Categorie: Wwft & tuchtrecht

Blog Voortdurende cliëntcontrole: geen sinecure

De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is meer dan een jaar geleden ingrijpend gewijzigd. Accountants en andere poortwachters dienen deze nieuwe regels sinds 25 juli 2018 toe te passen. Inmiddels zullen dus alle cliëntdossiers aan de nieuwe regels moeten voldoen. Dit betekent bijvoorbeeld dat altijd een Ultimate Beneficial Owner van de cliënt moet zijn geïdentificeerd. Ook het stelsel van risicobeheersing dat de accountant toepast moet aan de nieuwe eisen voldoen. Verder geldt – in beginsel alleen voor organisaties met 50 werknemers of meer –  de verplichting om een compliance functie (compliance officer) te hebben. Last but not least moet altijd iemand uit de dagelijkse leiding aanspreekbaar zijn op het naleven van de Wwft-regels.

Toezicht Wwft wordt strenger

Helaas houdt het hier niet op. Het toezicht op de Wwft wordt strenger. Eind september werd bekend dat het OM opnieuw een Nederlandse systeem-bank, nu de ABN AMRO, verdenkt van het onvoldoende naleven van de Wwft-regels. DNB had hiervan melding  gedaan bij het OM na diverse onderzoeken en indringende gesprekken met de bank. Het betreft, evenals bij ING, zowel het onvoldoende verrichten van cliëntcontrole als het niet of niet tijdig melden van ongebruikelijke transacties. Bij ING mondde dit uit in een verdenking van schuldwitwassen, die verdenking is bij ABN AMRO (nog) niet aan de orde volgens de persberichten.

Na het bekend worden van het strafrechtelijk onderzoek tegen ABN AMRO was er weer volop aandacht voor de vraag wat er eigenlijk gebeurt met meldingen die banken, accountants en andere meldingsplichtigen doen. De klacht is dat meldingsplichtige instellingen daar bar weinig van zien. Hoewel de focus vaak ligt op de melding van ongebruikelijke transacties moet, gelet op de verwijten die aan ING zijn gemaakt en die bij de ABN AMRO nog worden onderzocht, ook de cliëntcontrole niet worden vergeten. Veel van de opgelegde sancties houden daar mee verband. Immers zonder voortdurende cliëntcontrole worden ongebruikelijke transacties ook minder snel geconstateerd. En juist om het toezicht daarop te verstevigen worden in de Wwft de bevoegdheden uitgebreid om informatie uit te wisselen tussen de verschillende Wwft-toezichthouders.

De voortdurende cliëntcontrole (of ‘monitoring’) die de Wwft vereist, is omschreven als de ‘voortdurende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties (…) teneinde te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de instelling heeft van de cliënt en diens risicoprofiel’. Het is dus zaak om de cliënt kritisch te blijven volgen tijdens het bestaan van de relatie. Maar wanneer wordt deze verplichting nou goed nagekomen?

Continuering en voortdurende cliëntcontrole

De Wwft-verplichting van de voortdurende cliëntcontrole vertoont van afstand enige gelijkenis met de verplichting die accountants hebben om te beoordelen of zij een (controle)opdracht kunnen continueren (NVCOS 210, 4410 en NVKS, om maar eens enkele voorschriften te noemen). Het lijkt daarom een kleine, maar wel heel praktische, stap om de ‘continueringsbeoordeling’ gelijk op te laten lopen met de cliëntmonitoring die de Wwft vereist en dit ook zo in het eigen compliance programma vast te leggen. Daarbij helpt het natuurlijk ook als accountants goed vastleggen dat zij, met een Wwft-bril, daadwerkelijk kritisch naar de cliënt en zijn transacties hebben gekeken en dat zij, als dit aan de orde is, bevindingen met de compliance officer en zo nodig de verantwoordelijk leidinggevende hebben besproken.

De Wwft-cliëntmonitoring wordt hiermee dicht op het primaire proces van een accountantsorganisatie vorm gegeven. Bovendien leidt het tot minder administratieve lasten dan wanneer de Wwft-cliëntmonitoring als afzonderlijk proces wordt vormgegeven. Veel onderzoeken van Wwft-toezichthouders leiden tot sancties omdat ‘evidence’ van cliëntmonitoring eenvoudigweg niet aanwezig is. Dan is het moeilijk te reproduceren of een accountant zijn poortwachtersrol wel goed heeft uitgeoefend. Als de beoordeling die gemaakt wordt voor een continuering van de opdracht mede als basis dient voor de Wwft-cliënt-monitoring en het compliance-programma dit ook zo vastlegt, zou dat in praktische zin aanzienlijk helpen. Een eventuele vervolgstap is dan om, zoveel mogelijk risico-gebaseerd uiteraard, bepaalde cliënten na de continueringsbeslissing nog eens extra onder de Wwft-loep te nemen.

Duidelijkheid gewenst

De Wwft is ‘principle based’ en de vraag is dan of het kantoorbeleid ten aanzien van de cliëntcontrole voldoet. Richtlijnen van Wwft-toezichthouders over waar een afdoend Wwft-risicobeheersingsmodel al dan niet aan moet voldoen ontbreken tot op heden. Dergelijke richtlijnen zouden zeer welkom zijn. Dit is temeer het geval omdat tot recent door de AFM te weinig onderscheid werd gemaakt tussen een systeem van kwaliteitsbeheersing en eventuele concrete fouten die – ondanks dat systeem – in controledossiers kunnen voorkomen. Twee accountantskantoren hebben hierover behoorlijk met de AFM in de clinch gelegen. Deze kantoren vonden, anders dan de AFM, dat uit enkele concrete fouten in controledossiers niet mag worden afgeleid dat het systeem van kwaliteitsbeheersing niet voldoet. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven moest er toen uiteindelijk aan te pas komen om duidelijkheid te scheppen. Dit College was het met de accountantskantoren eens.

Het blijft natuurlijk wel zaak dat het beheersingssysteem goed wordt uitgevoerd. Ook het handelen van een enkeling kan soms roet in het eten gooien. Rechtbank Rotterdam oordeelde recent dat de overtredingen van de Wwft in één dossier aan een accountantskantoor konden worden toegerekend, omdat het ging om het nalaten van een medewerker die afweek van de geldende kantoorprocedures. De Rechtbank wijst in dat verband op een arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2012. Die verwijzing is lastig te volgen, omdat het in dat arrest van de Hoge Raad ging om een bedrijfsleider die niet de zorg had betracht die van hem in zijn leidinggevende positie mocht worden gevergd. Een bedrijfsleider heeft een andere positie als het gaat om het nakomen van de wettelijke verplichtingen. Als een (willekeurige) medewerker afwijkt van de geldende interne procedures van het kantoor, maar die procedures op zichzelf voldoen en op de naleving daarvan op juiste wijze wordt toegezien, dan zou een toerekening aan het kantoor niet zonder meer aan de orde moeten zijn.

Het zou helpen als de verschillende Wwft-toezichthouders in hun richtlijnen expliciet tot uitdrukking brengen dat ook voor de Wwft een systeem van kwaliteits- of risicobeheersing afzonderlijk van eventuele concrete ‘gevallen steekjes’ wordt beoordeeld. Als inspiratie kunnen bijvoorbeeld de richtlijnen uit de Verenigde Staten dienen over handhaving van de corruptie-wetgeving (FCAP). Daarover schrijven de Department of Justice en de Securities and Exchange Commission: “DOJ and SEC understand that “no compliance program can ever prevent all criminal activity by a corporation’s employees,” and they do not hold companies to a standard of perfection.” Een compliance programma wordt mede beoordeeld op “its design and good faith implementation and enforcement”. En: “DOJ and SEC may decline to pursue charges against a company based on the company’s effective compliance program (…) even when that program did not prevent the particular underlying FCPA violation that gave rise to the investigation.” Dit soort expliciete uitlatingen zouden ook behulpzaam zijn in Wwft-land.

Het timmermansoog van de Wwft-poortwachter

Wim Mijs, directeur van de European Banking Federation (EBF) verwoordde het in het FD naar aanleiding van het bekend worden van het onderzoek naar ABN AMRO aldus: ‘De nadruk bij banken is komen te liggen op kwantiteit boven kwaliteit (…) Er is een vinkjescultuur ontstaan. Ondertussen weten criminelen precies hoe ze moeten voorkomen dat er een rode vlag omhoog gaat bij de bank. Wat we nodig hebben is dat mensen met jarenlange ervaring met hun timmermansoog kijken naar wat echt verdacht is.’ Inderdaad: een door de gehele organisatie omarmd systeem van timmermansogen, gezond verstand en risicogebaseerde beheersingsmaatregelen, dat is wat goed poortwachterschap vereist. Dat geldt niet alleen voor het beoordelen van transacties en het doen van meldingen, maar ook voor de cliëntmonitoring en de Wwft-risicobeheersing in brede zin. Het zou een goede zaak zijn als toezichthouders dat expliciet uitdragen zodat Wwft-instellingen zich daarin gesteund zien.

Blog: Schrapping van de objectieve landenindicator vergt extra aandacht van Wwft-instellingen

Zoals wij eerder schreven werd de FIU in 2018 overstroomd met weinig zinvolle meldingen op basis van de objectieve indicator. Op basis van deze objectieve landenindicator dienden instellingen sinds 25 juli 2018 alle transacties van of ten behoeve van een (rechts)persoon die woonachtig of gevestigd is in een derde-hoogrisicoland, te worden gemeld aan de FIU. Als gevolg van deze indicator zijn in 2018 in totaal 358.609 transacties als ongebruikelijk gemeld. Daarvan zijn slechts 222 transacties als verdacht aangemerkt door de FIU.[1] Daarbij komt dat deze transacties een relatief geringe waarde vertegenwoordigen van € 94.000 op een totaal van € 9,5 miljard.

Op 25 februari 2019 heeft het Ministerie van Financiën het Wijzigingsbesluit financiële markten 2019 ter consultatie aangeboden. Onderdeel van deze voorgestelde wijzigingen betreft het schrappen van de objectieve landenindicator uit de bijlage Indicatorenlijst bij het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018

Tot die tijd heeft het BFT aangegeven met betrekking tot de meldingsplicht op grond van de objectieve landenindicator een coulant handhavingsbeleid te zullen voeren. Meer concreet betekent dit dat “instellingen ten aanzien van mogelijke overtredingen van de objectieve landenindicator door het BFT of BTWwft niet zullen worden gesanctioneerd”, zo valt te lezen op de website van het BFT.

Op 3 oktober 2019 is het besluit om de objectieve landenindicator te laten vervallen door middel van bekendmaking in het Staatsblad van kracht geworden.[2] Kennelijk was bij het schrappen van deze indicator toch enige haast gemoeid, zo blijkt uit het aankondigingsbesluit van 3 september 2019:

Een spoedige inwerkingtreding van deze wijziging is gewenst. Ten eerste omdat uit de praktijk is gebleken dat deze objectieve indicator leidt tot een enorme hoeveelheid meldingen die weinig zinvol zijn bij het voorkomen van witwassen of financieren van terrorisme, terwijl het een forse investering van de FIU zou vergen om deze meldingen goed te kunnen verwerken. Het vraagt eveneens een forse investering van Wwft-instellingen in hun systemen om te kunnen melden op grond van deze objectieve indicator

De bal ligt weer bij de instelling

Door het schrappen van de objectieve landenindicator is de bal wederom bij de Wwft-instellingen komen te liggen. Waar zij voorheen transacties van of ten behoeve van een derde-hoogrisicoland zonder enige verdere beoordeling aan de FIU dienden te melden, moeten zij nu (weer) zelfstandig beoordelen of sprake is van een ongebruikelijke transactie aan de hand van de subjectieve indicator. Het besluit vermeldt hieromtrent:

Dit betekent niet dat Wwft-instellingen geen transacties meer hoeven te melden die verband houden met derde-hoogrisicolanden. Zoals hiervoor aangegeven dient op basis van de subjectieve indicator elke transactie te worden gemeld die aanleiding geeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme

De Wwft-instelling dient ter zake van transacties die verband houden met derde-hoogrisicolanden de lijst van factoren genoemd in de bijlagen bij de vierde anti-witwasrichtlijn in ogenschouw te nemen. Op grond van artikel 3, onderdeel a van bijlage III bij de genoemde richtlijn worden als potentieel hoger risico landen aangemerkt:

landen die op basis van geloofwaardige bronnen zoals wederzijdse beoordelingen, gedetailleerde evaluatierapporten, of gepubliceerde follow-uprapporten, worden aangemerkt als een land zonder effectieve AML/CFT-systemen

Daarmee rijst de vraag wie deze “geloofwaardige bronnen” zijn? In het aankondigingsbesluit wordt in dat verband verwezen naar de Financial Action Task Force (hierna ook: FATF). Dit intergouvernementeel orgaan laat in zijn berichtgevingvan 21 juni 2019 weten dat de navolgende landen tekortkomingen vertonen in hun anti-witwasbeleid[3]:

De Bahama’s                             Ghana                                       Syrië

Botswana                                  Pakistan                                    Trinidad en Tobago

Cambodja                                 Panama                                    Tunesië

Ethiopië                                     Sri Lanka                                  Yemen

Tijdens de consultatieronde van 25 februari tot 25 maart 2019 hebben meerdere partijen benadrukt dat het (her)beoordelen van alle transacties met hoogrisicolanden een verhoging van de administratieve lasten voor Wwft-instellingen met zich brengt. Naar aanleiding daarvan is de toelichting op het onderhavige besluit aangepast. Daarin wordt thans opgemerkt dat een Wwft-instelling:

bij het monitoren van transacties specifiek aandacht moet hebben voor transacties met betrekking tot hoogrisicolanden. Indien een Wwft-instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat een dergelijke transactie verband houdt met witwassen of terrorismefinanciering, moet deze worden gemeld bij de FIU-Nederland

Het is niet duidelijk wat precies wordt verstaan onder het hebben van specifieke aandacht voor transacties met betrekking tot hoogrisicolanden. Het is dan ook wachten op de in het aankondigingsbesluit toegezegde verduidelijking van de FIU:

De FIU-Nederland zal in afstemming met de leidraden van de toezichthouders guidance verschaffen over wanneer een Wwft-instelling een transactie met betrekking tot een derde-hoogrisicoland dient te melden op grond van de subjectieve indicator

Tot op heden heeft de FIU die ‘guidance’ nog niet verschaft.

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2019-310.html

 

[1] In totaal zijn er 57.950 gemelde transacties als verdacht aangemerkt door het FIU.

[2] Het betreft het Besluit van 9 september 2019 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 in verband met het vervallen van de objectieve indicator derde-hoogrisicolanden.

[3] http://www.fatf-gafi.org/publications/high-risk-and-other-monitored-jurisdictions/documents/fatf-compliance-june-2019.html

NBA publiceert stappenplan wettelijke meldplichten en NOCLAR

Een accountant kan bij zijn werkzaamheden worden geconfronteerd met onregelmatigheden, zoals een signaal of aanwijzing voor fraude of overtreding van wet- en regelgeving door de cliënt. Naast de (aanvullende) werkzaamheden die de accountant vanaf dat moment moet uitvoeren in het kader van zijn opdracht, dient hij zich ook af te vragen of er sprake kan zijn van wettelijke meldplichten bij externe instanties (d.w.z. niet de interne organen bij de cliënt of binnen de eigen accountantsorganisatie/groepsstructuur). De NBA heeft op de website een overzicht gegeven van de wettelijke meldplichten.

Om voor haar leden inzichtelijk te maken in welke gevallen accountants melding moeten maken van fraude of van overtreding van wet- en regelgeving heeft de NBA voorts een stappenplan ontwikkeld.[1] Het stappenplan biedt ondersteuning aan accountants over waar, hoe en wanneer zij melding moeten maken.

Daarnaast heeft de NBA een NOCLAR stappenplan gepubliceerd. NOCLAR staat voor Non Compliance with Law and Regulations ofwel het niet naleven van wet- en regelgeving. Het geeft aan wat van accountants wordt verwacht en hoe zij moeten handelen als regels niet worden nageleefd door de cliënt of binnen de eigen organisatie. Is het nieuw? Ja en nee. De NV NOCLAR werkt uit wat als principe al in de VGBA werd genoemd. Ook nu dient de accountant volgens de VGBA al actie te ondernemen na constatering van een overtreding van regelgeving.

[1] https://www.nba.nl/nieuws-en-agenda/nieuwsarchief/2019/oktober/stappenplan-wwft–en-fraudemeldingen/

Doorhaling voor accountant wegens onredelijke succes fee

Namens klager is een melding vrijwillige verbetering van verzwegen (buitenlandse) inkomsten en/of vermogen gedaan bij de Belastingdienst. In overleg met zijn belastingadviseur is klager met betrokkene – een accountant-administratieconsulent – overeengekomen dat betrokkene hem zou vertegenwoordigen tegenover de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft vervolgens door middel van een vaststellingsovereenkomst klager een aanslag opgelegd van € 40.660.

Met betrekking tot werkzaamheden van betrokkene is naast een uurtarief een succes fee overeengekomen. Naar aanleiding van de verrichtte werkzaamheden heeft het accountantskantoor van betrokkene een declaratie voor de succes fee aan klager gestuurd ten bedrage van bijna € 49.248,21. Omdat klager de declaratie niet heeft betaald, heeft het accountantskantoor klager gedagvaard. Vervolgens heeft het accountantskantoor ook de betaling van een aanvullende succes fee van € 26.048,88 gevorderd.

Klager heeft op zijn beurt bij de Accountantskamer een klacht tegen betrokkene ingediend. Aan de klacht ligt het verwijt ten grondslag dat betrokkene met klager onder een valse voorstelling van zaken een resultaat afhankelijke beloning is overeengekomen.

De Accountantskamer overweegt dat betrokkene door de overeengekomen succes fee ook zelf een belang heeft gekregen bij de uitkomst van zijn werkzaamheden. Het is de Accountantskamer niet gebleken dat betrokkene zich dit heeft gerealiseerd. Weliswaar heeft de belastingadviseur van klager bij de aangifte op de achtergrond meegekeken, maar dit kan niet als een afdoende maatregel om de bedreiging tegen te gaan worden beschouwd. Deze maatregel is bovendien niet vastgelegd. De Accountantskamer is dan ook van oordeel dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

Daarnaast heeft betrokkene nagelaten om vóór het overeenkomen van de succes fee met voldoende diepgang de hoogte en herkomst van het aan te geven vermogen te onderzoeken en een reële inschatting te maken van de kansen op een lage naheffing zonder boete respectievelijk de risico’s op een hoge naheffing met boete. Daardoor kan niet objectief worden vastgesteld in welke gevallen sprake is van een “succes” als gevolg van de werkzaamheden van betrokkene.

Verder rekent de Accountantskamer betrokkene aan dat hij klager bij het overeenkomen van de succes fee heeft voorgehouden dat er een reële kans bestond dat een op box 1 gebaseerde aanslag zou worden opgelegd, terwijl er geen aanknopingspunten voor het doen van een aangifte in box 1 waren gebleken. Voor de bepaling van de hoogte van de succes fee is daarmee uitgegaan van een zeer negatief scenario. Daarmee heeft betrokkene impliciet als aanvaardbaar beschouwd dat hij excessief zou declareren, terwijl hijzelf geen enkel financieel risico liep. Aldus heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer niet eerlijk en oprecht gehandeld en misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen, wat schending van het fundamenteel beginsel van integriteit oplevert.

Al het voorgaande brengt de Accountantskamer tot de slotsom dat in deze klachtzaak de maatregel van tijdelijke doorhaling in de registers passend en geboden is en wel voor de duur van één maand. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat betrokkene in strijd met meerdere fundamentele beginselen heeft gehandeld en dat betrokkene op de zitting geen blijk heeft gegeven van inzicht in zijn handelen, in deze beginselen en de bedreigingen daarvan.

De Accountantskamer 13 september 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:63.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_63?dateperiodstart=01-09-2019&dateperiodend=03-10-2019&dateperiod=tussen&DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=6

Accountant enkel tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor eigen handelen of nalaten: klacht ongegrond

Betrokkene is accountant-administratieconsulent en mede-eigenaar van A Accountants en Belastingadviseurs B.V. (hierna: het accountantskantoor). Klager drijft een eenmanszaak – een administratiekantoor – en is gehuwd met C. Klager en C zijn in een echtscheidingsprocedure verwikkeld. In het kader van de afwikkeling van de echtscheiding heeft C de belastingadviseur van het accountantskantoor gevraagd om een indicatie van de waarde van de onderneming van klager. De belastingadviseur heeft C daarom de “Berekening van de goodwill bij benadering iz Administratiekantoor B” toegezonden.

Klager heeft op zijn beurt een medewerker van het accountantskantoor laten weten dat de berekening niet correct is en hij heeft deze medewerker verzocht ofwel daarvan afstand te nemen ofwel de bijlage op papier van het kantoor te printen en te laten ondertekenen door een tekenbevoegde persoon. Hierop heeft de betreffende medewerker aangegeven het verzoek niet in behandeling te nemen omdat niet klager, maar C de opdrachtgever is. Vervolgens heeft klager een ander accountantskantoor opdracht gegeven de goodwill van zijn onderneming te berekenen. Dit andere accountantskantoor heeft klager een geheel andere waardering van de goodwill toegezonden.

Bij de Accountantskamer verwijt klager betrokkene dat het accountantskantoor moedwillig een verkeerd beeld heeft gegeven van de waarde van het administratiekantoor waardoor klager onnodig hoge advocaatkosten heeft moeten maken.

De Accountantskamer overweegt dienaangaande dat een accountant alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor eigen handelen of nalaten, tenzij de accountant als vaktechnisch verantwoordelijke voor handelen of nalaten van een ander heeft te gelden. In het onderhavige geval ziet de klacht op werkzaamheden betreffende de goodwill-berekening die niet door betrokkene, maar door de belastingadviseur (van hetzelfde kantoor) zijn uitgevoerd. Deze belastingadviseur is daarvoor zelfstandig als Register Belastingadviseur tuchtrechtelijk bij een ander college (de Raad van Tucht van de Vereniging Register Belastingadviseurs) aan te spreken. In beginsel is een accountant niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor handelen van een kantoorgenoot die zelf onder het bereik van accountantstuchtrecht of ander (fiscaal) tuchtrecht valt.

Naar het oordeel van de Accountantskamer staat vast dat betrokkene niet betrokken is geweest bij de advisering aan C of de waardering van de onderneming van klager. Dat betrokkene achteraf kennis heeft gekregen van het bestaan van de berekening en de inhoudelijke bezwaren van klager daartegen maakt evenmin dat betrokkene als gevolg daarvan toch tuchtrechtelijk verantwoordelijk is te houden. De klacht is naar het oordeel van de Accountantskamer dan ook ongegrond.

De Accountantskamer 12 augustus 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:56.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_56?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=4

Berisping voor accountant die onzorgvuldig en niet vakbekwaam rapporteert over zijn werkzaamheden

Betrokkene is als openbaar accountant werkzaam bij een accountantskantoor, dat sinds 2007 jaarlijks rapport uitgebracht heeft omtrent de jaarrekening van een stichting. Betrokkene is sinds 2015 de tekenend accountant van de stichting en heeft een samenstellingsopdracht aanvaard. Derhalve heeft betrokkene een accountantsrapport met betrekking tot de stichting opgesteld waarin tevens een samenstellingsverklaring is opgenomen.

Klager heeft tegen betrokkene een klacht ingediend en kan naar het oordeel van de Accountantskamer in zijn klacht worden ontvangen. In zijn klacht verwijt klager betrokkene dat hij bij de uitvoering van de samenstellingsopdracht onzorgvuldig en onbekwaam heeft gehandeld.

De Accountantskamer overweegt dat de vermeldingen in de samenstellingsverklaring van betrokkene dat hij is nagegaan dat een aantal posten juist is weergegeven in de jaarrekening en dat hem geen andere zaken bekend zijn geworden die in dit rapport tot uitdrukking moeten worden gebracht, duiden op beoordelingswerkzaamheden in het kader van een assurance-opdracht. Hierdoor heeft betrokkene onduidelijkheid laten bestaan over de aard van zijn werkzaamheden, waarbij hij de indruk heeft gewekt dat zekerheid wordt verstrekt. Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene hiermede niet vakbekwaam en zorgvuldig gerapporteerd over zijn werkzaamheden en derhalve het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Voorts had betrokkene gelet op het bepaalde in de statuten van de stichting in zijn samenstellingsverklaring duidelijk moeten vermelden dat hij geen oordeel kan geven over de getrouwheid van de jaarrekening, opdat voor derden voldoende duidelijk zou zijn geweest dat met de samenstellingsverklaring geen rapport omtrent de getrouwheid is afgegeven. Door dit na te laten heeft betrokkene het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet in acht genomen.

Tenslotte heeft betrokkene in de jaarrekening slechts vermeld dat deze is samengesteld in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde verslaggevingsregels, zonder dat hij daarbij heeft vermeld welke specifieke regels hij daarmee bedoelt. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de opdrachtbevestiging staat vermeld dat de jaarrekening zal worden samengesteld in overeenstemming met de van toepassing zijnde grondslagen voor financiële verslaggeving en de wettelijke voorschriften volgens titel 9 van boek 2 BW, terwijl betrokkene de jaarrekening (grotendeels) op grond van RJK-C1 heeft samengesteld. Aangezien de jaarrekening een andere grondslag heeft dan genoemd in de opdrachtbevestiging, kon betrokkene niet volstaan met een verwijzing naar de algemeen aanvaarde verslaggevingsregeling. Betrokkene had in dit geval duidelijk moeten vermelden op welke grondslag de jaarrekening was gebaseerd. Nu betrokkene dat niet heeft gedaan, heeft hij het voor hem geldende fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet in acht genomen.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van berisping passend en geboden.

De Accountantskamer 5 augustus 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:55.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_55?dateperiodstart=01-08-2019&dateperiodend=31-08-2019&dateperiod=tussen&DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=2

Waarschuwing voor bestuursvoorzitter Ernst & Young wegens tekortkomingen in kwaliteitssysteem

Betrokkene is als partner-registeraccountant en bestuursvoorzitter van Ernst & Young Accountants LLP (hierna: EY Accountants)er voor verantwoordelijk dat binnen de organisatie een stelsel van kwaliteitsbeheersing geldt.

DNB heeft klager 1 (hierna: X1) een boete opgelegd van € 4.977.500 in verband met niet-toegestane nevenactiviteiten door de aan haar gelieerde klaagster 2 (hierna: X2). X1 heeft tegen dit besluit bij DNB bezwaar gemaakt omdat de hoogte van het door haar behaalde voordeel minder dan € 2 miljoen zou zijn. Haar standpunt in die procedure heeft ze onderbouwd met een door C opgesteld rapport (hierna: het rapport). EY Accountants heeft het rapport van C beoordeeld en daarover een rapport opgeleverd. Op basis van de bevindingen van EY Accountants neemt DNB de conclusie van C, dat het behaalde voordeel minder dan EUR 2 miljoen zou zijn, niet over.

Naar aanleiding van het rapport hebben klagers tegen betrokkene een klacht ingediend bij de Accountantskamer. In het klaagschrift houden klagers betrokkene op het niveau van het kwaliteitssysteem van EY Accountants verantwoordelijk voor de wijze waarop de opdracht is uitgevoerd.

Ter zitting is de Accountantskamer gebleken dat voor de adviesopdrachten die namens EY Accountants door niet-accountants worden uitgevoerd symptomatisch niet dezelfde borging van de kwaliteit geldt als voor adviesopdrachten die (zouden) worden uitgevoerd door accountants, terwijl cliënten over deze gevolgen van het toepasselijke kwaliteitssysteem niet duidelijk worden geïnformeerd. Betrokkene had hetna kennisneming daarvan moeten opvallen dat, zonder duidelijke in het kwaliteitssysteem op te nemen waarborgen, verwarring bij gebruikers het gevolg zou kunnen zijn. Aldus had een maatregel genomen moeten worden met als strekking dat bij dergelijke opdrachten duidelijk wordt vermeld dat zij worden of zijn uitgevoerd door niet-accountants en zonder dat de voor accountants geldende wet- en regelgeving van toepassing is. Omdat een dergelijke maatregel ontbreekt, kent het kwaliteitssysteem een (zonder meer kenbare) tekortkoming die strijdig is met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. In zoverre is de klacht naar het oordeel van de Accountantskamer gegrond.

Voorts is naar het oordeel van de Accountantskamer niet gebleken dat betrokkene, nadat hij daarop is aangesproken door klagers, tot stappen is gekomen om een maatregel te treffen om de door het rapport gewekte onjuiste, onvolledige of misleidende indruk weg te nemen. Daarom is de Accountantskamer met klagers van oordeel dat er sprake was van in ieder geval materieel onvolledige informatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de VGBA. Betrokkene had als de voor dit kwaliteitssysteem verantwoordelijke accountant een passende maatregel dienen te treffen, hetgeen hij, daartoe aangesproken, heeft nagelaten. Ook in zoverre is de klacht naar het oordeel van de Accountantskamer gegrond.

Aangezien betrokkene verantwoordelijk moet worden gehouden voor de opzet en werking voor het kwaliteitssysteem van EY accountants en naar aanleiding van onderhavige kwestie, daartoe door klagers aangesproken, geen maatregel (c.q. waarborg) in dit individuele geval heeft getroffen om de klaarblijkelijke, materiële onvolledigheden op te heffen, is de Accountantskamer van oordeel dat aan betrokkene een maatregel dient te worden opgelegd. De Accountantskamer acht alle omstandigheden van het geval afwegende dat kan worden volstaan met de maatregel van waarschuwing.

De Accountantskamer 6 september 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:59.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_59

Trustkantoor Vistra betaalt € 350.000 voor het niet melden van ongebruikelijke transacties

Het trustkantoor Vistra heeft een door het Openbaar Ministerie (OM) aangeboden transactie in de vorm van een betaling van € 350.000 geaccepteerd en betaald voor het niet tijdig melden van ongebruikelijke transacties bij de Financial Intelligence Unit (FIU-NL).

De betreffende transacties werden verricht door een dochteronderneming van een bedrijfsgroep uit Oekraïne, actief in de energie- en grondstoffensector. Deze dochteronderneming was een cliënt van Vistra. Volgens het OM heeft Vistra vier transacties door de bedrijvengroep in 2013 niet tijdig gemeld bij de FIU-NL. Daarnaast heeft Vistra volgens het OM nagelaten afdoende onderzoek te verrichten naar de UBO’s van de verkopende partij en de transacties en zijn de integriteitsrisico’s onvoldoende onderkend.

Feiten

Trustkantoor Vistra was medebestuurder van de Nederlandse dochteronderneming van een bedrijfsgroep. De dochteronderneming sloot in 2013 een deal met een vijftal op de BVI gevestigde bedrijven om zeggenschap te verkrijgen in een belangrijke speler in de Oekraïense energie en grondstoffensector. De onderneming kocht voor ruim 200 miljoen euro vier andere Cypriotische bedrijven. De betaling van deze koop bestond uit vier samenhangende transacties en vonden plaats via Zwitserse en Oostenrijkse banken.

Vistra had de betreffende voorgenomen transactie nader onderzocht vanwege de betaling via een Zwitserse bankrekening. Zowel medewerkers van het cliënt-team als de afdeling Compliance hebben beoordeeld of de transactie verband zou kunnen houden met witwassen. Naar het oordeel van Vistra was daar geen sprake van.

Onderzoek DNB

DNB verrichtte in juni 2014 een themaonderzoek naar political exposed persons (PEPs) of politiek prominente personen uit hoogrisicolanden, met specifieke aandacht voor Rusland en Oekraïne. In dit kader werd ook Vistra onderzocht. DNB heeft tijdens haar onderzoek een eerste betaling met betrekking tot de hierboven genoemde aandelenkoop beoordeeld. DNB is van oordeel dat de betreffende transactie als ongebruikelijk aangemerkt had moeten worden en vervolgens bij de FIU had moeten worden gemeld. Ook vindt DNB dat Vistra te weinig onderzoek heeft gedaan naar de achtergrond van deze transactie en was zij niet op de hoogte wie de UBO’s waren van de verkopende partijen. In maart 2015 heeft DNB aangifte gedaan en de bevindingen van het onderzoek met het OM gedeeld.

De FIOD heeft deze transacties onderzocht en komt tot hetzelfde oordeel als DNB. Van enig nader onderzoek door Vistra is niet gebleken. Daarnaast is de FIOD van oordeel dat ook drie andere transacties – die hadden plaatsgevonden om de deal compleet te maken – hadden moeten worden gemeld.

Vistra had bij de cliëntacceptatie de klant aangemerkt als een ‘High Risk’ klant, zodat Vistra de cliënt doorlopende diende te controleren. Desondanks heeft Vistra de deal door laten gaan en de betalingen daarvoor laten verrichten, terwijl zij slechts summier op de hoogte was van de achtergrond van de deal.

Naar aanleiding van het onderzoek van DNB heeft Vistra alsnog nadere vragen gesteld aan haar cliënt over onder andere de bestemming van de betalingen en de omstandigheden waaronder de transacties plaatsvonden. Toen de cliënt geen bevredigende antwoorden gaf op de vragen, besloot Vistra in 2014 alsnog over te gaan tot het melden.

Afdoening

Vistra heeft volgens het OM rond de betrokken transacties in 2013 de poortwachtersfunctie niet goed vervuld. Het OM ziet de betaling van € 350.000 als een passende en effectieve afdoening. Vistra is niet eerder vervolgd voor dit soort feiten en heeft medewerking verleend aan het onderzoek. In de zittingszaal zou het OM een vergelijkbare straf hebben geëist. Verder heeft meegespeeld dat het bedrijf inmiddels compliance maatregelen heeft genomen en dat de huidige organisatie ten opzichte van 2013 geheel is veranderd en verbeterd.

Openbaar Ministerie 3 september 2019

https://www.om.nl/@106596/trustkantoor-vistra/

Financial Intelligence Unit-Nederland schiet doel voorbij

Als bijlage bij zijn brief van 23 juli 2019 heeft minister Grapperhaus het rapport van Financial Intelligence Unit-Nederland (hierna: FIU) over het jaar 2018 aan de Tweede Kamer aangeboden.

De objectieve landenindicator

Het jaarverslag typeert 2018 als “een jaar van superlatieven”. De FIU-Nederland ontving in 2018 in totaal 753.352 meldingen van ongebruikelijke transacties. Het aantal meldingen is daarmee meer dan verdubbeld ten opzichte van 2017.[1] Deze enorme stijging is met name veroorzaakt door een nieuwe objectieve indicator die bij implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn is ingevoerd.[2] Daarmee werden instellingen verplicht gesteld om alle transacties met hoog-risico-landen als ongebruikelijke transactie te melden bij FIU-Nederland.[3] Als gevolg van deze nieuwe indicator zijn 358.609 transacties als ongebruikelijk gemeld in 2018. Daarvan waren slechts 222 transacties als verdacht aangemerkt door de FIU.[4] Daar komt bij dat deze transacties een relatief geringe waarde vertegenwoordigen van slechts € 94.000 op een totaal van 9,5 miljard.

In feite wordt de FIU dus overstroomd met weinig zinvolle meldingen op basis van deze objectieve indicator. Daarom heeft het Ministerie van Financiën het Wijzigingsbesluit financiële markten 2019 ter consulatie aangeboden. Onderdeel van deze voorgestelde wijzigingen betreft het schrappen van de objectieve landenindicator uit de bijlage Indicatorenlijst bij het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. Naar verwachting zal deze wijziging binnenkort in werking treden.

Tot die tijd heeft het BFT aangegeven met betrekking tot de meldingsplicht op grond van de objectieve landenindicator coulant te zullen handhaven. Meer concreet betekent dit dat “instellingen ten aanzien van mogelijke overtredingen van de objectieve landenindicator door het BFT of BTWwft niet zullen worden gesanctioneerd”, zo valt te lezen op de website van het BFT.[5]

Denkt men de transacties op basis van de onverwachte werking van de objectieve landenindicator weg, dan resteert een aantal “reguliere”[6] meldingen van 394.743. Ten opzichte van 2017 zijn 33.728 meer reguliere transacties gemeld op grond waarvan het FIU concludeert dat “het aantal ontvangen “reguliere” ongebruikelijke transacties op de lange termijn gestaag [blijft] toenemen”.

         Met de meeste meldingen wordt niets gedaan

Uit de bijna 400.000 meldingen filterde de FIU ongeveer 58.000 verdachte transacties. Dat komt neer op ongeveer 15% en 10 miljard euro. De FIU stelt deze informatie ter beschikking aan de politie, justitie en FIOD, maar volgens diverse bronnen van de Volkskrant[7] gebeurt er maar weinig met deze informatie.

Een medewerker van de FIU schat dat van die 15% verdachte transacties, niet meer dan 10% tot een vervolging leidt. Oftewel van de 58.000 verdachte transacties krijgen 5.800 een gevolg. Met de overige 52.000 wordt dus niets gedaan. Bovendien zouden de bevindingen van de FIU in de praktijk door de politie veelal alleen in lopende onderzoeken gebruikt worden.  De meeste personen die betrokken zijn bij een door de FIU verdacht verklaarde transactie komen echter nooit in aanraking met de politie.

Het wringt dat instellingen als belastingadviseurs, accountants, notarissen en bankiers grote investeringen doen om de Wwft-verplichtingen na te leven, terwijl de opsporing er nauwelijks gebruik van maakt. De reden: politie, justitie en FIOD hebben nauwelijks mankracht en beschikken over te weinig expertise van financieel rechercheren.

         FIU stelt jarenlang onbevoegd processen-verbaal op

De Minister van Justitie en Veiligheid merkt in zijn brief verder op dat de FIU feitelijk jarenlang zijn boekje te buiten is gegaan. De FIU heeft namelijk processen-verbaal opgemaakt van witwastransacties “terwijl de FIU geen opsporingstaak heeft en zij daartoe ten behoeve van de FIU-taak niet bevoegd [was]”.

De werkprocessen van de FIU zijn inmiddels zodanig aangepast dat de medewerkers van de FIU niet langer een proces-verbaal opmaken maar een rapportage. Dergelijke rapportages bevatten dezelfde informatie als de voormalige processen-verbaal en zouden bovendien nog steeds als bewijsmiddel kunnen dienen in strafzaken. Alleen dan onder het mom van een “andere geschriften” in de zin van artikel 344 Sv. De minister spreekt weliswaar over “een kleine wijziging” maar deze heeft mogelijkerwijs grote gevolgen.

Waar van processen-verbaal voldoende bewijskracht uit kan gaan voor een bewezenverklaring, ontbreekt het “andere geschriften” aan een dergelijke bewijskracht. Voornoemd wetsartikel regelt over dergelijke bescheiden namelijk dat “deze alleen [kunnen] gelden in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen”. Anders gezegd, veroordelingen die alleen zijn gestoeld op een door de FIU opgesteld proces-verbaal komen hiermee op losse schroeven te staan. Een woordvoerder van het Openbaar Ministerie heeft aangegeven geen zaken te kennen waarbij men alleen met een proces-verbaal van het FIU naar de rechter is gestapt. De beschreven bevoegdheidsoverschrijding lijkt daarmede op het eerste gezicht zonder grote gevolgen te blijven.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/07/23/tk-jaaroverzicht-fiu-2018

https://www.fiu-nederland.nl/sites/www.fiu-nederland.nl/files/documenten/jaaroverzicht_fiu-nederland_2018.pdf

 

[1] In 2017 werden 361.015 ongebruikelijke transacties gemeld aan het FIU.

[2] Op 25 juli 2018 is de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn in werking getreden.

[3] De lijst met hoog risicolanden is te raadplegen via: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:02016R1675-20181022

[4] In totaal zijn er 57.950 gemelde transacties als verdacht aangemerkt door het FIU.

[5] https://www.bureauft.nl/2019/03/21/coulant-handhavingsbeleid-wwft-met-betrekking-tot-objectieve-indicator-wwft-derde-hoog-risico-landen/

[6] Met reguliere meldingen worden meldingen bedoeld die niet zijn ontvangen op basis van de in 2018 geïmplementeerde wetswijziging waarin meldplichtige instellingen op basis van een objectieve meldgrens transacties dienen te melden in relatie tot de door de Europese Commissie aangewezen risicolanden.

[7] https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/9-5-miljard-aan-fout-geld-ontdekt-in-nederland-en-dat-is-slechts-het-topje-van-de-ijsberg~b87fc731/ en; https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/voor-bijna-tien-miljard-aan-ontdekte-frauduleuze-transacties-in-2018~b3eb77ab/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F

 

Vrijspraak nu tussenpersoon geen ‘cliënt’ is in de zin van de Wwft

Verdachte – een rechtspersoon – hield zich samen met een medeverdachte bezig met de verkoop van horloges. Het Openbaar Ministerie verwijt verdachte het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting, het valselijk opmaken van verkoopfacturen en het niet melden van ongebruikelijke transacties op grond van de Wwft.

De Rechtbank is van oordeel dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is van onjuist ingediende aangiften omzetbelasting. Ook acht de Rechtbank het opmaken van valse facturen niet bewezen.

Inzake het niet melden van ongebruikelijke transacties onderscheidt de Rechtbank drie categorieën: a) niet, b) niet juist en c) te laat gemelde transacties.

a) Niet gemelde transacties

De niet gemelde transacties van contante bedragen zijn naar het oordeel van de Rechtbank niet ongebruikelijk, omdat het geen contante betalingen van € 25.000,- of meer betreffen.

b) Niet op juiste wijze gemelde transacties

Dit deel van het verwijt ziet op transacties die wel zijn gemeld, maar op naam van de buitenlandse afnemers, terwijl de transacties in de ogen van het Openbaar Ministerie feitelijk werden aangegaan met de medeverdachte. Volgens het Openbaar Ministerie had verdachte de ongebruikelijke transacties moeten melden op naam van medeverdachte.

De verdediging stelt dat slechts de uiteindelijke koper of opdrachtgever als ‘cliënt’ in de zin van de Wwft kwalificeert, en die dus moet worden opgenomen op de melding. Dat was telkens één van de buitenlandse afnemers. Het dossier bevat geen bewijs dat de medeverdachte voor zichzelf heeft gekocht.

De Rechtbank overweegt dat de meldingsplicht geldt ten aanzien van “(rechts)personen met wie een transactie wordt aangegaan, alsmede degene die een transactie laat uitvoeren en de ultimate beneficial owner”. De medeverdachte behoort als tussenpersoon tot geen van deze categorieën. Derhalve acht de Rechtbank niet bewezen dat verdachte opzettelijk geen melding heeft gedaan van ongebruikelijke transacties met medeverdachte.

c) Te laat melden

De Rechtbank oordeelt verder dat verdachte de overige in de tenlastelegging opgenomen ongebruikelijke transacties te laat heeft gemeld. De transacties zijn immers verricht in de periode van april 2011 tot en met oktober 2011, terwijl de meldingen bij de FIU pas in 2012 zijn binnengekomen. Daarmee is sprake van het te laat melden van ongebruikelijk transacties.

Met betrekking tot het te laat melden, wijst de Rechtbank op de tenlastelegging die luidt dat verdachte “telkens opzettelijk geen melding [heeft] gedaan van” ongebruikelijke transacties. De opsteller van de tenlastelegging verwijt verdachte daarmee in zijn geheel geen melding te hebben gemaakt van de betreffende transacties. Nu verdachte wel degelijk melding heeft gemaakt van deze ongebruikelijke transacties, alleen te laat, kan dit onderdeel van het ten laste gelegde naar het oordeel van de Rechtbank evenmin worden bewezen.

De Rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van al het ten laste gelegde.

Rechtbank Amsterdam 4 juni 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3997.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3997