Categorie: Wwft & tuchtrecht

Een waarschuwing voor twee accountants die de toegang tot de tuchtrechter hebben belemmerd

Twee registeraccountants wordt onder andere verweten dat zij de toegang tot de tuchtrechter hebben belemmerd, omdat zij voor aanvaarding van een controleopdracht de voorwaarde hebben gesteld dat zij door de opdrachtgeefsters zullen worden gevrijwaard van alle kosten van een tuchtrechtelijke procedure. De betreffende vrijwaringsclausule luidt als volgt:

“(…) You both,   [NV1] and [X] Beheer B.V., jointly award this engagement tot [accountantskantoor1] N.V., which means that you both, jointly and severally shall indemnify [accountantskantoor1] N.V. against any and all claims of third parties and/or any and all costs related tot civil or disciplinary action arising from or connected tot he performance of our engament.(…)”

Bij de beantwoording van de vraag of de betrokkenen hiermee tuchtrechtelijk laakbaar hebben gehandeld, stelt de Accountantskamer voorop dat een accountant zich in het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep altijd toetsbaar moet opstellen. Een accountant dient zich dan ook te onthouden van het uitoefenen van druk om geen tuchtklacht tegen hem in te dienen.

Aangenomen moet worden dat een vrijwaring voor alle kosten van een tuchtrechtelijke procedure in het algemeen als een drempel voor het indienen van een tuchtklacht wordt ervaren. In dit geval ziet de vrijwaringsclausule niet alleen op klachten ingediend door derden, maar heeft zij ook betrekking op klachten van de opdrachtgeefsters zelf. Dit betekent dat als de opdrachtgeefsters een tuchtklacht zouden willen indienen, zij verplicht zouden kunnen zijn om de (niet onaanzienlijke) advocaatkosten van betrokkenen te betalen, waarbij de hoogte van de advocaatkosten bovendien buiten hun invloedssfeer ligt. Dit vormt een niet toegestane drempel voor het indienen van een tuchtklacht door de opdrachtgeefsters. Dat zou onder omstandigheden anders kunnen zijn bij klachten van derden. Dat in dit geval sprake was van een “conflict-gebonden opdracht”, waardoor het risico op een klacht van één van de opdrachtgeefsters mogelijk groter was, maakt dat niet anders. Ook in een dergelijke situatie kan van een accountant worden verlangd dat hij verantwoording aflegt voor zijn handelen en mag hij geen drempels opwerpen.

Hoewel klaagster vanwege de voorwaarden de controleopdracht niet heeft verstrekt, waardoor zij niet is gebonden aan de vrijwaringsclausule, neemt dat niet weg dat betrokkenen deze vrijwaringsclausule wel als (noodzakelijke) voorwaarde aan klaagster hebben voorgehouden. Naar het oordeel van de Accountantskamer hadden zij zich daarvan dienen te onthouden, omdat dit voorstel – indien aanvaard – zou hebben kunnen leiden  tot  (ontoelaatbare) druk op klaagster om van een klacht af te zien. Door zo te willen contracteren hebben betrokkenen gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep (artikel 42 lid 1 sub b Wab). Het klachtonderdeel is hierom gegrond.

De overige 9 klachtonderdelen zijn niet-ontvankelijk, dan wel ongegrond. De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer van gewicht geacht dat betrokkenen toetsing door de tuchtrechter van hun handelen hebben willen bemoeilijken. Anderzijds is meegewogen dat betrokkenen niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2020/ECLI_NL_TACAKN_2020_14?DomeinNaam=accountants&Pagina=2&ItemIndex=12

Registeraccountant verstrekt onjuiste en privacygevoelige informatie aan de Belastingdienst

Klaagster is verwikkeld in een geschil met haar familie over de erfenis van haar moeder, die in 2012 is overleden. De zus en halfbroer van klaagster wonen in Duitsland en zijn executeur-testamentair in de erfenis. Ook hun moeder woonden in Duitsland.

Medio 2015 is betrokkene, een registeraccountant, door hen gevraagd bij de Belastingdienst te informeren of het erfdeel van hun moeder in Nederland werd belast. Zij hebben betrokkene in verband daarmee bij brief van 5 juni 2015 alle informatie die zij over klaagster hadden ter beschikking gesteld. Op 25 juni 2015 heeft betrokkene de Belastingdienst verzocht een beschikking af te geven over het heffen van erfbelasting. De brief van de zus en halfbroer van 5 juni 2015 heeft betrokkene als bijlage aangehecht. In reactie daarop heeft de Belastingdienst betrokkene laten weten dat er in Nederland geen erfbelasting wordt geheven over de nalatenschap van de moeder.

Klaagster verwijt betrokkene onder meer dat hij over haar heeft gecorrespondeerd met de Belastingdienst en hij daarbij onjuiste informatie heeft verstrekt. Volgens klaagster heeft betrokkene in zijn brief aan de Belastingdienst ten onrechte de suggestie gewekt dat zij belastingschulden heeft, terwijl dat niet aan de orde is. In de betreffende brief heeft betrokkene de volgende passage opgenomen:

“Bovenstaande document is van belang in verband met de aansprakelijkheid van testament-executeurs voor belastingschulden van de in Nederland woonachtige zus.”

Betrokkene heeft op de zitting verklaard dat hij daarmee niet de suggestie heeft willen wekken dat klaagster schulden heeft aan de Belastingdienst. Volgens hem is het duidelijk dat hiermee alleen de eventueel te betalen erfbelasting wordt bedoeld.

De Accountantskamer volgt betrokkene niet in zijn verweer. In de eerste plaats maakt de brief melding van belastingschulden, hetgeen suggereert dat het niet enkel om erfbelasting zou gaan. Ook geeft de betreffende alinea, gelezen in samenhang met de bijgevoegde brief van de zus en halfbroer, waarin melding wordt gemaakt van een deurwaarder die bij klaagster zou zijn geweest, verschillende gerechtelijke procedures en een Spaanse bank, een bepaald beeld van klaagster.

Op de zitting heeft betrokkene erkend dat het verstandiger zou zijn geweest als hij deze brief niet had meegestuurd. Achteraf bezien was dat niet nodig, terwijl hij daarmee wel ongevraagd privé-gegevens van klaagster aan de Belastingdienst heeft prijsgegeven.

De klacht is dan ook gegrond. Door ongevraagd persoonlijke gegevens van klaagster aan de Belastingdienst te overleggen in de wetenschap dat deze gegevens voor de beoordeling van de aanvraag niet van belang zijn, heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid. Daar komt bij dat klaagster geen klant van betrokkene was en hij wist dat er onenigheid bestond tussen haar en haar familie. De Accountantskamer acht hiervoor de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2020/ECLI_NL_TACAKN_2020_24

Waarschuwing voor gepensioneerde registeraccountant

Tussen klaagsters en een administratiekantoor is een geschil ontstaan over de door het administratiekantoor gefactureerde bedragen. In een civiele procedure vordert het administratiekantoor dat klaagsters worden veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen.

In hoger beroep heeft Hof Den Bosch betrokkene als deskundige benoemd om onderzoek te doen naar een aantal specifieke vragen met betrekking tot de openstaande facturen. Betrokkene brengt vervolgens een rapport uit, waarover klaagsters stellen dat het door hem uitgevoerde onderzoek ondeugdelijk was.

De Accountantskamer verwerpt het verweer van betrokkene dat de klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij zich per 1 januari 2020 uit het register van de Nba heeft laten uitschrijven als registeraccountant. De gedragingen van betrokkene waarop de klacht betrekking heeft, hebben immers plaatsgevonden gedurende de tijd dat hij nog wel als registeraccountant stond ingeschreven. Hierdoor is betrokkene ook nu nog voor die gedragingen onderworpen aan de tuchtrechtspraak.

De stelling van betrokkene dat klaagsters door zijn uitschrijving als registeraccountant geen belang meer hebben bij de beoordeling van hun klacht, omdat een eventuele geldboete toevalt aan de staat en de overige maatregelen betrokkene niet meer zouden kunnen raken, treft eveneens geen doel. Voor het indienen van een klacht is een (persoonlijk) belang van een klager niet vereist.

Voorts acht de Accountantskamer de klacht gegrond, omdat de accountant zijn bevindingen en conclusies in het deskundigenbericht volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd. Betrokkene heeft niet uitgelegd welke werkzaamheden hij heeft verricht en hij heeft ook niet vermeld welke stukken hij in zijn onderzoek heeft betrokken. Hierdoor mist het deskundigenbericht een deugdelijke grondslag.

Daarmee heeft betrokkene in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid (artikel 2 onder d. van de VGBA). De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat de tekortkomingen in het rapport ook al in het conceptrapport stonden. Doordat klaagsters geen inhoudelijke reactie op het conceptrapport hebben gegeven, heeft betrokkene deze tekortkomingen niet kunnen herstellen in zijn eindrapport.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2020/ECLI_NL_TACAKN_2020_21

Minister reageert op vragen van de Eerste Kamer over het UBO-register

Op 17 februari 2020 heeft minister van financiën Hoekstra zijn Memorie van Antwoord naar de Eerste Kamer gestuurd. Daarin beantwoordt hij vragen die de Kamerleden over het UBO-register hadden gesteld. Hieronder worden enkele punten vermeld die door de minister zijn verduidelijkt.

Samenhang UBO-register en Wwft

Voor Wwft-instellingen was onduidelijk of zij in de eerste 18 maanden na de inwerkingtreding van het UBO-register al een terugmeldverplichting hebben. De minister verduidelijkt nu dat dat alleen zo is als de cliënt van de Wwft-instelling al in het UBO-register is opgenomen. Als de cliënt zich gedurende de overgangsperiode van 18 maanden nog niet heeft geregistreerd in het UBO-register, dan is er geen terugmeldverplichting voor de Wwft-instelling.

Verduidelijkt wordt verder dat, ingeval een bestuur van een rechtspersoon als ‘pseudo-UBO’ wordt aangemerkt, het gehele bestuur geregistreerd dient te worden. De minister ziet geen reden om onderscheid te maken tussen de diverse bestuurders. Ook voor de Wwft zal dit worden verduidelijkt.

Beursgenoteerde vennootschappen en hun 100% groepsvennootschappen hoeven geen UBO’s te registreren. Ook onder de Wwft hoeft van dergelijke vennootschappen geen UBO te worden geregistreerd.

Meer in zijn algemeenheid wil de minister discrepanties voorkomen tussen UBO-definities voor het UBO-register en voor de Wwft. Hij laat daarom weten dat de Kamer van Koophandel voorlichting zal gaan ontwikkelen om de UBO te bepalen, en dat daarbij Wwft-instellingen betrokken zullen worden.

Overgangsperiode

Een kwalificerende rechtspersoon dient zich binnen 18 maanden na inwerkingtreding van de wet in het UBO-register te registreren. Als zich voorafgaand aan die registratie een UBO-wijziging heeft voorgedaan, behoeft deze niet gemeld te werden. Alleen UBO-wijzigingen na het moment van eerste registratie dienen aan de Kamer van Koophandel te worden doorgegeven.

Verder gaat de minister in op de hernieuwde inschrijvingsplicht die gaat gelden voor bepaalde ondernemingen van (personen)vennootschappen die weliswaar naar Nederlands recht zijn opgericht maar geen onderneming in Nederland (meer) drijven. Omdat het UBO-register uitgaat van het oprichtingscriterium, en het UBO-register in Nederland wordt gekoppeld aan het handelsregister, zullen deze vennootschappen zich opnieuw in het handelsregister moeten inschrijven. Zij zullen hiertoe door de Kamer van Koophandel worden aangeschreven. Overigens geldt het UBO-register ook voor buitenlandse vennootschappen die hun zetel naar Nederland verplaatsen, aangezien zij zich ook in het Nederlandse handelsregister dienen te registreren. Voor die vennootschappen maakt het dus niet uit dat zij niet naar Nederlands recht zijn opgericht.

Donatieregister voor stichtingen

Een onderwerp dat in de Eerste Kamer de nodige vragen opriep was de verplichting voor stichtingen om een register bij te houden van donaties van minder dan 25% van het in een jaar voor uitkering beschikbare bedrag. Deze donaties dienen voortaan in een administratief register te worden bijgehouden (art. 2:290 BW). De minister verduidelijkt dat dit gezien moet worden als een specificering van de administratieplicht van art. 2:10 BW die ook voor stichtingen geldt. Van stichtingen wordt niet gevraagd om meer gegevens te verzamelen over de personen aan wie zij doneren dan zij nu reeds op grond van hun boekhoudverplichting doen.

Eerste Kamer behandelt wetsvoorstel UBO-register

De Eerste Kamer behandelt momenteel het wetsvoorstel UBO-register. Op 4 februari 2020 is het Voorlopig Verslag van de Vaste Commissie voor Financiën vastgesteld met enkele voor de praktijk relevante vragen en opmerkingen van de diverse Senaatsfracties.

Gevolgen voor Wwft-instellingen

Vanuit de VVD-fractie is aandacht gevraagd voor de administratieve lasten bij Wwft-instellingen. De extra verplichtingen als gevolg van het UBO-register betreft immers niet alleen tijd van administratief personeel maar ook van hoger personeel, en deze tijd is veelal niet declarabel.

De verplichtingen in het wetsvoorstel UBO-register kunnen zowel bestuurlijk als strafrechtelijk worden gehandhaafd. Dat geldt ook voor de Wwft-instelling die geen melding doet van een discrepantie tussen de eigen cliëntcontrole-gegevens en de gegevens in het UBO-register (de ‘terugmeldverplichting’). De Eerste Kamer vraagt om meer inzicht in hoe de handhaving zal worden vormgegeven en welke boetes zullen gelden. Ook wordt aan de minister gevraagd hoe in de eerste 18 maanden wordt omgegaan met de terugmeldverplichting als een rechtspersoon nog niet geregistreerd is. Moet de Wwft-instelling dan toch een terugmelding doen of hoeft dat pas als er wel gegevens zijn geregistreerd maar deze afwijken van wat de Wwft-instelling zelf aan gegevens heeft?

Praktische onduidelijkheden

Op een aantal punten constateert de Eerste Kamer onduidelijkheid ten aanzien van de vraag wie UBO is. Dat betreft bijvoorbeeld houders van cumulatief preferente aandelen: zijn zij UBO indien het cumulatief preferente dividend in een bepaald jaar meer dan 25% van de totale winst uitmaakt? Ook ontvangers van donaties van stichtingen kunnen bij hoge eenmalige schenkingen UBO zijn indien een stichting in een jaar relatief weinig geld beschikbaar heeft voor donaties en meer dan 25% daarvan bij één persoon terecht komt. De Eerste Kamer vraagt of dit wel de bedoeling is.

Het wetsvoorstel bevat daarnaast een verplichting voor stichtingen om uitkeringen van minder dan 25% bij te houden in een intern register. De CDA-fractie in de Eerste Kamer vraagt zich af wat dit betekent voor hulporganisaties die vele kleine giften in natura (dekens, voedsel) uitdelen. Moet dat allemaal worden geregistreerd? En verder wil de CDA-fractie graag een waarborg dat de informatie die bevoegde autoriteiten uit dit interne register halen niet wordt gedeeld met ‘onvrije landen’ of landen waar ontvangen gelden opgeëist zouden kunnen worden door overheden of ambtenaren.

Overgangsrecht

Tot slot heeft de Eerste Kamer vragen over de toepassing van het overgangsrecht. In beginsel moeten reeds bestaande instellingen binnen 18 maanden hun UBO-registratie bij het handelsregister op orde hebben. Maar wat nu als er in die 18 maanden een nieuwe UBO komt? Moet die dan wel onmiddellijk geregistreerd worden of moet de instelling als geheel gewoon aan het einde van de 18 maanden goed geregistreerd zijn? Verder geldt het UBO-register voor in Nederland opgerichte vennootschappen, maar tijdens de behandeling in de Tweede Kamer heeft de minister gezegd dat een vanuit het buitenland naar Nederland verplaatste rechtspersoon zich wel in het UBO-register moet registreren. De Eerste Kamer vraagt hoe zij deze opmerking van de ministerie moeten duiden.

De minister van financiën zal hier de gestelde vragen naar verwachting binnenkort beantwoorden, temeer nu Nederland al te laat is met de implementatie; deze had op grond van de EU-anti-witwasrichtlijn al op 10 januari 2020 rond moeten zijn.

Doorhaling voor accountant wegens handelen in strijd met meerdere fundamentele beginselen

Betrokkene is als accountant-administratieconsulent verbonden aan een accountantskantoor. Klager exploiteert sinds 2009 in maatschapsverband een melkveebedrijf waarvan klager en – onder meer – zijn vader maat zijn. Deze maatschap is sinds 2011 klant bij het kantoor. In het najaar van 2015 is ruzie ontstaan tussen klager en vader.

Klager verwijt betrokkene dat hij niet de vereiste objectiviteit en onpartijdigheid in acht heeft genomen omdat hij als accountant van de maatschap alleen de belangen van vader heeft behartigd. Daarnaast wordt betrokkene verweten onzorgvuldig en niet integer te hebben gehandeld.

De Accountantskamer overweegt dat het voor betrokkene, die op de hoogte was van het conflict tussen vader en klager, duidelijk moet zijn geweest dat de belangen van klager tegengesteld waren aan die van vader. Daarmee was sprake van een mogelijke bedreiging voor het zich houden aan het fundamentele beginsel van objectiviteit vanwege mogelijke belangenverstrengeling. Ook toen vader hem verzocht om in het kader van de uittreding van klager een benadering van de vermogenspositie van klager te geven, had hij daarin een bedreiging moeten zien voor het zich houden aan het fundamentele beginsel van objectiviteit. Betrokkene had in zijn hoedanigheid van accountant van de maatschap deze bedreiging moeten identificeren en de bedreiging, zijn beoordeling, de toegepaste maatregel en zijn conclusie moeten vastleggen. Betrokkene heeft op de zitting desgevraagd bevestigd dat hij deze bedreiging niet heeft onderkend en dat hij evenmin de op grond van de VGBA vereiste afwegingen heeft gemaakt. Daarmee heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Verder geeft de Accountantskamer aan dat betrokkene op de hoogte was van de discussie over het moment van uittreden van klager, waardoor hij niet zonder meer kon uitgaan van de door vader niet onderbouwde mededeling dat klager de maatschap per 1 januari 2016 had verlaten. Betrokkene heeft desondanks niet geverifieerd of klager daadwerkelijk per 1 januari 2016 uit de maatschap was getreden. Ook daarom heeft betrokkene de fundamentele beginselen van objectiviteit en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Voorts lag het volgens de Accountantskamer op de weg van betrokkene om een maatregel te nemen ten einde de onjuistheden in de jaarrekening 2016 weg te nemen toen hij daarmee – naar eigen zeggen in mei 2018 – bekend raakte. Betrokkene heeft evenwel geen verklaring – met daarin de mededeling dat in de jaarrekening is uitgegaan van de veronderstelling dat klager uit de maatschap was getreden – verstuurd aan de beoogde gebruikers van die jaarrekening. Daarmee heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer het fundamentele beginsel van integriteit geschonden.

Met betrekking tot de door betrokkene gemaakte berekening van de vermogenspositie van klager stelt de Accountantskamer vast dat de opdracht hiertoe mondeling door vader is gegeven en deze opdracht door betrokkene niet schriftelijk is bevestigd. Daarnaast heeft betrokkene het doel van de berekening niet opgenomen in zijn e-mail en heeft hij ook niets vermeld over de verspreiding van deze berekening. De Accountantskamer komt dan ook tot het oordeel dat betrokkene het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft geschonden.

Bij het opstellen van de genoemde berekening heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer tevens het fundamentele beginsel van objectiviteit geschonden. Betrokkene is daarbij namelijk uitgegaan van grond in verpachte staat en van een voorbehoud van vader ten aanzien van de stille reserves, wat in deze berekening leidde tot een lagere vermogenspositie van klager. Hierdoor heeft betrokkene hoofdzakelijk oog gehad voor de belangen van vader, aldus de Accountantskamer.

In deze klachtzaak acht de Accountantskamer de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van twee weken passend en geboden. De Accountantskamer heeft in haar oordeel betrokken dat betrokkene in strijd met drie fundamentele beginselen heeft gehandeld en dat betrokkene op de zitting geen blijk heeft gegeven van inzicht in deze beginselen en de bedreigingen daarvan en dat hij evenmin blijk heeft gegeven van besef dat de fundamentele beginselen leidend moeten zijn voor de uitoefening van zijn beroep.

De Accountantskamer 16 december 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:85.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_85

Het BFT gaat komende tijd de naleving van de Wwft monitoren bij administratiekantoren

Het BFT kondigt op de website aan dat het de komende tijd de naleving Wwft bij administratiekantoren gaat monitoren.

Regelmatig krijgen geselecteerde groepen administratiekantoren een informatiebrief met een toelichting op de Wwft toegezonden. Aan een gedeelte van deze geselecteerde kantoren zal op een later moment gevraagd worden een online vragenlijst in te vullen.

Het BFT tracht op deze wijze de Wwft onder de aandacht te brengen en de naleving van de Wwft bij administratiekantoren op een hoger niveau te tillen om zo de betrokkenheid van onder andere de administratiekantoren bij criminele activiteiten te voorkomen.

https://www.bureauft.nl/2020/01/30/het-bft-gaat-komende-tijd-de-naleving-van-de-wwft-monitoren-bij-administratiekantoren/

Hernieuwd Wwft-toetsingsarrangement tussen BFT en RB

Het BFT en het RB zijn per 1 februari 2020 voor de komende vijf jaar een nieuw toetsingsarrangement overeengekomen in het kader van de Wwft.

De ondertekening van het nieuwe toetsingsarrangement heeft op maandag 27 januari 2020 plaatsgevonden. Het BFT en het RB hebben met deze overeenkomst de intentie uitgesproken om de integriteit van het financiële stelsel te waarborgen en de betrokkenheid van de belastingadviseur (in het bijzonder de leden van het RB)  bij criminele activiteiten zoals witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen. In dat kader hebben het BFT en het RB het aflopende arrangement vernieuwd en verlengd. Met deze overeenkomst kan het RB de toetsingen die voortvloeien uit het arrangement  onderdeel uit laten maken van de algehele kwaliteitscontrole door de vereniging.

https://www.bureauft.nl/2020/01/28/hernieuwd-wwft-toetsingsarrangement-tussen-bureau-financieel-toezicht-en-register-belastingadviseurs/

Ontwikkelingen Wwft en UBO-register

Al eerder berichtten wij over aankomende wijzigingen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme als gevolg van aanpassingen van de Vierde Witwasrichtlijn, waaronder de introductie van een UBO-register en meer informatie-uitwisselingsmogelijkheden voor Wwft-toezichthouders. De planning was dat deze wijzigingen op 10 januari 2020 van kracht zouden worden, net op tijd om te voldoen aan de Europese verplichting om de gewijzigde richtlijn tijdig in de Nederlandse wet te implementeren. Deze planning is niet gehaald door vertraging in de behandeling in de Tweede Kamer, die de betreffende wetsvoorstellen op 10 december 2019 aannam.

Op 28 januari 2020 staat nu de behandeling in de Eerste Kamer gepland, daarna zal duidelijk worden of en wanneer de betreffende wetsvoorstellen van kracht worden.

Tweede-Kamerbehandeling wetsvoorstel UBO-register

De inhoudelijke behandeling van het UBO-register in de Tweede Kamer vond plaats op 3 december 2019. De Tweede Kamer heeft wijzigingen in het wetsvoorstel voor het UBO-register aangebracht. Zo is een extra waarborg gecreëerd bij raadpleging van het UBO-register. Derden moeten zich hiervoor identificeren en UBO’s krijgen inzicht in hoe vaak ze zijn opgezocht in het register. Daarnaast heeft de Tweede Kamer de wet aangepast zodat ook (UBO’s van) kerkgenootschappen zich in het UBO-register moeten registreren.

In de Tweede Kamer is verder besproken dat het UBO-register vanaf het aannemen van het wetsvoorstel gereed kan zijn, maar dat er dan nog een ‘vulproces’ van achttien maanden nodig is. Alle relevante entiteiten zullen in die periode worden aangeschreven en aangespoord worden om zich te registreren.

Het aangepaste wetsvoorstel ligt nu bij de Eerste Kamer. Dat geldt ook voor het hiermee verband houdende wetsvoorstel voor aanpassingen in de Wwft.

Aanpassing Wwft per 1 januari 2020

Per 1 januari 2020 is wel een andere wijziging in de Wwft van kracht geworden. Dit betreft de mogelijkheid voor het Bureau Financieel Toezicht om informatie te verstrekken aan de AFM. Het gaat daarbij om Wwft-toezichtsinformatie die het BFT heeft over accountants die onder toezicht staan van de AFM en die de AFM vervolgens kan gebruiken in het Wwft-toezicht dat de AFM uitvoert. De wet die deze informatie-uitwisseling toelaat was al op 3 juli 2019 aangenomen maar is nu dus ook van kracht geworden.

Waarschuwing voor accountant die objectiviteit onvoldoende waarborgt

Betrokkene is werkzaam als accountant-administratieconsulent bij een financieel adviesbureau. Op enig moment komt betrokkene via een cliënt van hem – BV1 – in contact met klager. Klager is aandeelhouder van BV2. Aan betrokkene is toen gevraagd voor BV2 de jaarrekeningen over 2014 samen te stellen welke opdracht door betrokkene is aanvaard.

Omstreeks november 2014 wist betrokkene dat tussen klager en BV1 onderhandeld werd over de verkoop van de aandelen van BV2, aan BV1. Alvorens de aandelen worden verkocht is betrokkene betrokken bij het uitwerken van de afspraken tussen klager en BV1 in verband met de verkoop van het aandelenpakket BV2 en het neerleggen hiervan in de definitieve tekst van de koopovereenkomst.

Betrokkene heeft vervolgens de jaarrekening 2014 voor BV2 samengesteld. Op 10 februari 2016 heeft hij een samenstellingsverklaring afgegeven.

Klager verwijt betrokkene te hebben gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit door – in het kader van het samenstellen van de jaarrekening van BV2 over 2014 – zowel de belangen van de kopende als van de verkopende partij te behartigen zonder zijn objectiviteit voldoende te borgen.

De Accountantskamer overweegt dienaangaande dat betrokkene sinds medio 2014 zowel voor klager, als verkopende partij, als voor BV1, als kopende partij, werkzaamheden heeft verricht. Na de totstandkoming van de overeenkomst van aandelenoverdracht was hij belast met het samenstellen van de jaarrekening van BV2, de overgenomen vennootschap, over 2014. De inhoud hiervan kon van invloed zijn op de hoogte van het door BV1 aan X1 te betalen bedrag. Derhalve is de Accountantskamer van oordeel dat voor wat betreft het samenstellen van de jaarrekening over 2014 sprake was van een bedreiging voor de objectiviteit van betrokkene. Aangezien betrokkene deze bedreiging heeft onderkend, is het de vraag of betrokkene een toereikende maatregel heeft genomen om zijn objectiviteit te waarborgen.

In dit verband neemt de Accountantskamer in aanmerking dat op aandringen van betrokkene in de overeenkomst tot overdracht van de aandelen van BV2 is vastgelegd dat klager het recht heeft om de jaarcijfers door derden te laten beoordelen, van welke mogelijkheid klager ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt. Deze bepaling was evenwel onvoldoende om betrokkenes objectiviteit te waarborgen. Voor het geval tussen de bij de koopovereenkomst betrokken partijen een geschil zou ontstaan over de inhoud van de door betrokkene samen te stellen jaarrekening, was een verdergaande maatregel nodig ter waarborging van betrokkenes objectiviteit. Betrokkene heeft dan ook in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van objectiviteit.

De Accountantskamer is van oordeel in deze klachtzaak kan worden volstaan met de maatregel van waarschuwing. Betrokkene heeft weliswaar gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit, maar hij heeft het bestaan van een bedreiging voor zijn objectiviteit wel onderkend en, zij het op een niet toereikende wijze, gepoogd om zijn objectiviteit te waarborgen.

De Accountantskamer 15 november 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:74.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_74