Categorie: Wwft & tuchtrecht

DNB geeft Wwft-aanwijzing aan MUFG Bank (Europe) N.V.

Op 1 december 2020 is een aanwijzing gepubliceerd die De Nederlandsche Bank (DNB) op 29 juli 2019 aan MUFG Bank (Europe) N.V. (MBE) heeft gegeven. De aanwijzing betreft maatregelen die MBE moet nemen om te voldoen aan haar verplichtingen op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

Wwft tekortkomingen

DNB had een aantal Wwft-tekortkomingen geconstateerd bij MBE. Zo beschikte MBE niet over een adequate systematische integriteitsrisicoanalyse (SIRA). Verder had MBE geen adequate procedures en beheersmaatregelen op het gebied van detectie van afwijkende transactiepatronen. Ook vond DNB dat MBE niet beschikte over een effectieve compliance functie ten aanzien van opvolging van signalen uit transactiemonitoring.

In februari 2019 had de Amerikaanse vestiging van het concern waarvan MBE deel uitmaakt ook reeds een aanwijzing gekregen die onder meer zag op anti-money-laundering verplichtingen. Door de Amerikaanse toezichthouder waren aldaar tekortkomingen geconstateerd in onder meer de transactiemonitoring en interne controle.

Risicobeheersing

De Wwft schrijft voor dat een instelling de risicoā€™s op witwassen en financieren van terrorisme die verbonden zijn aan haar aard, omvang en dienstverlening vaststelt en beoordeelt. Hierbij dient in ieder geval rekening te worden gehouden met de risicofactoren die verband houden met het type cliĆ«nt, dienst en met landen of geografische gebieden.

Uit de Integrity Risk Analysis 2019 van MBE bleek volgens DNB niet welke inherente integriteitsrisicoā€™s aan de orde kunnen zijn op basis van deze risicofactoren. Ook was niet duidelijk of alle relevante inherente integriteitsrisicoā€™s in beeld waren.

Transactiemonitoring en compliancefunctie

Instellingen dienen op grond van de Wwft te beschikken over procedures en maatregelen om de risicoā€™s op witwassen en financieren van terrorisme te beperken en effectief te beheersen. Daarbij dienen ook de risicoā€™s die zijn geĆÆdentificeerd in de meest recente versies van de supranationale risicobeoordeling en de nationale risicobeoordeling te worden meegenomen. De procedures en maatregelen zijn er op gericht dat een voortdurende controle op de cliĆ«ntrelatie en op de door een cliĆ«nt verrichtte transacties wordt uitgeoefend.

MBE had de bij haar transactiemonitoring gehanteerde uitgangspunten (regels) niet gebaseerd op haar eigen risicoanalyse maar op die van het Londense bijkantoor van de groep waarvan MBE deel uitmaakte. DNB vond dat MBE hiermee niet voldeed aan de Wwft-regels voor transactiemonitoring. MBE dient als instelling uit te gaan van haar eigen risicoanalyse.

Eventuele alerts ten aanzien van transacties van cliĆ«nten van MBE werden bovendien in Londen beoordeeld zonder dat duidelijk was of de compliance functie van MBE zelf hier een rol bij speelde. Daarmee voldeed ook MBEā€™s compliancefunctie volgens DNB niet aan de eisen van de Wwft.

Aanwijzing

Gelet op de diverse geconstateerde overtredingen heeft DNB aan MBE een aanwijzing gegeven die ertoe strekt dat MBE de geconstateerde overtredingen beƫindigt. MBE heeft dit vertaald naar een herstelprogramma dat zij heeft uitgevoerd. Vanaf 1 december 2020 dient MBE periodiek aan DNB te rapporteren over de voortgang.

https://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/nieuws-2020/dnb390998.jsp#

Rechtbank vernietigt Wwft-boete voor administratie-belastingadvieskantoor

In een uitspraak van 28 oktober 2020 heeft Rechtbank Rotterdam een boetebesluit van het Bureau Financieel Toezicht (BFT) vernietigd. De boete van ā‚¬ 6.300 was opgelegd aan een administratie-belastingadvieskantoor, eiseres in de procedure, wegens het niet melden van twee ongebruikelijke transacties.

Signalen van faillissementsfraude

Het BFT was op onderzoek uitgegaan naar aanleiding van berichten in de media over faillissementsfraude. Over een specifieke onderneming heeft het BFT bij de Belastingdienst nagevraagd welk advieskantoor de administratie verzorgde. Dat bleek eiseres te zijn. Eiseres stond niet als melder geregistreerd bij de Financiƫle inlichtingen eenheid (FIU). Hierop besloot het BFT bij eiseres een onderzoek in te stellen.

Bij dit onderzoek constateerde het BFT dat niet alleen de betreffende vennootschap maar ook enkele daaraan gelieerde vennootschappen cliƫnt waren bij eiseres. Uit het onderzoek in de administratie concludeerde het BFT dat eiseres had verzuimd om ongebruikelijke transacties te melden aan de FIU.

Ongebruikelijke contante stortingen

Volgens het BFT waren de transacties ongebruikelijk omdat zij bepaalde kenmerken vertoonden uit de bijlage van de door het BFT gepubliceerde WWFT-leidraad voor onder meer administratiekantoren. Die kenmerken vormen een invulling van de zogenoemde subjectieve indicator. Het ging volgens het BFT om de volgende kenmerken:

D1: transacties die niet passen in de normale beroeps- of bedrijfsuitoefening van de cliƫnt;
E1: de cliƫnt heeft voorkeur voor activa die geen sporen achterlaten, zoals contant geld;
E3: de gelden waarover de cliƫnt beschikt zijn afkomstig uit onduidelijke bronnen;
J6: er wordt niet voldaan aan enige publicatieverplichting;
J8: er wordt gebruik gemaakt van vermoedelijk valse facturen.

Over de jaren 2014 tot en met 2016 waren in totaal 37 contante stortingen op de eigen bankrekening van de cliĆ«nt van de eiseres verricht voor een totaalbedrag van ruim ā‚¬ 150.000. De herkomst van deze gelden was niet duidelijk en kon niet worden verklaard uit de eigen omzet of de omzet van de werkmaatschappijen. Ook trof het BFT een factuur uit 2014 aan van ruim ā‚¬ 100.000 voor de inventaris van een beautycentrum en voor diverse werkzaamheden. In de auditfile werd echter geen boeking van deze factuur aangetroffen. Volgens het BFT waren deze ongebruikelijke transacties aan eiseres kenbaar geworden op het moment dat de administratie werd geboekt in 2017 en had zij deze toen moeten melden.

Nader onderzoek door instelling

Eiseres verweerde zich door te stellen dat zij na kennisneming van de desbetreffende contante stortingen en de factuur bij de bestuurder van haar cliĆ«nt navraag had gedaan. Zij had de gewenste duidelijkheid echter niet verkregen omdat de bestuurder ieder contact had verbroken. Eiseres kon de transacties daardoor in het geheel niet ā€˜plaatsenā€™ en vond dat van haar niet mocht worden verwacht dat zij deze desondanks als ongebruikelijk zou melden.

De rechtbank is het met dit verweer van eiseres eens. Volgens de rechtbank blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Wwft dat met de formulering van de meldingsplicht ongebruikelijke transacties, beoogd is om ruimte te laten voor nader onderzoek, bijvoorbeeld omdat sprake is van subjectieve inschattingen. Eiseres had op het moment dat zij de stortingen en de factuur constateerde nog slechts een beperkt inzicht in de bedrijfsvoering en de geldstromen. Uit het oogpunt van zorgvuldigheid lag het daarom in de rede om eerst navraag te doen bij de bestuurder.

Het BFT had aan de boete alleen ten grondslag gelegd dat eiseres onverwijld na de kennisneming van de contante stortingen en de factuur een melding had moeten doen bij de FIU. Het BFT had aan de boete niet (subsidiair) ten grondslag gelegd dat eiseres dat ook had moeten melden indien een (afdoende) antwoord op haar vragen aan de bestuurder uit bleef. De rechtbank concludeert dan ook dat de boete moet worden vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2020:9752

Wwft-boete voor handelaar edele metalen verlaagd van ā‚¬ 12.000 naar ā‚¬ 3.000

Verdachte wordt verweten als handelaar in edele metalen niet te hebben voldaan aan zijn verplichtingen zoals neergelegd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Verdachte zou meerdere contante betalingen hebben ontvangen waarbij het totale bedrag hoger dan ā‚¬ 15.000 was. Daarnaast zou verdachte in vijf gevallen hebben verzuimd te voldoen aan de verplichting tot het doen van cliĆ«ntenonderzoek.

Een aantal van de door de Rechtbank bewezenverklaarde transacties zijn zogenaamde samengestelde transacties. Het gaat om transacties die boven de grens van ā‚¬ 15.000 uitkomen omdat de bedragen van twee afzonderlijke transacties bij elkaar zijn opgeteld vanwege het nauwe verband tussen die transacties. Wanneer sprake is van een verband tussen twee transacties waarvan kan worden vermoed dat het gaat om een samengestelde transactie, kan van de instelling worden verwacht dat zij onderzoek doet om vast te stellen of de transacties als samengestelde transacties moeten worden beschouwd. Dat is bijvoorbeeld het geval als de transacties

  1. tegelijk of opvolgend worden verricht;
  2. door dezelfde persoon of verschillende, maar aan elkaar verwante personen;
  3. betrekking hebben op dezelfde goederen, en;
  4. afzonderlijk onder de wettelijke waardegrens blijven, maar gezamenlijk daarboven uitkomen.

In dergelijke gevallen moet worden uitgegaan van een samengestelde transactie, tenzij een door de instelling ingesteld onderzoek uitwijst dat zij als afzonderlijke transacties moeten worden beschouwd.

Net als de Rechtbank, acht ook het Hof dat in dit geval sprake is geweest van meerdere samengestelde transacties die hadden moeten worden gemeld. Daarnaast heeft de verdachte meerdere malen nagelaten om cliƫntenonderzoek te verrichten, dan wel de bij het cliƫntenonderzoek verzamelde gegevens op toegankelijke wijze te bewaren (art. 33 Wwft). Dat verdachte deze gegevens ten tijde van het onderzoek niet kon overleggen, omdat deze gegevens zich volgens de verdachte op een digitale schijf bevonden, laat onverlet dat deze gegevens op dat moment niet toegankelijk waren en daarmee niet is voldaan aan art. 33 Wwft.

De Rechtbank heeft verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van ā‚¬ 12.000, waarvan ā‚¬ 4.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het Hof komt tot een lagere boete. Ten tijde van de transacties waren de verplichtingen uit hoofde van de Wwft minder bekend dan heden ten dage. Daarnaast hebben de vertegenwoordigers van de verdachte ter terechtzitting uitgelegd dat de procedures binnen het bedrijf naar aanleiding van het onderzoek zijn aangepast. Alles afwegende acht het Hof een geldboete ā€“ na matiging vanwege de overschrijding van de redelijke termijn – van ā‚¬ 3.000 passend en geboden.

Hof Amsterdam, 30 oktober 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2898

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:2898

Geldboete van ā‚¬ 20.000 voor accountantskantoor voor het niet melden

Na eerder nog door de Rechtbank te zijn vrijgesproken, wordt een accountantskantoor in hoger beroep door Hof Amsterdam veroordeeld tot een forse geldboete vanwege het niet nakomen van de meldplicht van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

Het draait in deze zaak om diverse facturen van een aannemersbedrijf waarvoor het kantoor sinds 2013 de boekhouding verzorgde. In het eerste kwartaal van 2013 stuitte de eindverantwoordelijke accountant op zes facturen van bedragen tussen de ā‚¬ 10.000 en ā‚¬ 30.000 die contant werden voldaan. De accountant kreeg deze facturen over het eerste kwartaal van 2013 al in mei van dat jaar in handen bij het cliĆ«ntenonderzoek. Er zijn toen vragen gesteld over hoe de betalingen van die facturen hebben plaatsgevonden en waar de facturen op zagen. Er is gevraagd wat de bron van het contante geld was, omdat dat nog niet klip en klaar was en omdat de geldstromen van de klant nog niet in beeld waren. Het kantoor had verder nog geen bankafschriften en kasbladen gezien. De accountant heeft verder, met zoveel woorden, verklaard dat hij de contante transacties had beoordeeld als een subjectieve indicator.

Het Hof meent dat de verdachte alleen al hierom deze transacties onverwijld na het in handen krijgen van de facturen moet melden, en niet eerst op 25 juni 2014, toen via de curator in het faillissement van het aannemersbedrijf werd vernomen dat er mogelijk een connectie met het kweken van hennep was. Het Hof volgt de accountant niet in zijn verweer dat eerder melden niet nodig was. De verdachte beschikte over niets anders dan de facturen waarop was vermeld dat deze contant waren voldaan tot een bedrag van in totaal ā‚¬ 108.350 en de enkele mededeling dat het hier om ā€“ kennelijk contant ā€“ spaargeld van de DGA zou gaan. Het Hof ziet niet in hoe op grond hiervan de aanvankelijke beoordeling van de accountant dat sprake was van de subjectieve indicator niet langer juist zou zijn. Bovendien is nader onderzoek nagelaten, zijn de overwegingen die hebben geleid tot het niet melden niet vastgelegd en is vanuit de beroepsgroep nog extra gewaarschuwd voor zwart geld bij bouwbedrijven. Dat de transacties later als ā€œstortingen in kas” door de verdachte zijn geboekt, maakt het vorenstaande niet anders.

Daarnaast hadden de niet betaalde facturen van oktober 2013 ook moeten worden aangemerkt als ongebruikelijke transacties. Op deze facturen is expliciet vermeld dat is afgesproken dat deze contant zullen worden voldaan. Voor zover de verdachte meende dat niet gemeld hoefde te worden omdat deze facturen nog niet waren voldaan, wijst het Hof erop dat de meldingsplicht ook betrekking heeft op voorgenomen transacties.

Gezien al deze omstandigheden heeft het kantoor bewust de keuze gemaakt de transacties niet te melden bij de FIU. Daarmee is voldaan aan het voor het plegen van een economisch misdrijf vereiste zogeheten kleurloos opzet. Het Hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van ā‚¬ 20.000.

Hof Amsterdam 18 september 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2693

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:2693

80% van de witwasmeldingen nauwelijks bekeken

Acht op de tien witwasmeldingen van banken wordt nauwelijks bekeken door de FIU, blijkt uit cijfers die Investico, een platform voor onderzoeksjournalistiek, opvroeg. De FIU die de meldingen binnenkrijgt, doet op de meeste meldingen enkel geautomatiseerde checks. En die computercontroles werken niet naar behoren, zegt FIU-hoofd Hennie Verbeek-Kusters. ā€˜We vinden dat onze IT naar een hoger niveau moet om ons werk beter te kunnen doen.ā€™

De Nederlandse FIU ontving vorig jaar ruim 2,4 miljoen witwasmeldingen van banken, notarissen, accountants en betaalkantoren. Dat zijn er mĆ©Ć©r dan de Amerikaanse evenknie FinCEN vorig jaar binnenkreeg. Een groot deel van deze meldingen kwam voort uit de verplichting tot het melden van transacties in relatie tot risicolanden. Daardoor steeg het aantal ontvangen ongebruikelijke transacties respectievelijk van 753.352 in 2018, naar maar liefst 2.462.973 meldingen in 2019. Wanneer de objectieve meldindicator voor risicolanden (die inmiddels is afgeschaft) buiten beschouwing wordt gelaten, blijkt uit het jaarverslag van de FIU dat er vorige jaar in totaal 541.236 ā€˜reguliereā€™ ongebruikelijke transacties zijn ontvangen. Daarvan zijn 39.544 als verdacht aangemerkt.

Daarnaast kunnen deze grote aantallen worden verklaard vanwege het bijzondere meldsysteem dat Nederland hanteert. Hier moeten instellingen niet ā€˜verdachteā€™ transacties, maar ā€˜ongebruikelijkeā€™ transacties melden. Dit in tegenstelling tot de meeste andere landen, waar banken enkel verdachte transacties melden en waar dus minder snel tot melding wordt overgegaan.

In Duitsland komen jaarlijks 120.000 meldingen binnen, en ondanks de 475 fte om die te onderzoeken bestaan daar grote werkachterstanden die elk jaar toenemen. In Engeland zijn er een half miljoen meldingen per jaar, met 118 fte om die te onderzoeken. De Nederlandse FIU heeft slechts 63 fte om de binnengekomen meldingen te onderzoeken. Daarbij is de kwaliteit van de meldingen ook nog eens slecht, zo klaagt de FIU al jaren.

Banken melden veel, maar sturen zo weinig nuttige informatie mee dat de opsporingsinstanties er vervolgens weinig mee kunnen. Dat bleek ook afgelopen juli, toen Trouw onthulde dat er amper strafzaken volgen uit de meldingen die vanuit de FIU worden doorgestuurd naar opsporingsinstanties.

https://www.platform-investico.nl/artikel/80-procent-van-nederlandse-witwasmeldingen-verdwijnt-in-de-la/

Invoering UBO-register is een feit: BFT wijst alvast op de gevolgen voor de Wwft

Met ingang van 27 september 2020 dienen vennootschappen en andere juridische entiteiten gegevens en bescheiden in te winnen (en bij te houden) over wie hun uiteindelijk belanghebbenden (UBOā€™s) zijn. Deze gegevens en bescheiden dienen toereikend, accuraat en actueel te zijn (artikel 10b, lid 1 Wwft). Een UBO verschaft de vennootschap of andere juridische entiteit alle informatie die noodzakelijk is om hier aan te voldoen (artikel 10b, lid 2 Wwft).

De invoering van het openbare UBO-register heeft ook gevolgen voor de Wwft. Vooruitlopend op de invoering van het UBO-register is in de Wwft (artikel 4, lid 2 Wwft) een wetsartikel opgenomen dat de instelling verplicht om bij het aangaan van een nieuwe zakelijke relatie te beschikken over een bewijs van registratie van de UBO van de cliƫnt in het UBO-register. Dit is in aanvulling op de eigen verplichting van de instelling om de (identiteit van de) UBO te identificeren en verifiƫren. Bij het uitvoeren van het cliƫntenonderzoek mag een instelling zich dan ook niet uitsluitend verlaten op de informatie in het openbare UBO-register (artikel 3, lid 15 Wwft).

Een instelling dient voorts melding te doen aan de Kamer van Koophandel van iedere discrepantie die zij aantreft tussen een gegeven omtrent een uiteindelijk belanghebbende dat zij verstrekt heeft gekregen uit het handelsregister en de informatie over die uiteindelijk belanghebbende waarover zij uit anderen hoofde beschikt. Dit is de zogenoemde ā€˜terugmeldplichtā€™ (artikel 10c, lid 1 Wwft). Deze verplichting geldt echter weer niet indien een instelling een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie meldt aan de FIU-Nederland (artikel 10c, lid 3 Wwft).

Tijdens de zogenaamde ā€˜vulperiodeā€™ van 18 maanden volgend op de invoering van het UBO-register hoeft op een nog niet gedane registratie in het UBO-register geen terugmelding worden gedaan. Dit is anders indien er wel gegevens geregistreerd staan: in dat laatste geval geldt de terugmeldplicht ook binnen deze periode van 18 maanden. Zie tevens pagina 28 van de ā€˜Algemene leidraad Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)ā€™.

Bron

https://www.bureauft.nl/2020/09/28/invoering-ubo-register-per-27-september/

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/richtlijnen/2020/07/21/algemene-leidraad-wet-ter-voorkoming-van-witwassen-en-financieren-van-terrorisme-wwft

Minister beantwoordt Kamervragen over de registratie van pseudo-ubo’s

In het UBO-register moeten de natuurlijke personen worden geregistreerd die de uiteindelijke eigendom van of de zeggenschap over een juridische entiteit hebben. Maar wat nu als geen natuurlijk persoon als zodanig kwalificeert? Minister Hoekstra van Financiƫn bevestigt nogmaals dat dan het volledige statutaire bestuur van een rechtspersoon, respectievelijke alle vennoten van een personenvennootschap dient/dienen te worden te worden geregistreerd in het openbare UBO-register (met een uitzondering voor commanditair vennoten). In dat geval worden zij dus enkel geregistreerd vanwege hun functie, en niet op basis van uiteindelijke eigendom of zeggenschap.

Daarnaast blijkt uit de antwoorden dat bij het opvragen van informatie uit het UBO-register steeds duidelijk in het uittreksel wordt vermeld op welke grond een persoon als UBO is ingeschreven, de zogenaamde ā€œaardā€ van het belang van de persoon. In het geval dat een bestuurder vanwege diens functie is geregistreerd, en niet vanwege uiteindelijke eigendom of zeggenschap, zal dit uit het uittreksel dus blijken. Voorgaande geldt voor alle natuurlijke personen die worden geregistreerd op grond van hun functie als bestuurder, met inbegrip van de bestuurders van ANBIā€™s.

Bron

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/09/18/beantwoording-kamervragen-over-het-ubo-register

Kamer van Koophandel publiceert handleiding voor notarissen over UBO-opgave

Vanaf 27 september 2020 is het openbare UBO-register bij de Kamer van Koophandel actief. Organisaties die daartoe gehouden zijn, Ā dienen hierin hun uiteindelijk gerechtigde(n) te registreren. Ook de notaris kan dit doen. De notaris moet dit ook doen bij de oprichting van nieuwe rechtspersonen.

NAU: Notarisapplicatie UBO

De Kamer van Koophandel heeft voor de UBO-registratie door notarissen een tijdelijke nieuwe online applicatie gemaakt, de Notarisapplicatie UBO (NAU). Deze is bedoeld voor de UBO-opgave bij bestaande organisaties. Voor de UBO-opgave bij nieuw op te richten organisaties dient zowel de bestaande applicatie Online Registreren Notarissen (ORN) als ā€“ vervolgens ā€“ NAU te worden gebruikt.

In de gepubliceerde handleiding wordt het proces van registratie beschreven, inclusief welke documenten benodigd zijn. De identiteit van de cliĆ«nt die de UBO-opgave komt doen, moet door de notaris worden vastgesteld en per UBO moeten de benodigde documenten, waaronder het identiteitsbewijs van de UBO, geĆ¼pload worden. Op het identiteitsbewijs mag de pasfoto worden afgeplakt. Op overige te uploaden documenten dienen door de aangever alle persoonsgegevens te worden afgeplakt die niet op de UBO betrekking hebben.

Aard en omvang van het belang

In het UBO-register dient de aard en omvang van het belang te zijn vermeld. Voor de aard van het belang biedt NAU vijf keuzemogelijkheden: aandeelhouder, houder van stemrecht, houder van economische belang, houder van feitelijke zeggenschap of hoger leidinggevende. Voor de omvang van het belang zijn er drie categorieƫn van elk 25%.

UBO-opgave door organisatie zelf

Via de website van de Kamer van Koophandel is het voor organisaties mogelijk om zelf online hun UBO-opgave te doen. Ook wijzigingen en uitschrijvingen kunnen online worden doorgegeven. Bestaande organisaties hebben vanaf 27 september 2020 18 maanden de tijd om deze opgave te doen. Nieuw opgerichte organisaties moeten wel meteen hun UBO-opgave doen, dat zal door de notaris gedaan worden.

Bron

https://www.kvk.nl/download/Handleiding%20NAU_tcm109-492410.pdf

https://www.kvk.nl/inschrijven-en-wijzigen/ubo-opgave/

FIU-Nederland publiceert jaarverslag 2019

De FIU heeft op 3 juli 2020 het jaaroverzicht van 2019 gepubliceerd. Daaruit blijkt dat er vorige jaar in totaal 541.236 ‘reguliere’ ongebruikelijke transacties zijn ontvangen. De transacties op basis van de objectieve meldindicator voor risicolanden (die inmiddels is afgeschaft) zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. In totaal werden 39.544 transacties als verdacht aangemerkt, gebundeld in 5.302 dossiers.

Daarmee daalde het aantal verdacht verklaarde transacties en opgemaakte dossiers in vergelijking met 2018 (toen nog 57.950 verdachte transacties en 8.514 opgemaakte dossiers). Wel is de totale waarde van de verdachte transacties verdubbeld in 2019, naar een totale bijna surreƫle waarde van meer dan 19 miljard euro. Daarbij merkt de FIU wel op dat dit totaalbedrag wordt opgestuwd door een zeer beperkt aantal verdacht verklaarde transacties met een totale waarde van bijna 17 miljard euro. De overige transacties vertegenwoordigen een waarde van ongeveer 2 miljard euro.

Alle 39.544 verdachte transacties zijn overgedragen aan de opsporings-, inlichtingen-, en veiligheidsdiensten voor verder onderzoek en mogelijke vervolging

 

Aantal meldingen door banken neemt toe

De grootste hoeveelheid verdachte transacties in 2019 zijn afkomstig vanuit de sector betaaldienstverleners. De bankensector vertoont in 2019 een toename van meer dan 20% verdacht verklaarde transacties ten opzichte van 2018, naar verwachting als gevolg van de intensivering van de compliance activiteiten binnen de bankensector. Het overzicht van de aantallen gemelde ongebruikelijke en verdachte transacties over 2019 voor enkele andere instellingen, is te zien in onderstaand schema:

 

Instelling Aantal meldingen Waarvan objectief Aangemerkt als verdacht
Accountant 3424 922 209
Belastingadviseur 284 12 61
Notaris 1317 32 177
Trustkantoor 278 86 30

 

Werkmethodiek FIU-Nederland

De FIU-Nederland hanteert een dossier-methodiek bij het analyseren van ongebruikelijke transacties. Indien ongebruikelijke transacties een bepaalde samenhang hebben, worden deze gevoegd in een dossier. Daarbij kunnen kenmerken zoals de aard, de persoon, de locatie of bijvoorbeeld het bedrag van een transactie van belang zijn. Op basis van deze dossiervorming kunnen criminele netwerken inzichtelijk worden gemaakt, wat het verdacht verklaren van ongebruikelijke transacties effectief kan maken.

Daarnaast ontvangt de FIU-Nederland ook verzoeken van de Landelijk Officier van Justitie (LOvJ) aan de hand waarvan de FIU nagaat of de in het verzoek opgevoerde personen, tegen wie een verdenking van een strafbaar feit bestaat, voorkomen in de database met ongebruikelijke transacties. Wanneer dat het geval is worden die transacties verdacht verklaard en aan de opsporing doorgeleid. In 2019 werden er door de FIU-Nederland in totaal 1.298 LOvJ-verzoeken ontvangen. Dat is ongeveer gelijk aan het aantal verzoeken in 2018.

Financial Intelligence Unit-Nederland 3 juli 2020

https://www.fiu-nederland.nl/sites/www.fiu-nederland.nl/files/documenten/7178-fiu_jaaroverzicht_2019_nl_web-3.pdf