Categorie: Wwft & tuchtrecht

BFT beoordeelt risicobeleid (middel)grote belastingadvieskantoren

Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) voert toezicht uit op de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) bij onder meer accountants- en belastingadvieskantoren. Op 13 maart 2020 publiceerde BFT het jaarverslag over 2019. Daarin staat dat het BFT het risicobeleid en –management van belang vindt voor de correcte naleving van de Wwft. Om die reden is in 2019 van 26 (middel)grote accountantskantoren het risicobeleid en –management opgevraagd en beoordeeld. Voor 2020 kondigt het BFT aan dat het een zelfde beoordeling zal uitvoeren bij nog eens 20 (middel)grote belastingadvieskantoren.

Aandachtspunten risicobeleid en -management

De heer Dirk Kolkman, Wwft-toezichthouder bij het BFT, zegt hierover in een interview met de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs: “‘we hebben een selectie gemaakt van 20 middelgrote en grote kantoren: een mix van Zuidas-, zelfstandige en niche-kantoren. Die vragen we om ons inzage te geven in hun Wwft-beleid en de daarbij horende procedures. We komen niet op bezoek; alles gaat schriftelijk. De brieven zijn na Pasen verstuurd; de kantoren hebben zeker een maand de tijd om te reageren. Wij van onze kant geven per kantoor een terugkoppeling wat goed is en wat beter zou kunnen.”

Inmiddels blijkt dat de brieven op 16 april 2020 verzonden zijn en dat een reactietermijn van zes weken geboden wordt.

Blijkens het jaarverslag let het BFT bij de beoordeling in ieder geval op de volgende punten:

  • het risicobeleid en -management moet zijn opgesteld op basis van de meest recente Wwft-wettekst en wordt regelmatig geactualiseerd;
  • het risicobeleid en – management dient voldoende concreet en uitvoerbaar te zijn;
  • het risicobeleid geeft inzicht in risicovolle cliënten en transacties, zowel ten tijde van het aangaan als gedurende de cliëntrelatie;
  • het risicomanagement bevat handvatten voor de medewerkers van de ondertoezichtstaande om een hoger risico te mitigeren.

Textielfabrikant krijgt Wwft-boete voor niet-uitgevoerde cliëntcontroles

De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme geldt ook voor handelaren die contante verkopen van ten minste € 15.000 verrichten (per 25 juli 2018 geldt dit voor contante betalingen voor een bedrag van € 10.000 of meer). Een textielfabrikant die afnemers heeft waaraan dergelijke contante verkopen plaatsvinden, zal voor die afnemers cliëntcontrole moeten verrichten voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie.

West-Afrika

Op 16 april 2020 maakte het Openbaar Ministerie bekend dat een textielfabrikant een strafrechtelijke transactie van € 205.000 heeft betaald voor het niet verrichten van cliëntcontroles bij 20 afnemers. Aan deze afnemers hadden in de jaren 2014 tot en met 2017 meer dan 1.300 contante verkopen plaatsgevonden van elk meer dan € 15.000. Met deze contante verkopen was een totaalbedrag van ruim € 63 miljoen gemoeid.

Het betrof stoffen voor de West-Afrikaanse markt en afnemers in landen als Benin, Nigeria, Togo, Ghana, Ivoorkust en Congo. Van deze landen staan Nigeria en Ghana op dit moment op de EU-lijst van landen met een hoog risico op witwassen of terrorismefinanciering. Alle vermelde landen hebben een CPI-score van (ruim) onder de 60. Deze vermelding en CPI-score is in het algemeen aanleiding voor een verscherpt cliëntenonderzoek.

Zelfmelding

De betrokken fabrikant was door zijn accountant in het voorjaar van 2017 op de Wwft-verplichtingen gewezen. Het bedrijf had zich daarna zelf gemeld bij het Bureau Financieel Toezicht en het OM, waarna de FIOD onderzoek heeft gedaan. Uit het onderzoek van de FIOD volgt niet dat er aanwijzingen bestaan op basis waarvan de fabrikant had moeten veronderstellen dat de contante betalingen verband hielden met witwassen of terrorismefinanciering.

Uit het onderzoek is gebleken dat inmiddels de interne procedures binnen het bedrijf is aangepast, zodat dit aan zijn Wwft verplichtingen voldoet en zelfs meer lijkt te doen dan dat de Wwft voorschrijft. Daarnaast heeft het OM bij de afdoening meegewogen dat de fabrikant niet eerder is vervolgd, zich zelf heeft gemeld, alle nodige informatie heeft verstrekt en aan het onderzoek heeft meegewerkt. Alles overwegende, vindt het OM een transactie van € 205.000 passend.

https://www.om.nl/actueel/nieuws/2020/04/16/textielfabrikant-vlisco-betaalt-205.000-euro-voor-niet-naleven-wwft

Internetconsultatie Implementatiewet UBO-register voor trusts

Op 17 april 2020 is de ‘Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies’ in consultatie gegeven. Er kan tot 15 mei 2020 worden gereageerd op het gepubliceerde concept wetsvoorstel en de bijbehorende memorie van toelichting.

Achtergrond

Het wetsvoorstel geeft uitvoering aan artikel 31 van de gewijzigde vierde EU-anti-witwasrichtlijn. In artikel 30 van die richtlijn is de verplichting opgenomen voor EU-lidstaten om een UBO-register voor vennootschappen te realiseren. Dit wetsvoorstel ligt thans bij de Eerste Kamer. Artikel 31 van de richtlijn creëert een soortgelijke verplichting voor trusts en daarop lijkende constructies. Het trust-UBO-register had op 10 maart 2020 al gerealiseerd moeten zijn.

De hoofdlijnen van het concept wetsvoorstel

Het wetsvoorstel bepaalt dat uiteindelijk belanghebbenden van trusts in het Nederlandse register moeten worden opgenomen in twee situaties. De eerste situatie is dat de trustee in Nederland woonachtig of gevestigd is. De tweede situatie is dat de trust in Nederland een zakelijke relatie aangaat of onroerend goed verwerft. Registratie hoeft niet plaats te vinden indien de trust al in een register in een ander EU-land is opgenomen.

Nederland kent, zoals veel andere EU-landen, niet de rechtsfiguur van de trust. Als ‘soortgelijke juridische constructie’ is in Nederland het fonds voor gemene rekening aangemerkt. Dergelijke fondsen zullen zich op grond van het wetsvoorstel dus moeten registreren. Soortgelijke juridische constructies uit andere landen zijn bijvoorbeeld: fiducie, fideï-commis of de Maltezer Foundation.

Het concept wetsvoorstel bevat overeenkomsten met het voorgestelde UBO-register voor vennootschappen. Zo wordt het register bijgehouden door de Kamer van Koophandel. Een aantal gegevens uit het register zal voor iedereen toegankelijk zijn, waaronder de naam en het doel van de trust en de naam, het geboortejaar, de geboortemaand, de woonstaat en de nationaliteit van de UBO’s. Afschriften van documenten die aan de Kamer van Koophandel dienen te worden verstrekt, zijn alleen voor bepaalde bevoegde autoriteiten toegankelijk; meldingsplichtige instellingen behoren daar niet toe.

Terugmeldverplichting en handhaving

Zowel bevoegde autoriteiten als meldingsplichtige instellingen krijgen een terugmeldverplichting als zij discrepanties constateren tussen wat in het register staat en hetgeen zij zelf aantreffen. Bevoegde autoriteiten mogen hun terugmeldverplichting opschorten indien hun taken hierdoor doorkruist zouden worden, bijvoorbeeld bij een lopend onderzoek.

De handhaving van de diverse verplichtingen uit hoofde van het UBO-register voor trusts wordt duaal vormgegeven: bestuursrechtelijk en strafrechtelijk. Het niet (tijdig) registreren van gegevens in het register door de trustee wordt in strafrechtelijke zin als een overtreding aangemerkt. Niet-nakoming van enkele andere verplichtingen wordt, indien opzettelijk gepleegd, als misdrijf aangemerkt. Dit betreft onder meer de volgende verplichtingen: het inwinnen van toereikende, accurate en actuele informatie, de terugmeldverplichting voor Wwft-instellingen en de verplichting om het unieke registratienummer van de trust te vermelden op schriftelijke uitingen namens de trust.

Inwerkingtreding

Na afsluiting van de consultatie wordt het wetsvoorstel gefinaliseerd en ingediend bij de Tweede Kamer. Indien tot wet verheven, ontstaat voor trustees de verplichting om binnen een week de benodigde gegevens te laten registreren. Voor de eerste registratie is deze inschrijvingstermijn verlengd tot drie maanden, aangezien Nederland tot nu toe geen vergelijkbaar register kent.

https://www.internetconsultatie.nl/ubotrust

Kabinet neemt maatregelen om kwaliteit accountantscontroles te verbeteren

In een brief van 20 maart 2020 reageert de Minister van Financiën op het rapport van de Commissie toekomst accountancysector (Cta), getiteld ‘Vertrouwen op controle’. Volgens de minister heeft accountancysector in de afgelopen jaren duidelijk stappen gezet om te zorgen voor een meer op kwaliteit gerichte cultuur. Desalniettemin is deze kwaliteitsverhoging nog onvoldoende gerealiseerd en gewaarborgd. Dus komt er een pakket aan maatregelen.

Zo krijgen de (20) grotere accountantskantoren verplicht een raad van commissarissen en wordt overwogen om het interne toezichtsorgaan enkele nieuwe rechten te geven zoals het goedkeuren van grote investeringen en het voorzien in een rol bij het vaststellen van winstuitkering.

Daarnaast komen er maatstaven om de kwaliteit van controles objectief te meten (de zogenaamde audit quality indicators). Aan de hand van deze criteria dienen accountantsorganisaties te rapporteren over de kwaliteit van de door hen uitgevoerde controles.

Ook zal in de toekomst het toezicht op de accountants geheel bij de AFM komen te liggen. De Minister merkt op dat het in dat licht “belangrijk [is] om het wettelijk handhavingsinstrumentarium aan te scherpen, zodat de AFM de juiste middelen heeft om het toezicht uit te oefenen.

De minister zal een onafhankelijk persoon benoemen als ‘kwartiermaker’ om de voortgang van maatregelen te stimuleren, aanjagen en bewaken.

Enkele van de voorgenomen maatregelen ter verbetering van de wettelijke controle vereisen aanpassing van wet- en regelgeving. De Minister streeft er naar deze wijzigingen zo spoedig mogelijk in te dienen.

https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2020/03/20/kabinet-neemt-maatregelen-om-kwaliteit-accountantscontroles-te-verbeteren

Jaarverslag BFT gepubliceerd: meer meldingen en meer bewustwording voor de Wwft

Werkwijze BFT

Rond de 50.000 instellingen vallen onder het Wwft-toezicht van het BFT. Gezien het grote aantal ondertoezichtstaanden en de beperkte capaciteit van de afdeling Wwft, is daadwerkelijk direct toezicht op alle betrokkenen onmogelijk. Het BFT werkt dan ook samen met zogenoemde ketenpartners zoals de RB en de SRA. BFT besteedt veruit het grootste deel van zijn onderzoekscapaciteit aan bijzondere onderzoeken, die geselecteerd worden op basis van risicoanalyse.

Aandachtspunten voor risicobeleid en -management – pijlers gericht op 20 advieskantoren

Het BFT vindt het risicobeleid en -management van groot belang voor de correcte naleving van de Wwft. Het BFT heeft daarom in 2019 van 26 (middel)grote accountantskantoren het risicobeleid en -management opgevraagd en beoordeeld. Volgens het BFT dient het risicobeleid en -management in ieder geval te voldoen aan de volgende vereisten:

  • het risicobeleid is opgesteld op basis van de meest recente Wwft wettekst, wordt regelmatig geactualiseerd en is voldoende concreet en uitvoerbaar;
  • het risicobeleid geeft inzicht in risicovolle cliënten en transacties, zowel ten tijde van het aangaan als gedurende de cliëntrelatie;
  • wanneer sprake is van een hoger risico op witwassen en/of financieren van terrorisme moet de Wwft-plichtige maatregelen nemen om deze risico’s te mitigeren;
  • het risicomanagement bevat handvatten voor de medewerkers van de Wwft-plichtige om een hoger risico te mitigeren.

In het jaarverslag kondigt het BFT aan dat het in 2020 het risicobeleid en -management zal opvragen bij een twintigtal (middel)grote belastingadvieskantoren.

Vooral bij de kleine en eenmansadministratiekantoren merkt het BFT dat kennis omtrent de Wwft veelal ontbreekt. Net als bij de notarissen geldt dat bij de (kleine) administratiekantoren het steeds moeilijker wordt te voldoen aan alle onderzoekseisen die gedaan moeten worden vanuit de poortwachtersrol en de verplichtingen die daartoe zijn vastgelegd in de Wwft. Het BFT gaat deze kantoren van extra informatie voorzien.

Stijging meldingen accountants en notarissen: Bewustwording neemt toe

In 2019 hebben de Wwft-instellingen die onder toezicht staan van het BFT in totaal 5.045 meldingen van ongebruikelijke transacties gedaan bij de FIU-Nederland. In 2018 waren dat slechts 3.085. Van de meldingen bij de FIU-Nederland in 2019 zijn 3.869 meldingen (76,6% van het totaal) gedaan op grond van de subjectieve indicator.

Accountantskantoren hebben veruit de meeste meldingen gedaan (3.444), gevolgd door notariskantoren (1317) en belastingadvies-/administratiekantoren (284).

Bij zowel de accountants- als de notariskantoren is een significante stijging van het aantal meldingen zichtbaar ten opzichte van 2018. Voor de belastingadvies- en administratiekantoren geldt dat het aantal meldingen gelijk is gebleven. De bewustwording over de verplichtingen die voortvloeien uit de Wwft lijkt derhalve met name bij de accountants- en de notariskantoren in 2019 te zijn toegenomen.

Handhavende maatregelen

Het BFT heeft in 2019 in totaal 69 keer handhavingsmaatregelen opgelegd aan Wwft-plichtige:

  • 22 aanwijzingen
  • 20 boetes
  • 13 last onder dwangsom
  • 2 strafrechtelijke aangiftes

De handhavingsmaatregelen zijn opgelegd wegens onvoldoende cliëntenonderzoek (39%) het niet nakomen van de meldingsplicht (35%) en het niet op orde hebben van de procedures en opleidingsverplichting (26%). Uit het verslag blijkt verder dat het BFT geen tuchtklachten heeft ingediend waarbij (uitsluitend) het niet nakomen van de Wwft-regelgeving aan de orde was.

https://www.bureauft.nl/2020/03/13/persbericht-jaarverslag-bft-2019/

College van Beroep voor het Bedrijfsleven laat DNB-boetes voor Wwft-overtredingen in stand

Op 3 maart 2020 deed het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) uitspraak in een zaak van een betaaldienstverlener over de aan haar door DNB opgelegde boetes van in totaal € 120.000 voor onder andere het niet beschikken over een onafhankelijke compliance functie (in het kader van de Wet op het financieel toezicht) en overtredingen van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) in de jaren 2012, 2013 en 2014.

Ten aanzien van de Wwft waren bij het CBb nog de boetes aan de orde voor tekortschietende naleving van de verplichting tot cliëntmonitoring (artikel 3 Wwft) en voor de tekortschietende naleving van de opleidingsverplichting (art. 35 Wwft).

Cliëntmonitoring

DNB had in drie van de zeven onderzochte cliëntdossiers tekortkomingen geconstateerd. Bij aanvang van de relatie was geen schriftelijk risicoprofiel van de cliënt vastgelegd in het dossier. In de overige onderzochte dossiers was de risico-indeling niet uitgevoerd op basis van de juiste indicatoren, te weten de criteria die in het Handboek KYC van de instelling waren opgenomen en die betrekking hadden op de Wwft. Als niet duidelijk is waarom tot een bepaalde categorisering is gekomen, is ook niet duidelijk welke specifieke risico’s (vooral) van belang zijn in het kader van de door de instelling te verrichten controles in het kader van de naleving van de Wwft.

Volgens de instelling had zij wel aan haar verplichting voldaan. Zij stelde dat de cliëntmonitoring een open norm is en dat het aan de instelling is om te bepalen hoe hier invulling aan wordt gegeven. De Wwft schrijft volgens de instelling alleen voor tot welk resultaat het onderzoek moet leiden. Zij voegde daaraan toe dat in de periode 2012 tot en met 2014 de instellingen en de toezichthouders de Wwft anders invulden dan tegenwoordig.

Het CBB is het niet met de instelling eens. Het kunnen uitoefenen van “een voortdurende controle” veronderstelt dat de instelling de relevante gegevens met betrekking tot het risicoprofiel heeft vastgelegd. De boete blijft daarom in stand.

Opleidingsverplichting

De instelling betoogde dat zij een introductiecursus over de Wwft gaf aan nieuwe medewerkers, dat er do’s en don’t op het intranet stonden, dat er sprake was van ‘training on the job’ door koppeling van senior aan junior medewerkers en dat er regelmatig concrete zaken tijdens het werkoverleg werden besproken. Van de introductiecursus had de instelling echter geen slides of ander cursusmateriaal overlegd. Van overige (interne) cursussen was ook niet gebleken. Het intranet en het werkoverleg kunnen wat DNB betreft niet als (periodieke) opleiding worden gezien.

Ook hier waren de rechtbank en het CBb het met DNB eens. Het feit dat de compliance manager wel periodieke opleidingen had genoten deed hier niet aan af. Ook bij rechtbank en het CBb leverde de instelling geen verdere ondersteuning van haar stellingen omtrent het gebruikte introductiemateriaal, de interne procedures, de (herzieningen van) do’s en don’ts lijsten en ‘training on the job’. Ook voor deze overtreding liet het CBb de boete dus in stand.

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 3 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:120

Een waarschuwing voor twee accountants die de toegang tot de tuchtrechter hebben belemmerd

Twee registeraccountants wordt onder andere verweten dat zij de toegang tot de tuchtrechter hebben belemmerd, omdat zij voor aanvaarding van een controleopdracht de voorwaarde hebben gesteld dat zij door de opdrachtgeefsters zullen worden gevrijwaard van alle kosten van een tuchtrechtelijke procedure. De betreffende vrijwaringsclausule luidt als volgt:

“(…) You both,   [NV1] and [X] Beheer B.V., jointly award this engagement tot [accountantskantoor1] N.V., which means that you both, jointly and severally shall indemnify [accountantskantoor1] N.V. against any and all claims of third parties and/or any and all costs related tot civil or disciplinary action arising from or connected tot he performance of our engament.(…)”

Bij de beantwoording van de vraag of de betrokkenen hiermee tuchtrechtelijk laakbaar hebben gehandeld, stelt de Accountantskamer voorop dat een accountant zich in het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep altijd toetsbaar moet opstellen. Een accountant dient zich dan ook te onthouden van het uitoefenen van druk om geen tuchtklacht tegen hem in te dienen.

Aangenomen moet worden dat een vrijwaring voor alle kosten van een tuchtrechtelijke procedure in het algemeen als een drempel voor het indienen van een tuchtklacht wordt ervaren. In dit geval ziet de vrijwaringsclausule niet alleen op klachten ingediend door derden, maar heeft zij ook betrekking op klachten van de opdrachtgeefsters zelf. Dit betekent dat als de opdrachtgeefsters een tuchtklacht zouden willen indienen, zij verplicht zouden kunnen zijn om de (niet onaanzienlijke) advocaatkosten van betrokkenen te betalen, waarbij de hoogte van de advocaatkosten bovendien buiten hun invloedssfeer ligt. Dit vormt een niet toegestane drempel voor het indienen van een tuchtklacht door de opdrachtgeefsters. Dat zou onder omstandigheden anders kunnen zijn bij klachten van derden. Dat in dit geval sprake was van een “conflict-gebonden opdracht”, waardoor het risico op een klacht van één van de opdrachtgeefsters mogelijk groter was, maakt dat niet anders. Ook in een dergelijke situatie kan van een accountant worden verlangd dat hij verantwoording aflegt voor zijn handelen en mag hij geen drempels opwerpen.

Hoewel klaagster vanwege de voorwaarden de controleopdracht niet heeft verstrekt, waardoor zij niet is gebonden aan de vrijwaringsclausule, neemt dat niet weg dat betrokkenen deze vrijwaringsclausule wel als (noodzakelijke) voorwaarde aan klaagster hebben voorgehouden. Naar het oordeel van de Accountantskamer hadden zij zich daarvan dienen te onthouden, omdat dit voorstel – indien aanvaard – zou hebben kunnen leiden  tot  (ontoelaatbare) druk op klaagster om van een klacht af te zien. Door zo te willen contracteren hebben betrokkenen gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep (artikel 42 lid 1 sub b Wab). Het klachtonderdeel is hierom gegrond.

De overige 9 klachtonderdelen zijn niet-ontvankelijk, dan wel ongegrond. De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer van gewicht geacht dat betrokkenen toetsing door de tuchtrechter van hun handelen hebben willen bemoeilijken. Anderzijds is meegewogen dat betrokkenen niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2020/ECLI_NL_TACAKN_2020_14?DomeinNaam=accountants&Pagina=2&ItemIndex=12

Registeraccountant verstrekt onjuiste en privacygevoelige informatie aan de Belastingdienst

Klaagster is verwikkeld in een geschil met haar familie over de erfenis van haar moeder, die in 2012 is overleden. De zus en halfbroer van klaagster wonen in Duitsland en zijn executeur-testamentair in de erfenis. Ook hun moeder woonden in Duitsland.

Medio 2015 is betrokkene, een registeraccountant, door hen gevraagd bij de Belastingdienst te informeren of het erfdeel van hun moeder in Nederland werd belast. Zij hebben betrokkene in verband daarmee bij brief van 5 juni 2015 alle informatie die zij over klaagster hadden ter beschikking gesteld. Op 25 juni 2015 heeft betrokkene de Belastingdienst verzocht een beschikking af te geven over het heffen van erfbelasting. De brief van de zus en halfbroer van 5 juni 2015 heeft betrokkene als bijlage aangehecht. In reactie daarop heeft de Belastingdienst betrokkene laten weten dat er in Nederland geen erfbelasting wordt geheven over de nalatenschap van de moeder.

Klaagster verwijt betrokkene onder meer dat hij over haar heeft gecorrespondeerd met de Belastingdienst en hij daarbij onjuiste informatie heeft verstrekt. Volgens klaagster heeft betrokkene in zijn brief aan de Belastingdienst ten onrechte de suggestie gewekt dat zij belastingschulden heeft, terwijl dat niet aan de orde is. In de betreffende brief heeft betrokkene de volgende passage opgenomen:

“Bovenstaande document is van belang in verband met de aansprakelijkheid van testament-executeurs voor belastingschulden van de in Nederland woonachtige zus.”

Betrokkene heeft op de zitting verklaard dat hij daarmee niet de suggestie heeft willen wekken dat klaagster schulden heeft aan de Belastingdienst. Volgens hem is het duidelijk dat hiermee alleen de eventueel te betalen erfbelasting wordt bedoeld.

De Accountantskamer volgt betrokkene niet in zijn verweer. In de eerste plaats maakt de brief melding van belastingschulden, hetgeen suggereert dat het niet enkel om erfbelasting zou gaan. Ook geeft de betreffende alinea, gelezen in samenhang met de bijgevoegde brief van de zus en halfbroer, waarin melding wordt gemaakt van een deurwaarder die bij klaagster zou zijn geweest, verschillende gerechtelijke procedures en een Spaanse bank, een bepaald beeld van klaagster.

Op de zitting heeft betrokkene erkend dat het verstandiger zou zijn geweest als hij deze brief niet had meegestuurd. Achteraf bezien was dat niet nodig, terwijl hij daarmee wel ongevraagd privé-gegevens van klaagster aan de Belastingdienst heeft prijsgegeven.

De klacht is dan ook gegrond. Door ongevraagd persoonlijke gegevens van klaagster aan de Belastingdienst te overleggen in de wetenschap dat deze gegevens voor de beoordeling van de aanvraag niet van belang zijn, heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid. Daar komt bij dat klaagster geen klant van betrokkene was en hij wist dat er onenigheid bestond tussen haar en haar familie. De Accountantskamer acht hiervoor de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2020/ECLI_NL_TACAKN_2020_24

Waarschuwing voor gepensioneerde registeraccountant

Tussen klaagsters en een administratiekantoor is een geschil ontstaan over de door het administratiekantoor gefactureerde bedragen. In een civiele procedure vordert het administratiekantoor dat klaagsters worden veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen.

In hoger beroep heeft Hof Den Bosch betrokkene als deskundige benoemd om onderzoek te doen naar een aantal specifieke vragen met betrekking tot de openstaande facturen. Betrokkene brengt vervolgens een rapport uit, waarover klaagsters stellen dat het door hem uitgevoerde onderzoek ondeugdelijk was.

De Accountantskamer verwerpt het verweer van betrokkene dat de klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij zich per 1 januari 2020 uit het register van de Nba heeft laten uitschrijven als registeraccountant. De gedragingen van betrokkene waarop de klacht betrekking heeft, hebben immers plaatsgevonden gedurende de tijd dat hij nog wel als registeraccountant stond ingeschreven. Hierdoor is betrokkene ook nu nog voor die gedragingen onderworpen aan de tuchtrechtspraak.

De stelling van betrokkene dat klaagsters door zijn uitschrijving als registeraccountant geen belang meer hebben bij de beoordeling van hun klacht, omdat een eventuele geldboete toevalt aan de staat en de overige maatregelen betrokkene niet meer zouden kunnen raken, treft eveneens geen doel. Voor het indienen van een klacht is een (persoonlijk) belang van een klager niet vereist.

Voorts acht de Accountantskamer de klacht gegrond, omdat de accountant zijn bevindingen en conclusies in het deskundigenbericht volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd. Betrokkene heeft niet uitgelegd welke werkzaamheden hij heeft verricht en hij heeft ook niet vermeld welke stukken hij in zijn onderzoek heeft betrokken. Hierdoor mist het deskundigenbericht een deugdelijke grondslag.

Daarmee heeft betrokkene in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid (artikel 2 onder d. van de VGBA). De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat de tekortkomingen in het rapport ook al in het conceptrapport stonden. Doordat klaagsters geen inhoudelijke reactie op het conceptrapport hebben gegeven, heeft betrokkene deze tekortkomingen niet kunnen herstellen in zijn eindrapport.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2020/ECLI_NL_TACAKN_2020_21

Minister reageert op vragen van de Eerste Kamer over het UBO-register

Op 17 februari 2020 heeft minister van financiën Hoekstra zijn Memorie van Antwoord naar de Eerste Kamer gestuurd. Daarin beantwoordt hij vragen die de Kamerleden over het UBO-register hadden gesteld. Hieronder worden enkele punten vermeld die door de minister zijn verduidelijkt.

Samenhang UBO-register en Wwft

Voor Wwft-instellingen was onduidelijk of zij in de eerste 18 maanden na de inwerkingtreding van het UBO-register al een terugmeldverplichting hebben. De minister verduidelijkt nu dat dat alleen zo is als de cliënt van de Wwft-instelling al in het UBO-register is opgenomen. Als de cliënt zich gedurende de overgangsperiode van 18 maanden nog niet heeft geregistreerd in het UBO-register, dan is er geen terugmeldverplichting voor de Wwft-instelling.

Verduidelijkt wordt verder dat, ingeval een bestuur van een rechtspersoon als ‘pseudo-UBO’ wordt aangemerkt, het gehele bestuur geregistreerd dient te worden. De minister ziet geen reden om onderscheid te maken tussen de diverse bestuurders. Ook voor de Wwft zal dit worden verduidelijkt.

Beursgenoteerde vennootschappen en hun 100% groepsvennootschappen hoeven geen UBO’s te registreren. Ook onder de Wwft hoeft van dergelijke vennootschappen geen UBO te worden geregistreerd.

Meer in zijn algemeenheid wil de minister discrepanties voorkomen tussen UBO-definities voor het UBO-register en voor de Wwft. Hij laat daarom weten dat de Kamer van Koophandel voorlichting zal gaan ontwikkelen om de UBO te bepalen, en dat daarbij Wwft-instellingen betrokken zullen worden.

Overgangsperiode

Een kwalificerende rechtspersoon dient zich binnen 18 maanden na inwerkingtreding van de wet in het UBO-register te registreren. Als zich voorafgaand aan die registratie een UBO-wijziging heeft voorgedaan, behoeft deze niet gemeld te werden. Alleen UBO-wijzigingen na het moment van eerste registratie dienen aan de Kamer van Koophandel te worden doorgegeven.

Verder gaat de minister in op de hernieuwde inschrijvingsplicht die gaat gelden voor bepaalde ondernemingen van (personen)vennootschappen die weliswaar naar Nederlands recht zijn opgericht maar geen onderneming in Nederland (meer) drijven. Omdat het UBO-register uitgaat van het oprichtingscriterium, en het UBO-register in Nederland wordt gekoppeld aan het handelsregister, zullen deze vennootschappen zich opnieuw in het handelsregister moeten inschrijven. Zij zullen hiertoe door de Kamer van Koophandel worden aangeschreven. Overigens geldt het UBO-register ook voor buitenlandse vennootschappen die hun zetel naar Nederland verplaatsen, aangezien zij zich ook in het Nederlandse handelsregister dienen te registreren. Voor die vennootschappen maakt het dus niet uit dat zij niet naar Nederlands recht zijn opgericht.

Donatieregister voor stichtingen

Een onderwerp dat in de Eerste Kamer de nodige vragen opriep was de verplichting voor stichtingen om een register bij te houden van donaties van minder dan 25% van het in een jaar voor uitkering beschikbare bedrag. Deze donaties dienen voortaan in een administratief register te worden bijgehouden (art. 2:290 BW). De minister verduidelijkt dat dit gezien moet worden als een specificering van de administratieplicht van art. 2:10 BW die ook voor stichtingen geldt. Van stichtingen wordt niet gevraagd om meer gegevens te verzamelen over de personen aan wie zij doneren dan zij nu reeds op grond van hun boekhoudverplichting doen.