Categorie: Wwft & tuchtrecht

De Egmont Groep publiceert 72 indicatoren die kunnen helpen bij het identificeren van corruptie

De Egmont Groep is een internationaal samenwerkingsverband gericht op het verbeteren van de internationale gegevensuitwisseling tussen Fiscale Inlichtingen Eenheden (FIU’s). Om dit doel te bereiken, wisselen de leden van de Egmont Groep kennis en ervaring uit over witwasbestrijding en de bestrijding van terrorismefinanciering. Er zijn op dit moment wereldwijd 164 FIU’s aangesloten bij de Egmont Groep.

De afgelopen 2 jaar is Nederland voorzitter geweest van de Egmont Groep. Gedurende die tijd is het accent gelegd op corruptie. Over de bestrijding van corruptie bracht de Egmont Groep eind 2018 een lijst uit met 55 indicatoren die kunnen helpen bij het identificeren van corruptie en het witwassen van de opbrengsten van corruptie. Zie daarvoor ons Spot On artikel van 7 december 2018. Bij het aftreden van Nederland als voorzitter van de Egmont Groep werd een nieuwe lijst aangekondigd van 72 indicatoren. Deze is op 12 juli 2019 gepubliceerd.

De 72 indicatoren van de Egmont Group zijn onderverdeeld in de volgende drie categorieën:

  • Indicators of Corruption in Public Procurement (1-24)
  • Indicators of Unexplained Wealth or Income (25-59) en
  • General Indicators; (60-72).

Ten opzichte van de vorige lijst zijn onder meer de volgende indicatoren nieuw opgenomen:

  1. Use of third parties, such as contractors, consultants, vendors, suppliers and advisor/intermediaries, in order to facilitate procurement contracts fulfilment: (…)

– Requests that payments be made to different third parties (…)
– A third party is in a different line of business than that for which it is engaged
– The third party has little or no experience in the relevant industry or activity (…)
– The third party has a high level of reliance on subcontractors or intermediaries (so-called “fourth parties”).

  1. Receipt of commission or fees before signing of agreement for services or carrying out a function or process in relation to public procurement contract.
  1. Payments are conducted to accounts of providers of goods, works and services, which are opened in countries different from where such goods, works and services are originated or provided.
  1. Use of Joint Venture (JV) structures for government contracts in which public officials or a company belonging to them are silent partners. For example, in a JV between a state-owned company and a private company, a third silent shareholder owned or controlled by a public official is inserted in order to allow the public official to take a share of the profit.
  1. Company wins a public tender with short submission period (i.e. number of days between publication of a call for tenders and the deadline for submission of the bid).

Het rapport van de Egmont Groep vindt u hier.

Implementatiewet wijziging 4e witwasrichtlijn ingediend

Op 25 mei 2018 werd de 4e witwasrichtlijn van kracht in de Nederlandse wetgeving door aanpassingen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft). Nu komt er al weer een verdere aanscherping aan met een wetsvoorstel dat op 1 juli 2019 door de regering bij de Tweede Kamer is ingediend en dat al op 10 januari 2020 in werking moet treden.

Na een consultatieronde, waar 49 reacties op zijn gekomen, is het wetsvoorstel op enkele punten aangepast. Enkele aanpassingen zijn de volgende.

Een eerste aanpassing is het registratiestelsel voor aanbieders van wisseldiensten en bewaarportemonnees voor virtuele valuta. Deze dienstaanbieders worden met het wetsvoorstel onderworpen aan de regels van de Wwft, waaronder cliëntcontrole en transactiemonitoring. In het oorspronkelijke concept wetsvoorstel was voor deze dienst-aanbieders een vergunningstelsel opgenomen, terwijl de EU richtlijn ‘slechts’ registratie vereiste. In de consultatie waren hierover veel vragen gesteld. Na advies van de Raad van State heeft de regering nu toch gekozen voor een registratieplicht. Registratie dient plaats te vinden bij De Nederlandsche Bank. DNB kan een verzoek tot registratie weigeren indien zij twijfelt aan de geschiktheid of betrouwbaarheid van beleidsbepalers of toezichthouders van de dienst-aanbieder.

Andere aanpassingen zien op de uitbreiding van de poortwachters.

Zo krijgt de kunsthandel meer dan nu te maken met Wwft-verplichtingen. Op dit moment gelden die verplichtingen voor bemiddeling in kunst, en voor handel in kunst waar een bedrag van ten minste €10.000 in contanten mee gemoeid is. In het wetsvoorstel komen alle transacties door kunsthandelen vanaf €10.000 onder de Wwft te vallen, of er nu in contanten is betaald of niet. Daarentegen blijft de opslag van kunst in Nederland vrijgesteld van Wwft-verplichtingen. Deze was in het vorige concept nog wel als Wwft-plichtige dienst opgenomen.

Ook makelaars, en overige bemiddelaars, bij verhuur van onroerend goed worden onderworpen aan de Wwft voor huren vanaf €10.000 per maand. Nu zijn verhuurmakelaars- en bemiddelaars, anders dan bijvoorbeeld aan- en verkoopmakelaars, nog vrijgesteld van Wwft-verplichtingen.

Ten aanzien van het verscherpt cliëntenonderzoek in geval van zogenoemde ‘derde hoogrisicolanden’ worden de regels verder aangescherpt. Waar in de huidige wet aanvullende informatie-verzamelingseisen ‘kunnen’ worden gesteld, worden deze in het concept wetsvoorstel verplicht voorgeschreven. Verplicht wordt ook dat het hoger leidinggevend personeel toestemming geeft voor het uitvoeren van de betreffende dienstverlening. Tot slot kunnen bij ministeriële regeling verboden of aanvullende eisen worden ingevoerd voor vestigingen of correspondentrelaties van Nederlandse instellingen in derde hoogrisicolanden, of voor vestigingen van instellingen uit dergelijke landen in Nederland.

Het wetsvoorstel regelt verder dat er meer en vaker informatie-uitwisseling mogelijk is tussen Wwft-toezichthouders, en met FIOD en de politie. Op advies van de Autoriteit Persoonsgegevens zijn op dit punt enkele verduidelijkingen doorgevoerd ten opzichte van het wetsvoorstel zoals dat in consultatie was gegeven.

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 juli 2019

Taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf wegens feitelijk leiding geven aan het niet melden van ongebruikelijke transacties

De FIOD is een onderzoek gestart naar personen die beroepsmatig hun werk maken van het begeleiden van vennootschappen naar een faillissement. Uit dat onderzoek is gebleken dat één van hen (medeverdachte) gebruik maakte van een aantal vaste personen/kopers, nader aangeduid als katvangers. Deze katvangers namen de aandelen in deze noodlijdende vennootschappen met aanwezige schulden in de meeste gevallen over tegen betaling van 1 euro. Vervolgens gingen de ondernemingen kort na de verkoop failliet of werden ze bij de Kamer van Koophandel ontbonden via een zogenaamde turboliquidatie.

De curator van de failliete onderneming kreeg geen dan wel zeer moeizaam contact met deze katvangers en een administratie werd niet of nauwelijks aan de curator uitgeleverd. Hierdoor werd het voor de curator onmogelijk om de rechten en verplichtingen van de failliet vast te stellen, waardoor de crediteuren werden benadeeld.

In het onderzoek zijn drie notarissen naar voren gekomen die de aktes van de aandelenoverdrachten hebben gepasseerd, waaronder verdachte – een kandidaat-notaris in loondienst bij een notariskantoor. Het Openbaar Ministerie verwijt hem (als feitelijk leidinggever) onder meer  te hebben nagelaten verscherpt cliëntenonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties te melden aan de Financiële inlichtingen eenheid.

De Rechtbank overweegt dat aanleiding bestond om ten aanzien van de betrokkenen bij de onderhavige transacties verscherpt cliëntenonderzoek te verrichten. De verdachte onderkent dat ook, maar verklaart tevens dat hij telkens aan die verplichting heeft voldaan. Bij de FIOD en ter zitting heeft hij immers toegelicht welk onderzoek hij heeft verricht voordat hij overging tot het passeren van de akte. Nadat een dossier is aangemaakt keek verdachte of de B.V. wel bestond, wanneer deze was opgericht en wat het geplaatst kapitaal was. De identiteit van de verkoper werd geverifieerd aan de hand van legitimatie en hij werd in het GBA opgezocht om te kijken of hij woonde op het adres dat hij had opgegeven. Ook werd gekeken naar de jaarrekeningen die bij de Kamer van Koophandel waren gedeponeerd. Soms werden vennootschappen gegoogeld, maar dat gebeurde niet structureel, alleen als daartoe aanleiding was. Daarnaast was er minder reden om verder te kijken, omdat de katvangers werden geïntroduceerd door de medeverdachte en verdachte hem kende en vertrouwde en hij ervan uit ging dat er niets mis was met de vaste groep katvangers die via hem bij het notariskantoor kwamen.

De Rechtbank oordeelt dat het strafdossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen vaststellen dat verdachte geen verscherpt cliëntenonderzoek heeft uitgevoerd. Het dossier bevat namelijk onvoldoende concrete informatie – bijvoorbeeld uit de notarisdossiers – over welk onderzoek er door verdachte wel, en welk onderzoek er door verdachte niet is uitgevoerd dat wel uitgevoerd had moeten worden. Nu niet kan worden bewezen dat verdachte geen verscherpt cliëntenonderzoek heeft verricht, spreekt de Rechtbank hem voor dat feit vrij.

Ook spreekt de Rechtbank verdachte vrij voor het niet melden van ongebruikelijke transacties, omdat hij niet kan worden aangemerkt als een instelling als bedoeld in artikel 1 Wwft. Dit omdat verdachte niet zelfstandig is, maar in loondienst werkzaam is bij het notariskantoor.

De Rechtbank oordeelt voorts dat het notariskantoor wél kan worden aangemerkt als instelling in de zin van de wet en in dat verband de ongebruikelijke transacties had moeten melden.

Het notariskantoor had niet alleen de transacties op zichzelf als ongebruikelijk moeten aanmerken op het moment dat de transacties werden verricht, maar had ook achteraf het patroon moeten opvallen en had vervolgens alsnog melding moeten doen van de voorgaande transacties. Het notariskantoor heeft dit nagelaten.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan deze verboden gedragingen. Uit het dossier en verklaring is gebleken dat verdachte de sectie ondernemingsrecht van het notariskantoor leidde, dat het eerste contact ten aanzien van de aandelenoverdrachten met verdachte was, dat hij de dossiers van A tot Z verzorgde en het nodige onderzoek verrichtte en dat een kantoorgenoot pas in beeld kwam om als eindverantwoordelijke de aktes te passeren en dat deze daarbij afging op hetgeen verdachte had onderzocht en daarop vertrouwde.

De officier van justitie vordert dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de Rechtbank ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd en is rekening gehouden met ingrijpende gevolgen die deze zaak voor verdachte heeft gehad, zowel zakelijk als privé. Hij is namelijk zijn baan kwijt en de kans dat hij nog als (kandidaat-) notaris aan de slag kan, schat de Rechtbank in als klein. De Rechtbank komt op een beduidend lagere straf dan door de officier van justitie geëist. Dat is mede ingegeven door een beperktere bewezenverklaring (vrijspraak voor deelname aan een criminele organisatie en het niet verrichten van een verscherpt cliëntenonderzoek), de overschrijding van de redelijke termijn en de hiervoor omschreven ingrijpende gevolgen van de hele kwestie voor verdachte.

Alles afwegend ziet de Rechtbank aanleiding verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Rechtbank Amsterdam 27 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3766.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3766

Accountant laat beslag leggen op basis van een (bewust) onhoudbaar standpunt: waarschuwing

Betrokkene – een accountant – heeft accountantswerkzaamheden verricht voor de eenmanszaak van klager en later voor een door klager opgerichte BV. Betrokkene is in 2014 een civiele procedure begonnen tegen klager, ter verkrijging van betaling voor de door hem verrichte werkzaamheden. Voor betaling van een deel van het gevorderde bedrag is klager als borg voor zijn eenmanszaak aangesproken.

Klager is bij verstekvonnis van de Rechtbank Noord-Nederland veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 41.329,89. In november 2014 is namens betrokkene executoriaal derdenbeslag gelegd op een periodieke pensioenuitkering van klager. Dit derdenbeslag is tot klagers faillissement, in december 2017, gehandhaafd. In deze procedure wordt betrokkene onder meer verweten dat hij ten onrechte beslag heeft laten leggen op de pensioenuitkering van klager, waarop derhalve in de periode van december 2014 tot 20 december 2017 maandelijks ten onrechte een bedrag van € 1.000 is ingehouden.

De Accountantskamer overweegt dat de vordering die heeft geleid heeft tot de beslaglegging op klagers pensioenuitkering met name betrekking had op vorderingen op klagers eenmanszaak en BV. Volgens betrokkene stond klager voor een bedrag van € 29.000 borg. Ter onderbouwing van die borgtocht heeft betrokkene gewezen op een brief van klager waarin het volgende is opgenomen: “Inmiddels is de rekening opgelopen tot 29.000 euro. Die rekening betaal ik helemaal uit eigen middelen, in de vorm van schilderijen/houtsnedes/e.d. met dien verstande, dat het na medio oktober ontstane bedrag geldt (17.000 euro) als daadwerkelijk te betalen som voor de hele rekening.”

Volgens de Accountantskamer volgt daaruit niet dat klager zich borg heeft willen stellen voor alle geldschulden van zijn eenmanszaak en BV. Verder is niet gebleken dat betrokkene akkoord is gegaan met de door klager in deze brief geformuleerde voorwaarden voor betaling. Daarbij kon betrokkene – gelet op enkele ontwikkelingen begin januari 2014 – vanaf 9 januari 2014 vermoeden dat klager psychische klachten had. Dit vermoeden had betrokkene ertoe moeten brengen zich af te vragen of hij zich jegens klager anders zou moeten opstellen dan ten opzichte van andere debiteuren van zijn kantoor. Derhalve had betrokkene het gestelde in de brief van 17 januari 2014 niet zonder meer mogen opvatten als een borgstelling.

Dat de vordering van betrokkene door de Rechtbank Nood-Nederland is toegewezen, betekent evenmin dat betrokkene bij het leggen van het beslag op basis van het verstekvonnis in overeenstemming met de geldende gedragsregels heeft gehandeld. Aan de toegewezen vordering ligt namelijk geen inhoudelijk rechterlijk oordeel over de gestelde borgtocht ten grondslag en daarbij is evenmin acht geslagen op de bij betrokkene bekende, psychische klachten van klager.

Gezien het vorenstaande heeft betrokkene bewust op basis van een onhoudbaar civielrechtelijk standpunt beslag laten leggen op klagers pensioenuitkering en dat beslag gehandhaafd tot het moment in december 2017 waarop klager failliet is verklaard. Hiermede heeft betrokkene bij het uitoefenen van zijn civielrechtelijke bevoegdheden als schuldeiser gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Daarin ligt ook besloten dat betrokkene zich in een te vergaande mate heeft laten leiden door zijn eigen belang en dat levert strijd op met het fundamentele beginsel van objectiviteit. Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene door zo te handelen ook het accountantsberoep in diskrediet gebracht en dat is in strijd met het fundamentele beginsel van professionaliteit. Het klachtonderdeel is daarom naar het oordeel van de Accountantskamer gegrond.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

De Accountantskamer 14 juni 2019, 18/2218 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2019:43.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_43

Klacht ongegrond nu niet aannemelijk is dat gelden zonder rechtsgrond werden onttrokken noch dat de accountant hiervan op de hoogte was of had moeten zijn

Klaagster – een vennootschap – is onderdeel van een concern en hield aandelen in BV1. Betrokkene heeft gedurende de periode medio 2015 tot begin 2017 de administratie van deze BV verzorgd.

Een derdenonderzoek bij BV1 door de Belastingdienst en een klokkenluidersmelding waren begin 2017 voor het concern aanleiding onderzoek te laten uitvoeren bij BV1. Uit het onderzoeksrapport blijkt onder meer dat in de periode van 2 maart 2016 tot 1 oktober 2016 een groot aantal vooruitbetalingen door BV1 op een tussenrekening is geboekt ter hoogte van in totaal € 198.236. In opdracht van de bestuurder van BV1 zou dit bedrag door betrokkene van de tussenrekening naar de kosten van BV1 zijn geboekt.

Klaagster verwijt betrokkene dat hij in totaal een bedrag van € 198.236 van de tussenrekening heeft afgeboekt en ten laste heeft gebracht van BV1, zonder dat hij daarvoor facturen heeft ontvangen. Voorts wordt betrokkene verweten dat hij wist dat de bestuurder van BV1 geld onttrok aan BV1 en dat er kosten ten laste van BV1 werden geboekt waar geen projecten tegenover stonden. In verband daarmee heeft betrokkene nagelaten de nodige maatregelen te treffen.

De Accountantskamer merkt allereerst op dat betrokkene in deze zaak wordt belemmerd in zijn verweer. Betrokkene voerde ten kantore van en voor BV1 de administratie en als gevolg daarvan heeft hij geen eigen dossiers. Het is daardoor voor betrokkene vrijwel niet mogelijk de stellingen van klaagster aan de hand van stukken te weerleggen. Het is allereerst aan klaagster om haar stellingen aannemelijk te maken.

De door klaagster overgelegde transcriptie – met daarin de vermeende opmerking van betrokkene over ontbrekende facturen – kan niet zonder meer worden gerelateerd aan het door klaagster genoemde bedrag van € 198.236. Daar komt bij dat betrokkene de inhoud van de transcriptie heeft bestreden en in het verweerschrift heeft gesteld dat er naar zijn wetenschap alleen kosten zijn geboekt voor zover er tegelijkertijd werd gefactureerd. Ook heeft betrokkene ter zitting verklaard dat ‘uiteindelijk alles werd uitgefactureerd’. In verband met de (tegen)bewijspositie van betrokkene, heeft klaagster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene het bedrag van € 198.236 ten laste van BV1 heeft geboekt zonder dat BV1 daarvoor facturen had ontvangen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Bij de beoordeling van het tweede klachtonderdeel neemt de Accountantskamer allereerst het verweer van betrokkene in aanmerking. Betrokkene heeft namelijk naar voren gebracht dat als er al sprake zou zijn geweest van onregelmatig, frauduleus of anderszins onrechtmatig handelen door de bestuurder van BV1, hij zich daarvan niet bewust is geweest of had moeten zijn. Betrokkene verrichte slechts administratieve werkzaamheden en hield zich niet bezig met de totstandkoming van marge-afspraken. Daarbij maakte het controleren van facturen geen deel uit van zijn werkzaamheden en had hij onvoldoende inzicht in de markt om alle beslissingen van de bestuurder van BV1 te kunnen beoordelen. Bovendien maakte hij maandelijks rapportages van de administratie, waarin het concern inzicht had. De Accountantskamer overweegt dienaangaande dat, al zou sprake zijn geweest van onregelmatigheden, niet is gebleken dat betrokkene daarvan op de hoogte was of had moeten zijn. Ook het tweede klachtonderdeel is naar het oordeel van de Accountantskamer daarom ongegrond.

De Accountantskamer 3 mei 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:29, 17/2627 Wtra AK.

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TACAKN_2019_29

Accountantskamer acht ongemotiveerde – doch gemotiveerd bestreden -klachtonderdelen niet aannemelijk

Sinds 2009 heeft betrokkene als accountant werkzaamheden verricht voor een tandarts. De tandarts heeft samen met klaagster in juni 2016 een partnerschapsovereenkomst gesloten en daarvoor een vennootschap naar Engels recht opgericht (LLP). Vanuit deze LLP hebben klaagster en de tandarts voor gezamenlijke rekening een op kinderen gerichte tandartsenpraktijk/mondhygiënistenpraktijk gedreven.

De adviseur van klaagster heeft financiële en fiscale diensten verleend aan de LLP. Eind december 2016 is afgesproken dat de adviseur van klaagster de jaarrekening 2016 van de LLP zal opstellen. Per 1 januari 2017 treedt klaagster uit de LLP.

Op 18 februari 2017 heeft de adviseur van klaagster de conceptjaarrekening 2016 van de LLP aan betrokkene gezonden. Op verzoek van de tandarts heeft betrokkene vervolgens eveneens een conceptjaarrekening 2016 van de LLP opgesteld. Deze conceptjaarrekening is op verzoek van betrokkene door de tandarts ter becommentariëring toegezonden aan klaagster en haar adviseur.

In deze klachtprocedure wordt betrokkene verweten dat de conceptjaarrekening 2016 van de LLP op onderdelen niet juist is en dat hij bij het samenstellen daarvan meer onderzoek had moeten doen naar een aantal kostenposten. Voorts wordt betrokkene door klaagster verweten dat hij niet eerlijk en oprecht heeft opgetreden en dat hij niet objectief is geweest.

De Accountantskamer overweegt dat betrokkene beide klachtonderdelen gemotiveerd heeft weersproken. Zo bracht betrokkene naar voren dat hij de accountant was van de tandarts en dat hij in die rol op haar verzoek een conceptjaarrekening 2016 van de LLP heeft samengesteld. Deze conceptjaarrekening heeft hij gebaseerd op de door de tandarts verstrekte administratie van de LLP, de door de adviseur van klaagster samengestelde concept-jaarrekening 2016 en 34 correctieboekingen. Bovendien heeft betrokkene klaagster en haar adviseur de gelegenheid gegeven daarop te reageren en een toelichting gegeven op de correctieboekingen. De van klaagster ontvangen reactie op de conceptjaarrekening 2016 heeft hij doorgezonden naar de tandarts, omdat zij en klaagster in zijn optiek gezamenlijk tot een definitieve jaarrekening 2016 moesten komen.

Nu voornoemd verweer onbetwist is gebleven en klaagster haar klacht onvoldoende heeft onderbouwd, acht de Accountantskamer het niet aannemelijk is geworden dat  betrokkene aanleiding had moeten zien om, voordat hij zijn concept met de tandarts deelde, aanvullende of gecorrigeerde informatie te vragen. Betrokkene kan daarom ten aanzien van zijn samenstelwerkzaamheden geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Ook het tweede klachtonderdeel is naar het oordeel van de Accountantskamer door betrokkene gemotiveerd bestreden. Hij heeft aangevoerd dat hij klaagster niet bij de totstandkoming van de conceptjaarrekening 2016 hoefde te betrekken, aangezien hij deze als eigen accountant van de tandarts heeft samengesteld. Bovendien heeft betrokkene de conceptjaarrekening wel aan klaagster laten toezenden, zodat zij daarop kon reageren. Ook heeft betrokkene de vragen van klaagster en haar adviseur beantwoord. Tenslotte heeft hij aan hen de onderliggende stukken toegezonden dan wel – indien hij daarover niet beschikte – het verzoek daartoe gedaan aan de tandarts of de boekhouder van de onderneming.

De Accountantskamer overweegt dienaangaande dat het gezien het gemotiveerde verweer van betrokkene op de weg van klaagster lag om de klachten nader te onderbouwen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft klaagster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

De Accountantskamer 13 mei 2019, 18/578 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2019:33.

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI__NL__TACAKN__2019__33

Begeleiding en toezicht door accountant op medewerker ontoereikend: waarschuwing

Betrokkene, een accountant-administratieconsulent, is vennoot van een accountantskantoor dat sinds 2014 werkzaamheden verricht voor klagers. Klagers dreven een horeca-onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de vof).

De vof huurde een pand waarin een restaurant werd geëxploiteerd. Begin 2017 hebben klagers zich in verband met de beëindiging van de huur en/of de verkoop van de in het pand gevestigde onderneming, voor advies gewend tot de relatiebeheerder van het accountantskantoor. De relatiebeheerder is geen accountant. Samen met twee juristen – beiden werkzaam bij het kantoor – heeft de relatiebeheerder klagers dienaangaande geadviseerd. Op 31 mei 2017 hebben klagers vervolgens de huur van het pand opgezegd tegen het einde van september 2018.

Door de huuropzegging bleek de in het pand gedreven onderneming voor klagers lastig te verkopen. Hierdoor waren zij genoodzaakt de onderneming te verkopen aan de eigenaar van het pand met verrekening van de huurpenningen tot en met september 2018. De vof heeft het accountantskantoor vervolgens aansprakelijk gesteld voor de gelede schade wegens het niet attenderen op het financiële risico van de huuropzegging in relatie tot de voorgenomen verkoop middels een indeplaatsstelling van de in het pand gedreven onderneming.

In de onderhavige klachtprocedure stellen klagers dat betrokkene kan worden verweten dat het accountantskantoor de vof onjuist heeft geadviseerd over de beëindiging van de huur van het pand met de verhuurder. Daarnaast wordt betrokkene verweten dat hij niet binnen twee weken heeft gereageerd op een brief van klagers.

De Accountantskamer is van oordeel dat advisering over deze kwestie tot de normale bedrijfsvoering behoort van een accountantskantoor dat werkzaam is in het MKB-segment. Dat betekent dat de adviseren aan klagers moet worden aangemerkt als een professionele dienst.

Voorts is volgens de Accountantskamer sprake geweest van een onzorgvuldige en tekortschietende advisering door de relatiebeheerder van het kantoor. Betrokkene, die als enige accountant vennoot is van kantoor, en die ter zitting heeft aangegeven dat de relatiebeheerder onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam was, moet hiervoor vaktechnisch verantwoordelijk worden gehouden. Dat hij feitelijk niet betrokken was geweest bij de advisering aan klagers over de beëindiging van de huur, maakt dit niet anders. Een andere opvatting zou er toe leiden dat indien, zoals bij het kantoor, sprake is van een ver doorgevoerd delegatiepatroon binnen een accountantskantoor, niemand meer tuchtrechtelijk verantwoordelijk zou zijn. Dit is niet de bedoeling van de wetgever geweest. De accountant dient ervoor te zorgen dat degene die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden uitvoert ten behoeve van een professionele dienst, hiervoor adequaat is toegerust en dat er toereikende begeleiding van, toezicht op en beoordeling van deze werkzaamheden plaatsvindt. Betrokkene is daarin tekort geschoten en heeft daarom gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel overweegt de Accountantskamer dat het gegeven dat betrokkene niet binnen twee weken heeft gereageerd op de brief klagers, niet meebrengt dat betrokkene hierdoor in strijd heeft gehandeld met enig fundamenteel beginsel. Niet gebleken is dat op het tijdstip waarop betrokkene de brief van klagers heeft ontvangen, sprake was van zodanig bijzondere omstandigheden, dat betrokkene gehouden was om binnen veertien dagen te reageren op de brief van klagers. In casu is hierbij ook van belang dat klagers al wisten dat (het kantoor van) betrokkene enige aansprakelijkheid afwees. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Alles afwegende acht de Accountantskamer de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

De Accountantskamer 29 mei 2019, 19/213 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2019:39.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_39?dateperiodstart=13-05-2019&dateperiodend=31-05 2019&dateperiod=tussen&DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=3

Blog: Het wetsvoorstel UBO-register: een palet aan verplichtingen

Op 4 april 2019 heeft minister Hoekstra van Financiën het wetsvoorstel ‘UBO-register’ aan de Tweede Kamer aangeboden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de verplichting voor iedere lidstaat om een centraal register in te voeren met informatie over uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) van vennootschappen en andere juridische entiteiten. Deze verplichting vloeit voort uit de vierde Europese anti-witwasrichtlijn, zoals gewijzigd door de Europese richtlijn (EU) 2018/84. De implementatie dient uiterlijk op 10 januari 2020 te zijn voltooid.

Voornoemd wetsvoorstel is zeer kritisch ontvangen in de (vak)pers. Zo kopt het Financieel dagblad “Eigendomsregister schendt privacy voor niets”. Anderen noemen het “een weinig doordacht moetje”.[1] Toch is het goed dat “moetje” eens nader onder de loep te nemen. De lidstaten zijn namelijk door Brussel verplicht tot het instellen van een UBO-register. Het zal er hoe dan ook komen. Maar, welke verplichtingen brengt dit met zich? En waar moet u als Wwft-instelling op letten?

De wijzigingsrichtlijn 2018/843 in a nutshell

De gewijzigde richtlijn behelst onder meer een verplichting voor EU-lidstaten ervoor te zorgen dat op hun grondgebied opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten toereikende, accurate en actuele informatie over uiteindelijk belanghebbenden inwinnen en bijhouden, alsmede registreren in een openbaar toegankelijk register. Hiertoe worden de Handelsregisterwet 2007, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Wet op de economische delicten (hierna: WED) gewijzigd.

In de Handelsregisterwet 2007 zal voor een aantal rechtsvormen[2], te weten vennootschappen en andere juridische entiteiten, de verplichting worden opgenomen hun UBO’s te registreren in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK).[3] Deze verplichting geldt uitdrukkelijk niet voor buitenlandse rechtspersonen, ook niet wanneer deze een hoofd- of nevenvestiging in Nederland hebben. Wel geldt die verplichting voor de niet (meer) in Nederland gevestigde onderneming toebehorende aan een in Nederland opgerichte maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of rederij. Deze dienen zich volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel eveneens (opnieuw) in te schrijven in het Handelsregister.

De UBO-informatie moet worden opgenomen in het Handelregister. De KvK is aangewezen als beheerder en wordt tevens verantwoordelijk voor de controle op de aanlevering van en de juistheid en de volledigheid van de UBO-informatie in het Handelsregister.

Als ‘Ultimate Beneficial Owner’ wordt aangemerkt de natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of zeggenschap heeft over een vennootschap of een andere juridische entiteit.[4] De persoon die (direct of indirect) een eigendoms- of zeggenschapsbelang heeft van meer dan 25% in één van de betreffende rechtsvormen kwalificeert als UBO. In de situatie dat op basis hiervan geen privépersoon kan worden aangewezen als UBO, moet een pseudo-UBO worden geregistreerd. Dat is iemand van het bestuur dan wel dan wel degene(n) die met de dagelijkse leiding is (zijn) belast. De betreffende entiteiten dienen daartoe toereikende, accurate en actuele informatie over hun UBO’s in te winnen en bij te houden. Het betreft aldus een verplichting doorlopend in tijd.

Welke informatie dient te worden geregistreerd?

Daarbij rijst dan direct de vraag op welke informatie de genoemde verplichting ziet. Blijkens het wetsvoorstel moet de navolgende UBO-informatie bijgehouden en centraal geregistreerd worden:

  1. Naam
  2. Geboortedag, -plaats en -land
  3. Adres (inclusief woonstaat)
  4. Nationaliteit
  5. Burgerservicenummer (indien toegekend)
  6. Afschrift documentatie op grond waarvan de identiteit is geverifieerd
  7. Afschrift documentatie waarmee wordt onderbouwd waarom een persoon de status van UBO heeft
  8. Afschrift documentatie betreffende de aard en omvang van het gehouden economisch belang van de UBO

Blijkens de memorie van toelichting rust de verplichting tot het doen van inschrijving van de UBO-informatie op “degene aan wie de vennootschap of een andere juridische entiteit toebehoort of ieder der bestuurders of – als die er niet zijn – degene die met de dagelijkse leiding is belast.”

In dit verband zal ingevolge het voorgestelde artikel 15a Handelsregisterweg 2007 aansluiting worden gezocht bij de bij de systematiek van de wetsartikelen 5 en 6 van de Handelregisterwet 2007. Dit betekent dat, voor zover de entiteiten die onder de registratieplicht vallen rechtspersoonlijkheid hebben, de verplichting tot het inschrijven van de UBO-informatie zal rusten op elk van de bestuurders. Ontbreekt rechtspersoonlijkheid – zoals bijvoorbeeld bij de maatschap het geval is – dan zal de inschrijvingsverplichting in eerste instantie komen te rusten op degene aan wie die maatschap toebehoort – in dat geval op de maten.

Voor wie is de UBO-informatie toegankelijk?

Een deel van de te registeren gegevens is niet openbaar, namelijk het BSN/buitenlands fiscaal identificatienummer (TIN), de geboortedag, het geboorteland en- plaats, het woonadres, het afschrift van een geldig identiteitsdocument en afschriften van documenten waaruit de aard en omvang van het economische belang van de UBO blijkt.

De naam, de geboortemaand en -jaar, de woonstaat, de nationaliteit en de aard en omvang van het gehouden economische belang door de UBO, zijn wél openbaar toegankelijk. Met betrekking tot het economisch belang, zal niet de exacte omvang van het belang openbaar inzichtelijk zijn, maar zullen slechts bandbreedtes van 25%, 50%, 75% en 100% worden vermeld. Geldbedragen worden niet vermeld.

De aanvullende informatie zal alleen toegankelijk zijn voor de bevoegde autoriteiten[5] en de Financiële inlichtingen eenheid (FIU).[6] Zij zijn verplicht deze informatie geheim te houden. In het geval dat de genoemde autoriteiten UBO-informatie opvragen, wordt de betreffende UBO daarvan niet op de hoogte gesteld door de KvK.

De UBO-informatie zal gedurende een termijn van tien jaar toegankelijk blijven, gerekend vanaf het moment dat de betreffende entiteit is geschrapt uit het UBO-gedeelte van het Handelsregister. Het kabinet acht het van belang dat de historische gegevens betreffende een uiteindelijk belanghebbende gedurende een zo lang mogelijke periode voorhanden blijven. Onderzoeken naar witwassen, de daaraan ten grondslag liggende delicten, en het financieren van terrorisme zien namelijk op gebeurtenissen in het verleden.

Het afschermen van UBO-informatie

Bij de KvK kan een verzoek tot afscherming van UBO-informatie worden ingediend. Daarbij zal moeten worden aangetoond dat één van de in de Richtlijn genoemde situaties aan de orde is zoals het risico op fraude, ontvoering of pesterijen.[7] Tegen de (afwijzende) beslissing op dit verzoek staat bezwaar en beroep open.

Het schenden van UBO-verplichtingen: een economisch delict

Als niet aan de verplichting tot het doen van een opgave voor inschrijving in het Handelsregister wordt voldaan, levert dat een economisch delict op dat kan worden bestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden, een taakstraf of geldboete van de vierde categorie (per 1 januari 2018: € 20.750).[8]

Daarnaast geeft het wetsvoorstel ook de mogelijkheid om bestuursrechtelijk te handhaven door het opleggen van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete voor het niet registeren van de UBO-informatie. Wat de hoogte van de bestuurlijke boete betreft wordt aansluiting gezocht bij de strafrechtelijke boetecategorie die geldt bij overtreding van artikel 47 van de Handelsregisterwet 2007: een boete van de vierde categorie.[9]

Naast het doen van opgave voor de inschrijving van UBO-informatie worden – ten behoeve van strafrechtelijke handhaving – de volgende verplichtingen eveneens bij overtreding als economisch delict opgenomen in de WED:

  1. Het inwinnen en bijhouden door vennootschappen en andere juridische entiteiten van toereikende, accurate en actuele informatie over hun UBO’s;[10]
  2. Het voorzien in alle informatie door een uiteindelijk belanghebbende die voor de vennootschap of andere juridische entiteit noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de onder 1 genoemde verplichting;[11]
  3. De terugmeldplicht[12] voor Wwft-instellingen (zie onderdeel: de gevolgen voor Wwft-instellingen).[13]

Blijkens de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordt het overtreden van de hierboven vermelde verplichtingen aangemerkt als een misdrijf, voor zover opzettelijk begaan, anders is zij een overtreding.[14] De misdrijfvariant kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, een taakstraf of geldboete van de vierde categorie.[15] Op de overtredingsvariant staat een hechtenis van ten hoogste zes maanden, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie.[16]

Het Bureau Economische Handhaving (BEH) zal worden belast met de handhaving van de genoemde UBO-verplichtingen. Handhaving zal plaats vinden op basis van signalen die het BEH ontvangt van de KvK.

Op grond van de ernst van het feit zal worden gedifferentieerd in sanctie. Bij relatief eenvoudig te constateren en lichte overtredingen bestaat er geen noodzaak tot strafrechtelijke afdoening. Hierbij moet worden gedacht aan het niet tijdig aanleveren van UBO-informatie. Strafrechtelijke afdoening kan echter geïndiceerd zijn, indien verzwarende omstandigheden zich voordoen. Hierbij dient onder meer gedacht te worden aan het opzettelijk doorgeven van onjuiste UBO-informatie.

Ten aanzien van de terugmeldplicht krijgen de Wwft-toezichthouders de bevoegdheid om hun handhavingsinstrumentarium in te zetten wanneer zij een overtreding van deze terugmeldplicht door een onder hun toezicht staande Wwft-instelling constateren. Dat instrumentarium bestaat uit het opleggen van een bestuurlijke boete of last onder dwangsom of het geven van een aanwijzing.

De gevolgen voor Wwft-instellingen

Instellingen die op grond van de Wwft verplicht zijn cliëntenonderzoek te verrichten, worden verplicht fouten die zij in het register constateren aan de KvK te melden.[17] Deze bepaling komt als volgt te luiden:

“Een instelling doet melding aan de Kamer van Koophandel van iedere discrepantie die zij aantreft tussen een gegeven omtrent een uiteindelijk belanghebbende dat zij verstrekt heeft gekregen uit het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, en de informatie over die uiteindelijk belanghebbende waarover zij uit anderen hoofde beschikt.”

Aan de Wwft wordt tevens toegevoegd dat Wwft-instellingen zich bij hun cliëntenonderzoek niet uitsluitend mogen verlaten op UBO-informatie in het Handelsregister.[18] Van Wwft-instellingen wordt verwacht dat zij in het kader van het door de Wwft verplicht gestelde risicogebaseerde cliëntenonderzoek meer UBO-informatie verzamelen en bewaren dan de UBO-informatie die zij uit het Handelsregister kunnen halen.

De terugmeldplicht staat los van de reeds bestaande meldplicht als bedoeld in artikel 16 Wwft. Op grond van dit artikel moet een instelling een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld melden aan de FIU. In de memorie van toelichting wordt hierover het volgende opgemerkt:

“Indien een meldingsplichtige instelling derhalve in het kader van het cliëntenonderzoek informatie over een UBO heeft verzameld die tot de conclusie leidt dat sprake is van een ongebruikelijke transactie – nu de instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme -, dient de meldingsplichtige instelling dit onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden te melden aan de Financiële inlichtingen eenheid en niet aan de Kamer van Koophandel.”

De terugmeldplicht aan de KvK is dan blijkens het voorgestelde artikel 10c Wwft niet van toepassing. De Wwft-instelling zal dus bij een eenmaal geconstateerde discrepantie moeten afvragen of een melding moet worden gedaan bij de KvK (terugmeldplicht) of de FIU (melding ongebruikelijke transactie).

Het onderscheid zal niet altijd even makkelijk te maken zijn. Als een Wwft-instelling in het kader van het cliëntenonderzoek constateert dat door de UBO onjuiste informatie is geregistreerd in het Handelsregister, kan dat aanleiding zijn om nader te onderzoeken of een transactie verband kan houden met witwassen en er een melding moet worden gedaan bij de FIU. Constateert de Wwft-instelling meer ‘onschuldige’ discrepanties tussen de UBO-informatie bij de KvK en de informatie die hijzelf beschikbaar heeft, dan ligt een melding aan de KvK voor de hand. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het niet tijdig doorgegeven van wijzigingen.

Uitvoeringstoets wetsvoorstel

Inmiddels heeft ook de Belastingdienst het ingediende wetsvoorstel onder de loep genomen. Haar oordeel, zoals weergeven in de op 4 april 2019 gepubliceerde uitvoeringstoets, is op onderdelen zeer kritisch: “Het voorstel is fraudegevoelig” en “de handhaving is naar verwachting beperkt effectief”.

Volgens de Belastingdienst zal het naar verwachting in de praktijk ingewikkeld en zelfs onmogelijk blijken om relevante informatie uit het buitenland te krijgen. Ook zal het niet in alle gevallen mogelijk blijken door te dringen in bewust opgezette niet-transparante constructies. Het blijft aldus maar de vraag of de voorgenomen maatregelen de UBO daadwerkelijk in beeld brengen.

Verder acht de Belastingdienst het wetsvoorstel fraudegevoelig. Uiteindelijk belanghebbenden die zich om fiscale of andere redenen achter niet-transparante constructies willen verschuilen, zullen (eerder) onjuiste of onvolledige UBO-gegevens aanleveren. Bovendien ontstaat met de voorgenomen verplichting een prikkel uit te wijken naar bepaalde rechtsfiguren, nu zij enkel gelden voor de specifiek in het voorstel genoemde rechtsvormen, aldus de Belastingdienst.

Nu Nederland eenmaal verplicht is tot het instellen van een (openbaar) register is het niet de vraag of, maar hoe en wanneer het register zal worden ingevoerd. De UBO’s en Wwft-instellingen doen er aldus goed aan de op termijn aan te leveren informatie scherp op het netvlies te hebben en de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten te houden. Inwerkingtreding staat immers voor de deur: de eerste opgave zal in het geval dat de voorgestelde wet per 10 januari 2020 in werking treedt uiterlijk op 10 juli 2021 dienen plaats te vinden.

https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-financien/documenten/kamerstukken/2019/04/04/bijlage-1.-wetsvoorstel-ubo-register

[1] Tax Live, “Implementatie UBO-register: Een te weinig doordacht moetje!

[2] Deze registratieverplichting zal komen te gelden voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, de naamloze vennootschap, de Europese naamloze vennootschap, het Europees economisch samenwerkingsverband, de Europese coöperatieve vennootschap, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de vereniging, de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, de vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid die een onderneming drijft, de stichting, de maatschap, de commanditaire vennootschap, de vennootschap onder firma en de rederij.

[3] Voorgesteld wordt artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 uit te breiden met een nieuw onderdeel d, waarmee duidelijk wordt dat het centraal registreren van uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten in een register wordt ingevoerd.

[4] Wat betreft de definitie van de uiteindelijk belanghebbende zal in de Handelsregisterwet 2007 worden terugverwezen naar de Wwft. In de Wwft wordt, in afwijking van de definitie in artikel 1, eerste lid van de huidige Wwft, de UBO-definitie van het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende’ neergelegd in artikel 10a, eerste lid, Wwft.

[5] Thans wordt in de volgende bevoegde autoriteiten voorzien: De Nederlandsche Bank, de Autoriteit Financiële Markten, het Bureau Financieel Toezicht, het Bureau Toezicht Wwft, de Kansspelautoriteit, de dekens van de Orde van Advocaten in hun rol van toezichthouder Wwft, de Belastingdienst, de Douane, de Dienst Justis, het Bureau Bibob, de Nationale Politie, het Openbaar Ministerie, de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst, de Militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst, de Koninklijke Marechaussee, de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD), de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW-DO), de Inlichtingen- en opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA-IOD), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT/IOD), de Rijksrecherche en het Bureau Economische Handhaving.

[6] De term ‘Financiële inlichtingen eenheid’ wordt zowel in de richtlijn als in de Wwft gehanteerd. Hiermee wordt de ‘Financial Intelligence Unit Nederland’ of FIU-Nederland’ bedoeld.

[7] De UBO dient aan te tonen dat van één van de navolgende gevallen sprake is: blootstelling aan een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie, minderjarigheid of andersoortige handelingsonbekwaamheid.

[8] Ingevolge artikel 47 Handelsregisterwet 2007 jo. artikel 2, lid 4, en 6, lid 1, onderdeel 5 WED.

[9] Voorgesteld Artikel 47a Handelsregisterwet 2007.

[10] Voorgesteld artikel 10b, lid 1, Wwft.

[11] Voorgesteld artikel 10b, lid 2, Wwft.

[12] Inzake de terugmeldplicht krijgen de Wwft-toezichthouders de bevoegdheid om hun handhavingsinstrumentarium in te zetten wanneer zij een overtreding van deze terugmeldplicht door een onder hun toezicht staande Wwft-instelling constateren. Dat instrumentarium bestaat uit het opleggen van een bestuurlijke boete of last onder dwangsom of het geven van een aanwijzing. In artikel 13 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector zal hiervoor de boetecategorie worden vastgesteld.

[13] Voorgesteld artikel 10c Wwft.

[14] Artikel 1, onderdeel 2° juncto artikel 2, eerste lid, van de WED. Vreemd genoeg levert het opzettelijk niet registreren van UBO-informatie geen misdrijf op.

[15] Artikel 6 lid 1, onderdeel 2 van de WED.

[16] Artikel 6 lid 1, onderdeel 5 van de WED.

[17] Voorgesteld artikel 10c, lid 1, Wwft.

[18] Voorgesteld artikel 3, lid 15, Wwft.

Doorhaling voor accountant die een lening en frauduleuze adviezen versterkt aan frauderende cliënt

Betrokkene heeft als accountant werkzaamheden verricht voor een DGA en de met diens verbonden vennootschappen. Tot deze vennootschappen behoort een bv (hierna: BV1), alsook een commanditaire vennootschap (hierna: de cv). Op meerdere momenten in 2012 en 2013 heeft betrokkene geld uitgeleend aan de dga tot een totaalbedrag van € 85.000. Dienaangaande is achteraf een contract opgesteld op grond waarvan betrokkene een pandrecht heeft bedongen op onder andere goederen van BV1 en rente over de verschuldigde som.

Naar aanleiding van het faillissement van de cv is de Belastingdienst een boekenonderzoek gestart waarin het concludeert dat zich voorafgaand aan het faillissement een aantal transacties hebben voorgedaan waardoor schuldeisers van de gefailleerde mogelijk benadeeld zijn. De curator heeft aangifte gedaan van een vermoeden van faillissementsfraude. Deze aangifte heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD. In het kader van dat onderzoek heeft een huiszoeking plaatsgevonden in de woning van betrokkene.

In navolging op het strafrechtelijk onderzoek heeft het Openbaar Ministerie – op 24 september 2018 – een klacht ingediend tegen betrokkene bij de Accountantskamer. Deze klacht splitst zich op in een drietal onderdelen. In klachtonderdeel a wordt betrokkene verweten dat hij de beginselen van professioneel gedrag en objectiviteit heeft geschonden door geldleningen te verstrekken aan BV1. Voorts wordt betrokkene in klachtonderdeel b verweten onvoldoende professioneel gedrag en zorgvuldigheid te hebben betracht bij het opmaken van vier salarisstroken en het verlonen van beweerd overwerk. Tot slot behelst klachtonderdeel c dat betrokkene de DGA heeft geadviseerd over potentieel frauduleuze handelingen en/of vermoedelijke faillissementsfraude.

De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene, toen hij de betreffende overeenkomst van geldlening aanging, onvoldoende maatregelen heeft genomen ter waarborging van zijn objectiviteit. Met de afgesloten levensverzekering en het bedingen van een pandrecht en rente, heeft betrokkene niet zo zeer zijn objectiviteit ten opzichte van zijn cliënt gewaarborgd, als wel zijn eigen financiële belangen gediend. Uit niets blijkt dat betrokkene zich heeft gerealiseerd dat er een bedreiging van zijn objectiviteit was, laat staan dat gebleken is dat hij waarborgen heeft getroffen om de bedreiging van zijn objectiviteit als accountant weg te nemen dan wel om deze tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Betrokkene heeft hiermee in strijd gehandeld met het beginsel van objectiviteit, waardoor klachtonderdeel a in zoverre gegrond is.

De Accountantskamer acht het in het kader van de ontvankelijkheid van klachtonderdeel b aannemelijk dat het boekenonderzoek door de Belastingdienst vóór 24 september 2015 is afgerond. Gezien de hechte samenwerking tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie moet de kennis waarvan destijds sprake was bij de Belastingdienst aan het Openbaar Ministerie worden toegerekend. Gelet hierop is niet binnen drie jaar nadat klager redelijkerwijs het tuchtrechtelijk handelen had kunnen constateren geklaagd, waardoor klachtonderdeel b niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien van klachtonderdeel c stelt de Accountantskamer vast dat bij de doorzoeking van de woning van betrokkene een aantal handgeschreven notities van betrokkene is aangetroffen. Uit deze notities komt het beeld naar voren dat betrokkene geadviseerd heeft over potentieel frauduleus handelen, waardoor schuldeisers van de cv benadeeld zouden kunnen worden. Betrokkene heeft dit beeld niet kunnen corrigeren.

De Accountantskamer komt dan ook tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat betrokkene zich ongepast heeft laten beïnvloeden door de wens van zijn cliënt om met een (gefingeerde) tegenvordering de rekening-courantschuld van zijn cliënt aan de cv te verminderen. Daardoor heeft betrokkene evenmin eerlijk en oprecht opgetreden. Aldus heeft betrokkene in strijd met de beginselen van integriteit en objectiviteit gehandeld. Klachtonderdeel c is naar het oordeel van de Accountantskamer daarom gegrond.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van drie maanden passend en geboden.

De Accountantskamer 8 april 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:25.

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TACAKN_2019_25

Hoger beroep Openbaar Ministerie ongegrond, nu niet is gebleken dat RA belastingfraude heeft gefaciliteerd

Betrokkene is werkzaam als registeraccountant. Op 10 januari 2013 werd op de bankrekening van een cliënt van betrokkene een bedrag van ruim € 403.000 bijgeschreven. Dit bedrag is afkomstig van een Belgische bankrekening van de moeder van de cliënt. Over de titel (schenking of lening) waaronder het bedrag werd overgemaakt, is onduidelijkheid ontstaan.

In 2016 is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart naar het handelen van de cliënt en het handelen van betrokkene. Het Openbaar Ministerie (hierna: appellant) heeft naar aanleiding van dit onderzoek een klacht ingediend tegen betrokkene bij de Accountantskamer. Aan deze klacht ligt onder meer het verwijt ten grondslag dat betrokkene zijn cliënt in verregaande mate heeft gefaciliteerd bij het plegen van belastingfraude.

In eerste aanleg heeft de Accountantskamer de klacht op andere onderdelen deels gegrond verklaard. Voor zover de klacht zag op schending van het fundamentele beginsel van integriteit, verklaarde de Accountantskamer haar ongegrond. Tegen deze beslissing van de Accountantskamer heeft appellant hoger beroep aangetekend.

In hoger beroep betoogt appellant dat altijd sprake is geweest van een schenking en door betrokkene achteraf het beeld is gecreëerd dat er reeds bij de overboeking sprake was van een lening. Om die fiscale schijnwerkelijkheid kracht bij te zetten heeft betrokkene documenten gemanipuleerd en ter overtuiging aan de Belastingdienst overgelegd. Daarnaast zijn door of onder verantwoordelijkheid van betrokkene belastingaangiften ingediend die zijn gebaseerd op deze onjuiste voorstelling van zaken. Uit deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat sprake is van een achteraf gecreëerde fiscale schijnrealiteit. Hiermee heeft betrokkene het fundamentele beginsel van integriteit met voeten heeft getreden, aldus appellant.

Het College volgt appellant niet. Daarbij stelt het College voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene zijn cliënt al meerdere jaren voorzag van financieel advies op het gebied van Estate planning. Ook is niet in geschil dat het relatief gebruikelijk is dat wanneer ouders geld overmaken naar kinderen, wordt gezocht naar de fiscaal meest gunstige constructie. De constructie van een lening, waarbij de afgesproken terugbetalingen vervolgens periodiek worden kwijtgescholden, betreft ook volgens de verklaring van appellant ter zitting normaliter een legitieme transactie.

Het College waardeert de ‘bewijsstukken’ van appellant anders, omdat daaruit niet blijkt of het de bedoeling van moeder en zoon was om het geldbedrag als schenking aan te merken. Ook het gegeven dat de cliënt achteraf (middels een transactie met het OM) alsnog akkoord is gegaan met het aanmerken van het geldbedrag als schenking acht het College in dit verband niet van belang. Het gaat in deze zaak om de handelwijze van betrokkene in de periode januari 2013 tot medio/eind 2015. De fiscale afwikkeling dateert van geruime tijd daarna. Ook is onduidelijk wat de beweegredenen van de cliënt waren om akkoord te gaan met een transactie. Die transactie is op zichzelf genomen onvoldoende om aan te nemen dat van meet af aan duidelijk was dat sprake was van een schenking.

Dat betrokkene achteraf documenten heeft gemanipuleerd, met als doel om zijn cliënt te faciliteren bij het plegen van belastingfraude, is eveneens onvoldoende komen vast te staan. De resultaten van het door de Belastingdienst/Douane (team Documentenonderzoek) in november 2106 uitgevoerde forensische onderzoek naar de handgeschreven notities zijn daarvoor niet eenduidig genoeg.

Dat appellant heeft gehandeld in strijd met het beginsel van integriteit, dan wel dat hij zijn cliënt opzettelijk zou hebben gefaciliteerd bij het plegen van belastingfraude, is dan ook niet gebleken. De grief slaagt niet.

In de tweede grief betoogt appellant dat de hoogte van de opgelegde maatregel van berisping in geen geval recht doet aan de feiten en verzoekt appellant om oplegging van de maatregel van een (tijdelijke) doorhaling. Het College acht de door de Accountantskamer opgelegde maatregel van berisping evenwel passend en geboden. Voor een verdergaande maatregel ziet het College gelet op de voorgaande overwegingen geen aanleiding.

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:137.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2019:137