Categorie: Wwft & tuchtrecht

Ook CBb acht OM-klachten tegen RA gegrond ā€“ berisping houdt stand

Naar aanleiding van de tuchtklachten van het Openbaar Ministerie heeft de Accountantskamer een registeraccountant (appellant) berispt voor tekortkomingen bij de controle van de jaarrekeningen en het niet naleven van de Wwft-regelgeving voor een klant met een Cypriotische trustconstructie.

In hoger beroep betoogt appellant dat hij voldoende controle-informatie had om de opgegeven royaltykosten te mogen goedkeuren en dat hij geen ongebruikelijke transacties heeft moeten melden. Het CBb oordeelt als volgt.

RA had deskundigheid collega-fiscalisten moeten toetsen

Het CBb vindt evenals de Accountantskamer dat appellant de aan de truststructuur klevende (fiscale) haken en ogen had moeten onderkennen bij de controle van de opgegeven royaltykosten. Daarvoor had hij niet slechts mogen varen op de deskundigheid van zijn fiscalist-collegaā€™s. Hij had de vakbekwaamheid en de objectiviteit van die collega’s moeten beoordelen conform NVCOS 500 als NVCOS 620.

Bovendien heeft appellant ten onrechte niet onderkend dat de omstandigheid dat de truststructuur door diezelfde collega’s was geadviseerd en geĆÆmplementeerd een bedreiging voor hun objectiviteit kon opleveren Dat de collega’s die het product hadden bedacht en aan de man hadden gebracht vonden dat er fiscaal gezien geen problemen te verwachten waren, had voor appellant aanleiding moeten zijn zich extra kritisch op te stellen. Gezien ook de intern gevoerde discussie over de toelaatbaarheid van de constructie, de op het spel staande belangen en de gevoeligheid van de kwestie had appellant zich niet zonder meer op de mening van zijn collegaā€™s mogen verlaten maar had hij moeten verifiĆ«ren of er voldoende en toereikende werkzaamheden waren verricht om de vraag naar de toelaatbaarheid van de trustconstructie te beantwoorden.

Appellant had moeten nagegaan of de licentieovereenkomst op basis waarvan jaarlijks een substantieel deel van de omzet van de klant wegvloeide niet met een gelieerde partij was gesloten en had aan het bestuur van de klant moeten vragen naar de motieven voor deze overeenkomst.

Opzetten truststructuur is ongebruikelijke transactie

Daarnaast is ook het CBb van oordeel dat appellant het aangaan van de licentieovereenkomst in samenhang met het opzetten van de truststructuur als een ongebruikelijke transactie had moeten beschouwen.

De licentieovereenkomst hield immers in dat jaarlijks 10% van de omzet, wat neerkwam op meer dan ā‚¬ 200.000 per jaar, werd betaald aan royalty’s voor het gebruik van een merk dat kort daarvoor nog was verkocht voor ā‚¬ 6.250. Gezien de onduidelijkheid over de fiscale toelaatbaarheid van de truststructuur had appellant aanleiding om te veronderstellen dat de transactie mogelijk verband hield met witwassen.

Het betoog dat het in een bepaald jaar ten onrechte niet melden van een ongebruikelijke transactie niet een klachtwaardige gedraging is, gaat evenmin op. Deze redenering zou ertoe leiden dat een in een bepaald controlejaar gemaakte fout in de volgende controlejaren zonder tuchtrechtelijke verwijtbaarheid kan worden herhaald. Het CBb is dan ook van oordeel dat appellant de op hem rustende meldingsplicht en daarmee de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en professioneel gedrag, wel degelijk herhaalde malen niet nageleefd. De grief faalt.

Alles afwegende acht het CBb de door de Accountantskamer opgelegde maatregel van berisping passend en geboden.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 19 mei 2020, ECLI:NL:CBB:2020:343

 

AFM en BFT kunnen voortaan onderling informatie uitwisselen

De Autoriteit Financiƫle Markten (AFM) en het Bureau Financieel Toezicht (BFT) hebben op 25 mei 2020 een samenwerkingsconvenant gesloten. Daarmee kunnen zij onderling informatie uitwisselen over het integriteitstoezicht op accountantsorganisaties.

In het samenwerkingsconvenant wordt als uitgangspunt aangenomen dat het BFT en de AFM zich moeten inspannen de samenwerking te versterken (artikel 3). In dat kader dienen zij op snelle en zorgvuldige wijze toezichtvertrouwelijke gegevens of inlichtingen uit te wisselen. Voor de uitwisseling van deze gegevens dienen nadere werkafspraken te worden gemaakt (artikel 5).

Uit de website van de AFM blijkt dat de informatie die uitgewisseld wordt, vooral zal gaan om het meldgedrag van accountantsorganisaties en de voor hen werkzame accountants en belastingadviseurs:

ā€œZo is voor de AFM belangrijk dat zij kan nagaan of een accountantsorganisatie tijdige en volledige meldingen over witwassen en terrorismefinanciering doet. Ook kan het zijn dat het BFT een overtreding constateert, die een accountantsorganisatie mogelijk niet bij de AFM heeft gemeld. Daarbij kan ook een beleidsbepaler betrokken zijn, waardoor de betrouwbaarheid van deze persoon in het geding kan raken.ā€

Geheimhouding

Het BFT en de AFM dienen de geheimhouding van de toezichtvertrouwelijke gegevens of inlichtingen die zij van elkaar ontvangen te waarborgen. Deze gegevens en inlichtingen mogen niet worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze zijn verstrekt. Indien een toezichthouder om toezichtvertrouwelijke gegevens of inlichtingen verzoekt, dient per geval te worden aangegeven voor welk doel deze gegevens of inlichtingen worden gevraagd.

Wetswijzing, evaluatie en looptijd

De informatie-uitwisseling tussen de AFM en het BFT is mogelijk door een wetswijziging op 1 januari 2020. Het samenwerkingsconvenant en de uitvoering daarvan wordt telkens na twee jaar, of eerder indien daartoe aanleiding bestaat, door het BFT en de AFM gezamenlijk geƫvalueerd.

Samenwerkingsconvenant over de uitwisseling van toezichtvertrouwelijke gegevens of inlichtingen tussen het BFT en de AFM, staatscourant 2020, 27465.

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-27465.html

https://www.afm.nl/nl-nl/nieuws/2020/mei/samenwerking-afm-bft-accountantstoezicht

https://www.bureauft.nl/2020/05/25/beter-wwft-toezicht-op-accountants-door-samenwerking-afm-en-bft/

Wwft-Boete van ā‚¬ 20.000 voor belastingadvieskantoor

Naar aanleiding van een bericht in de media over de veroordeling van twee personen wegens witwassen, heeft het BFT bij de Belastingdienst geĆÆnformeerd welk advieskantoor de fiscale aangiften en administratie van de ondernemingen van deze twee personen heeft verzorgd.Ā Het BFT heeft vervolgens bij het belastingadvieskantoor (hierna: eiseres) onderzoek verricht naar de naleving van de Wwft in de twee klantdossiers die volgens de KvK actief zijn in de bouwsector.

Uit het onderzoek is volgens het BFT naar voren gekomen dat eiseres in beide dossiers niet heeft voldaan aan de verplichting tot het verrichten van een cliĆ«ntenonderzoek, de monitoringsverplichting en ten onrechte geen verscherpt cliĆ«ntenonderzoek verricht. Ook heeft het advieskantoor volgens het BFT in beide dossiers verzuimd ongebruikelijke transacties (tijdig) te melden aan de FIU. Daarvoor heeft het BFT een bestuurlijke boete van ā‚¬ 45.000 opgelegd, later door het BFT verlaagd naar ā‚¬ 20.000. Eiseres heeft beroep ingesteld.

Cliƫntenonderzoek, monitoringsverplichting en verscherpt cliƫntenonderzoek

Met het BFT is de Rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat tijdig, dus voor aanvang van de zakelijke relatie, is voldaan aan de verplichting tot identificatie en verificatie. Op de door eiseres toegestuurde kopieƫn van de identiteitsbewijzen die kennelijk in 2016 zijn afgegeven is namelijk niet vermeld wanneer de identificatie heeft plaatsgevonden. Gelet op de jarenlange relatie, acht de Rechtbank niet aannemelijk dat eiseres jaarlijks bij het aanvaarden en uitvoeren van de opdracht tot het verzorgen van de aangifte IB om een kopie van de identiteitsbewijzen vroeg en dat zij de oude kopieƫn vernietigde.

Ook is de Rechtbank van oordeel dat eiseres in beide dossiers niet aan de monitoringsverplichting heeft voldaan en dat er ten onrechte geen verscherpt cliĆ«ntenonderzoek heeft plaatsgevonden. Daartoe overweegt de Rechtbank dat uit de correspondentie met de klanten blijkt dat eiseres van mening was dat de administratie ā€œverre van compleetā€ was en diverse tekortkomingen bevatte. De in de correspondentie beschreven omstandigheden hadden aanleiding moeten geven tot het stellen van nadere vragen en verder onderzoek. Eiseres had volgens de Rechtbank in het kader van de Wwft-verplichtingen moeten verlangen dat er een sluitende administratie zou worden overgelegd.

Ongebruikelijke transacties

Verder oordeelt de Rechtbank dat eiseres meldingen had moeten doen van ongebruikelijke transacties. In dat verband wijst de Rechtbank op de volgende niet betwiste feiten:

Klantdossier 1:

  • Uit de administratie over 2014 blijkt dat er door de eenmanszaak elf verkoopfacturen zijn uitgereikt aan een klant voor een totaalbedrag van ā‚¬ 26.660, terwijl hier geen inkoopfacturen tegenover staan.
  • Uit de administratie over 2015 is gebleken dat er zeven verkoopfacturen zijn uitgeschreven voor een totaalbedrag van ā‚¬ 40.300 aan een garagebedrijf in de Verenigde Arabische Emiraten, terwijl ook hier geen inkoopfacturen tegenover staan. Het is ongebruikelijk dat een bouwbedrijf facturen (zeker van deze omvang) uitschrijft aan een garagebedrijf in de VAE.

Klantdossier 2:

  • Uit de administratie over 2014 blijkt dat meer dan de helft van de omzet ad ā‚¬ 48.279, waarvoor zeventien facturen waren uitgeschreven, contant (ā‚¬ 25.905) was betaald.
  • Verder werden er tot en met september 2014 maandelijks facturen uitgeschreven, terwijl er daarna geen omzet meer is gefactureerd; tegenover de omzet stonden geen inkoopfacturen.

De betreffende (verkoop)facturen zijn gedurende de jaren 2014 en 2015 door eiseres ingevoerd tijdens het verwerken van de administraties, zodat eiseres dus daarvan kennis moet hebben genomen.

Ten aanzien van de hoogte van de boete stelt eiseres tevergeefs dat de Rechtbank de in de v.o.f. genoten huurinkomsten bij de vaststelling van de draagkracht buiten beschouwing moeten laten. Niet alleen de omzet behaald met de dienstverlening als administratie- en belastingadvieskantoor, maar ook de overige gegevens over de financiĆ«le positie van eiseres zijn relevant voor de vraag of zij door de hoogte van de boete onevenredig wordt getroffen en of de boete al dan niet moet worden verlaagd. Nu de boete bij het wijzigingsbesluit is verlaagd naar ā‚¬ 20.000 acht de Rechtbank de boete evenredig.

Rechtbank Rotterdam 15 mei 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:4258

 

Wetsvoorstel UBO-register: bijzondere aandacht voor afscherming van UBOā€™s

Het openbare UBO-register wordt binnenkort naar verwachting daadwerkelijk ingevoerd. Dit register wordt gevuld met gegevens van uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en juridische entiteiten. Ook bestuurders kunnen onder omstandigheden als UBO geregistreerd worden.

Geregistreerde UBOā€™s kunnen door hun opname in het openbare register kwetsbaarder worden voor bijvoorbeeld bedreigingen, zoals chantage en afpersing, maar ook voor pesterijen of intimidatie. Dergelijke kwetsbaarheden kunnen reden zijn voor afscherming van UBO-gegevens. Het gaat om open normen die in de praktijk zullen moeten worden ingevuld door ā€“ zo heeft de regering laten weten ā€“ politie en OM. Hierover is nog veel onduidelijk en concreet beleid hierover is dan ook wenselijk. Hopelijk levert het Eerste-Kamerdebat op 16 juni 2020 meer duidelijkheid.

Het is in ieder geval zinvol om tijdig te bezien of om afscherming van gegevens kan worden verzocht. Hiervoor kunnen, indien daarvoor aanleiding is, nu alvast stappen worden ondernomen.

Achtergrond

UBOā€™s zijn de natuurlijke personen die een belang van 25% of meer in een vennootschap of juridische entiteit hebben. Als dergelijke personen niet kunnen worden geĆÆdentificeerd, wordt het bestuur aangemerkt als uiteindelijk belanghebbende (ā€˜pseudo-UBOā€™). Van UBOā€™s wordt de naam, de geboortemaand, het geboortejaar, de woonstaat, de nationaliteit en de aard en omvang van het economische belang openbaar toegankelijk. Gegevens als BSN en woonadres zijn alleen voor bevoegde autoriteiten toegankelijk.

Behandeling van afschermingsverzoeken

Er is inmiddels meer duidelijk over hoe de regering voorstelt om met afschermingsverzoeken om te gaan. Tot afscherming van gegevens van UBOā€™s wordt formeel besloten door de Kamer van Koophandel. Een dergelijk besluit van de KvK is vatbaar voor bezwaar en beroep. Totdat het besluit onherroepelijk is, worden gegevens wel alvast afgeschermd.

De KvK beoordeelt niet zelf inhoudelijk of sprake is van een voldoende risico om tot afscherming over te gaan maar verlaat zich daarbij op de politie en het OM. Als de politie persoonsbeveiliging verzorgt op grond van de Circulaire bewaken en beveiligen 2019, worden persoonsgegevens door de KvK gedurende vijf jaar afgeschermd. Dit afschermingsregime sluit aan bij het regime dat ook voor het Kadaster geldt. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel voor het UBO-register is door de regering enkele malen opgemerkt dat UBOā€™s zich op voorhand bij de politie of het Openbaar Ministerie kunnen melden indien zij verwachten dat bij openbaarheid sprake zal zijn van een onevenredig risico op bedreigingen etc. De politie en het OM zullen de dreiging dan vervolgens beoordelen; de Circulaire vermeldt dat het waken voor de veiligheid van personen expliciet is benoemd als onderdeel van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, en dat het OM hierover het gezag uitoefent. De vraag is echter hoe het OM en de politie een afschermingsverzoek zullen beoordelen en in welke situaties daaraan tegemoet zal worden gekomen.

Redenen voor afscherming

De Eerste Kamer heeft de plenaire behandeling van het wetsvoorstel UBO-register gepland op 16 juni 2020. Tijdens de schriftelijke behandeling in de Eerste Kamer tot nu toe is de nodige aandacht uitgegaan naar de afscherming van UBOā€™s. In het bijzonder heeft de Eerste Kamer aandacht voor de voorgestelde registratie van bestuurders van kerkgenootschappen (als ā€˜pseudo-UBOā€™). Vooral ten aanzien van Joodse kerkgenootschappen bestaan in dit verband zorgen. Naar aanleiding van dit alles heeft de regering opgemerkt dat bij de beoordeling van de (potentiĆ«le) dreiging door politie en OM bijzondere aandacht wordt geschonken aan het kunnen uitoefenen van grondrechten, waaronder de vrijheid van godsdienst of levensbeschouwelijke overtuiging. Ook schrijft de regering dat het feit dat de gegevens van natuurlijke personen met het UBO-register openbaar zouden worden, aanleiding kan zijn om de lijst met beveiligde personen uit te breiden.

Hoewel met dit alles meer duidelijk is over het kader dat voor beslissingen over afscherming gaat gelden, is nog niet geheel duidelijk hoe de inhoudelijke afwegingen door politie en OM gemaakt zullen worden. De richtlijn waar het UBO-register op is gebaseerd staat afscherming toe indien de UBO zou worden blootgesteld ā€œaan een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatieā€. Per geval moet ā€œeen gedetailleerde beoordeling van de uitzonderlijke aard van de omstandighedenā€ worden gemaakt, en hiervoor moet het recht op een bestuurlijke toetsing van het besluit over de uitzondering en op een doeltreffende voorziening in rechte worden gegarandeerd. Helaas is niet duidelijk of hierover beleid in de maak is en of inmiddels overleg met de politie en het OM is gevoerd over deze nieuwe afschermingsmogelijkheid. Omdat duidelijkheid nodig is, is het wenselijk dat dit in de verdere parlementaire behandeling nog aan de orde komt.

Verzoeken tot afscherming

UBOā€™s die aanleiding hebben om te veronderstellen dat zij door opname van hun gegevens in het UBO-register kunnen worden blootgesteld aan risicoā€™s zoals ontvoering, chantage, pesterijen of intimidatie, doen er goed aan om tijdig actie te ondernemen om te bezien of zij voor afscherming in aanmerking komen. Natuurlijke personen die op dit moment nog niet in openbare registers zichtbaar zijn, bijvoorbeeld door gebruikmaking van een stichtingen administratiekantoor, kunnen dat immers wel worden in het UBO-register. De regering voorziet blijkens haar antwoorden aan de Eerste Kamer ook dat een uitbreiding van de lijst met beveiligde personen hierdoor aan de orde kan zijn. Bij zoā€™n uitbreiding zou bijvoorbeeld de enkele afscherming in het UBO-register al een voldoende beveiliging kunnen vormen.

Een goed en concreet onderbouwd verzoek aan het Openbaar Ministerie vormt een eerste stap om actie te ondernemen. Als de Eerste Kamer, zoals de huidige verwachting is, eind juni het wetsvoorstel zal aannemen, gaat een overgangsperiode van 18 maanden van start waarin het UBO-register gevuld zal gaan worden. Na die 18 maanden, eind 2021 of begin 2022, zullen alle kwalificerende vennootschappen en juridische entiteiten hun UBOā€™s moeten hebben geregistreerd. Om openbaarheid van UBO-gegevens te voorkomen, indien daartoe aanleiding bestaat, dient tegen die tijd duidelijkheid te zijn verkregen over de afscherming.

EU Actieplan tegen witwassen en terrorismefinanciering

Op 7 mei 2020 kondigde de Europese Commissie een actieplan aan met nieuwe maatregelen in de strijd tegen witwassen en financieren van terrorisme. De maatregelen beogen meer eenheid te brengen in de regels die binnen de EU gelden. In dat kader zal ook een voorstel ingediend worden voor een EU-toezichthouder. De bedoeling is dat er begin 2021 een heel aantal concrete voorstellen ligt.

Zes pijlers van het actieplan

Het actieplan benoemt zes pijlers:

  1. Effectieve implementatie van bestaande regels.
  2. Eenduidige EU-regels.
  3. Toezicht op EU niveau.
  4. Een mechanisme voor ondersteuning en samenwerking van EU-FIUā€™s.
  5. Betere benutting van informatie ten behoeve van het strafrecht.
  6. Een sterkere EU-invloed op wereldniveau.

Onderdeel van het actieplan is dat de huidige anti-witwasrichtlijn wordt omgezet in een Verordening, die in alle EU-landen rechtstreekse werking heeft. In de aanloop naar de oprichting van een EU-toezichthouder wordt de EBA, de Europese Bank Autoriteit, alvast opgeroepen om de aan haar toegekende anti-witwas-toezichtsbevoegdheden jegens financiƫle instellingen ten volle in te zetten. Het doel daarvan is vooral om te bezien of nationale toezichthouders hun werk wel goed doen.

De EU is ook van plan om een sterkere rol te gaan spelen in de Financial Action Task Force (FATF). Binnen de FATF wil de EU een eigen afgevaardigde benoemen. Ook wil de EU bereiken dat de FATF landen-evaluaties meer op EU-niveau plaatsvinden als het om de uitvoering van EU-wetgeving gaat.

Aanpassingen lijst met hoog-risicolanden

Ook heeft de Europese Commissie op 7 mei een wijziging van de lijst met landen met een hoog witwas-risico aangekondigd. Het doel hiervan is om meer in lijn te komen met de FATF-lijst van hoog-risicolanden. Daartoe zal een aantal landen van de huidige EU-lijst worden gehaald en een aantal landen wordt toegevoegd. Het betreft de volgende wijzigingen:

  • Van de huidige lijst worden verwijderd: BosniĆ«-Herzegovina, EthiopiĆ«, Guyana, Laos, Sri Lanka en TunesiĆ«;
  • Toegevoegd worden: Bahamaā€™s, Barbados, Botswana, Cambodja, Ghana, Jamaica, Mauritius, MongoliĆ«, Myanmar, Nicaragua, Panama en Zimbabwe.

De verwijderingen van de lijst worden op korte termijn van kracht. De toevoegingen zijn per 1 oktober 2020 voorzien, zodat Wwft-instellingen en andere belanghebbenden zich hierop kunnen voorbereiden.

Enkele belangrijke nieuwe Wwft-regels op een rij

Op 21 mei 2020 is de Implementatiewet wijziging vierde anti-witwasrichtlijn van kracht geworden. Wij schreven al eerder over het wetsvoorstel op 7 september 2018 en 9 juli 2019. De Ā voor adviseurs relevante belangrijkste wijzigingen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) staan hieronder vermeld:

  1. Sinds 25 mei 2018 zijn EU-landen verplicht om iedere twee jaar een National Risk Assessment op te stellen. Als gevolg van een wijziging moeten tevens enkele statistieken worden gepubliceerd. Die statistieken dienen onder meer de volgende gegevens te bevatten:
    1. de omvang van de verschillende sectoren van Wwft-instellingen;
    2. het aantal meldingen van verdachte transacties aan de FIU en het gevolg dat aan deze meldingen is gegeven;
    3. de personele middelen die zijn toegewezen aan de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor toezicht op AML/CFT en de FIU;
    4. het aantal toezichtactiviteiten, de geconstateerde overtredingen en de daarvoor opgelegde sancties / maatregelen.
  1. In de Wwft wordt toegevoegd welke acties nodig zijn indien een ā€˜pseudo-UBOā€™ (een leidinggever) als UBO wordt aangemerkt. De tijdens het verificatieproces genomen maatregelen en ondervonden moeilijkheden moeten dan worden vastgelegd (artikel 3, lid 2, onderdeel b, Wwft). In de Memorie van Toelichting werd nog opgemerkt dat het niet kunnen identificeren van een UBO in de meeste gevallen extra risicoā€™s met zich meebrengt en er daarom extra waarborgen dienen te gelden.
  1. In bepaalde situaties dient het cliƫntonderzoek voortaan sowieso te worden geactualiseerd. Dit is het geval indien de relevante omstandigheden van een cliƫnt veranderen en wanneer een instelling op grond van de Wwft verplicht is om contact op te nemen met de cliƫnt om informatie met betrekking tot de UBO te evalueren (artikel 3, lid 11, Wwft).
  1. In de wet wordt expliciet opgenomen welke maatregelen bij een verscherpt cliĆ«ntenonderzoek ten minste genomen moeten worden als het gaat om cliĆ«nten in landen met een ā€“ volgens de Europese Commissie ā€“ hoog witwas- of terrorismefinancieringsrisico. De toe te passen maatregelen kunnen ook bij ministeriĆ«le regeling nog worden uitgebreid (artikel 9 Wwft).
  1. Er komen in alle EU-landen lijsten met functies die als ā€˜politically exposedā€™ worden aangemerkt. De nationale lijsten wordt ook op EU-niveau geconsolideerd en gepubliceerd. Er is door de Belastingdienst reeds een Nederlandse lijst gepubliceerd.

Het wetsvoorstel tot invoering van het UBO-register is nog bij de Eerste Kamer in behandeling. Daarnaast komt er een UBO-register voor trusts, waarvan het wetsvoorstel binnenkort zal worden ingediend.

BFT beoordeelt risicobeleid (middel)grote belastingadvieskantoren

Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) voert toezicht uit op de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) bij onder meer accountants- en belastingadvieskantoren. Op 13 maart 2020 publiceerde BFT het jaarverslag over 2019. Daarin staat dat het BFT het risicobeleid en ā€“management van belang vindt voor de correcte naleving van de Wwft. Om die reden is in 2019 van 26 (middel)grote accountantskantoren het risicobeleid en ā€“management opgevraagd en beoordeeld. Voor 2020 kondigt het BFT aan dat het een zelfde beoordeling zal uitvoeren bij nog eens 20 (middel)grote belastingadvieskantoren.

Aandachtspunten risicobeleid en -management

De heer Dirk Kolkman, Wwft-toezichthouder bij het BFT, zegt hierover in een interview met de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs: ā€œā€˜we hebben een selectie gemaakt van 20 middelgrote en grote kantoren: een mix van Zuidas-, zelfstandige en niche-kantoren. Die vragen we om ons inzage te geven in hun Wwft-beleid en de daarbij horende procedures. We komen niet op bezoek; alles gaat schriftelijk. De brieven zijn na Pasen verstuurd; de kantoren hebben zeker een maand de tijd om te reageren. Wij van onze kant geven per kantoor een terugkoppeling wat goed is en wat beter zou kunnen.ā€

Inmiddels blijkt dat de brieven op 16 april 2020 verzonden zijn en dat een reactietermijn van zes weken geboden wordt.

Blijkens het jaarverslag let het BFT bij de beoordeling in ieder geval op de volgende punten:

  • het risicobeleid en -management moet zijn opgesteld op basis van de meest recente Wwft-wettekst en wordt regelmatig geactualiseerd;
  • het risicobeleid en ā€“ management dient voldoende concreet en uitvoerbaar te zijn;
  • het risicobeleid geeft inzicht in risicovolle cliĆ«nten en transacties, zowel ten tijde van het aangaan als gedurende de cliĆ«ntrelatie;
  • het risicomanagement bevat handvatten voor de medewerkers van de ondertoezichtstaande om een hoger risico te mitigeren.

Textielfabrikant krijgt Wwft-boete voor niet-uitgevoerde cliƫntcontroles

De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme geldt ook voor handelaren die contante verkopen van ten minste ā‚¬Ā 15.000 verrichten (per 25 juli 2018 geldt dit voor contante betalingen voor een bedrag van ā‚¬ 10.000 of meer). Een textielfabrikant die afnemers heeft waaraan dergelijke contante verkopen plaatsvinden, zal voor die afnemers cliĆ«ntcontrole moeten verrichten voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie.

West-Afrika

Op 16 april 2020 maakte het Openbaar Ministerie bekend dat een textielfabrikant een strafrechtelijke transactie van ā‚¬Ā 205.000 heeft betaald voor het niet verrichten van cliĆ«ntcontroles bij 20 afnemers. Aan deze afnemers hadden in de jaren 2014 tot en met 2017 meer dan 1.300 contante verkopen plaatsgevonden van elk meer dan ā‚¬Ā 15.000. Met deze contante verkopen was een totaalbedrag van ruim ā‚¬Ā 63 miljoen gemoeid.

Het betrof stoffen voor de West-Afrikaanse markt en afnemers in landen als Benin, Nigeria, Togo, Ghana, Ivoorkust en Congo. Van deze landen staan Nigeria en Ghana op dit moment op de EU-lijst van landen met een hoog risico op witwassen of terrorismefinanciering. Alle vermelde landen hebben een CPI-score van (ruim) onder de 60. Deze vermelding en CPI-score is in het algemeen aanleiding voor een verscherpt cliƫntenonderzoek.

Zelfmelding

De betrokken fabrikant was door zijn accountant in het voorjaar van 2017 op de Wwft-verplichtingen gewezen. Het bedrijf had zich daarna zelf gemeld bij het Bureau Financieel Toezicht en het OM, waarna de FIOD onderzoek heeft gedaan. Uit het onderzoek van de FIOD volgt niet dat er aanwijzingen bestaan op basis waarvan de fabrikant had moeten veronderstellen dat de contante betalingen verband hielden met witwassen of terrorismefinanciering.

Uit het onderzoek is gebleken dat inmiddels de interne procedures binnen het bedrijf is aangepast, zodat dit aan zijn Wwft verplichtingen voldoet en zelfs meer lijkt te doen dan dat de Wwft voorschrijft. Daarnaast heeft het OM bij de afdoening meegewogen dat de fabrikant niet eerder is vervolgd, zich zelf heeft gemeld, alle nodige informatie heeft verstrekt en aan het onderzoek heeft meegewerkt. Alles overwegende, vindt het OM een transactie van ā‚¬ 205.000 passend.

https://www.om.nl/actueel/nieuws/2020/04/16/textielfabrikant-vlisco-betaalt-205.000-euro-voor-niet-naleven-wwft

Internetconsultatie Implementatiewet UBO-register voor trusts

Op 17 april 2020 is de ā€˜Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructiesā€™ in consultatie gegeven. Er kan tot 15 mei 2020 worden gereageerd op het gepubliceerde concept wetsvoorstel en de bijbehorende memorie van toelichting.

Achtergrond

Het wetsvoorstel geeft uitvoering aan artikel 31 van de gewijzigde vierde EU-anti-witwasrichtlijn. In artikel 30 van die richtlijn is de verplichting opgenomen voor EU-lidstaten om een UBO-register voor vennootschappen te realiseren. Dit wetsvoorstel ligt thans bij de Eerste Kamer. Artikel 31 van de richtlijn creƫert een soortgelijke verplichting voor trusts en daarop lijkende constructies. Het trust-UBO-register had op 10 maart 2020 al gerealiseerd moeten zijn.

De hoofdlijnen van het concept wetsvoorstel

Het wetsvoorstel bepaalt dat uiteindelijk belanghebbenden van trusts in het Nederlandse register moeten worden opgenomen in twee situaties. De eerste situatie is dat de trustee in Nederland woonachtig of gevestigd is. De tweede situatie is dat de trust in Nederland een zakelijke relatie aangaat of onroerend goed verwerft. Registratie hoeft niet plaats te vinden indien de trust al in een register in een ander EU-land is opgenomen.

Nederland kent, zoals veel andere EU-landen, niet de rechtsfiguur van de trust. Als ā€˜soortgelijke juridische constructieā€™ is in Nederland het fonds voor gemene rekening aangemerkt. Dergelijke fondsen zullen zich op grond van het wetsvoorstel dus moeten registreren. Soortgelijke juridische constructies uit andere landen zijn bijvoorbeeld: fiducie, fideĆÆ-commis of de Maltezer Foundation.

Het concept wetsvoorstel bevat overeenkomsten met het voorgestelde UBO-register voor vennootschappen. Zo wordt het register bijgehouden door de Kamer van Koophandel. Een aantal gegevens uit het register zal voor iedereen toegankelijk zijn, waaronder de naam en het doel van de trust en de naam, het geboortejaar, de geboortemaand, de woonstaat en de nationaliteit van de UBOā€™s. Afschriften van documenten die aan de Kamer van Koophandel dienen te worden verstrekt, zijn alleen voor bepaalde bevoegde autoriteiten toegankelijk; meldingsplichtige instellingen behoren daar niet toe.

Terugmeldverplichting en handhaving

Zowel bevoegde autoriteiten als meldingsplichtige instellingen krijgen een terugmeldverplichting als zij discrepanties constateren tussen wat in het register staat en hetgeen zij zelf aantreffen. Bevoegde autoriteiten mogen hun terugmeldverplichting opschorten indien hun taken hierdoor doorkruist zouden worden, bijvoorbeeld bij een lopend onderzoek.

De handhaving van de diverse verplichtingen uit hoofde van het UBO-register voor trusts wordt duaal vormgegeven: bestuursrechtelijk en strafrechtelijk. Het niet (tijdig) registreren van gegevens in het register door de trustee wordt in strafrechtelijke zin als een overtreding aangemerkt. Niet-nakoming van enkele andere verplichtingen wordt, indien opzettelijk gepleegd, als misdrijf aangemerkt. Dit betreft onder meer de volgende verplichtingen: het inwinnen van toereikende, accurate en actuele informatie, de terugmeldverplichting voor Wwft-instellingen en de verplichting om het unieke registratienummer van de trust te vermelden op schriftelijke uitingen namens de trust.

Inwerkingtreding

Na afsluiting van de consultatie wordt het wetsvoorstel gefinaliseerd en ingediend bij de Tweede Kamer. Indien tot wet verheven, ontstaat voor trustees de verplichting om binnen een week de benodigde gegevens te laten registreren. Voor de eerste registratie is deze inschrijvingstermijn verlengd tot drie maanden, aangezien Nederland tot nu toe geen vergelijkbaar register kent.

https://www.internetconsultatie.nl/ubotrust

Kabinet neemt maatregelen om kwaliteit accountantscontroles te verbeteren

In een brief van 20 maart 2020 reageert de Minister van FinanciĆ«n op het rapport van de Commissie toekomst accountancysector (Cta), getiteld ā€˜Vertrouwen op controleā€™. Volgens de minister heeft accountancysector in de afgelopen jaren duidelijk stappen gezet om te zorgen voor een meer op kwaliteit gerichte cultuur. Desalniettemin is deze kwaliteitsverhoging nog onvoldoende gerealiseerd en gewaarborgd. Dus komt er een pakket aan maatregelen.

Zo krijgen de (20) grotere accountantskantoren verplicht een raad van commissarissen en wordt overwogen om het interne toezichtsorgaan enkele nieuwe rechten te geven zoals het goedkeuren van grote investeringen en het voorzien in een rol bij het vaststellen van winstuitkering.

Daarnaast komen er maatstaven om de kwaliteit van controles objectief te meten (de zogenaamde audit quality indicators). Aan de hand van deze criteria dienen accountantsorganisaties te rapporteren over de kwaliteit van de door hen uitgevoerde controles.

Ook zal in de toekomst het toezicht op de accountants geheel bij de AFM komen te liggen. De Minister merkt op dat het in dat licht “belangrijk [is] om het wettelijk handhavingsinstrumentarium aan te scherpen, zodat de AFM de juiste middelen heeft om het toezicht uit te oefenen.

De minister zal een onafhankelijk persoon benoemen als ‘kwartiermaker’ om de voortgang van maatregelen te stimuleren, aanjagen en bewaken.

Enkele van de voorgenomen maatregelen ter verbetering van de wettelijke controle vereisen aanpassing van wet- en regelgeving. De Minister streeft er naar deze wijzigingen zo spoedig mogelijk in te dienen.

https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2020/03/20/kabinet-neemt-maatregelen-om-kwaliteit-accountantscontroles-te-verbeteren