Categorie: Wwft & tuchtrecht

Blog: BFT publiceert nieuwe leidraden Wwft

Op 24 oktober 2018 heeft het Bureau Financieel Toezicht (BFT) nieuwe ‘specifieke leidraden’ gepubliceerd die aansluiten op de regels in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) die sinds 25 juli 2018 van kracht zijn. Over de nieuwe regels schreven wij al eerder een blog op SpotOn.

Zowel inhoudelijk als op het gebied van interne procedures heeft de nieuwe wet gevolgen voor instellingen die de Wwft moeten uitvoeren. Inhoudelijk gaat het bijvoorbeeld om aanpassingen in de definities van Politically Exposed Persons en Ultimate Benefical Owners. Ten aanzien van interne procedures worden nadere eisen gesteld aan de invulling en vastlegging van het risicobeleid, aan het risicomanagement en aan de inrichting van een compliance- en auditfunctie.

Het BFT heeft twee leidraden gemaakt. Er is een leidraad voor accountants, belastingadviseurs en administratiekantoren en er is een leidraad voor notarissen. De leidraden zijn inhoudelijk grotendeels vergelijkbaar en gaan onder meer in op onderwerpen als “Witwassen en terrorismefinanciering’, “Cliëntenonderzoek, risicobeleid en risicomanagement” en “Compliance- en auditfunctie”. De leidraden bevatten tot slot een aantal praktische voorbeelden.

Twee deelonderwerpen lichten wij er vandaag uit.

Compliance- en auditfunctie vanaf 50 werknemers

Vanaf 25 juli 2018 geldt de verplichting om, voor zover passend bij de aard en omvang van de instelling, een compliance- en auditfunctie in te richten. Het BFT hanteert blijkens de nu gepubliceerde leidraden als richtlijn dat een instelling dergelijke functies in ieder geval dient in te richten als zij een omvang heeft vanaf 50 werknemers. Het BFT heeft daarbij aansluiting gezocht bij de Wet op de ondernemingsraden (WOR) die het instellen van een ondernemingsraad verplicht stelt voor organisaties vanaf 50 werknemers.

Als een instelling kleiner is dan 50 werknemers, maar haar cliënten of transacties voor ten minste 75% in een hoog risicoprofiel vallen, dan vindt het BFT de inrichting van een compliance- en auditfunctie ook passend.

De compliance- en/of auditfunctie mogen ook extern worden belegd middels een dienstverleningsovereenkomst met een externe partij. Voor de auditfunctie vermeldt het BFT dit expliciet in de leidraad, voor de compliancefunctie blijkt dit uit de wetsgeschiedenis.

Sanctiewetgeving

In de eerdere leidraden uit 2014 vermeldde het BFT niets over sanctiewetgeving. Nu wordt daar in een korte paragraaf op gewezen. Het BFT verwijst naar de Algemene Leidraad Wwft en Sanctiewet van het Ministerie van Financiën, die onder meer vermeldt: “De sanctieregelingen gelden voor iedereen (dus ook voor niet-financiële instellingen zoals juridische beroepsgroepen en accountants) en daarom zullen de instellingen maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat zij in strijd met de sanctieregelingen handelen. Zo is een notaris bijvoorbeeld strafbaar als deze een verkoopakte passeert waar een persoon bij betrokken is die op een sanctielijst staat.“ Voor financiële instellingen, waaronder ook trustkantoren, gelden aanvullende eisen aan hun Administratieve Organisatie & Interne Controle (AO/IC) op grond van de Sanctiewet.

Sanctiemaatregelen worden door overheden de laatste jaren meer ingezet in geopolitieke conflictsituaties. Soms gaat het om bepaalde personen en organisaties van wie de financiële middelen worden bevroren. Soms gaat het om een verbod op het doen van – bepaalde – zaken met landen zoals Birma, Congo, Noord Korea, Somalië, Soedan, Wit-Rusland en Zimbabwe.

Sanctiewetgeving verbiedt het verrichten van bepaalde transacties. Daarnaast speelt sanctiewetgeving een rol bij de beoordeling of een transactie al dan niet ongebruikelijk is. Indien tijdens werkzaamheden voor een cliënt wordt gestuit op een (voorgenomen) transactie die mogelijk in strijd is met sanctiewetgeving, kan het dus zijn dat deze als een ongebruikelijke transactie moet worden gemeld. Dit geldt ook als de instelling zelf geen bijdrage aan de transactie heeft geleverd.

Tot slot

Het BFT heeft eerder bekend gemaakt dat het tot 1 januari 2019 een soepel handhavingsbeleid zal hanteren ten aanzien van de nieuwe Wwft-regels. Nu de specifieke leidraden bekend zijn gemaakt, is de verwachting dat het BFT vanaf 1 januari 2019 zal gaan toezien op de implementatie van de nieuwe regels, waaronder de schriftelijke vastleggingen van risicobeleid, risicobeoordelingen en het juist beleggen van de compliance- en auditfunctie.

Blog: De rol van de accountant bij detecteren van fraude

In het publieke debat is de rol van de accountant bij het bestrijden van fraude zeer actueel. In Het FD werd hierover in de tweede helft van augustus naar aanleiding van een opinie artikel van Marcel Pheijffer schriftelijk gedebatteerd. Ook de voorzitter van de NBA mengde zich in deze discussie met onder meer de volgende stellingen: “De accountant is de aangewezen persoon om te controleren of de buitenwereld kan vertrouwen op de financiële verantwoording van een organisatie;” en “je mag wel van de accountant verwachten dat hij alles heeft gedaan wat in zijn vermogen ligt om fraude te bestrijden. Daar past ook in dat de sector leert van gemaakte fouten.” Uiteindelijk pleitte Pheijffer voor een serieuze aanpak en attitude die het accountantsberoep weer het aanzien moet geven dat het verdient.

Na dit debat publiceerde de Werkgroep Fraude van de NBA op 3 oktober 2018 een concept Fraudeprotocol. Volgens het protocol is het een onlosmakelijk onderdeel van de accountantscontrole om frauderisico’s te onderkennen en actie te ondernemen in het geval van een vermoeden of aanwijzing van fraude.

Dat meldingen van ongebruikelijke transacties door accountants bij fraudebestrijding een belangrijke rol spelen wordt nog eens onderstreept door de FIOD en het OM, zo blijkt uit het FD van 1 november 2018. Dit maakt dat accountants extra zorgvuldig zullen willen en moeten omgaan met aanwijzingen voor fraude die zij tijdens de werkzaamheden zien.

Wet- en regelgeving

Er zijn twee wettelijke verplichtingen op basis waarvan een accountant verplicht is om vermoedens van fraude te melden bij ‘de overheid’.

Allereerst is er artikel 26, lid 2, Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) en het daarbij horende Besluit toezicht accountantsorganisaties (Bta). Dat artikel verplicht een accountant om een redelijk vermoeden van fraude aan een opsporingsambtenaar te melden als hij dit tijdens de controle tegenkomt. Alleen als een cliënt voldoende maatregelen neemt om de gevolgen van de fraude zoveel mogelijk ongedaan te maken en om herhaling van fraude te voorkomen, vervalt deze meldingsverplichting (artikel 37 Bta). Deze regeling geldt echter alleen voor wettelijke-controleopdrachten en niet voor bijvoorbeeld samenstellingsopdrachten.

In de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NVCOS) van de NBA is uitgewerkt hoe de accountant moet handelen indien sprake is van een vermoeden of aanwijzing van fraude. Voor controle-opdrachten geldt dat NVCOS 240 verplicht tot actie bij ‘aanwijzingen’ van fraude. Voor samenstellingsopdrachten verplicht NVCOS 4410 tot actie bij ‘vermoedens ‘van fraude. Op grond van beide standaarden is de accountant verplicht om met de cliënt te communiceren.

Naast de verplichtingen uit de accountants-regelgeving heeft de accountant ook verplichtingen op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Deze wet verplicht een accountant om een ‘ongebruikelijk transactie’ te melden aan de Financial Intelligence Unit (FIU). Op deze verplichting bestaan in beginsel geen uitzonderingen. Het feit dat er een Wwft-melding aan de FIU wordt gedaan, mag de accountant echter niet aan zijn cliënt of anderen mededelen.

Vermoeden, aanwijzing of ongebruikelijkheid

De aangehaalde wet- en regelgeving maakt al duidelijk dat er de nodige definitie-kwesties spelen. Immers: wanneer is sprake van een ‘redelijk vermoeden’ van fraude als bedoeld in artikel 26 lid 2 Wta? En, als NVCOS 240 er bij wordt gepakt, wanneer is er een ‘aanwijzing’? En ook de Wwft kent zijn eigen definitie: de meldplicht van een ‘ongebruikelijke’ transactie.

In het sanctierecht, waaronder het strafrecht, is deze terminologie gemeengoed. Het begrip ‘aanwijzing’ geldt volgens de Hoge Raad als drempel voor de inzet van opsporingsmiddelen bij economische delicten.[1] Van een ‘aanwijzing’ dat een voorschrift niet is nageleefd kan reeds sprake zijn zonder dat dit al tot een of meer concrete personen kan worden herleid. Een concrete verdenking richting een persoon leidt tot een zogenoemd ‘redelijk vermoeden van schuld’ als bedoeld in artikel 27 Wetboek van strafvordering. Voor de inzet van opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen genoemd in het Wetboek van Strafvordering geldt dat sprake moet zijn van een redelijk vermoeden van schuld.

Een ongebruikelijke transactie in de zin van de Wwft vereist niet dat er al sprake is van een redelijk vermoeden van witwassen of financiering van terrorisme. Volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven (ECLI:NL:CBB:2015:363) heeft de meldplicht een ruime strekking: iedere ongebruikelijke transactie die een accountant tijdens zijn werkzaamheden constateert, behoort te worden gemeld.

Al met al zijn de ‘drempels’ voor een accountant om actie te ondernemen juridische open normen die goed invoelbaar maken dat een accountant als niet-jurist hiermee worstelt. Dergelijke relatief lage drempels staan bovendien ver af van de mate van zekerheid die een accountant nastreeft in controle-opdrachten, maar ook van de eisen die accountants zichzelf – terecht – stellen bij het uitvoeren van andere opdrachten, zoals samenstellingsopdrachten en forensisch onderzoek.

Afwegingsmomenten voor de accountant

Volgens het protocol dient een accountant al bij de opdrachtacceptatie de betrouwbaarheid en integriteit van een cliënt te onderzoeken. De controle wordt daarop afgestemd.

Vervolgens kan zich de situatie aandienen dat er aanwijzingen van fraude naar boven komen. Er wordt zo nodig te rade gegaan bij in- en externe experts zoals ook wordt voorgeschreven in NVCOS 240 en 250. Expert-kennis is in deze fase ons inziens onmisbaar, omdat lang niet altijd even duidelijk is of er sprake is van een ‘aanwijzing’ van fraude. Zorgvuldigheid is daarom geboden, alleen al om geen onomkeerbare (reputatie) schade aan personen of de organisatie toe te brengen. Een onafhankelijke, externe blik over de omvang, de – juridische – betekenis, en de onderzoeksmogelijkheden is daarom essentieel, zeker als de acties en maatregelen juridische consequenties kunnen inhouden op civiel, bestuurlijk, tuchtrechtelijk of strafrechtelijk gebied.

Tot slot dienen accountants, als reeds opgemerkt, een vermoeden van fraude op grond van de Wwft te melden bij FIU. Daarbij is van belang dat het beëindigen van de cliëntrelatie de accountant niet ontslaat van de meldingsplicht.

Slotopmerking

De rol van de accountant bij het detecteren van fraude is zeer actueel en hierover is het laatste woord nog niet gezegd. En dat is maar goed ook, want door de verschillen in de wet- en regelgeving met de daarbij geldende juridische open normen, is het voor de accountant niet altijd even duidelijk wanneer en hoe te handelen. De belangen zijn groot en soms wordt de wettelijke geheimhoudingsplicht van de accountant opzij gezet. Daarnaast behoort het identificeren en melden van ongebruikelijke transacties tot het takenpakket van de accountant. Hij mag over een gedane melding niet met de cliënt spreken. Vaak is een aanwijzing van fraude wel al een ongebruikelijke transactie die op grond van de Wwft gemeld moet worden, maar soms is nog nader onderzoek nodig. Te vroeg of onterecht melden van een transactie kan tot een conflict met de cliënt leiden. Maar niet of te laat melden van een ongebruikelijke transactie vormt een beboetbaar en zelfs strafrechtelijk vervolgbaar feit voor de accountant. Bovendien kan de accountant die ten onrechte wel of juist geen actie onderneemt tuchtrechtelijk worden aangesproken.

https://www.nba.nl/nieuws-en-agenda/nieuwsarchief/2018/september/werkgroep-fraude-ontwikkelt-fraudeprotocol/

[1] Hoge Raad 9 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9268, NJ 1993, 633.

NBA publiceert concept Fraude Protocol

Op 3 oktober 2018 publiceerde de Werkgroep Fraude van de NBA een concept Fraudeprotocol. Dit wordt binnenkort voor goedkeuring aan de Stuurgroep Publiek Belang voorgelegd. De werkgroep bestaat uit leden die verbonden zijn aan de 5 grootste accountantskantoren van Nederland en uit een lid van de SRA. Het doel van het protocol is om duidelijk te maken wat de rol van de accountant is op basis van de thans geldende wet- en regelgeving. Daarbij merkt de werkgroep op dat de verwachting die gebruikers van de jaarrekening hebben over de rol van de accountant ten aanzien van het ontdekken van fraude hoog is. De werkgroep constateert dat het accountants niet altijd lukt om die verwachtingen waar te maken en dat het (voort-) bestaan van deze verwachtingskloof zeer onwenselijk is.

Het onderkennen van frauderisico’s, het uitvoeren van daarop gerichte controlewerkzaamheden en actie ondernemen in het geval van een vermoeden van fraude, is een onlosmakelijk onderdeel van de accountantscontrole. Het is evenwel voor accountants soms lastig om een daadwerkelijke fraude te identificeren.

In het protocol wordt in 21 punten in 7 ‘fasen’ van de controle uiteengezet wat de rol van een accountant is ten aanzien van fraude. Dat begint bij de opdrachtacceptatie, via een risico-analyse naar de controle zelf. Als er aanwijzingen zijn, of fraude geconstateerd wordt, dan moet er wellicht gemeld worden. En ter afsluiting is er de fase van transparantie.

 In het protocol wordt gewezen op de dilemma’s waar een accountant mee te maken krijgt, waaronder de moeilijkheid om fraude te ontdekken en daar met de cliënt op een juiste manier over te communiceren.

Bron:

https://www.nba.nl/nieuws-en-agenda/nieuwsarchief/2018/september/werkgroep-fraude-ontwikkelt-fraudeprotocol/

Accountants berispt voor tekortkomingen bij controle jaarrekeningen en het niet naleven van de wwft-regelgeving voor een klant met een Cypriotische-trustconstructie

De FIOD heeft in 2014 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld nadat het vermoeden is ontstaan dat een klant van een accountancy en belastingadvieskantoor zich schuldig had gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrifte. Uit dit onderzoek zou blijken dat de (Nederlandse ondernemingen van de) klant op basis van een licentieovereenkomst royalty’s hebben betaald aan een op Cyprus gevestigde vennootschap die onderdeel uitmaakte van een door de klant ingestelde trustconstructie. Daarnaast zou de klant uit de trust in privé gelden hebben ontvangen.

In de onderhavige tuchtprocedure verwijt het Openbaar Ministerie (O.M.) de registeraccountant (RA) en de accountant-administratieconsulent (AA) van het kantoor dat zij:

  • de controle van de materiële post ‘royalty’s in de jaarrekeningen over 2010, 2011 en 2012 met onvoldoende diepgang en onvoldoende professioneel-kritische instelling uitgevoerd;
  • bij deze jaarrekeningen goedkeurende verklaring hebben afgegeven die berusten op een ondeugdelijke grondslag;
  • de Wwft-regelgeving niet hebben nageleefd door geen melding te doen van de ongebruikelijke transactie;

Voorts verwijt het O.M. dat de AA ten behoeve van een boekenonderzoek door de Belastingdienst factuurspecificaties van het kantoor aan de klant heeft aangepast, met als doel de werkelijke aard van de werkzaamheden van het kantoor ten behoeve van de klant verborgen te houden voor de Belastingdienst.

De royaltybetalingen

De Accountantskamer acht het standpunt van het O.M., dat betrokkenen (van meet af aan of op een later moment) hebben geweten of hebben moeten beseffen dat de trustconstructie door de organisatie is opgezet met het vooropgezette doel de heffing van de vennootschaps- en de inkomstenbelasting te ontduiken onvoldoende aannemelijk.

Dat neemt niet weg dat betrokkenen wel bedacht hadden dienen te zijn op (de) aan de op te zetten truststructuur klevende (fiscale) voetangels en klemmen en die onder ogen had moeten zien bij de controle van de post royalty’s op de winst- en verliesrekening.

Betrokkenen hadden in het kader van de controle van de post royalty’s in de jaarrekeningen, meer controle-informatie moeten vergaren en moeten vastleggen dan zij hebben gedaan. De omstandigheid dat betrokkenen naar eigen zeggen niet deskundig waren op het gebied van trusts had, nu juist reden moeten zijn om zich nader in de materie te verdiepen, zodat zij (ook met het oog op de beoordeling of voldaan is aan de eisen die hiervoor zijn omschreven) niet louter op de mededelingen van fiscalisten van het kantoor hoefden af te gaan. Door dit na te laten hebben zij meermalen gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag. Daarnaast hebben betrokkenen goedkeurende verklaringen in het maatschappelijk verkeer gebracht die op een ondeugdelijke grondslag berusten. Die handelwijze van betrokkenen levert ook herhaalde schendingen op van de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en professioneel gedrag.

Ongebruikelijke transactie

Voorts is de Accountantskamer van oordeel dat betrokkenen het aangaan van de licentieovereenkomst, die de basis vormen voor de royaltybetalingen,  in samenhang met het opzetten van de truststructuur hadden moeten beschouwen als een ongebruikelijke transactie. Nu er onduidelijkheid bestond over de fiscale toelaatbaarheid van de truststructuur, was er ook aanleiding om te veronderstellen dat de transactie mogelijk verband hield met witwassen, aldus de Accountantskamer.

De Accountantskamer laat in het midden wanneer het ongebruikelijke karakter van de transactie voor het eerst aan betrokkenen bekend is geworden, omdat zij van oordeel is dat betrokkenen jaarlijks in het kader van de controle van de jaarrekeningen over 2010, 2011 en 2012 opnieuw bekend zijn geworden met het ongebruikelijke karakter van de transactie, omdat zij zich telkens hadden dienen te realiseren dat er indicaties bestonden die noopten tot het vergaren van meer controle-informatie over het aangaan van de licentieovereenkomst in samenhang met het opzetten van de truststructuur.

Het herhaaldelijk niet naleven van de op betrokkenen rustende plicht tot het melden van een ongebruikelijke transactie levert schendingen op van de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en professioneel gedrag, zodat ook dit klachtonderdeel gegrond is.

Facturen

Volgens de AA dient het O.M. niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van het verwijt met betrekking tot het aanpassen van de factuurspecificaties, omdat deze kwestie strafrechtelijk is afgedaan met een transactie door de officier van justitie en er daarom sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel (dat is – kort gezegd – het verbod op dubbele berechting en bestraffing voor hetzelfde feit). Dit betoog faalt echter, omdat de tuchtprocedure geen ‘criminal charge’ is en het verbod daarom niet opgaat, aldus de Accountantskamer.

De AA heeft ter zitting erkend dat hij de omschrijving op de bijlagen van de facturen heeft aangepast, maar dat dit op verzoek van de klant is gedaan en nadat overleg met partners van het kantoor heeft plaatsgevonden. Dat laat volgens de Accountantskamer onverlet dat dit handelen hoe dan ook strijd oplevert met het fundamentele beginsel van integriteit, zoals bedoeld in de VGBA.

Strafmotivering

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak voor beide betrokkenen de maatregel van berisping passend en geboden, omdat beide betrokkenen herhaaldelijk de fundamentele beginselen van deskundigheid, zorgvuldigheid en professioneel gedrag hebben geschonden.

Wat betreft de AA is meegewogen dat niet naleving van het fundamentele beginsel van integriteit een ernstig verzuim is, maar tevens dat hij al strafrechtelijk is vervolgd vanwege dezelfde gedraging en dat die gedraging uiteindelijk ook heeft geleid tot zijn vertrek bij het kantoor. Daarnaast heeft hij betreffende dit klachtonderdeel er blijk van gegeven dat hij anders had moeten handelen.

Tot slot is ten voordele van betrokkenen in aanmerking genomen dat deze uitspraak lang op zich heeft laten wachten en dat betrokkenen lang in onzekerheid hebben verkeerd over de uitkomst van deze zaak.

Accountantskamer 17 september 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:66

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TACAKN_2018_66

Bureau Financieel Toezicht: nieuwsberichten over handhaving Wwft

Het Bureau Financieel Toezicht is in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) belast met de uitvoering en handhaving als het gaat om belastingadviseurs, accountants en notarissen. In september heeft het BFT twee voor de praktijk belangrijke nieuwsberichten laten uitgaan. Op 21 september 2018 liet het BFT weten dat tot 1 januari 2019 een soepel handhavingsbeleid zal worden toegepast op de nieuwe Wwft-regels die vanaf 25 juli 2018 gelden. Een week later, op 28 september 2018 werd bericht dat administratiekantoren in Noord-Brabant extra aandacht van het BFT kunnen verwachten.

Soepel handhavingsbeleid nieuwe Wwft-regels

In onze Blog van 7 september 2018 zetten wij de belangrijkste wijzigingen van de Wwft per 25 juli 2018 op een rij. De nieuwe regels vragen om aanpassingen van het huidige Wwft-beleid van organisaties met betrekking tot het cliëntenonderzoek en de screening van ongebruikelijke transacties. De inrichting van het nieuwe risicomanagementproces, waaronder ook de schriftelijke vastlegging van het proces, de aanwijzing van een Wwft-verantwoordelijk beleidsbepaler en de inrichting van een compliance- en auditfunctie, kan de nodige tijd vergen. Ook is het zaak om na te denken over de vraag hoe bij bestaande cliënten de nieuwe regels voor cliëntenonderzoek alsnog toegepast gaan worden; hier is slechts beperkt overgangsrecht op van toepassing.

Opmerking verdient dat nog niet duidelijk is welke criteria het BFT zal hanteren bij de vraag wanneer sprake is van een compliance en audit functie die “passend [is] bij de aard en omvang van de instelling”. Het BFT heeft een leidraad hiervoor aangekondigd, maar die is nog niet verschenen. Te verwachten valt dat die leidraad binnenkort zal verschijnen. Ook de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) heeft voor de maand oktober een aanpassing van de Richtsnoeren Wwft en het Model Risicobeleid Wwft aangekondigd.

Het valt op dit moment niet uit te sluiten dat enige vorm van een compliance- en auditfunctie al snel vereist zal worden door het BFT. Het verdient daarom aanbeveling om als organisatie alvast na te denken over een model voor risicobeheersing dat is toegesneden op de cliëntenkring en de aard en omvang van de organisatie.

Extra aandacht voor administratiekantoren in Noord-Brabant

Het BFT gaat administratiekantoren in de provincie Noord-Brabant monitoren. Dat houdt in dat dergelijke kantoren een informatiebrief met een toelichting op de Wwft krijgen toegezonden en dat zij later gevraagd kunnen worden om een online vragenlijst in te vullen. Het BFT beoogt hiermee de Wwft onder de aandacht te brengen en de naleving van de Wwft bij administratiekantoren op een hoger niveau te tillen.

Aannemelijk is dat het BFT deze monitoring opstart vanwege de aanhoudende signalen over verwevenheid van onder- en bovenwereld (‘ondermijning’) in relatie tot de productie van en handel in drugs in deze regio. Van administratiekantoren wordt verlangd dat zij alert zijn op ongebruikelijke handelsstromen of (contante) transacties die zich bijvoorbeeld kunnen uiten in ongebruikelijke verhuur of ongebruikelijk gebruik van panden en vervoersmiddelen. Het is te verwachten dat in het kader van de monitoring op enig moment ook boetes worden opgelegd als Wwft-regels zijn overtreden, zoals het niet (voldoende) monitoren van de cliëntrelatie of het niet (tijdig) melden van ongebruikelijke transacties die voor het administratiekantoor zichtbaar waren.

Administratiekantoren in Noord-Brabant doen er goed aan om zich voor te bereiden op deze monitoring door de eigen processen en transactie-beoordelingen nog eens kritisch tegen het licht te houden.

FATF publiceert twee witwas-onderzoeken

De FATF is de Financial Action Task Force, een in 1989 opgericht samenwerkingsverband van – inmiddels – 37 landen en organisaties met als doel de bestrijding van witwassen, terrorismefinanciering en daarmee verband houdende dreigingen van het financiële stelsel. De FATF verricht onder meer onderzoeken op dit gebied en dit leidde in juli 2018 tot twee rapporten over verhulling van eigenaarschap (“Concealment of Beneficial Ownership”) en beroepsmatig witwassen (“Professional Money Laundering”).

Beide rapporten bieden inzicht in hoe witwassers werken. Voor de praktijk relevant omdat het helpt om de al dan niet ongebruikelijkheid van een transactie te beoordelen in verband met de wettelijke meldplicht op grond van de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme). De rapporten laten ook zien hoe accountants, belastingadviseurs en andere beroepsgroepen – gewild of ongewild – betrokken kunnen worden bij witwassen.

Het rapport van 18 juli 2018 over verhulling van eigenaarschap bevat 106 voorbeelden, waarvan 19 uit de Nederlandse opsporingspraktijk. De voorbeelden laten zien hoe criminele gelden rond gaan over buitenlandse bankrekeningen van veelal eveneens buitenlandse rechtspersonen en hoe zij worden besteed aan bijvoorbeeld Nederlands onroerend goed. Vaak ontbreekt een duidelijke zakelijke reden of zijn er valse titels gecreëerd. Bij de voorbeelden in het rapport zijn witwas-indicatoren vermeld. Dergelijke indicatoren helpen financieel adviseurs, banken en notarissen om te bepalen of sprake is van een ongebruikelijke transactie die bij de FIU gemeld dient te worden.

In het rapport van 26 juli 2018 wordt uit de doeken gedaan hoe beroepsmatige witwassers te werk gaan. Criminele organisaties gebruiken witwas-specialisten om hun criminele verdiensten te kunnen uitgeven. Het gaat niet alleen om drugsgelden, maar vaak ook om steekpenningen, gelden uit (belasting)fraude en opbrengsten van oplichting zoals beleggingsfraude.

Witwassen verloopt in het algemeen in 3 fasen: plaatsing (in het financiële systeem – vaak het storten op een bankrekening), verhulling (van de herkomst) en besteding. Bij fraudedelicten ligt bij witwassen het accent op de verhulling en de besteding. Daarbij komen diensten van bankiers, accountants, belastingadviseurs,  trustkantoren, advocaten en notarissen goed van pas. Bovendien creëert de betrokkenheid van een dergelijke professional verderop in de witwas-keten vaak een schijn van legitimiteit, zo blijkt uit het onderzoek.

http://www.fatf-gafi.org/publications/methodsandtrends/documents/professional-money-laundering.html

http://www.fatf-gafi.org/publications/methodsandtrends/documents/concealment-beneficial-ownership.html

ING betaalt € 775 miljoen vanwege ernstige nalatigheden bij voorkomen witwassen

Op 4 september 2018 is bekend gemaakt dat ING Bank N.V. (ING) een strafrechtelijke transactie van € 775 miljoen heeft geaccepteerd die was aangeboden door het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie. De transactie ziet op overtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en op schuldwitwassen (artikel 420quater Wetboek van strafrecht).

De overtredingen van de Wwft betreffen de artikelen 3, 5, 8 en 16 Wwft. Deze artikelen zien op: het niet of onvoldoende uitvoeren van cliëntonderzoek, het uitvoeren van transacties zonder afdoende cliëntonderzoek, het niet of onvoldoende uitvoeren van verscherpt cliëntonderzoek, en het niet of niet tijdig melden van ongebruikelijke transacties. Uit het door het OM gepubliceerde feitenrelaas kan worden afgeleid dat ING op papier een afdoend Financieel Economische Criminaliteit/Customer Due Diligence (FEC/CDD) beleid had, maar dat de uitvoering daarvan structureel te kort schoot binnen alle cliënt segmenten. Naast onvoldoende aandacht en prioriteit voor een juiste uitvoering van het FEC/CDD beleid, werd bij bepaalde investeringsbeslissingen ‘business boven compliance’ gesteld en ontbrak een escalatiecultuur. Al met al heeft ING hiermee volgens het OM een gewoonte gemaakt van opzettelijke overtreding van de genoemde bepalingen van de Wwft.

De transactie met ING ziet ook op schuldwitwassen. In het feitenrelaas worden vier casus beschreven waarin gelden via ING daadwerkelijk zijn witgewassen. Zo was er een Curaçaos bedrijf dat € 150 miljoen creditcard betalingen ontving over een periode van 5 jaar. Deze onderneming was ten onrecht geclassificeerd als midden- en kleinbedrijf, het CDD dossier was niet op orde en diverse witwassignalen werden zonder nader onderzoek afgedaan als niet ongebruikelijk. Ook bij een Surinaamse eenmanszaak met 15 pinautomaten en een importeur / handelaar van groente en fruit werden diverse signalen genegeerd. Tot slot vermeldt het feitenrelaas de betrokkenheid van ING bij betalingen van steekpenningen die door een bedrijf zijn verricht, waarbij ING ook diverse signalen had genegeerd. ING had volgens het OM redelijkerwijs moeten vermoeden dat bepaalde geldstromen afkomstig waren uit enig misdrijf, hetgeen het misdrijf van schuldwitwassen oplevert.

De strafzaak tegen ING is in februari 2016 gestart na overleg met DNB. ING heeft aan het onderzoek meegewerkt en ook zelf intern onderzoek verricht. ING belooft dat het onder toezicht van DNB een nieuw herstelplan zal ontwikkelen en implementeren.

Het OM rekent de strafbare feiten toe aan de organisatie als geheel en niet aan personen. De verantwoordelijkheid voor naleving van de Wwft was belegd bij drie verschillende onderdelen van de bank. Geen van deze onderdelen overzag het geheel. Het hogere management heeft mede daardoor onvoldoende de ernst van de tekortkomingen en het voortduren ervan onderkend.

Het OM komt op basis van het onderzoek tot de conclusie dat geen strafrechtelijke verwijten aan natuurlijke personen kunnen worden gemaakt. Volgens het OM wordt niet voldaan aan de hiervoor geldende eis dat zij wetenschap hebben gehad van de gedragingen en daarnaast ook bewust hebben aangezet tot strafbare feiten of bewust nalatig zijn geweest om strafbare feiten te stoppen. Dit lijkt mede een gevolg van de verdeling van de verantwoordelijkheid over de drie onderdelen van de bank.

https://www.om.nl/vaste-onderdelen/zoeken/@103953/ing-betaalt-775/

Blog: Invoering 4de anti-witwasrichtlijn is een feit, de 5de komt eraan

Op 25 juli 2018 is de vierde anti-witwasrichtlijn in Nederland in werking getreden. De gewijzigde tekst van de Wwft is inmiddels[1] ook te raadplegen via overheid.nl. Op grond van deze nieuwe tekst blijven de huidige regels ter zake van de kernverplichtingen, het cliëntenonderzoek en de meldingsplicht voor ongebruikelijke transacties, van toepassing. Net als de vorige, kent de huidige richtlijn nog steeds een risico gebaseerde benadering. Dit betekent dat instellingen de verplichting hebben om maatregelen te nemen die hen in staat stellen om met het cliëntenonderzoek het risicoprofiel van de cliënt in kaart te brengen en ongebruikelijke transactie te constateren.

De belangrijkste wijzigingen van de richtlijn zijn hieronder kort geschetst:

  • voor een vereenvoudigd cliëntenonderzoek geldt nu als voorwaarde dat eerst een laag risico op witwassen is vastgesteld[2];
  • de aanpassing van de definitie van de Ultimate Beneficial Owner (UBO) en politiek prominente persoon (PEP’s), waardoor deze begrippen een breder toepassingsbereik krijgen.[3] Als na grondig onderzoek geen UBO kan worden vastgesteld, dan moet het “hoger leidinggevend personeel” van de vennootschap als zodanig worden aangemerkt[4];
  • de uitbreiding van instellingen die onder de reikwijdte van de Wwft vallen. Onder het begrip instelling vallen nu ook personen die beroeps- of bedrijfsmatig in goederen handelen en daarvoor contante betalingen doen of ontvangen van € 10.000 of meer.[5] Hiervoor gold alleen dat de verkopers (en dus niet ook de kopers) van deze goederen onder het toepassingsbereik vielen. Daarnaast vallen ook kansspelaanbieders nu onder het begrip ‘instelling’.[6] In dit verband kan van belang zijn dat adviseurs bij hun klanten in deze sectoren navragen of zij aan de eigen meldplicht voldoen[7];
  • de verplichting om één van de dagelijkse beleidsbepalers aan te wijzen als verantwoordelijke voor het Wwft-beleid en – voor zover passend bij de aard en omvang van de instelling – de verplichting om over een onafhankelijke en effectieve compliance functie te beschikken.[8] De compliance medewerker controleert de naleving van wetten, regels en procedures opgesteld door de instelling zelf. De auditmedewerker is belast met de controle van de compliance medewerker en dient ook te controleren of de verplichtingen uit de Wwft worden nageleefd. De compliance functie dient op onafhankelijke en effectieve wijze te worden uitgevoerd. In beginsel betekent dit dat de personen die betrokken zijn bij de uitoefening van de compliance functie, niet tevens betrokken zijn bij de activiteiten waarop zij toezicht houden (zie in dit verband ook de uitspraak van Rechtbank Rotterdam van 3 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5236). Echter, bij kleinere instellingen kan het onevenredig zijn om de onafhankelijkheid van de compliance functie op deze wijze vorm te geven. Of er een compliance/audit functie moet worden ingericht, alsook de wijze waarop deze functie moet worden ingericht, is afhankelijk van de aard en omvang van de instelling zoals het aantal medewerkers, het beheerd vermogen, het aantal klanten, het aantal buitenlandse of risicovolle klanten en de soorten producten. Er zijn evenwel (nog) geen richtlijnen/handvatten op welke deze factoren dienen te worden beoordeeld.
  • En tot slot is het sanctie-arsenaal van de toezichthouder verzwaard en uitgebreid. Naming en shaming lijkt een doel op zich te zijn worden nu bestuurlijke sancties op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn dienen te worden gepubliceerd. De wetgever heeft deze verplichting is vastgelegd in de artikelen 32e en 32f Wwft. Artikel 32e Wwft geeft de toezichthoudende autoriteiten de mogelijkheid een waarschuwing of verklaring te publiceren met vermelding van de overtreding en de identiteit van de overtreder. Voorts bepaalt het nieuwe artikel 32f Wwft dat het besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie wordt gepubliceerd. Indien tegen een besluit bezwaar, beroep of hoger beroep is ingesteld, wordt de uitkomst daarvan tezamen met het besluit openbaar gemaakt. Alleen in bijzondere omstandigheden wordt openbaarheid uitgesteld of wordt ervoor gezorgd dat de openbaar te maken gegevens niet herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon (artikel 32g Wwft). Dit is bijvoorbeeld het geval indien dit zou leiden tot onevenredige schade of indien een lopend strafrechtelijk onderzoek zou worden ondermijnd. De toezichthoudende autoriteiten kunnen boetes in de zwaarste categorie publiceren voordat deze onherroepelijk is geworden. Om dit te voorkomen moet de instelling binnen vijf dagen na de bekendmaking van het voornemen een verzoek indienen bij de voorzieningenrechter. Daarnaast kunnen bepaalde instellingen, zoals banken, financiële instellingen en trustkantoren, bij ernstige overtredingen thans een boete opgelegd krijgen van maar liefst 20% van de netto-omzet in een boekjaar.[9]

Voor veel verplichtingen uit de Wwft is het wachten op een nadere invulling door de toezichthouders en beroepsgroepenorganisaties. Tot op heden heeft alleen de AFM haar leidraad na invoering van de gewijzigde Wwft aangepast.[10] De NOB meldt op haar website dat de Commissie Beroepszaken bezig is met het herschrijven van de Richtsnoeren voor de interpretatie van de Wwft voor belastingadviseurs en accountants. De commissie verwacht in september 2018 de nieuwe versie te publiceren.[11]

Voor een nadere inhoudelijke bespreking van de gevolgen van de invoering van de vierde anti-witwasrichtlijn lees ook onze blog van 9 januari 2018 via http://www.debontspoton.nl/wwft-tucht/blog-de-gevolgen-van-de-anti-witwasrichtlijn-nader-belicht/

Virtuele valuta, een openbaar UBO-register en meer bevoegdheden voor de FIU

Ondertussen is ook de vijfde anti-witwasrichtlijn op 9 juli 2018 in werking getreden.[12] Met de vijfde anti-witwasrichtlijn is voorgesteld om het toepassingsbereik uit te breiden tot virtuele valuta, hetgeen wederom een verdere uitbreiding van Wwft-instellingen tot gevolg heeft. Het gaat daarbij om de omwisselplatforms voor cryptovaluta en fiduciair geld, alsmede om aanbieders van virtuele bewaarportemonnees.

Een andere belangrijke wijziging is dat het UBO register – die lidstaten al op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn moeten implementeren – openbaar zal gaan worden. Nu hebben lidstaten de keuze voor een openbaar of besloten register, maar onder de nieuwe richtlijn vervalt deze. Naar aanleiding van de recent gewijzigde richtlijn is de implementatie van het UBO-register in Nederland uitgesteld tot begin 2019.

Daarnaast worden met de vijfde anti-witwasrichtlijn de bevoegdheden van Financiële Inlichtingeneenheden (FIU’s) verder uitgebreid. Zij mogen zich onder de richtlijn toegang verschaffen tot persoonsgegevens van bankrekeninghouders, ook zonder dat de betreffende Wwft-instelling een melding heeft gemaakt van een ongebruikelijke transactie. De EU lidstaten dienen deze richtlijn voor 10 januari 2020 in de nationale wetgeving te hebben geïmplementeerd.

Ten slotte

De vierde en de toekomstige vijfde richtlijn brengen nogal ingrijpende veranderingen met zich mee voor de praktijk. De vierde richtlijn zorgt voor een grote inspanningsverplichting voor adviseurs en accountants. Zij worden geconfronteerd met een aanzienlijke uitbreiding van hun takenpakket. De invoering van de vijfde richtlijn ligt nog ver in het verschiet. Naar verwachting zal deze eind 2019 in onze wetgeving zijn geïmplementeerd. Aanbieders en gebruikers van cryptovaluta zullen dan voor het eerst onderworpen worden aan de Wwft verplichtingen. De Wwft wordt daarmee steeds omvangrijker en complexer.

Heeft u vragen over de Wwft, aarzel dan niet om ons te contacten.

 

[1] Opvallend is dat het enige tijd heeft geduurd dat de wettekst op overheid.nl was bijgewerkt. De nieuwe tekst van de Wwft was aanvankelijk alleen nog bij de NOB, in pdf vorm, te vinden.

[2] Artikel 6 Wwft.

[3] Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 is vandaag in het Staatsblad geplaatst. In het uitvoeringsbesluit Wwft 2018 staan de nieuwe definities van UBO en PEP. Het uitvoeringsbesluit is te vinden via: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2018-241.html

[4] Artikel 3 uitvoeringsbesluit Wwft 2018.

[5] artikel 1a, lid 4 onder i Wwft.

[6] artikel 1a, lid 4 onder j Wwft.

[7] zie in dit verband de uitspraak van Rechtbank Rotterdam van 15 december 2017 ECLI:NL:RBOT:2017:9882.

[8] artikel 2d Wwft.

[9] Artikel 32 Wwft.

[10] http://www.debontspoton.nl/wwft-tucht/afm-geeft-nadere-invulling-aan-de-herziene-wwft-in-herschreven-leidraad/

[11] https://www.nob.net/nieuwe-wwft-werking-getreden

[12] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=uriserv:OJ.L_.2018.156.01.0043.01.NLD&toc=OJ:L:2018:156:TOC

Accountant is tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor werkzaamheden die hun oorsprong vinden in de opdrachtbevestiging

Betrokkene is werkzaam als accountants-administratieconsulent en is als eigenaar/beleidsbepaler verbonden aan accountantskantoor [C]. Klaagsters zijn vier verschillende ondernemingen en een natuurlijk persoon. Op 6 juli 2011 heeft betrokkene een opdrachtbevestiging ondertekend ten behoeve van klaagsters (1) en (4) voor (onder meer) het samenstellen van jaarrekeningen en het doen van fiscale aangiften. Daarin is onder meer opgenomen dat [D] als relatiebeheerder zal fungeren. Ten aanzien van de overige klaagsters zijn eveneens werkzaamheden verricht, zonder dat daarvoor schriftelijke opdrachtbevestigingen zijn opgesteld.

Klaagsters dienen een omvangrijke klacht in bij de Accountantskamer. In geschil is onder meer de vraag of betrokkene tuchtrechtelijk kan worden aangesproken voor werkzaamheden waarbij hij feitelijk niet betrokken was. Betrokkene stelt in dit verband dat hij ten behoeve van klaagsters uitsluitend eindverantwoordelijk was voor het samenstellen van de jaarrekeningen zoals vermeld in de opdrachtbevestiging. Alle overige ten behoeve van klaagsters verrichte werkzaamheden zijn door [E], een belastingadviseur of de onder zijn verantwoordelijkheid werkende [D], uitgevoerd.

De Accountantskamer is van oordeel dat klaagsters onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat betrokkene feitelijk betrokken is geweest bij andere werkzaamheden dan die met betrekking tot het samenstellen van de jaarrekeningen. De vraag is vervolgens of betrokkene desalniettemin tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor de andere werkzaamheden. Van de zijde van betrokkene is op de zitting verklaard dat de overige (niet-samenstel) werkzaamheden zijn ontstaan uit de opdracht die er was en dat [D] en [E] hebben gewerkt op basis van die opdrachtbevestiging. De Accountantskamer is van oordeel dat deze werkzaamheden hun oorsprong vinden in de aan betrokkene verstrekte opdracht, waarvoor kennis en vaardigheden van de accountant vereist zijn, zodat betrokkene voor deze werkzaamheden, voor zover verricht door [D], tuchtrechtelijk aansprakelijk is. Dit geldt te meer nu [D] en betrokkene gezamenlijk de samenstelwerkzaamheden verrichtten voor klaagsters en er stukken met vermelding van het logo van het accountantskantoor werden verzonden. De Accountantskamer volgt betrokkene wel in zijn stelling dat de werkzaamheden van [E] niet onder de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van betrokkene vallen. [E] kan daarvoor immers zelf tuchtrechtelijk worden aangesproken.

Inhoudelijk overweegt de Accountantskamer onder meer dat betrokkene een aantal verwijten niet heeft weersproken zodat van de juistheid van deze stellingen van klaagsters dient te worden uitgegaan. In zoverre worden die klachtonderdelen gegrond verklaard.

Ten aanzien van de klacht dat klaagsters een bedrijfseconomisch onjuiste beslissing hebben genomen en dat betrokkene hen daar onvoldoende voor heeft gewaarschuwd, dan wel hun dat niet heeft afgeraden, stelt de Accountantskamer voorop dat het aangaan van een (bepaald soort) financiering een beslissing is van de ondernemer. In dit licht hebben klaagsters ten aanzien van de leningen voor het overgrote deel van deze klachtonderdelen niet aannemelijk gemaakt, dat betrokkene daarvoor tuchtrechtelijk is aan te spreken. De Accountantskamer maakt hierbij een uitzondering inzake de risico’s van de lening door middel van crowdfunding, omdat [D] bij het aangaan van deze lening betrokken is geweest. Nu ook de in verband met de lening door [D] uitgevoerde werkzaamheden voortvloeien uit de opdrachtbevestiging en advisering over financiering op het accountancy terrein ligt, is betrokkene ook voor deze werkzaamheden tuchtrechtelijk verantwoordelijk. Verder is aannemelijk geworden dat aan klaagsters, die blijkens de overgelegde jaarrekeningen en aangiften inkomstenbelasting behoudens een bescheiden financiering van de woning, niet eerder grote sommen geld hadden geleend, onvoldoende advies is gegeven. Uit de op een accountant rustende zorgplicht vloeit voort dat hij de risico’s benoemt die zijn verbonden aan het aangaan van een overeenkomst van geldlening. Dit geldt te meer indien, zoals in dit geval voor klaagster (5) geldt, de cliënt zich in privé borg dient te stellen voor de terugbetaling van de lening. Nu klaagsters door [D]/betrokkene onvoldoende zijn gewezen op de risico’s die zijn verbonden aan de overeenkomsten van geldlening en borgstelling, is sprake van schending van het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, zodat dit klachtonderdeel eveneens gegrond is.

Verder oordeelt de Accountantskamer dat betrokkene voorafgaand aan en met het oog op de uitvoering van de opdrachten tot het samenstellen van de jaarrekeningen, tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door geen persoonlijk contact met (de vertegenwoordigers van) klaagsters te hebben gehad. De overige klachten worden ongegrond verklaard.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van berisping passend en geboden. Daarbij is meegewogen dat betrokkene op meerdere punten het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft geschonden. Daarnaast heeft de Accountantskamer mede in aanmerking genomen dat betrokkene ter zitting niet de indruk heeft kunnen wegnemen dat hij zich tegenover klaagsters voor zijn verantwoordelijkheid voor de voor klaagsters verrichte werkzaamheden heeft willen verschuilen. De Accountantskamer acht dit des te kwalijker, nu betrokkene tevens beleidsbepaler is binnen de accountantsorganisatie en uit dien hoofde een voorbeeldfunctie heeft binnen de organisatie. Anderzijds is meegewogen dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.

De Accountantskamer 27 juni 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:57

 

Waarschuwing voor tekortkomingen in rapportage en het uitoefenen van druk op de klager om geen tuchtklacht in te dienen

Klager en [BV2] zijn verwikkeld geraakt in een juridische procedure waarbij [BV2] is veroordeeld tot betaling van € 31.225,26 aan klager. [BV2] heeft betrokkene, een accountant-administratieconsulent, de opdracht gegeven de balansgegevens te onderzoeken. Uit het rapport van betrokkene over de balansgegevens van [BV2] blijkt dat [BV2] er financieel slecht voorstaat. Klager heeft bij de Rechtbank een verzoek ingediend om [BV2] failliet te laten verklaren. De Rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat er te veel onduidelijkheid was over de omvang van de vordering.

Klager stelt dat het rapport van betrokkene over de balansgegevens van [BV 2] niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daarnaast zou betrokkene zich niet toetsbaar hebben opgesteld en tegenover klager hebben gedreigd met verhaal van kosten in verband met onderhavige tuchtklacht.

De Accountantskamer acht de klachten van klager over het rapport grotendeels gegrond. De voorschriften uit paragraaf 18 van Standaard 4400 zijn op veel onderdelen geschonden, hetgeen betrokkene ook deels heeft toegegeven op zitting.

Ten aanzien van de vraag of betrokkene op klager ontoelaatbare druk heeft uitgeoefend om geen tuchtklacht in te dienen, zijn de volgende twee passages uit twee namens betrokkene opgestelde brieven van belang:

“In geval u ervoor kiest in de tussentijd zich toch te wenden tot de Accountantskamer dan houd ik u op voorhand namens cliënt persoonlijk aansprakelijk voor de kosten die gepaard zullen gaan met het aldaar te voeren verweer.”

“Tot slot wat betreft de aansprakelijkheidstelling. Cliënt houdt zich onverkort het recht voor de handelwijze van de curator in dezen te laten beoordelen en al zijn kosten op hem te verhalen.”

De Accountantskamer stelt voorop dat een accountant zich in het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep altijd toetsbaar moet opstellen. Een accountant dient zich dan ook te onthouden van het uitoefenen van druk om geen tuchtklacht tegen hem in te dienen. Betrokkene is van mening dat juist klager door zijn handelwijze dreigend heeft opgetreden en dat de aansprakelijkstelling door betrokkene daarop zag en niet op het indienen van een tuchtklacht. De Accountantskamer overweegt dat, wat er ook zij van de bedoeling van betrokkene, klager de hiervoor geciteerde passages van betrokkene heeft kunnen opvatten als het uitoefenen van druk om geen tuchtklacht in te dienen. Betrokkene heeft op de zitting verklaard dat hij wist dat zijn raadsman klager namens hem aansprakelijk zou stellen. Door die betrokkenheid bij de gewraakte passages, heeft betrokkene gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep (artikel 42 lid 1 sub b Wab). De klacht is dan ook gegrond.

Bij de keuze voor de tuchtrechtelijke maatregel heeft de Accountantskamer enerzijds de aard en de ernst van de verzuimen laten meewegen. Anderzijds is meegewogen dat betrokkene ten aanzien van de verklaring zijn fouten heeft toegegeven, dat hij ter zitting heeft doen blijken inzicht te hebben in het verwijtbare karakter van zijn eigen handelen en heeft verklaard lering te hebben getrokken uit de gang van zaken. Daarnaast heeft de Accountantskamer geen opzet bij betrokkene geconstateerd ten aanzien van de desbetreffende verklaring. Ten slotte heeft de Accountantskamer meegewogen dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Gelet op voorgaande acht de Accountantskamer een waarschuwing een passende en geboden maatregel.

De Accountantskamer 23 juli 2018 ECLI:NL:TACAKN:2018:56