis en ervaring uit over witwasbestrijding en de bestrijding van terrorismefinanciering. Er zijn op dit moment wereldwijd 164 FIU’s aangesloten bij de Egmont Groep.

De afgelopen 2 jaar is Nederland voorzitter geweest van de Egmont Groep. Gedurende die tijd is het accent gelegd op corruptie. Over de bestrijding van corruptie bracht de Egmont Groep eind 2018 een lijst uit met 55 indicatoren die kunnen helpen bij het identificeren van corruptie en het witwassen van de opbrengsten van corruptie. Zie daarvoor ons Spot On artikel van 7 december 2018. Bij het aftreden van Nederland als voorzitter van de Egmont Groep werd een nieuwe lijst aangekondigd van 72 indicatoren. Deze is op 12 juli 2019 gepubliceerd.

De 72 indicatoren van de Egmont Group zijn onderverdeeld in de volgende drie categorieën:

  • Indicators of Corruption in Public Procurement (1-24)
  • Indicators of Unexplained Wealth or Income (25-59) en
  • General Indicators; (60-72).

Ten opzichte van de vorige lijst zijn onder meer de volgende indicatoren nieuw opgenomen:

  1. Use of third parties, such as contractors, consultants, vendors, suppliers and advisor/intermediaries, in order to facilitate procurement contracts fulfilment: (…)

– Requests that payments be made to different third parties (…)
– A third party is in a different line of business than that for which it is engaged
– The third party has little or no experience in the relevant industry or activity (…)
– The third party has a high level of reliance on subcontractors or intermediaries (so-called “fourth parties”).

  1. Receipt of commission or fees before signing of agreement for services or carrying out a function or process in relation to public procurement contract.
  1. Payments are conducted to accounts of providers of goods, works and services, which are opened in countries different from where such goods, works and services are originated or provided.
  1. Use of Joint Venture (JV) structures for government contracts in which public officials or a company belonging to them are silent partners. For example, in a JV between a state-owned company and a private company, a third silent shareholder owned or controlled by a public official is inserted in order to allow the public official to take a share of the profit.
  1. Company wins a public tender with short submission period (i.e. number of days between publication of a call for tenders and the deadline for submission of the bid).

Het rapport van de Egmont Groep vindt u hier.

Implementatiewet wijziging 4e witwasrichtlijn ingediend

Op 25 mei 2018 werd de 4e witwasrichtlijn van kracht in de Nederlandse wetgeving door aanpassingen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft). Nu komt er al weer een verdere aanscherping aan met een wetsvoorstel dat op 1 juli 2019 door de regering bij de Tweede Kamer is ingediend en dat al op 10 januari 2020 in werking moet treden.

Na een consultatieronde, waar 49 reacties op zijn gekomen, is het wetsvoorstel op enkele punten aangepast. Enkele aanpassingen zijn de volgende.

Een eerste aanpassing is het registratiestelsel voor aanbieders van wisseldiensten en bewaarportemonnees voor virtuele valuta. Deze dienstaanbieders worden met het wetsvoorstel onderworpen aan de regels van de Wwft, waaronder cliëntcontrole en transactiemonitoring. In het oorspronkelijke concept wetsvoorstel was voor deze dienst-aanbieders een vergunningstelsel opgenomen, terwijl de EU richtlijn ‘slechts’ registratie vereiste. In de consultatie waren hierover veel vragen gesteld. Na advies van de Raad van State heeft de regering nu toch gekozen voor een registratieplicht. Registratie dient plaats te vinden bij De Nederlandsche Bank. DNB kan een verzoek tot registratie weigeren indien zij twijfelt aan de geschiktheid of betrouwbaarheid van beleidsbepalers of toezichthouders van de dienst-aanbieder.

Andere aanpassingen zien op de uitbreiding van de poortwachters.

Zo krijgt de kunsthandel meer dan nu te maken met Wwft-verplichtingen. Op dit moment gelden die verplichtingen voor bemiddeling in kunst, en voor handel in kunst waar een bedrag van ten minste €10.000 in contanten mee gemoeid is. In het wetsvoorstel komen alle transacties door kunsthandelen vanaf €10.000 onder de Wwft te vallen, of er nu in contanten is betaald of niet. Daarentegen blijft de opslag van kunst in Nederland vrijgesteld van Wwft-verplichtingen. Deze was in het vorige concept nog wel als Wwft-plichtige dienst opgenomen.

Ook makelaars, en overige bemiddelaars, bij verhuur van onroerend goed worden onderworpen aan de Wwft voor huren vanaf €10.000 per maand. Nu zijn verhuurmakelaars- en bemiddelaars, anders dan bijvoorbeeld aan- en verkoopmakelaars, nog vrijgesteld van Wwft-verplichtingen.

Ten aanzien van het verscherpt cliëntenonderzoek in geval van zogenoemde ‘derde hoogrisicolanden’ worden de regels verder aangescherpt. Waar in de huidige wet aanvullende informatie-verzamelingseisen ‘kunnen’ worden gesteld, worden deze in het concept wetsvoorstel verplicht voorgeschreven. Verplicht wordt ook dat het hoger leidinggevend personeel toestemming geeft voor het uitvoeren van de betreffende dienstverlening. Tot slot kunnen bij ministeriële regeling verboden of aanvullende eisen worden ingevoerd voor vestigingen of correspondentrelaties van Nederlandse instellingen in derde hoogrisicolanden, of voor vestigingen van instellingen uit dergelijke landen in Nederland.

Het wetsvoorstel regelt verder dat er meer en vaker informatie-uitwisseling mogelijk is tussen Wwft-toezichthouders, en met FIOD en de politie. Op advies van de Autoriteit Persoonsgegevens zijn op dit punt enkele verduidelijkingen doorgevoerd ten opzichte van het wetsvoorstel zoals dat in consultatie was gegeven.

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 juli 2019

Taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf wegens feitelijk leiding geven aan het niet melden van ongebruikelijke transacties

De FIOD is een onderzoek gestart naar personen die beroepsmatig hun werk maken van het begeleiden van vennootschappen naar een faillissement. Uit dat onderzoek is gebleken dat één van hen (medeverdachte) gebruik maakte van een aantal vaste personen/kopers, nader aangeduid als katvangers. Deze katvangers namen de aandelen in deze noodlijdende vennootschappen met aanwezige schulden in de meeste gevallen over tegen betaling van 1 euro. Vervolgens gingen de ondernemingen kort na de verkoop failliet of werden ze bij de Kamer van Koophandel ontbonden via een zogenaamde turboliquidatie.

De curator van de failliete onderneming kreeg geen dan wel zeer moeizaam contact met deze katvangers en een administratie werd niet of nauwelijks aan de curator uitgeleverd. Hierdoor werd het voor de curator onmogelijk om de rechten en verplichtingen van de failliet vast te stellen, waardoor de crediteuren werden benadeeld.

In het onderzoek zijn drie notarissen naar voren gekomen die de aktes van de aandelenoverdrachten hebben gepasseerd, waaronder verdachte – een kandidaat-notaris in loondienst bij een notariskantoor. Het Openbaar Ministerie verwijt hem (als feitelijk leidinggever) onder meer  te hebben nagelaten verscherpt cliëntenonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties te melden aan de Financiële inlichtingen eenheid.

De Rechtbank overweegt dat aanleiding bestond om ten aanzien van de betrokkenen bij de onderhavige transacties verscherpt cliëntenonderzoek te verrichten. De verdachte onderkent dat ook, maar verklaart tevens dat hij telkens aan die verplichting heeft voldaan. Bij de FIOD en ter zitting heeft hij immers toegelicht welk onderzoek hij heeft verricht voordat hij overging tot het passeren van de akte. Nadat een dossier is aangemaakt keek verdachte of de B.V. wel bestond, wanneer deze was opgericht en wat het geplaatst kapitaal was. De identiteit van de verkoper werd geverifieerd aan de hand van legitimatie en hij werd in het GBA opgezocht om te kijken of hij woonde op het adres dat hij had opgegeven. Ook werd gekeken naar de jaarrekeningen die bij de Kamer van Koophandel waren gedeponeerd. Soms werden vennootschappen gegoogeld, maar dat gebeurde niet structureel, alleen als daartoe aanleiding was. Daarnaast was er minder reden om verder te kijken, omdat de katvangers werden geïntroduceerd door de medeverdachte en verdachte hem kende en vertrouwde en hij ervan uit ging dat er niets mis was met de vaste groep katvangers die via hem bij het notariskantoor kwamen.

De Rechtbank oordeelt dat het strafdossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen vaststellen dat verdachte geen verscherpt cliëntenonderzoek heeft uitgevoerd. Het dossier bevat namelijk onvoldoende concrete informatie – bijvoorbeeld uit de notarisdossiers – over welk onderzoek er door verdachte wel, en welk onderzoek er door verdachte niet is uitgevoerd dat wel uitgevoerd had moeten worden. Nu niet kan worden bewezen dat verdachte geen verscherpt cliëntenonderzoek heeft verricht, spreekt de Rechtbank hem voor dat feit vrij.

Ook spreekt de Rechtbank verdachte vrij voor het niet melden van ongebruikelijke transacties, omdat hij niet kan worden aangemerkt als een instelling als bedoeld in artikel 1 Wwft. Dit omdat verdachte niet zelfstandig is, maar in loondienst werkzaam is bij het notariskantoor.

De Rechtbank oordeelt voorts dat het notariskantoor wél kan worden aangemerkt als instelling in de zin van de wet en in dat verband de ongebruikelijke transacties had moeten melden.

Het notariskantoor had niet alleen de transacties op zichzelf als ongebruikelijk moeten aanmerken op het moment dat de transacties werden verricht, maar had ook achteraf het patroon moeten opvallen en had vervolgens alsnog melding moeten doen van de voorgaande transacties. Het notariskantoor heeft dit nagelaten.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan deze verboden gedragingen. Uit het dossier en verklaring is gebleken dat verdachte de sectie ondernemingsrecht van het notariskantoor leidde, dat het eerste contact ten aanzien van de aandelenoverdrachten met verdachte was, dat hij de dossiers van A tot Z verzorgde en het nodige onderzoek verrichtte en dat een kantoorgenoot pas in beeld kwam om als eindverantwoordelijke de aktes te passeren en dat deze daarbij afging op hetgeen verdachte had onderzocht en daarop vertrouwde.

De officier van justitie vordert dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de Rechtbank ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd en is rekening gehouden met ingrijpende gevolgen die deze zaak voor verdachte heeft gehad, zowel zakelijk als privé. Hij is namelijk zijn baan kwijt en de kans dat hij nog als (kandidaat-) notaris aan de slag kan, schat de Rechtbank in als klein. De Rechtbank komt op een beduidend lagere straf dan door de officier van justitie geëist. Dat is mede ingegeven door een beperktere bewezenverklaring (vrijspraak voor deelname aan een criminele organisatie en het niet verrichten van een verscherpt cliëntenonderzoek), de overschrijding van de redelijke termijn en de hiervoor omschreven ingrijpende gevolgen van de hele kwestie voor verdachte.

Alles afwegend ziet de Rechtbank aanleiding verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Rechtbank Amsterdam 27 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3766.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3766

Accountant laat beslag leggen op basis van een (bewust) onhoudbaar standpunt: waarschuwing

Betrokkene – een accountant – heeft accountantswerkzaamheden verricht voor de eenmanszaak van klager en later voor een door klager opgerichte BV. Betrokkene is in 2014 een civiele procedure begonnen tegen klager, ter verkrijging van betaling voor de door hem verrichte werkzaamheden. Voor betaling van een deel van het gevorderde bedrag is klager als borg voor zijn eenmanszaak aangesproken.

Klager is bij verstekvonnis van de Rechtbank Noord-Nederland veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 41.329,89. In november 2014 is namens betrokkene executoriaal derdenbeslag gelegd op een periodieke pensioenuitkering van klager. Dit derdenbeslag is tot klagers faillissement, in december 2017, gehandhaafd. In deze procedure wordt betrokkene onder meer verweten dat hij ten onrechte beslag heeft laten leggen op de pensioenuitkering van klager, waarop derhalve in de periode van december 2014 tot 20 december 2017 maandelijks ten onrechte een bedrag van € 1.000 is ingehouden.

De Accountantskamer overweegt dat de vordering die heeft geleid heeft tot de beslaglegging op klagers pensioenuitkering met name betrekking had op vorderingen op klagers eenmanszaak en BV. Volgens betrokkene stond klager voor een bedrag van € 29.000 borg. Ter onderbouwing van die borgtocht heeft betrokkene gewezen op een brief van klager waarin het volgende is opgenomen: “Inmiddels is de rekening opgelopen tot 29.000 euro. Die rekening betaal ik helemaal uit eigen middelen, in de vorm van schilderijen/houtsnedes/e.d. met dien verstande, dat het na medio oktober ontstane bedrag geldt (17.000 euro) als daadwerkelijk te betalen som voor de hele rekening.”

Volgens de Accountantskamer volgt daaruit niet dat klager zich borg heeft willen stellen voor alle geldschulden van zijn eenmanszaak en BV. Verder is niet gebleken dat betrokkene akkoord is gegaan met de door klager in deze brief geformuleerde voorwaarden voor betaling. Daarbij kon betrokkene – gelet op enkele ontwikkelingen begin januari 2014 – vanaf 9 januari 2014 vermoeden dat klager psychische klachten had. Dit vermoeden had betrokkene ertoe moeten brengen zich af te vragen of hij zich jegens klager anders zou moeten opstellen dan ten opzichte van andere debiteuren van zijn kantoor. Derhalve had betrokkene het gestelde in de brief van 17 januari 2014 niet zonder meer mogen opvatten als een borgstelling.

Dat de vordering van betrokkene door de Rechtbank Nood-Nederland is toegewezen, betekent evenmin dat betrokkene bij het leggen van het beslag op basis van het verstekvonnis in overeenstemming met de geldende gedragsregels heeft gehandeld. Aan de toegewezen vordering ligt namelijk geen inhoudelijk rechterlijk oordeel over de gestelde borgtocht ten grondslag en daarbij is evenmin acht geslagen op de bij betrokkene bekende, psychische klachten van klager.

Gezien het vorenstaande heeft betrokkene bewust op basis van een onhoudbaar civielrechtelijk standpunt beslag laten leggen op klagers pensioenuitkering en dat beslag gehandhaafd tot het moment in december 2017 waarop klager failliet is verklaard. Hiermede heeft betrokkene bij het uitoefenen van zijn civielrechtelijke bevoegdheden als schuldeiser gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Daarin ligt ook besloten dat betrokkene zich in een te vergaande mate heeft laten leiden door zijn eigen belang en dat levert strijd op met het fundamentele beginsel van objectiviteit. Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene door zo te handelen ook het accountantsberoep in diskrediet gebracht en dat is in strijd met het fundamentele beginsel van professionaliteit. Het klachtonderdeel is daarom naar het oordeel van de Accountantskamer gegrond.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

De Accountantskamer 14 juni 2019, 18/2218 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2019:43.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_43