Categorie: Wwft & tuchtrecht

Wwft-boete voor handelaar edele metalen verlaagd van ā‚¬ 12.000 naar ā‚¬ 3.000

Verdachte wordt verweten als handelaar in edele metalen niet te hebben voldaan aan zijn verplichtingen zoals neergelegd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Verdachte zou meerdere contante betalingen hebben ontvangen waarbij het totale bedrag hoger dan ā‚¬ 15.000 was. Daarnaast zou verdachte in vijf gevallen hebben verzuimd te voldoen aan de verplichting tot het doen van cliĆ«ntenonderzoek.

Een aantal van de door de Rechtbank bewezenverklaarde transacties zijn zogenaamde samengestelde transacties. Het gaat om transacties die boven de grens van ā‚¬ 15.000 uitkomen omdat de bedragen van twee afzonderlijke transacties bij elkaar zijn opgeteld vanwege het nauwe verband tussen die transacties. Wanneer sprake is van een verband tussen twee transacties waarvan kan worden vermoed dat het gaat om een samengestelde transactie, kan van de instelling worden verwacht dat zij onderzoek doet om vast te stellen of de transacties als samengestelde transacties moeten worden beschouwd. Dat is bijvoorbeeld het geval als de transacties

  1. tegelijk of opvolgend worden verricht;
  2. door dezelfde persoon of verschillende, maar aan elkaar verwante personen;
  3. betrekking hebben op dezelfde goederen, en;
  4. afzonderlijk onder de wettelijke waardegrens blijven, maar gezamenlijk daarboven uitkomen.

In dergelijke gevallen moet worden uitgegaan van een samengestelde transactie, tenzij een door de instelling ingesteld onderzoek uitwijst dat zij als afzonderlijke transacties moeten worden beschouwd.

Net als de Rechtbank, acht ook het Hof dat in dit geval sprake is geweest van meerdere samengestelde transacties die hadden moeten worden gemeld. Daarnaast heeft de verdachte meerdere malen nagelaten om cliƫntenonderzoek te verrichten, dan wel de bij het cliƫntenonderzoek verzamelde gegevens op toegankelijke wijze te bewaren (art. 33 Wwft). Dat verdachte deze gegevens ten tijde van het onderzoek niet kon overleggen, omdat deze gegevens zich volgens de verdachte op een digitale schijf bevonden, laat onverlet dat deze gegevens op dat moment niet toegankelijk waren en daarmee niet is voldaan aan art. 33 Wwft.

De Rechtbank heeft verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van ā‚¬ 12.000, waarvan ā‚¬ 4.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het Hof komt tot een lagere boete. Ten tijde van de transacties waren de verplichtingen uit hoofde van de Wwft minder bekend dan heden ten dage. Daarnaast hebben de vertegenwoordigers van de verdachte ter terechtzitting uitgelegd dat de procedures binnen het bedrijf naar aanleiding van het onderzoek zijn aangepast. Alles afwegende acht het Hof een geldboete ā€“ na matiging vanwege de overschrijding van de redelijke termijn – van ā‚¬ 3.000 passend en geboden.

Hof Amsterdam, 30 oktober 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2898

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:2898

Geldboete van ā‚¬ 20.000 voor accountantskantoor voor het niet melden

Na eerder nog door de Rechtbank te zijn vrijgesproken, wordt een accountantskantoor in hoger beroep door Hof Amsterdam veroordeeld tot een forse geldboete vanwege het niet nakomen van de meldplicht van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

Het draait in deze zaak om diverse facturen van een aannemersbedrijf waarvoor het kantoor sinds 2013 de boekhouding verzorgde. In het eerste kwartaal van 2013 stuitte de eindverantwoordelijke accountant op zes facturen van bedragen tussen de ā‚¬ 10.000 en ā‚¬ 30.000 die contant werden voldaan. De accountant kreeg deze facturen over het eerste kwartaal van 2013 al in mei van dat jaar in handen bij het cliĆ«ntenonderzoek. Er zijn toen vragen gesteld over hoe de betalingen van die facturen hebben plaatsgevonden en waar de facturen op zagen. Er is gevraagd wat de bron van het contante geld was, omdat dat nog niet klip en klaar was en omdat de geldstromen van de klant nog niet in beeld waren. Het kantoor had verder nog geen bankafschriften en kasbladen gezien. De accountant heeft verder, met zoveel woorden, verklaard dat hij de contante transacties had beoordeeld als een subjectieve indicator.

Het Hof meent dat de verdachte alleen al hierom deze transacties onverwijld na het in handen krijgen van de facturen moet melden, en niet eerst op 25 juni 2014, toen via de curator in het faillissement van het aannemersbedrijf werd vernomen dat er mogelijk een connectie met het kweken van hennep was. Het Hof volgt de accountant niet in zijn verweer dat eerder melden niet nodig was. De verdachte beschikte over niets anders dan de facturen waarop was vermeld dat deze contant waren voldaan tot een bedrag van in totaal ā‚¬ 108.350 en de enkele mededeling dat het hier om ā€“ kennelijk contant ā€“ spaargeld van de DGA zou gaan. Het Hof ziet niet in hoe op grond hiervan de aanvankelijke beoordeling van de accountant dat sprake was van de subjectieve indicator niet langer juist zou zijn. Bovendien is nader onderzoek nagelaten, zijn de overwegingen die hebben geleid tot het niet melden niet vastgelegd en is vanuit de beroepsgroep nog extra gewaarschuwd voor zwart geld bij bouwbedrijven. Dat de transacties later als ā€œstortingen in kas” door de verdachte zijn geboekt, maakt het vorenstaande niet anders.

Daarnaast hadden de niet betaalde facturen van oktober 2013 ook moeten worden aangemerkt als ongebruikelijke transacties. Op deze facturen is expliciet vermeld dat is afgesproken dat deze contant zullen worden voldaan. Voor zover de verdachte meende dat niet gemeld hoefde te worden omdat deze facturen nog niet waren voldaan, wijst het Hof erop dat de meldingsplicht ook betrekking heeft op voorgenomen transacties.

Gezien al deze omstandigheden heeft het kantoor bewust de keuze gemaakt de transacties niet te melden bij de FIU. Daarmee is voldaan aan het voor het plegen van een economisch misdrijf vereiste zogeheten kleurloos opzet. Het Hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van ā‚¬ 20.000.

Hof Amsterdam 18 september 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2693

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:2693

80% van de witwasmeldingen nauwelijks bekeken

Acht op de tien witwasmeldingen van banken wordt nauwelijks bekeken door de FIU, blijkt uit cijfers die Investico, een platform voor onderzoeksjournalistiek, opvroeg. De FIU die de meldingen binnenkrijgt, doet op de meeste meldingen enkel geautomatiseerde checks. En die computercontroles werken niet naar behoren, zegt FIU-hoofd Hennie Verbeek-Kusters. ā€˜We vinden dat onze IT naar een hoger niveau moet om ons werk beter te kunnen doen.ā€™

De Nederlandse FIU ontving vorig jaar ruim 2,4 miljoen witwasmeldingen van banken, notarissen, accountants en betaalkantoren. Dat zijn er mĆ©Ć©r dan de Amerikaanse evenknie FinCEN vorig jaar binnenkreeg. Een groot deel van deze meldingen kwam voort uit de verplichting tot het melden van transacties in relatie tot risicolanden. Daardoor steeg het aantal ontvangen ongebruikelijke transacties respectievelijk van 753.352 in 2018, naar maar liefst 2.462.973 meldingen in 2019. Wanneer de objectieve meldindicator voor risicolanden (die inmiddels is afgeschaft) buiten beschouwing wordt gelaten, blijkt uit het jaarverslag van de FIU dat er vorige jaar in totaal 541.236 ā€˜reguliereā€™ ongebruikelijke transacties zijn ontvangen. Daarvan zijn 39.544 als verdacht aangemerkt.

Daarnaast kunnen deze grote aantallen worden verklaard vanwege het bijzondere meldsysteem dat Nederland hanteert. Hier moeten instellingen niet ā€˜verdachteā€™ transacties, maar ā€˜ongebruikelijkeā€™ transacties melden. Dit in tegenstelling tot de meeste andere landen, waar banken enkel verdachte transacties melden en waar dus minder snel tot melding wordt overgegaan.

In Duitsland komen jaarlijks 120.000 meldingen binnen, en ondanks de 475 fte om die te onderzoeken bestaan daar grote werkachterstanden die elk jaar toenemen. In Engeland zijn er een half miljoen meldingen per jaar, met 118 fte om die te onderzoeken. De Nederlandse FIU heeft slechts 63 fte om de binnengekomen meldingen te onderzoeken. Daarbij is de kwaliteit van de meldingen ook nog eens slecht, zo klaagt de FIU al jaren.

Banken melden veel, maar sturen zo weinig nuttige informatie mee dat de opsporingsinstanties er vervolgens weinig mee kunnen. Dat bleek ook afgelopen juli, toen Trouw onthulde dat er amper strafzaken volgen uit de meldingen die vanuit de FIU worden doorgestuurd naar opsporingsinstanties.

https://www.platform-investico.nl/artikel/80-procent-van-nederlandse-witwasmeldingen-verdwijnt-in-de-la/

Invoering UBO-register is een feit: BFT wijst alvast op de gevolgen voor de Wwft

Met ingang van 27 september 2020 dienen vennootschappen en andere juridische entiteiten gegevens en bescheiden in te winnen (en bij te houden) over wie hun uiteindelijk belanghebbenden (UBOā€™s) zijn. Deze gegevens en bescheiden dienen toereikend, accuraat en actueel te zijn (artikel 10b, lid 1 Wwft). Een UBO verschaft de vennootschap of andere juridische entiteit alle informatie die noodzakelijk is om hier aan te voldoen (artikel 10b, lid 2 Wwft).

De invoering van het openbare UBO-register heeft ook gevolgen voor de Wwft. Vooruitlopend op de invoering van het UBO-register is in de Wwft (artikel 4, lid 2 Wwft) een wetsartikel opgenomen dat de instelling verplicht om bij het aangaan van een nieuwe zakelijke relatie te beschikken over een bewijs van registratie van de UBO van de cliƫnt in het UBO-register. Dit is in aanvulling op de eigen verplichting van de instelling om de (identiteit van de) UBO te identificeren en verifiƫren. Bij het uitvoeren van het cliƫntenonderzoek mag een instelling zich dan ook niet uitsluitend verlaten op de informatie in het openbare UBO-register (artikel 3, lid 15 Wwft).

Een instelling dient voorts melding te doen aan de Kamer van Koophandel van iedere discrepantie die zij aantreft tussen een gegeven omtrent een uiteindelijk belanghebbende dat zij verstrekt heeft gekregen uit het handelsregister en de informatie over die uiteindelijk belanghebbende waarover zij uit anderen hoofde beschikt. Dit is de zogenoemde ā€˜terugmeldplichtā€™ (artikel 10c, lid 1 Wwft). Deze verplichting geldt echter weer niet indien een instelling een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie meldt aan de FIU-Nederland (artikel 10c, lid 3 Wwft).

Tijdens de zogenaamde ā€˜vulperiodeā€™ van 18 maanden volgend op de invoering van het UBO-register hoeft op een nog niet gedane registratie in het UBO-register geen terugmelding worden gedaan. Dit is anders indien er wel gegevens geregistreerd staan: in dat laatste geval geldt de terugmeldplicht ook binnen deze periode van 18 maanden. Zie tevens pagina 28 van de ā€˜Algemene leidraad Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)ā€™.

Bron

https://www.bureauft.nl/2020/09/28/invoering-ubo-register-per-27-september/

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/richtlijnen/2020/07/21/algemene-leidraad-wet-ter-voorkoming-van-witwassen-en-financieren-van-terrorisme-wwft

Minister beantwoordt Kamervragen over de registratie van pseudo-ubo’s

In het UBO-register moeten de natuurlijke personen worden geregistreerd die de uiteindelijke eigendom van of de zeggenschap over een juridische entiteit hebben. Maar wat nu als geen natuurlijk persoon als zodanig kwalificeert? Minister Hoekstra van Financiƫn bevestigt nogmaals dat dan het volledige statutaire bestuur van een rechtspersoon, respectievelijke alle vennoten van een personenvennootschap dient/dienen te worden te worden geregistreerd in het openbare UBO-register (met een uitzondering voor commanditair vennoten). In dat geval worden zij dus enkel geregistreerd vanwege hun functie, en niet op basis van uiteindelijke eigendom of zeggenschap.

Daarnaast blijkt uit de antwoorden dat bij het opvragen van informatie uit het UBO-register steeds duidelijk in het uittreksel wordt vermeld op welke grond een persoon als UBO is ingeschreven, de zogenaamde ā€œaardā€ van het belang van de persoon. In het geval dat een bestuurder vanwege diens functie is geregistreerd, en niet vanwege uiteindelijke eigendom of zeggenschap, zal dit uit het uittreksel dus blijken. Voorgaande geldt voor alle natuurlijke personen die worden geregistreerd op grond van hun functie als bestuurder, met inbegrip van de bestuurders van ANBIā€™s.

Bron

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/09/18/beantwoording-kamervragen-over-het-ubo-register

Kamer van Koophandel publiceert handleiding voor notarissen over UBO-opgave

Vanaf 27 september 2020 is het openbare UBO-register bij de Kamer van Koophandel actief. Organisaties die daartoe gehouden zijn, Ā dienen hierin hun uiteindelijk gerechtigde(n) te registreren. Ook de notaris kan dit doen. De notaris moet dit ook doen bij de oprichting van nieuwe rechtspersonen.

NAU: Notarisapplicatie UBO

De Kamer van Koophandel heeft voor de UBO-registratie door notarissen een tijdelijke nieuwe online applicatie gemaakt, de Notarisapplicatie UBO (NAU). Deze is bedoeld voor de UBO-opgave bij bestaande organisaties. Voor de UBO-opgave bij nieuw op te richten organisaties dient zowel de bestaande applicatie Online Registreren Notarissen (ORN) als ā€“ vervolgens ā€“ NAU te worden gebruikt.

In de gepubliceerde handleiding wordt het proces van registratie beschreven, inclusief welke documenten benodigd zijn. De identiteit van de cliĆ«nt die de UBO-opgave komt doen, moet door de notaris worden vastgesteld en per UBO moeten de benodigde documenten, waaronder het identiteitsbewijs van de UBO, geĆ¼pload worden. Op het identiteitsbewijs mag de pasfoto worden afgeplakt. Op overige te uploaden documenten dienen door de aangever alle persoonsgegevens te worden afgeplakt die niet op de UBO betrekking hebben.

Aard en omvang van het belang

In het UBO-register dient de aard en omvang van het belang te zijn vermeld. Voor de aard van het belang biedt NAU vijf keuzemogelijkheden: aandeelhouder, houder van stemrecht, houder van economische belang, houder van feitelijke zeggenschap of hoger leidinggevende. Voor de omvang van het belang zijn er drie categorieƫn van elk 25%.

UBO-opgave door organisatie zelf

Via de website van de Kamer van Koophandel is het voor organisaties mogelijk om zelf online hun UBO-opgave te doen. Ook wijzigingen en uitschrijvingen kunnen online worden doorgegeven. Bestaande organisaties hebben vanaf 27 september 2020 18 maanden de tijd om deze opgave te doen. Nieuw opgerichte organisaties moeten wel meteen hun UBO-opgave doen, dat zal door de notaris gedaan worden.

Bron

https://www.kvk.nl/download/Handleiding%20NAU_tcm109-492410.pdf

https://www.kvk.nl/inschrijven-en-wijzigen/ubo-opgave/

FIU-Nederland publiceert jaarverslag 2019

De FIU heeft op 3 juli 2020 het jaaroverzicht van 2019 gepubliceerd. Daaruit blijkt dat er vorige jaar in totaal 541.236 ‘reguliere’ ongebruikelijke transacties zijn ontvangen. De transacties op basis van de objectieve meldindicator voor risicolanden (die inmiddels is afgeschaft) zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. In totaal werden 39.544 transacties als verdacht aangemerkt, gebundeld in 5.302 dossiers.

Daarmee daalde het aantal verdacht verklaarde transacties en opgemaakte dossiers in vergelijking met 2018 (toen nog 57.950 verdachte transacties en 8.514 opgemaakte dossiers). Wel is de totale waarde van de verdachte transacties verdubbeld in 2019, naar een totale bijna surreƫle waarde van meer dan 19 miljard euro. Daarbij merkt de FIU wel op dat dit totaalbedrag wordt opgestuwd door een zeer beperkt aantal verdacht verklaarde transacties met een totale waarde van bijna 17 miljard euro. De overige transacties vertegenwoordigen een waarde van ongeveer 2 miljard euro.

Alle 39.544 verdachte transacties zijn overgedragen aan de opsporings-, inlichtingen-, en veiligheidsdiensten voor verder onderzoek en mogelijke vervolging

 

Aantal meldingen door banken neemt toe

De grootste hoeveelheid verdachte transacties in 2019 zijn afkomstig vanuit de sector betaaldienstverleners. De bankensector vertoont in 2019 een toename van meer dan 20% verdacht verklaarde transacties ten opzichte van 2018, naar verwachting als gevolg van de intensivering van de compliance activiteiten binnen de bankensector. Het overzicht van de aantallen gemelde ongebruikelijke en verdachte transacties over 2019 voor enkele andere instellingen, is te zien in onderstaand schema:

 

Instelling Aantal meldingen Waarvan objectief Aangemerkt als verdacht
Accountant 3424 922 209
Belastingadviseur 284 12 61
Notaris 1317 32 177
Trustkantoor 278 86 30

 

Werkmethodiek FIU-Nederland

De FIU-Nederland hanteert een dossier-methodiek bij het analyseren van ongebruikelijke transacties. Indien ongebruikelijke transacties een bepaalde samenhang hebben, worden deze gevoegd in een dossier. Daarbij kunnen kenmerken zoals de aard, de persoon, de locatie of bijvoorbeeld het bedrag van een transactie van belang zijn. Op basis van deze dossiervorming kunnen criminele netwerken inzichtelijk worden gemaakt, wat het verdacht verklaren van ongebruikelijke transacties effectief kan maken.

Daarnaast ontvangt de FIU-Nederland ook verzoeken van de Landelijk Officier van Justitie (LOvJ) aan de hand waarvan de FIU nagaat of de in het verzoek opgevoerde personen, tegen wie een verdenking van een strafbaar feit bestaat, voorkomen in de database met ongebruikelijke transacties. Wanneer dat het geval is worden die transacties verdacht verklaard en aan de opsporing doorgeleid. In 2019 werden er door de FIU-Nederland in totaal 1.298 LOvJ-verzoeken ontvangen. Dat is ongeveer gelijk aan het aantal verzoeken in 2018.

Financial Intelligence Unit-Nederland 3 juli 2020

https://www.fiu-nederland.nl/sites/www.fiu-nederland.nl/files/documenten/7178-fiu_jaaroverzicht_2019_nl_web-3.pdf

Nieuwe versie algemene leidraad Wwft

Op 21 juli 2020 publiceerden het ministerie van Financiƫn en het ministerie van Justitie en Veiligheid een vernieuwde versie van de Algemene leidraad Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De vorige versie dateerde uit 2014. In de tussentijd hadden toezichthouders zoals het BFT en de AFM en beroepsorganisaties zoals de SRA en de NOB al wel hun specifieke leidraden geactualiseerd.

De achtergrond van de aanpassing is dat op 25 mei 2018 de 4e witwasrichtlijn van kracht werd in de Nederlandse wetgeving door aanpassingen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft). Als gevolg daarvan is de Wwft en onderliggende regelgeving op een aantal punten ingrijpend is gewijzigd.

Het doel van deze leidraad is om de onder toezicht staande Wwft-instellingen behulpzaam te zijn bij de toepassing van de kernverplichtingen die volgen uit de Wwft. De leidraad heeft betrekking op de algemene aspecten van de Wwft die voor alle Wwft-instellingen gelden. De leidraad moet dan ook gelezen worden in samenhang met de specifieke leidraden die door de verschillende betrokken toezichthouders zijn gepubliceerd. In de leidraad komen onder meer de volgende onderwerpen aan bod:

  • Risicomanagement
  • CliĆ«ntenonderzoek
  • Melding ongebruikelijke transacties
  • Opleidingsverplichtingen
  • Gegevensbescherming en bewaarplicht
  • Overige verplichtingen
  • Handhaving
  • Diverse

Overigens is de wet- en regelgeving op dit terrein voortdurend in ontwikkeling. Op 21 mei 2020 is de Implementatiewet wijziging vierde anti-witwasrichtlijn van kracht geworden. Wij schreven daarover al eerder op 7 september 2018, 9 juli 2019 en 28 mei 2020. Ook het UBO-register is inmiddels ingevoerd; zie daarvoor onze berichten van 11 juni 2020 en 9 juli 2020. Deze wijzigingen zijn in deze leidraad meegenomen. De Leidraad bevat tevens een lijst van personen die als Politically Exposed Persons worden beschouwd.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/richtlijnen/2020/07/21/algemene-leidraad-wet-ter-voorkoming-van-witwassen-en-financieren-van-terrorisme-wwft

Na Wwft-cliƫntenonderzoek beleggingsrekening opgezegd vanwege verhoogd risico

Gerechtshof Amsterdam oordeelt in een kort geding over de opzegging van een beleggingsrekening door een beleggingsonderneming. De beleggingsonderneming had een aanvullend cliƫntenonderzoek uitgevoerd en was tot de conclusie gekomen dat de betreffende cliƫnt in een verhoogde risicocategorie viel. Om die reden was op 20 januari 2020 de overeenkomst met de cliƫnt per 28 februari 2020 beƫindigd.

Door de rechtbank was de beleggingsonderneming in het gelijk gesteld. De cliƫnt ging in hoger beroep en voerde aan dat opzegging in de gegeven omstandigheden niet redelijk was. Het Hof stelt hierbij voorop dat een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, zoals de onderhavige, in beginsel opzegbaar is, ook indien de wet of de overeenkomst niet voorzien in een regeling van opzegging. Omdat het niet meer kunnen beschikken over een beleggingsrekening minder ingrijpend is dan het niet meer kunnen beschikken over een bankrekening, kan de onderhavige overeenkomst in beginsel zonder zwaarwegende of gewichtige reden worden beƫindigd.

Het Hof overweegt dat de beleggingsonderneming voldoende heeft toegelicht dat de stortingen van cliƫnt voor zijn margin-verplichtingen zodanig van omvang waren dat een verscherpt cliƫntonderzoek nodig was. Bij dat onderzoek is gebleken dat de cliƫnt, een zelfstandig belastingadviseur, werd genoemd in de Panama Papers, dat hij geroyeerd was als lid van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs en dat de vergunning was ingetrokken voor het trustkantoor waar hij aan verbonden was. Volgens cliƫnt is hij echter niet veroordeeld, heeft hij zelf aan DNB om intrekking van de vergunning verzocht en zijn de stortingen voor de margin-verplichtingen voldaan uit fiscaal verantwoord inkomen. Bovendien waren alle vermelde omstandigheden al aanwezig toen hij zijn beleggingsrekening opende.

Volgens het Hof heeft de beleggingsonderneming niet onzorgvuldig gehandeld nu deze gerechtigd is om ook later een verscherpt cliƫntenonderzoek uit te voeren. Weliswaar is niet aannemelijk dat voor de beleggingsonderneming sprake was van een reƫel risico op reputatieschade of intrekking van haar vergunning, hetgeen dringende of zwaarwegende redenen voor opzegging zouden kunnen vormen, maar dat laat onverlet dat de overeenkomst op basis van de uitkomsten van het verscherpt cliƫntenonderzoek toch opgezegd mocht worden.

Wel meent het Hof dat, nu er geen dringende of zwaarwegende redenen ten grondslag liggen aan de beƫindiging, dat cliƫnt meer tijd moet worden gegund om zijn posities af te wikkelen. Het Hof gunt de cliƫnt hiervoor de tijd tot en met 31 december 2020.

Gerechtshof Amsterdam 7 juli 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1992

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1992

Accountant wist van contante commissiebetalingen en controleert onvoldoende

Naar aanleiding van berichtgeving in NRC Handelsblad over fraude bij een onderneming is de AFM een onderzoek gestart naar het accountantskantoor dat de jaarrekeningen van die onderneming controleerde. Voor het onderzoek heeft de AFM door middel van informatievorderingen de beschikking gekregen over onder meer de papieren en elektronische controledossiers, de e-mailboxen en -archieven van (oud) partners en medewerkers van het accountantskantoor. Tevens hebben er diverse interviews met betrokken (voormalige) medewerkers plaatsgevonden.

In 2018 diende de AFM tuchtklachten in tegen de accountant van de groep en de accountant van de dochtervennootschap waar de vermoedelijke fraude heeft plaatsgevonden.

Klachten accountant dochtervennootschap

Het verwijt van de AFM aan de accountant van de dochtervennootschap is dat hij geen frauderisicoā€™s heeft geĆÆdentificeerd en naliet voldoende controlewerkzaamheden te verrichten. Over meerdere boekjaren is volgens de AFM onvoldoende gekeken naar de contante commissiebetalingen aan derden. Deze betalingen vertoonden kenmerken van fraude en corruptie. De accountant wordt ook verweten hierover geen melding van fraude te hebben gedaan aan een opsporingsambtenaar.

De klachten tegen de accountant van de dochtervennootschap zijn deels gegrond. De Accountantskamer is van oordeel dat de accountant van de dochtervennootschap bij de start van ieder van de te controleren jaren niet het juiste uitgangspunt heeft gehanteerd door al bij het begin van de controle te stellen dat het issue van de contante betalingen aan derden was opgelost. Uitgangspunt voor ieder controlejaar dient te zijn dat een accountant zich behoort af te vragen of er een risico op fraude is. Een dergelijk risico kan zich immers ā€“ ook na een beĆ«indiging van een eerdere controle ā€“ ieder jaar opnieuw voordoen. Juist in deze controlejaren was bij de te controleren rechtspersonen sprake van voldoende concrete aanwijzingen om hieraan bijzondere aandacht te besteden.

Volgens de Accountantskamer is de accountant op meerdere momenten gewezen op de contante betalingen die plaatsvonden aan derden en ook dat deze in de controlejaren nog altijd voorkwamen. Zeker nu het de accountant bekend was dat commissiebetalingen in het Midden-Oosten gebruikelijk zijn, had het op zijn weg gelegen om meer inzicht te krijgen in de aard van deze contante betalingen. Bovendien waren de contante betalingen vanwege het risico op fraude en omkoping als ‘critical matter’ benoemd. Volgens de Accountantskamer heeft de accountant niet zo zeer zijn ogen gesloten voor de aanwezige contante betalingen, maar heeft hij ze niet open gedaan.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel oordeelt de Accountantskamer dat de accountant weliswaar zijn controle ten aanzien van de commissiebetalingen onvoldoende heeft uitgevoerd, maar dat daarmee nog niet aannemelijk is geworden dat sprake was van gegevens die het redelijk vermoeden rechtvaardigden dat sprake was van fraude van materieel belang. Nu dit niet aannemelijk is geworden, is evenmin aannemelijk geworden dat de accountant melding had moeten doen bij een opsporingsambtenaar.

Voor het met onvoldoende diepgang uitvoeren van zijn controlewerk acht de Accountantskamer een berisping passend en geboden.

Klachten tegen groepsaccountant

De groepsaccountant werd door de AFM verweten dat hij bij de controles van de jaarrekening naliet in de groepsinstructies voldoende te wijzen op fraudesignalen en dat hij naliet om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen over de commissiebetalingen bij groepsmaatschappijen, ondanks signalen dat die betalingen mogelijk in strijd waren met de wet- en regelgeving.

De Accountantskamer acht de klachten ongegrond nu betrokkene voldoende opvolging had gegeven aan de signalen en hij mocht vertrouwen op de informatie die hij in zijn rol als groepsaccountant had verkregen. In het licht van de controlematerialiteit van de groep was het bedrag dat gemoeid was met de contante betalingen bij de dochtervennootschap zeer gering. Fraude en corruptie zijn onderdeel geweest van de uitgevoerde controles, het Board Report en de besprekingen met het management van de groep, zij het dat dit niet specifiek gericht was op de situatie bij de dochtervennootschap. Onderzoek had geen aanwijzingen opgeleverd dat de ‘scoping’ van de controle van de groepsjaarrekening tekortschoot. Betrokkene mocht zich hierdoor gesterkt voelen in de opvatting dat het plaatsvinden van dergelijke contante betalingen van een op groepsniveau zo geringe omvang niet direct meebracht dat sprake was van een frauderisicofactor op het niveau van de groep. Betrokkene mocht onder de gegeven bijzondere omstandigheden afgaan op de informatie die hij van de accountant van de dochtervennootschap had ontvangen.

Accountantskamer 17 juni 2020, ECLI:NL:TACAKN:2020:42

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2020/ECLI_NL_TACAKN_2020_42