Categorie: Wwft & tuchtrecht

Blog: Het wetsvoorstel UBO-register: een palet aan verplichtingen

Op 4 april 2019 heeft minister Hoekstra van Financiën het wetsvoorstel ‘UBO-register’ aan de Tweede Kamer aangeboden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de verplichting voor iedere lidstaat om een centraal register in te voeren met informatie over uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) van vennootschappen en andere juridische entiteiten. Deze verplichting vloeit voort uit de vierde Europese anti-witwasrichtlijn, zoals gewijzigd door de Europese richtlijn (EU) 2018/84. De implementatie dient uiterlijk op 10 januari 2020 te zijn voltooid.

Voornoemd wetsvoorstel is zeer kritisch ontvangen in de (vak)pers. Zo kopt het Financieel dagblad “Eigendomsregister schendt privacy voor niets”. Anderen noemen het “een weinig doordacht moetje”.[1] Toch is het goed dat “moetje” eens nader onder de loep te nemen. De lidstaten zijn namelijk door Brussel verplicht tot het instellen van een UBO-register. Het zal er hoe dan ook komen. Maar, welke verplichtingen brengt dit met zich? En waar moet u als Wwft-instelling op letten?

De wijzigingsrichtlijn 2018/843 in a nutshell

De gewijzigde richtlijn behelst onder meer een verplichting voor EU-lidstaten ervoor te zorgen dat op hun grondgebied opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten toereikende, accurate en actuele informatie over uiteindelijk belanghebbenden inwinnen en bijhouden, alsmede registreren in een openbaar toegankelijk register. Hiertoe worden de Handelsregisterwet 2007, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Wet op de economische delicten (hierna: WED) gewijzigd.

In de Handelsregisterwet 2007 zal voor een aantal rechtsvormen[2], te weten vennootschappen en andere juridische entiteiten, de verplichting worden opgenomen hun UBO’s te registreren in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK).[3] Deze verplichting geldt uitdrukkelijk niet voor buitenlandse rechtspersonen, ook niet wanneer deze een hoofd- of nevenvestiging in Nederland hebben. Wel geldt die verplichting voor de niet (meer) in Nederland gevestigde onderneming toebehorende aan een in Nederland opgerichte maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of rederij. Deze dienen zich volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel eveneens (opnieuw) in te schrijven in het Handelsregister.

De UBO-informatie moet worden opgenomen in het Handelregister. De KvK is aangewezen als beheerder en wordt tevens verantwoordelijk voor de controle op de aanlevering van en de juistheid en de volledigheid van de UBO-informatie in het Handelsregister.

Als ‘Ultimate Beneficial Owner’ wordt aangemerkt de natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of zeggenschap heeft over een vennootschap of een andere juridische entiteit.[4] De persoon die (direct of indirect) een eigendoms- of zeggenschapsbelang heeft van meer dan 25% in één van de betreffende rechtsvormen kwalificeert als UBO. In de situatie dat op basis hiervan geen privépersoon kan worden aangewezen als UBO, moet een pseudo-UBO worden geregistreerd. Dat is iemand van het bestuur dan wel dan wel degene(n) die met de dagelijkse leiding is (zijn) belast. De betreffende entiteiten dienen daartoe toereikende, accurate en actuele informatie over hun UBO’s in te winnen en bij te houden. Het betreft aldus een verplichting doorlopend in tijd.

Welke informatie dient te worden geregistreerd?

Daarbij rijst dan direct de vraag op welke informatie de genoemde verplichting ziet. Blijkens het wetsvoorstel moet de navolgende UBO-informatie bijgehouden en centraal geregistreerd worden:

  1. Naam
  2. Geboortedag, -plaats en -land
  3. Adres (inclusief woonstaat)
  4. Nationaliteit
  5. Burgerservicenummer (indien toegekend)
  6. Afschrift documentatie op grond waarvan de identiteit is geverifieerd
  7. Afschrift documentatie waarmee wordt onderbouwd waarom een persoon de status van UBO heeft
  8. Afschrift documentatie betreffende de aard en omvang van het gehouden economisch belang van de UBO

Blijkens de memorie van toelichting rust de verplichting tot het doen van inschrijving van de UBO-informatie op “degene aan wie de vennootschap of een andere juridische entiteit toebehoort of ieder der bestuurders of – als die er niet zijn – degene die met de dagelijkse leiding is belast.”

In dit verband zal ingevolge het voorgestelde artikel 15a Handelsregisterweg 2007 aansluiting worden gezocht bij de bij de systematiek van de wetsartikelen 5 en 6 van de Handelregisterwet 2007. Dit betekent dat, voor zover de entiteiten die onder de registratieplicht vallen rechtspersoonlijkheid hebben, de verplichting tot het inschrijven van de UBO-informatie zal rusten op elk van de bestuurders. Ontbreekt rechtspersoonlijkheid – zoals bijvoorbeeld bij de maatschap het geval is – dan zal de inschrijvingsverplichting in eerste instantie komen te rusten op degene aan wie die maatschap toebehoort – in dat geval op de maten.

Voor wie is de UBO-informatie toegankelijk?

Een deel van de te registeren gegevens is niet openbaar, namelijk het BSN/buitenlands fiscaal identificatienummer (TIN), de geboortedag, het geboorteland en- plaats, het woonadres, het afschrift van een geldig identiteitsdocument en afschriften van documenten waaruit de aard en omvang van het economische belang van de UBO blijkt.

De naam, de geboortemaand en -jaar, de woonstaat, de nationaliteit en de aard en omvang van het gehouden economische belang door de UBO, zijn wél openbaar toegankelijk. Met betrekking tot het economisch belang, zal niet de exacte omvang van het belang openbaar inzichtelijk zijn, maar zullen slechts bandbreedtes van 25%, 50%, 75% en 100% worden vermeld. Geldbedragen worden niet vermeld.

De aanvullende informatie zal alleen toegankelijk zijn voor de bevoegde autoriteiten[5] en de Financiële inlichtingen eenheid (FIU).[6] Zij zijn verplicht deze informatie geheim te houden. In het geval dat de genoemde autoriteiten UBO-informatie opvragen, wordt de betreffende UBO daarvan niet op de hoogte gesteld door de KvK.

De UBO-informatie zal gedurende een termijn van tien jaar toegankelijk blijven, gerekend vanaf het moment dat de betreffende entiteit is geschrapt uit het UBO-gedeelte van het Handelsregister. Het kabinet acht het van belang dat de historische gegevens betreffende een uiteindelijk belanghebbende gedurende een zo lang mogelijke periode voorhanden blijven. Onderzoeken naar witwassen, de daaraan ten grondslag liggende delicten, en het financieren van terrorisme zien namelijk op gebeurtenissen in het verleden.

Het afschermen van UBO-informatie

Bij de KvK kan een verzoek tot afscherming van UBO-informatie worden ingediend. Daarbij zal moeten worden aangetoond dat één van de in de Richtlijn genoemde situaties aan de orde is zoals het risico op fraude, ontvoering of pesterijen.[7] Tegen de (afwijzende) beslissing op dit verzoek staat bezwaar en beroep open.

Het schenden van UBO-verplichtingen: een economisch delict

Als niet aan de verplichting tot het doen van een opgave voor inschrijving in het Handelsregister wordt voldaan, levert dat een economisch delict op dat kan worden bestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden, een taakstraf of geldboete van de vierde categorie (per 1 januari 2018: € 20.750).[8]

Daarnaast geeft het wetsvoorstel ook de mogelijkheid om bestuursrechtelijk te handhaven door het opleggen van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete voor het niet registeren van de UBO-informatie. Wat de hoogte van de bestuurlijke boete betreft wordt aansluiting gezocht bij de strafrechtelijke boetecategorie die geldt bij overtreding van artikel 47 van de Handelsregisterwet 2007: een boete van de vierde categorie.[9]

Naast het doen van opgave voor de inschrijving van UBO-informatie worden – ten behoeve van strafrechtelijke handhaving – de volgende verplichtingen eveneens bij overtreding als economisch delict opgenomen in de WED:

  1. Het inwinnen en bijhouden door vennootschappen en andere juridische entiteiten van toereikende, accurate en actuele informatie over hun UBO’s;[10]
  2. Het voorzien in alle informatie door een uiteindelijk belanghebbende die voor de vennootschap of andere juridische entiteit noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de onder 1 genoemde verplichting;[11]
  3. De terugmeldplicht[12] voor Wwft-instellingen (zie onderdeel: de gevolgen voor Wwft-instellingen).[13]

Blijkens de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordt het overtreden van de hierboven vermelde verplichtingen aangemerkt als een misdrijf, voor zover opzettelijk begaan, anders is zij een overtreding.[14] De misdrijfvariant kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, een taakstraf of geldboete van de vierde categorie.[15] Op de overtredingsvariant staat een hechtenis van ten hoogste zes maanden, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie.[16]

Het Bureau Economische Handhaving (BEH) zal worden belast met de handhaving van de genoemde UBO-verplichtingen. Handhaving zal plaats vinden op basis van signalen die het BEH ontvangt van de KvK.

Op grond van de ernst van het feit zal worden gedifferentieerd in sanctie. Bij relatief eenvoudig te constateren en lichte overtredingen bestaat er geen noodzaak tot strafrechtelijke afdoening. Hierbij moet worden gedacht aan het niet tijdig aanleveren van UBO-informatie. Strafrechtelijke afdoening kan echter geïndiceerd zijn, indien verzwarende omstandigheden zich voordoen. Hierbij dient onder meer gedacht te worden aan het opzettelijk doorgeven van onjuiste UBO-informatie.

Ten aanzien van de terugmeldplicht krijgen de Wwft-toezichthouders de bevoegdheid om hun handhavingsinstrumentarium in te zetten wanneer zij een overtreding van deze terugmeldplicht door een onder hun toezicht staande Wwft-instelling constateren. Dat instrumentarium bestaat uit het opleggen van een bestuurlijke boete of last onder dwangsom of het geven van een aanwijzing.

De gevolgen voor Wwft-instellingen

Instellingen die op grond van de Wwft verplicht zijn cliëntenonderzoek te verrichten, worden verplicht fouten die zij in het register constateren aan de KvK te melden.[17] Deze bepaling komt als volgt te luiden:

“Een instelling doet melding aan de Kamer van Koophandel van iedere discrepantie die zij aantreft tussen een gegeven omtrent een uiteindelijk belanghebbende dat zij verstrekt heeft gekregen uit het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, en de informatie over die uiteindelijk belanghebbende waarover zij uit anderen hoofde beschikt.”

Aan de Wwft wordt tevens toegevoegd dat Wwft-instellingen zich bij hun cliëntenonderzoek niet uitsluitend mogen verlaten op UBO-informatie in het Handelsregister.[18] Van Wwft-instellingen wordt verwacht dat zij in het kader van het door de Wwft verplicht gestelde risicogebaseerde cliëntenonderzoek meer UBO-informatie verzamelen en bewaren dan de UBO-informatie die zij uit het Handelsregister kunnen halen.

De terugmeldplicht staat los van de reeds bestaande meldplicht als bedoeld in artikel 16 Wwft. Op grond van dit artikel moet een instelling een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld melden aan de FIU. In de memorie van toelichting wordt hierover het volgende opgemerkt:

“Indien een meldingsplichtige instelling derhalve in het kader van het cliëntenonderzoek informatie over een UBO heeft verzameld die tot de conclusie leidt dat sprake is van een ongebruikelijke transactie – nu de instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme -, dient de meldingsplichtige instelling dit onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden te melden aan de Financiële inlichtingen eenheid en niet aan de Kamer van Koophandel.”

De terugmeldplicht aan de KvK is dan blijkens het voorgestelde artikel 10c Wwft niet van toepassing. De Wwft-instelling zal dus bij een eenmaal geconstateerde discrepantie moeten afvragen of een melding moet worden gedaan bij de KvK (terugmeldplicht) of de FIU (melding ongebruikelijke transactie).

Het onderscheid zal niet altijd even makkelijk te maken zijn. Als een Wwft-instelling in het kader van het cliëntenonderzoek constateert dat door de UBO onjuiste informatie is geregistreerd in het Handelsregister, kan dat aanleiding zijn om nader te onderzoeken of een transactie verband kan houden met witwassen en er een melding moet worden gedaan bij de FIU. Constateert de Wwft-instelling meer ‘onschuldige’ discrepanties tussen de UBO-informatie bij de KvK en de informatie die hijzelf beschikbaar heeft, dan ligt een melding aan de KvK voor de hand. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het niet tijdig doorgegeven van wijzigingen.

Uitvoeringstoets wetsvoorstel

Inmiddels heeft ook de Belastingdienst het ingediende wetsvoorstel onder de loep genomen. Haar oordeel, zoals weergeven in de op 4 april 2019 gepubliceerde uitvoeringstoets, is op onderdelen zeer kritisch: “Het voorstel is fraudegevoelig” en “de handhaving is naar verwachting beperkt effectief”.

Volgens de Belastingdienst zal het naar verwachting in de praktijk ingewikkeld en zelfs onmogelijk blijken om relevante informatie uit het buitenland te krijgen. Ook zal het niet in alle gevallen mogelijk blijken door te dringen in bewust opgezette niet-transparante constructies. Het blijft aldus maar de vraag of de voorgenomen maatregelen de UBO daadwerkelijk in beeld brengen.

Verder acht de Belastingdienst het wetsvoorstel fraudegevoelig. Uiteindelijk belanghebbenden die zich om fiscale of andere redenen achter niet-transparante constructies willen verschuilen, zullen (eerder) onjuiste of onvolledige UBO-gegevens aanleveren. Bovendien ontstaat met de voorgenomen verplichting een prikkel uit te wijken naar bepaalde rechtsfiguren, nu zij enkel gelden voor de specifiek in het voorstel genoemde rechtsvormen, aldus de Belastingdienst.

Nu Nederland eenmaal verplicht is tot het instellen van een (openbaar) register is het niet de vraag of, maar hoe en wanneer het register zal worden ingevoerd. De UBO’s en Wwft-instellingen doen er aldus goed aan de op termijn aan te leveren informatie scherp op het netvlies te hebben en de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten te houden. Inwerkingtreding staat immers voor de deur: de eerste opgave zal in het geval dat de voorgestelde wet per 10 januari 2020 in werking treedt uiterlijk op 10 juli 2021 dienen plaats te vinden.

https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-financien/documenten/kamerstukken/2019/04/04/bijlage-1.-wetsvoorstel-ubo-register

[1] Tax Live, “Implementatie UBO-register: Een te weinig doordacht moetje!

[2] Deze registratieverplichting zal komen te gelden voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, de naamloze vennootschap, de Europese naamloze vennootschap, het Europees economisch samenwerkingsverband, de Europese coöperatieve vennootschap, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de vereniging, de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, de vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid die een onderneming drijft, de stichting, de maatschap, de commanditaire vennootschap, de vennootschap onder firma en de rederij.

[3] Voorgesteld wordt artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 uit te breiden met een nieuw onderdeel d, waarmee duidelijk wordt dat het centraal registreren van uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten in een register wordt ingevoerd.

[4] Wat betreft de definitie van de uiteindelijk belanghebbende zal in de Handelsregisterwet 2007 worden terugverwezen naar de Wwft. In de Wwft wordt, in afwijking van de definitie in artikel 1, eerste lid van de huidige Wwft, de UBO-definitie van het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende’ neergelegd in artikel 10a, eerste lid, Wwft.

[5] Thans wordt in de volgende bevoegde autoriteiten voorzien: De Nederlandsche Bank, de Autoriteit Financiële Markten, het Bureau Financieel Toezicht, het Bureau Toezicht Wwft, de Kansspelautoriteit, de dekens van de Orde van Advocaten in hun rol van toezichthouder Wwft, de Belastingdienst, de Douane, de Dienst Justis, het Bureau Bibob, de Nationale Politie, het Openbaar Ministerie, de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst, de Militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst, de Koninklijke Marechaussee, de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD), de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW-DO), de Inlichtingen- en opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA-IOD), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT/IOD), de Rijksrecherche en het Bureau Economische Handhaving.

[6] De term ‘Financiële inlichtingen eenheid’ wordt zowel in de richtlijn als in de Wwft gehanteerd. Hiermee wordt de ‘Financial Intelligence Unit Nederland’ of FIU-Nederland’ bedoeld.

[7] De UBO dient aan te tonen dat van één van de navolgende gevallen sprake is: blootstelling aan een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie, minderjarigheid of andersoortige handelingsonbekwaamheid.

[8] Ingevolge artikel 47 Handelsregisterwet 2007 jo. artikel 2, lid 4, en 6, lid 1, onderdeel 5 WED.

[9] Voorgesteld Artikel 47a Handelsregisterwet 2007.

[10] Voorgesteld artikel 10b, lid 1, Wwft.

[11] Voorgesteld artikel 10b, lid 2, Wwft.

[12] Inzake de terugmeldplicht krijgen de Wwft-toezichthouders de bevoegdheid om hun handhavingsinstrumentarium in te zetten wanneer zij een overtreding van deze terugmeldplicht door een onder hun toezicht staande Wwft-instelling constateren. Dat instrumentarium bestaat uit het opleggen van een bestuurlijke boete of last onder dwangsom of het geven van een aanwijzing. In artikel 13 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector zal hiervoor de boetecategorie worden vastgesteld.

[13] Voorgesteld artikel 10c Wwft.

[14] Artikel 1, onderdeel 2° juncto artikel 2, eerste lid, van de WED. Vreemd genoeg levert het opzettelijk niet registreren van UBO-informatie geen misdrijf op.

[15] Artikel 6 lid 1, onderdeel 2 van de WED.

[16] Artikel 6 lid 1, onderdeel 5 van de WED.

[17] Voorgesteld artikel 10c, lid 1, Wwft.

[18] Voorgesteld artikel 3, lid 15, Wwft.

Doorhaling voor accountant die een lening en frauduleuze adviezen versterkt aan frauderende cliënt

Betrokkene heeft als accountant werkzaamheden verricht voor een DGA en de met diens verbonden vennootschappen. Tot deze vennootschappen behoort een bv (hierna: BV1), alsook een commanditaire vennootschap (hierna: de cv). Op meerdere momenten in 2012 en 2013 heeft betrokkene geld uitgeleend aan de dga tot een totaalbedrag van € 85.000. Dienaangaande is achteraf een contract opgesteld op grond waarvan betrokkene een pandrecht heeft bedongen op onder andere goederen van BV1 en rente over de verschuldigde som.

Naar aanleiding van het faillissement van de cv is de Belastingdienst een boekenonderzoek gestart waarin het concludeert dat zich voorafgaand aan het faillissement een aantal transacties hebben voorgedaan waardoor schuldeisers van de gefailleerde mogelijk benadeeld zijn. De curator heeft aangifte gedaan van een vermoeden van faillissementsfraude. Deze aangifte heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD. In het kader van dat onderzoek heeft een huiszoeking plaatsgevonden in de woning van betrokkene.

In navolging op het strafrechtelijk onderzoek heeft het Openbaar Ministerie – op 24 september 2018 – een klacht ingediend tegen betrokkene bij de Accountantskamer. Deze klacht splitst zich op in een drietal onderdelen. In klachtonderdeel a wordt betrokkene verweten dat hij de beginselen van professioneel gedrag en objectiviteit heeft geschonden door geldleningen te verstrekken aan BV1. Voorts wordt betrokkene in klachtonderdeel b verweten onvoldoende professioneel gedrag en zorgvuldigheid te hebben betracht bij het opmaken van vier salarisstroken en het verlonen van beweerd overwerk. Tot slot behelst klachtonderdeel c dat betrokkene de DGA heeft geadviseerd over potentieel frauduleuze handelingen en/of vermoedelijke faillissementsfraude.

De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene, toen hij de betreffende overeenkomst van geldlening aanging, onvoldoende maatregelen heeft genomen ter waarborging van zijn objectiviteit. Met de afgesloten levensverzekering en het bedingen van een pandrecht en rente, heeft betrokkene niet zo zeer zijn objectiviteit ten opzichte van zijn cliënt gewaarborgd, als wel zijn eigen financiële belangen gediend. Uit niets blijkt dat betrokkene zich heeft gerealiseerd dat er een bedreiging van zijn objectiviteit was, laat staan dat gebleken is dat hij waarborgen heeft getroffen om de bedreiging van zijn objectiviteit als accountant weg te nemen dan wel om deze tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Betrokkene heeft hiermee in strijd gehandeld met het beginsel van objectiviteit, waardoor klachtonderdeel a in zoverre gegrond is.

De Accountantskamer acht het in het kader van de ontvankelijkheid van klachtonderdeel b aannemelijk dat het boekenonderzoek door de Belastingdienst vóór 24 september 2015 is afgerond. Gezien de hechte samenwerking tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie moet de kennis waarvan destijds sprake was bij de Belastingdienst aan het Openbaar Ministerie worden toegerekend. Gelet hierop is niet binnen drie jaar nadat klager redelijkerwijs het tuchtrechtelijk handelen had kunnen constateren geklaagd, waardoor klachtonderdeel b niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien van klachtonderdeel c stelt de Accountantskamer vast dat bij de doorzoeking van de woning van betrokkene een aantal handgeschreven notities van betrokkene is aangetroffen. Uit deze notities komt het beeld naar voren dat betrokkene geadviseerd heeft over potentieel frauduleus handelen, waardoor schuldeisers van de cv benadeeld zouden kunnen worden. Betrokkene heeft dit beeld niet kunnen corrigeren.

De Accountantskamer komt dan ook tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat betrokkene zich ongepast heeft laten beïnvloeden door de wens van zijn cliënt om met een (gefingeerde) tegenvordering de rekening-courantschuld van zijn cliënt aan de cv te verminderen. Daardoor heeft betrokkene evenmin eerlijk en oprecht opgetreden. Aldus heeft betrokkene in strijd met de beginselen van integriteit en objectiviteit gehandeld. Klachtonderdeel c is naar het oordeel van de Accountantskamer daarom gegrond.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van drie maanden passend en geboden.

De Accountantskamer 8 april 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:25.

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TACAKN_2019_25

Hoger beroep Openbaar Ministerie ongegrond, nu niet is gebleken dat RA belastingfraude heeft gefaciliteerd

Betrokkene is werkzaam als registeraccountant. Op 10 januari 2013 werd op de bankrekening van een cliënt van betrokkene een bedrag van ruim € 403.000 bijgeschreven. Dit bedrag is afkomstig van een Belgische bankrekening van de moeder van de cliënt. Over de titel (schenking of lening) waaronder het bedrag werd overgemaakt, is onduidelijkheid ontstaan.

In 2016 is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart naar het handelen van de cliënt en het handelen van betrokkene. Het Openbaar Ministerie (hierna: appellant) heeft naar aanleiding van dit onderzoek een klacht ingediend tegen betrokkene bij de Accountantskamer. Aan deze klacht ligt onder meer het verwijt ten grondslag dat betrokkene zijn cliënt in verregaande mate heeft gefaciliteerd bij het plegen van belastingfraude.

In eerste aanleg heeft de Accountantskamer de klacht op andere onderdelen deels gegrond verklaard. Voor zover de klacht zag op schending van het fundamentele beginsel van integriteit, verklaarde de Accountantskamer haar ongegrond. Tegen deze beslissing van de Accountantskamer heeft appellant hoger beroep aangetekend.

In hoger beroep betoogt appellant dat altijd sprake is geweest van een schenking en door betrokkene achteraf het beeld is gecreëerd dat er reeds bij de overboeking sprake was van een lening. Om die fiscale schijnwerkelijkheid kracht bij te zetten heeft betrokkene documenten gemanipuleerd en ter overtuiging aan de Belastingdienst overgelegd. Daarnaast zijn door of onder verantwoordelijkheid van betrokkene belastingaangiften ingediend die zijn gebaseerd op deze onjuiste voorstelling van zaken. Uit deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat sprake is van een achteraf gecreëerde fiscale schijnrealiteit. Hiermee heeft betrokkene het fundamentele beginsel van integriteit met voeten heeft getreden, aldus appellant.

Het College volgt appellant niet. Daarbij stelt het College voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene zijn cliënt al meerdere jaren voorzag van financieel advies op het gebied van Estate planning. Ook is niet in geschil dat het relatief gebruikelijk is dat wanneer ouders geld overmaken naar kinderen, wordt gezocht naar de fiscaal meest gunstige constructie. De constructie van een lening, waarbij de afgesproken terugbetalingen vervolgens periodiek worden kwijtgescholden, betreft ook volgens de verklaring van appellant ter zitting normaliter een legitieme transactie.

Het College waardeert de ‘bewijsstukken’ van appellant anders, omdat daaruit niet blijkt of het de bedoeling van moeder en zoon was om het geldbedrag als schenking aan te merken. Ook het gegeven dat de cliënt achteraf (middels een transactie met het OM) alsnog akkoord is gegaan met het aanmerken van het geldbedrag als schenking acht het College in dit verband niet van belang. Het gaat in deze zaak om de handelwijze van betrokkene in de periode januari 2013 tot medio/eind 2015. De fiscale afwikkeling dateert van geruime tijd daarna. Ook is onduidelijk wat de beweegredenen van de cliënt waren om akkoord te gaan met een transactie. Die transactie is op zichzelf genomen onvoldoende om aan te nemen dat van meet af aan duidelijk was dat sprake was van een schenking.

Dat betrokkene achteraf documenten heeft gemanipuleerd, met als doel om zijn cliënt te faciliteren bij het plegen van belastingfraude, is eveneens onvoldoende komen vast te staan. De resultaten van het door de Belastingdienst/Douane (team Documentenonderzoek) in november 2106 uitgevoerde forensische onderzoek naar de handgeschreven notities zijn daarvoor niet eenduidig genoeg.

Dat appellant heeft gehandeld in strijd met het beginsel van integriteit, dan wel dat hij zijn cliënt opzettelijk zou hebben gefaciliteerd bij het plegen van belastingfraude, is dan ook niet gebleken. De grief slaagt niet.

In de tweede grief betoogt appellant dat de hoogte van de opgelegde maatregel van berisping in geen geval recht doet aan de feiten en verzoekt appellant om oplegging van de maatregel van een (tijdelijke) doorhaling. Het College acht de door de Accountantskamer opgelegde maatregel van berisping evenwel passend en geboden. Voor een verdergaande maatregel ziet het College gelet op de voorgaande overwegingen geen aanleiding.

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:137.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2019:137

Doorhaling voor de duur van drie maanden voor accountant die geen enkel belang hecht aan het naleven van de voor hem geldende gedragsregels

Klager, een DGA van een onderneming, en zijn echtgenote (A) zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. De advocate van A heeft betrokkene – een van A bevriende registeraccountant – gevraagd om een opinie met daarin een analyse van de jaarrekeningen van de onderneming van klager. Betrokkene heeft de gevraagde opinie aan de advocate van A verstrekt.

Klager meent dat betrokkene tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld, omdat (i) er geen opdracht is verstrekt tot het opstellen van de notitie en (ii)  klager niet is gehoord. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond. Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel overweegt de Accountantskamer dat er geen gedrags- of beroepsregel bestaat waaruit volgt dat aan betrokkene een (“officiële”) opdracht had moeten worden verstrekt tot het opstellen van de opinie. Er bestaat (daarom) ook geen gedrags- of beroepsregel die hem verplichtte om een opdrachtbevestiging aan de advocate van A te sturen. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel overweegt de Accountantskamer dat betrokkene zich niet zelf tot klager had kunnen wenden om hem te horen omdat niet klager, maar A zijn opdrachtgever was. Gelet op de tussen A en klager aanhangige echtscheidingsprocedure en hun slechte onderlinge verstandhouding, ligt het ook niet voor de hand dat A daarvoor toestemming aan betrokkene had verleend.

Wel had betrokkene zich moeten afvragen of zijn vriendschap met A een bedreiging vormde voor het fundamentele beginsel van objectiviteit. Door zich niet af te vragen of hij andere informatiebronnen – dan A en haar advocate – had moeten raadplegen en zich evenmin af te vragen of hij aan het verzoek van de advocate van A zou kunnen voldoen, heeft betrokkene nagelaten een toereikende maatregel te treffen die ertoe leidt dat hij zich hield aan het beginsel van objectiviteit.

Tenslotte wordt betrokkene verweten dat de door hem opgestelde opinie allerlei onjuistheden en niet onderbouwde aannames en conclusies bevat over het bedrijf van klager. Deze klacht slaagt. De Accountantskamer overweegt dat betrokkene zich niet heeft verdiept in de door de advocate van A aangegeven kwesties, terwijl dat wel van betrokkene kon worden verlangd met het oog op het verkrijgen van een deugdelijke grondslag voor zijn opinie. Daarnaast heeft betrokkene niet vermeld op basis van welke informatie de opinie is gebaseerd en heeft hij de opinie kennelijk ook gebaseerd op informatie waarvan hij zelf geen kennis heeft genomen. Bovendien heeft betrokkene zijn stelling dat de solvabiliteit van het bedrijf voldoende is om dividenduitkeringen te verrichten, niet toegelicht. Dat betekent dat de opinie ook in zoverre een deugdelijke grondslag ontbeert.

Gelet op al het voorgaande heeft betrokkenen de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden. De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van een tijdelijke doorhaling gedurende drie maanden passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat betrokkene ter zitting geen enkel besef heeft getoond van de onjuistheid van zijn handelen en ook geen enkel belang hecht aan het naleven van de voor hem geldende gedragsregels. Dat is des te ernstiger, omdat er sprake is van een opinie die is bestemd om te worden gebruikt in een gerechtelijke procedure en omdat de belangen van klager daardoor worden geraakt.

De Accountantskamer 15 maart 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:21.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken-in-domein/accountants/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_21/?Pagina=1&ItemIndex=3

Accountant handelt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar in zijn rol als executeur-testamentair

Betrokkene, een registeraccountant, is door zijn ouders aangewezen als executeur-testamentair. Op enig moment zijn de ouders van betrokkene komen te overlijden. Klaagster was tot diens overlijden gehuwd met een broer van betrokkene. Zij is de wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon. Deze zoon is één van de erfgenamen van de ouders van betrokkene.

Volgens klaagster heeft betrokkene ruim 30 jaar lang opgetreden als boekhouder van zijn ouders en in die hoedanigheid geld van hen verduisterd. Daarnaast betoogt klaagster dat betrokkene foutieve beschrijvingen van de boedels van vader en moeder heeft opgemaakt en tevens weigert rekeningafschriften toe te sturen, terwijl hij hiertoe als executeur wel gehouden is.

Betrokkene heeft zich onder meer verweerd met de stelling dat de AOW-uitkering van zijn ouders niet toereikend was om hun uitgaven/kosten te bekostigen, waardoor zij hebben ingeteerd op hun vermogen. Voorts heeft betrokkene aangegeven dat hij over de pinpassen van vader noch moeder beschikte. Ook zou bij de opgelegde belastingaanslagen niet zijn afgeweken van de aangiften. Ter verklaring van door klaagster gesignaleerde verschillen in die aangiften heeft hij uitgelegd dat er regelmatig andere deposito’s werden geopend in het streven naar een zo hoog mogelijk rendement.

De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster tegenover de gemotiveerde betwisting van haar stellingen door betrokkene, niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene zich op onrechtmatige wijze gelden uit het vermogen van zijn ouders/zijn moeder heeft toegeëigend.

Ook stelt klaagster dat betrokkene het restant van een lening van vader en moeder nooit heeft terugbetaald en ook langs deze weg geld heeft verduisterd. Het verwijt is door klaagster onderbouwd met een rekeningafschrift waaruit blijkt dat nog een schuld van € 3.100 van betrokkene aan zijn ouders resteert. De Accountantskamer overweegt dienaangaande dat klaagster hiermee niet kan volstaan nu zij ook aannemelijk dient te maken dat het niet terugbetalen van dit laatste bedrag in strijd is met een verplichting daartoe van betrokkene. Dit klachtonderdeel is in zoverre ongegrond.

De Accountantskamer overweegt verder dat klaagster haar verwijt dat de boedelbeschrijvingen incorrect zijn, met dezelfde stukken heeft onderbouwd als het eerste klachtonderdeel. Nu het in dat laatste klachtonderdeel gemaakte verwijt onterecht is bevonden, is tevens het verwijt dat de boedelbeschrijvingen onjuist zijn, ongegrond. Met betrekking tot de verweten verschillen in de boedelbeschrijvingen houdt de Accountantskamer het ervoor dat deze terug te voeren zijn op slordigheden welke van onvoldoende gewicht zijn om ze tuchtrechtelijk relevant te doen zijn.

De Accountantskamer overweegt voorts dat de weigering van betrokkene om de betreffende rekeningafschriften toe te sturen geen strijd oplevert met enig fundamenteel beginsel. Dit, omdat de Rechtbank Noord-Nederland – in een andere procedure – de  vordering van klaagster om betrokkene te gelasten de afschriften in het geding te brengen, heeft afgewezen. Nu klaagster gelet op deze beslissing geen omstandigheden heeft aangevoerd die de weigering van betrokkene verwijtbaar maken, levert die weigering geen strijd op met enig fundamenteel beginsel.

De Accountantskamer 29 maart 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:24.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_24?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=2

Ook in hoger beroep heeft het OM niet aannemelijk gemaakt dat AA valse facturen heeft opgesteld

De FIOD heeft een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd naar het plegen van witwassen door een cliënt van het kantoor van een accountant-administratieconsulent (hierna: betrokkene). Het onderzoek door de FIOD naar betrokkene was gericht op de afspraken die betrokkene in 2013 in het kader van een betalingsregeling met de betreffende cliënt heeft gemaakt. Eén van deze afspraken hield in dat betrokkene facturen gericht aan diverse aan de cliënt gelieerde Nederlandse vennootschappen crediteerde, om vervolgens nieuwe facturen uit te reiken aan gelieerde buitenlandse vennootschappen van diezelfde cliënt.

Het Openbaar Ministerie (hierna: appellant) heeft naar aanleiding hiervan een klacht tegen betrokkene ingediend bij de Accountantskamer. Aan deze klacht lag ten grondslag dat betrokkene zich als feitelijk leidinggevende schuldig zou hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte door het opmaken en/of gebruiken van valse facturen. De Accountantskamer heeft de klacht ongegrond verklaard, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat betrokkene valsheid in geschrifte heeft gepleegd bij de beschreven wijze van factureren. De Accountantskamer heeft in haar oordeel meegenomen dat de accountmanager van het kantoor die destijds de meeste contacten met de cliënt onderhield en de daaraan bestede uren registreerde, in het strafrechtelijk onderzoek niet is gehoord, hoewel dit wel voor de hand had gelegen.

In hoger beroep bij het College beperkt appellant haar klacht tot het door betrokkene opmaken van valse facturen gericht aan gelieerde, buitenlandse vennootschappen van zijn cliënt.

Betrokkene heeft daartegen aangevoerd dat de uren doorgaans op een van de Nederlandse ondernemingen geboekt werden voor zover deze niet duidelijk toerekenbaar waren aan een vennootschap die klant van zijn kantoor was. Een volledig juiste wijze van administreren was gezien de veelheid van onderwerpen en overlappende activiteiten van de vele ondernemingen, praktisch niet uitvoerbaar. Ook heeft betrokkene administratie en gespreksaantekeningen overgelegd waaruit blijkt dat met betrekking tot de buitenlandse vennootschappen wel degelijk besprekingen met cliënt hebben plaatsgevonden en werkzaamheden zijn uitgevoerd.

Het College stelt voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan appellant is om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het College neemt daarbij in overweging dat van appellant mag worden verwacht dat alleen een tuchtrechtelijke klacht wordt ingesteld wanneer uit een zorgvuldig onderzoek, serieuze aanwijzingen van tuchtrechtelijk handelen gebleken zijn.

Naar het oordeel van het College is van een zodanig onderzoek niet gebleken. Appellant heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar het door betrokkene geschetste alternatieve scenario. Het College houdt het voor mogelijk dat de uren niet steeds op de juiste onderneming werden geboekt door de werknemers van het accountantskantoor. Hierbij neemt het College in aanmerking dat appellant het zelfs na het oordeel van de Accountantskamer niet nodig heeft gevonden om de accountmanager te horen, terwijl die meer licht op de zaak had kunnen doen schijnen. Hiermede lijkt appellante in het strafrechtelijk onderzoek slechts te hebben gezocht naar informatie die haar overtuiging dat betrokkene opzettelijke valse facturen opmaakte, kon bevestigen. Daartegenover heeft betrokkene zowel in eerste aanleg als ook in hoger beroep een plausibele verklaring gegeven voor het opnieuw opmaken van de aan de buitenlandse vennootschappen gerichte facturen.

Tenslotte verwerpt het College de stelling van appellant dat betrokkene in dit stadium tegenbewijs dient te leveren, omdat het allereerst aan appellant is om aannemelijk te maken dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarin is appellant naar het oordeel van het College niet geslaagd. Het hoger beroep is naar het oordeel van het College dan ook ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 29 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:26

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2019:26

RA hoefde werkzaamheden niet te staken na ontvangst van emailberichten uit de mailbox van klager

In 2014 hebben klager en zijn ex een echtscheidingsprocedure in gang gezet. Klager heeft ontdekt dat zijn voormalige echtgenote zonder zijn toestemming twee emailberichten uit zijn mailbox heeft gekopieerd en aan betrokkene, een registeraccountant, heeft gezonden. Klager verwijt betrokkene dat hij zijn werkzaamheden voor de vrouw niet heeft gestaakt, terwijl hij kon weten dat de emailberichten die zij naar hem doorstuurde wederrechtelijk verkregen waren.

Betrokkene heeft zich in de eerste plaats verweerd met de stelling dat de klacht niet-ontvankelijk is in verband met de overschrijding van de driejaarstermijn. Aangezien klager ter zitting echter onweersproken heeft gesteld dat hij eerst op 19 mei 2015 ontdekte dat zijn ex de e-mails uit zijn mailbox had doorgestuurd naar betrokkene en uit het dossier geen aanwijzingen zijn te vinden waaruit anderszins blijkt, is de klacht naar het oordeel van de Accountantskamer ontvankelijk.

Voorts is de vraag of betrokkene een professionele dienst als bedoeld in artikel 1 van de VGBA heeft geleverd. Volgens de Accountantskamer is gebleken dat betrokkene, die een collega is van de ex van klager, zag dat zij leed onder de situatie rondom haar echtscheiding. Hij heeft naar haar geluisterd en geprobeerd haar bij te staan. Zo heeft hij in 2015 een gesprek en daarna nog een of twee keer telefonisch contact met de advocaat van klager gehad. Verder heeft hij het concept-echtscheidingsconvenant doorgenomen en daarin enkele wijzigingen voorgesteld. De Accountantskamer is dan ook van oordeel dat betrokkene een professionele dienst heeft geleverd. Hieronder vallen ook accountantswerkzaamheden die een accountant om niet en in zijn vrije tijd voor een derde verricht. Betrokkene is dan ook voor die werkzaamheden onderworpen aan tuchtrechtspraak.

Het staat vast dat de voormalige echtgenote van klager, zonder medeweten en toestemming van klager, emailberichten uit zijn mailbox heeft doorgestuurd naar betrokkene. Betrokkene wist dat, maar stelt dat hij de ex van klager heeft gewaarschuwd dat zij niet meer in de mailbox van klager moest kijken en dat zij geen mails daaruit moest doorsturen. Verder heeft betrokkene naar voren gebracht dat hij de inhoud van de mails niet heeft gebruikt. Dit wordt bevestigd in een schriftelijke verklaring van de vrouw. De Accountantskamer ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen.

Nu betrokkene de emailberichten niet in het kader van de door hem verleende, professionele dienst heeft gebruikt, zijn de fundamentele beginselen niet in het gedrang gekomen. Betrokkene had derhalve geen maatregel als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de VGBA hoeven nemen, laat staan dat hij zijn bijstand aan mevrouw had moeten staken. Naar het oordeel van de Accountantskamer is de klacht dan ook ongegrond.

De Accountantskamer overweegt ten overvloede dat ook indien het enkel ontvangen van bedoelde mailberichten een bedreiging voor één of meer fundamentele beginselen zou inhouden, er geen grond bestaat de klacht gegrond te verklaren. De mondelinge waarschuwing door betrokkene kan in dit geval als een toereikende maatregel als bedoeld in artikel 21, lid 1, VGBA worden aangemerkt. Het verwijt dat deze waarschuwing niet schriftelijk is vastgelegd, is van zo geringe betekenis dat dit nalaten niet tuchtrechtelijk laakbaar is. Vaststaat immers dat betrokkene de voormalige echtgenote op informele wijze en slechts in beperkte mate heeft bijgestaan zonder een daartoe strekkende opdracht of vergoeding.

De Accountantskamer 1 maart 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:16.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_16

Klachten over ten onrechte opvoeren van zakelijke kosten ongegrond, maar waarschuwing voor niet controleren gegevens

Een man en een vrouw (klagers) drijven samen een praktijk in psychotherapie respectievelijk managementadvies. Naar aanleiding van een boekenonderzoek in 2015 heeft de Belastingdienst de aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting gecorrigeerd met vergrijpboeten. De genoemde aangiften zijn ingediend door betrokkene, een accountants-administratieconsulent.

In de onderhavige klachtprocedure stellen klagers dat zij hebben vertrouwd op de expertise van betrokkene, maar dat hij dat vertrouwen ernstig heeft beschaamd door frauduleus te handelen bij de belastingaangiften. Daarnaast zou betrokkene zich niet hebben voorbereid op het gesprek met de controlerend belastingambtenaar en zich jegens hem arrogant hebben gedragen.

De Accountantskamer is echter van oordeel dat het voor klagers duidelijk had moeten zijn dat zij alleen zakelijke kosten in hun aangiften konden opvoeren. Voor zover klagers in deze zin ten onrechte deze kosten hebben opgevoerd, moesten zij weten dat dit onjuist was. Klagers stellen dat betrokkene hen hiertoe heeft aangezet. Voor zover dit het geval mocht zijn geweest – betrokkene betwist dit –, geldt dat klagers zich aanstonds bewust hadden moeten zijn van de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van dit door hen gestelde handelen van betrokkene. Dit betekent dat de klacht in zoverre buiten de driejaarstermijn is ingediend en niet ontvankelijk is.

Met betrekking tot de kosten van kleine consumpties thuis, reiskosten, lijfrentes, de kosten van de auto, de omzet van de man en de voorbelasting in verband met de verbouwing, hoefden klagers niet te begrijpen dat betrokkene deze niet correct verwerkte. Het eerste klachtonderdeel is in zoverre dan ook ontvankelijk.

Naar het oordeel van de Accountantskamer hebben klagers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de betrokkene moest hebben geweten dat de consumptiekosten te hoog waren. Daarnaast hebben klagers betrokkene niet juist en volledig hebben geïnformeerd over de reiskosten, zodat de onjuistheden in de aangiften hem niet te verwijten vallen.

Ook de stelling van klagers dat betrokkene de aangifte op het punt van de aftrek van de lijfrentepremie ten onrecht niet heeft gecontroleerd, volgt de Accountantskamer niet. Zij hebben immers niet weersproken dat betrokkene hen op dit punt hulp aangeboden heeft en dat de premie voor lijfrente op hun eigen aangeven in de aangifte is verwerkt. Ook de overige verwijten zijn door klagers onvoldoende onderbouwd. De Accountantskamer acht het eerste klachtonderdeel dan ook in zoverre ongegrond.

De Accountantskamer is verder van oordeel dat betrokkene bij het doen van de aangiftes inkomstenbelasting voor klagers zonder meer is afgegaan op de door klagers opgegeven omzet en (voorgenomen) zakelijke toerekening van verbouwingskosten, zonder de juistheid respectievelijk aannemelijkheid van enkele van deze opgaves voldoende te verifiëren. Daardoor heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. In zoverre is het eerste klachtonderdeel gegrond.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel van klagers – dat ziet op het gedrag van betrokkene – overweegt de Accountantskamer dat klagers hun stellingen dat betrokkene zich niet voorbereidde en bij gelegenheid dronken was, onvoldoende hebben onderbouwd. Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van de Accountantskamer dan ook ongegrond.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Anderzijds is meegewogen dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.

De Accountantskamer 22 februari 2019, 18/736 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2019:14.

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI__NL__TACAKN__2019__14

Accountant handelt (onbewust) in strijd met gedrags- en beroepsregels: waarschuwing passend en geboden

Betrokkene is werkzaam als accountant op de Nederlandse Antillen en heeft in die hoedanigheid de jaarrekeningen 2010, 2011 en 2012 van een onderneming (NV1) op Curaçao samengesteld en voorzien van samenstellingsverklaringen.

Deze onderneming hield zich aanvankelijk bezig met de handel in lingerie en is zich vanaf 2004 gaan toeleggen op dienstverlening op het gebied van het omwisselen van dollars (hierna: swipen). Betrokkene was ervan op de hoogte de onderneming vanaf 2007 daarin actief was. Gaandeweg is de omzet uit deze dienstverlening, die grotendeels via (sub)agenten plaatsvond, de omzet uit hoofde van handel in lingerie gaan overvleugelen.

In 2014 is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen onder meer NV1 en haar moedervennootschap NV2. Naar aanleiding van dit onderzoek wordt betrokkene door het Openbaar Ministerie in de onderhavige klachtprocedure verweten in strijd te hebben gehandeld met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Volgens klager heeft betrokkene (a) samenstellingsverklaringen afgegeven zonder voldoende deugdelijke grondslag, (b) bij het samenstellen de relevante bepalingen uit Standaard 240 en 205 onvoldoende nageleefd en (c) verzuimd tijdig melding te doen van ongebruikelijke transacties.

Betrokkene stelt dat de klachten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat deze niet tijdig zijn ingediend door klager. Volgens de Accountantskamer zijn echter geen zes jaren verstreken sinds de ondertekening van de samenstellingsverklaringen als zijnde het moment van het verweten handelen. Evenmin zijn er drie jaren verstreken sinds klager het verweten handelen heeft kunnen constateren. De klachten zijn daarmede naar het oordeel van de Accountantskamer ontvankelijk.

In het licht van het gemotiveerde verweer van betrokkene heeft klager niet voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene omtrent de verdichte boekingen, het niet aansluiten van de Exactadministratie en het ontbreken van een kasadministratie, zijn samenstelwerkzaamheden niet heeft verricht in overeenstemming met Standaard 4410. In zoverre is klachtonderdeel a. dan ook ongegrond.

Volgens de Accountantskamer had betrokkene echter de in artikel 13 van Standaard 4410 bedoelde werkzaamheden moeten uitvoeren met betrekking tot de brutowinstmarge en de crediteuren. De onverklaarbaar lage brutowinstmarge gaf daar onder de gegeven omstandigheden aanleiding toe. Nu betrokkene dat achterwege heeft gelaten, heeft hij niet in lijn gehandeld met Standaard 4410 en het beginsel van zorgvuldig- en vakbekwaamheid als bedoeld in de artikelen A-100.4 jo. A.130 VGC geschonden.

Voorts overweegt de Accountantskamer dat betrokkene gemotiveerd heeft toegelicht dat de betreffende autoriteiten swipe-diensten in de betreffende periode stimuleerden. Mede in dat licht heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat de betreffende swipe-diensten in de bestreden periode als illegaal bankieren konden worden aangemerkt. Nu betrokkene evenmin op de overige door klager genoemde signalen had behoeven te stuiten, bestond voor betrokkene geen reden voor toepassing van artikel 16A van Standaard 4410. De Accountantskamer acht dit klachtonderdeel eveneens ongegrond.

Naar het oordeel van de Accountantskamer is klachtonderdeel c – voor zover ontvankelijk – ongegrond. De door betrokkene verrichte samenstellingsopdracht is namelijk geen meldingsplichtige dienst in de zin van artikel 1 van de Landsverordening.

Gelet op de aard en de ernst van het verzuim van betrokkene acht de accountantskamer de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij is meegewogen dat betrokkene weliswaar niet overeenkomstig Standaard 4410 en in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid heeft gehandeld, maar dat niet is gebleken dat hij dit bewust niet heeft gedaan. Verder heeft de Accountantskamer er acht op geslagen dat betrokkene niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.

De accountantskamer 25 januari 2019, 17/2276 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2019:8.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_8?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=7

Hoger beroep tegen berisping voor accountant wegens overtreden meldingsplicht en onvoldoende voortvarend handelen ongegrond

Appellant heeft als accountant-administratieconsulent gedurende een aantal jaren ten behoeve van een onderneming de jaarrekeningen en aangiften vennootschapsbelasting verzorgd. Het betreft een onderneming waarin door verschillende personen – via hun houdstermaatschappij – is geïnvesteerd.

Bij brief van 3 mei 2013 schrijft appellant aan de directeur dat hij niet over de benodigde informatie beschikt om de jaarrekening over 2010 af te ronden en dat hij het vermoeden heeft dat leningen worden aangetrokken om daarmee de verplichtingen van andere leningen te kunnen voldoen. Appellant geeft daarbij aan dat dit niet is toegestaan indien de onderneming niet voldoende activiteiten ontwikkelt om rendement te realiseren en daardoor de terugbetaling van de aangetrokken financieringen niet mogelijk zal zijn.

Wanneer de onderneming uiteindelijk in 2015 failleert, zien de betreffende investeerders hun investering verloren gaan met forse verliezen als gevolg. Dit vormt de aanleiding voor de – door twee van hen – bij de klachtencommissie van de Nba ingestelde klacht jegens appellant. De Accountantskamer heeft op 15 december 2017 geoordeeld dat appellant de samenstellingsopdracht over het jaar 2010 niet tijdig heeft teruggeven en dat ten onrechte geen melding is gedaan in het kader van de Wwft. Appellant heeft hiertegen hoger beroep aangetekend bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

In zijn eerste grief voert appellant onder meer aan dat de Accountantskamer de klacht over het ten onrechte niet melden had moeten aanmerken als een ontoelaatbare uitbreiding van de klacht. De grief faalt, omdat het ter zitting benoemen van de wettelijke voorschriften die op het betreffende klachtonderdeel van toepassing zijn, geen ontoelaatbare uitbreiding van de klacht vormt. Dat de samenvatting van de klacht onjuist is weergeven, doet daar niet aan af.

Daarnaast oordeelt het College, in navolging op de Accountantskamer, dat appellant de meldingsplicht heeft overtreden, nu appellant in 2013 frauduleus handelen vermoedde. Nu appellant ten overstaande van de Accountantskamer heeft verklaard dat hij in 2013 een vermoeden had van fraude, acht het College de ontkenning van dat vermoeden door appellant in hoger beroep niet aannemelijk. Het vermoeden van fraude is ook niet weggenomen door later ontvangen informatie. Het overleg dat na de brief van 3 mei 2013 plaatsvond met de directeur, leverde immers onvoldoende informatie op om een goed oordeel over de obligaties te kunnen vormen.

Ook verwerpt het College het standpunt van appellant, dat de Accountantskamer te veel nadruk heeft gelegd op de brief van 3 mei 2013. Juist het in die brief uitgesproken vermoeden van fraude gaf namelijk aanleiding voor appellant de samenstellingsopdracht overeenkomstig Standaard 240 terug te geven. Bovendien zijn ook latere informatieverzoeken onbeantwoord gebleven. Door de betreffende opdracht pas op 2 november 2014 terug te geven, heeft appellant naar het oordeel van het College onvoldoende voortvarendheid betracht. Ook de stelling van appellant dat het teruggeven van een opdracht in niemands belang is, snijdt geen hout. Het is namelijk in het belang van de accountant zelf, niet geassocieerd te worden met frauduleus handelen. Bovendien gaat er van het teruggeven van een opdracht een beschermend signaal uit naar derden.

Het College acht de door de accountantskamer opgelegde maatregel van berisping in dit geval – gelet op alle omstandigheden – passend en geboden en oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 19 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:69.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2019:69