Categorie: Wwft & tuchtrecht

Klachten over ten onrechte opvoeren van zakelijke kosten ongegrond, maar waarschuwing voor niet controleren gegevens

Een man en een vrouw (klagers) drijven samen een praktijk in psychotherapie respectievelijk managementadvies. Naar aanleiding van een boekenonderzoek in 2015 heeft de Belastingdienst de aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting gecorrigeerd met vergrijpboeten. De genoemde aangiften zijn ingediend door betrokkene, een accountants-administratieconsulent.

In de onderhavige klachtprocedure stellen klagers dat zij hebben vertrouwd op de expertise van betrokkene, maar dat hij dat vertrouwen ernstig heeft beschaamd door frauduleus te handelen bij de belastingaangiften. Daarnaast zou betrokkene zich niet hebben voorbereid op het gesprek met de controlerend belastingambtenaar en zich jegens hem arrogant hebben gedragen.

De Accountantskamer is echter van oordeel dat het voor klagers duidelijk had moeten zijn dat zij alleen zakelijke kosten in hun aangiften konden opvoeren. Voor zover klagers in deze zin ten onrechte deze kosten hebben opgevoerd, moesten zij weten dat dit onjuist was. Klagers stellen dat betrokkene hen hiertoe heeft aangezet. Voor zover dit het geval mocht zijn geweest – betrokkene betwist dit –, geldt dat klagers zich aanstonds bewust hadden moeten zijn van de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van dit door hen gestelde handelen van betrokkene. Dit betekent dat de klacht in zoverre buiten de driejaarstermijn is ingediend en niet ontvankelijk is.

Met betrekking tot de kosten van kleine consumpties thuis, reiskosten, lijfrentes, de kosten van de auto, de omzet van de man en de voorbelasting in verband met de verbouwing, hoefden klagers niet te begrijpen dat betrokkene deze niet correct verwerkte. Het eerste klachtonderdeel is in zoverre dan ook ontvankelijk.

Naar het oordeel van de Accountantskamer hebben klagers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de betrokkene moest hebben geweten dat de consumptiekosten te hoog waren. Daarnaast hebben klagers betrokkene niet juist en volledig hebben geïnformeerd over de reiskosten, zodat de onjuistheden in de aangiften hem niet te verwijten vallen.

Ook de stelling van klagers dat betrokkene de aangifte op het punt van de aftrek van de lijfrentepremie ten onrecht niet heeft gecontroleerd, volgt de Accountantskamer niet. Zij hebben immers niet weersproken dat betrokkene hen op dit punt hulp aangeboden heeft en dat de premie voor lijfrente op hun eigen aangeven in de aangifte is verwerkt. Ook de overige verwijten zijn door klagers onvoldoende onderbouwd. De Accountantskamer acht het eerste klachtonderdeel dan ook in zoverre ongegrond.

De Accountantskamer is verder van oordeel dat betrokkene bij het doen van de aangiftes inkomstenbelasting voor klagers zonder meer is afgegaan op de door klagers opgegeven omzet en (voorgenomen) zakelijke toerekening van verbouwingskosten, zonder de juistheid respectievelijk aannemelijkheid van enkele van deze opgaves voldoende te verifiëren. Daardoor heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. In zoverre is het eerste klachtonderdeel gegrond.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel van klagers – dat ziet op het gedrag van betrokkene – overweegt de Accountantskamer dat klagers hun stellingen dat betrokkene zich niet voorbereidde en bij gelegenheid dronken was, onvoldoende hebben onderbouwd. Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van de Accountantskamer dan ook ongegrond.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Anderzijds is meegewogen dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.

De Accountantskamer 22 februari 2019, 18/736 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2019:14.

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI__NL__TACAKN__2019__14

Accountant handelt (onbewust) in strijd met gedrags- en beroepsregels: waarschuwing passend en geboden

Betrokkene is werkzaam als accountant op de Nederlandse Antillen en heeft in die hoedanigheid de jaarrekeningen 2010, 2011 en 2012 van een onderneming (NV1) op Curaçao samengesteld en voorzien van samenstellingsverklaringen.

Deze onderneming hield zich aanvankelijk bezig met de handel in lingerie en is zich vanaf 2004 gaan toeleggen op dienstverlening op het gebied van het omwisselen van dollars (hierna: swipen). Betrokkene was ervan op de hoogte de onderneming vanaf 2007 daarin actief was. Gaandeweg is de omzet uit deze dienstverlening, die grotendeels via (sub)agenten plaatsvond, de omzet uit hoofde van handel in lingerie gaan overvleugelen.

In 2014 is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen onder meer NV1 en haar moedervennootschap NV2. Naar aanleiding van dit onderzoek wordt betrokkene door het Openbaar Ministerie in de onderhavige klachtprocedure verweten in strijd te hebben gehandeld met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Volgens klager heeft betrokkene (a) samenstellingsverklaringen afgegeven zonder voldoende deugdelijke grondslag, (b) bij het samenstellen de relevante bepalingen uit Standaard 240 en 205 onvoldoende nageleefd en (c) verzuimd tijdig melding te doen van ongebruikelijke transacties.

Betrokkene stelt dat de klachten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat deze niet tijdig zijn ingediend door klager. Volgens de Accountantskamer zijn echter geen zes jaren verstreken sinds de ondertekening van de samenstellingsverklaringen als zijnde het moment van het verweten handelen. Evenmin zijn er drie jaren verstreken sinds klager het verweten handelen heeft kunnen constateren. De klachten zijn daarmede naar het oordeel van de Accountantskamer ontvankelijk.

In het licht van het gemotiveerde verweer van betrokkene heeft klager niet voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene omtrent de verdichte boekingen, het niet aansluiten van de Exactadministratie en het ontbreken van een kasadministratie, zijn samenstelwerkzaamheden niet heeft verricht in overeenstemming met Standaard 4410. In zoverre is klachtonderdeel a. dan ook ongegrond.

Volgens de Accountantskamer had betrokkene echter de in artikel 13 van Standaard 4410 bedoelde werkzaamheden moeten uitvoeren met betrekking tot de brutowinstmarge en de crediteuren. De onverklaarbaar lage brutowinstmarge gaf daar onder de gegeven omstandigheden aanleiding toe. Nu betrokkene dat achterwege heeft gelaten, heeft hij niet in lijn gehandeld met Standaard 4410 en het beginsel van zorgvuldig- en vakbekwaamheid als bedoeld in de artikelen A-100.4 jo. A.130 VGC geschonden.

Voorts overweegt de Accountantskamer dat betrokkene gemotiveerd heeft toegelicht dat de betreffende autoriteiten swipe-diensten in de betreffende periode stimuleerden. Mede in dat licht heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat de betreffende swipe-diensten in de bestreden periode als illegaal bankieren konden worden aangemerkt. Nu betrokkene evenmin op de overige door klager genoemde signalen had behoeven te stuiten, bestond voor betrokkene geen reden voor toepassing van artikel 16A van Standaard 4410. De Accountantskamer acht dit klachtonderdeel eveneens ongegrond.

Naar het oordeel van de Accountantskamer is klachtonderdeel c – voor zover ontvankelijk – ongegrond. De door betrokkene verrichte samenstellingsopdracht is namelijk geen meldingsplichtige dienst in de zin van artikel 1 van de Landsverordening.

Gelet op de aard en de ernst van het verzuim van betrokkene acht de accountantskamer de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij is meegewogen dat betrokkene weliswaar niet overeenkomstig Standaard 4410 en in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid heeft gehandeld, maar dat niet is gebleken dat hij dit bewust niet heeft gedaan. Verder heeft de Accountantskamer er acht op geslagen dat betrokkene niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.

De accountantskamer 25 januari 2019, 17/2276 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2019:8.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_8?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=7

Hoger beroep tegen berisping voor accountant wegens overtreden meldingsplicht en onvoldoende voortvarend handelen ongegrond

Appellant heeft als accountant-administratieconsulent gedurende een aantal jaren ten behoeve van een onderneming de jaarrekeningen en aangiften vennootschapsbelasting verzorgd. Het betreft een onderneming waarin door verschillende personen – via hun houdstermaatschappij – is geïnvesteerd.

Bij brief van 3 mei 2013 schrijft appellant aan de directeur dat hij niet over de benodigde informatie beschikt om de jaarrekening over 2010 af te ronden en dat hij het vermoeden heeft dat leningen worden aangetrokken om daarmee de verplichtingen van andere leningen te kunnen voldoen. Appellant geeft daarbij aan dat dit niet is toegestaan indien de onderneming niet voldoende activiteiten ontwikkelt om rendement te realiseren en daardoor de terugbetaling van de aangetrokken financieringen niet mogelijk zal zijn.

Wanneer de onderneming uiteindelijk in 2015 failleert, zien de betreffende investeerders hun investering verloren gaan met forse verliezen als gevolg. Dit vormt de aanleiding voor de – door twee van hen – bij de klachtencommissie van de Nba ingestelde klacht jegens appellant. De Accountantskamer heeft op 15 december 2017 geoordeeld dat appellant de samenstellingsopdracht over het jaar 2010 niet tijdig heeft teruggeven en dat ten onrechte geen melding is gedaan in het kader van de Wwft. Appellant heeft hiertegen hoger beroep aangetekend bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

In zijn eerste grief voert appellant onder meer aan dat de Accountantskamer de klacht over het ten onrechte niet melden had moeten aanmerken als een ontoelaatbare uitbreiding van de klacht. De grief faalt, omdat het ter zitting benoemen van de wettelijke voorschriften die op het betreffende klachtonderdeel van toepassing zijn, geen ontoelaatbare uitbreiding van de klacht vormt. Dat de samenvatting van de klacht onjuist is weergeven, doet daar niet aan af.

Daarnaast oordeelt het College, in navolging op de Accountantskamer, dat appellant de meldingsplicht heeft overtreden, nu appellant in 2013 frauduleus handelen vermoedde. Nu appellant ten overstaande van de Accountantskamer heeft verklaard dat hij in 2013 een vermoeden had van fraude, acht het College de ontkenning van dat vermoeden door appellant in hoger beroep niet aannemelijk. Het vermoeden van fraude is ook niet weggenomen door later ontvangen informatie. Het overleg dat na de brief van 3 mei 2013 plaatsvond met de directeur, leverde immers onvoldoende informatie op om een goed oordeel over de obligaties te kunnen vormen.

Ook verwerpt het College het standpunt van appellant, dat de Accountantskamer te veel nadruk heeft gelegd op de brief van 3 mei 2013. Juist het in die brief uitgesproken vermoeden van fraude gaf namelijk aanleiding voor appellant de samenstellingsopdracht overeenkomstig Standaard 240 terug te geven. Bovendien zijn ook latere informatieverzoeken onbeantwoord gebleven. Door de betreffende opdracht pas op 2 november 2014 terug te geven, heeft appellant naar het oordeel van het College onvoldoende voortvarendheid betracht. Ook de stelling van appellant dat het teruggeven van een opdracht in niemands belang is, snijdt geen hout. Het is namelijk in het belang van de accountant zelf, niet geassocieerd te worden met frauduleus handelen. Bovendien gaat er van het teruggeven van een opdracht een beschermend signaal uit naar derden.

Het College acht de door de accountantskamer opgelegde maatregel van berisping in dit geval – gelet op alle omstandigheden – passend en geboden en oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 19 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:69.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2019:69

Accountantskamer geeft accountant die onzorgvuldig handelde waarschuwing

Het accountantskantoor van betrokkene heeft in de jaren 2011 tot en met 2014 onder meer de aangiften omzetbelasting verzorgd van drie vennootschappen, waarvan de aandelen werden gehouden door twee broers. Het tweetal exploiteerde tevens een vennootschap onder firma totdat deze in 2012 – met wetenschap van betrokkene – in staat van faillissement werd verklaard.

Begin 2015 is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de drie vennootschappen. Uit het onderzoek zou zijn gebleken dat in de administraties tientallen valse facturen waren opgenomen, op grond waarvan gedurende de periode 2012 tot en met 2014 ten onrechte een bedrag van € 128.411 aan voorbelasting is geclaimd.

In de onderhavige klachtprocedure stelt het Openbaar Ministerie dat betrokkene in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels heeft gehandeld. Hem wordt meer specifiek verweten dat hij onvoldoende zorgvuldig is geweest bij het verwerken van de aangeleverde gegevens met het oog op de aangiften omzetbelasting.

Klager verwijt betrokkene uitdrukkelijk niet dat hij of zijn medewerkers had(den) moeten zien dat de facturen vals waren. Wel waren er volgens klager de nodige signalen die voor betrokkene en zijn medewerkers aanleiding hadden moeten zijn nader onderzoek te doen naar deze facturen. Zo werden de bewuste facturen nooit betaald en werden er (desondanks) geen aanmaningen ontvangen. Daardoor bleven de facturen lange tijd als schuld op de balans staan. Geen van de drie vennootschappen genereerde in deze periode enige omzet van betekenis, terwijl de post crediteuren wel opliep, met name in 2014.

De Accountantskamer overweegt dat betrokkene de aangiften omzetbelasting niet zonder meer had mogen indienen op basis van de aangeleverde gegevens. Het geheel van feiten en omstandigheden gaf – in ieder geval in 2014 – namelijk aanleiding tot het stellen van nadere vragen aan de beide broers. Zo had betrokkene bekend kunnen en moeten zijn met de oplopende crediteurenstand in 2014. Bovendien was betrokkene op de hoogte van het faillissement van de VOF in 2012 en als crediteur bekend met de slechte financiële situatie van de betreffende vennootschappen. Volgens de Accountantskamer heeft betrokkene gedurende een aantal jaren signalen die rezen rond facturen van zijn cliënten die vragen hadden moeten oproepen, genegeerd. Verder heeft betrokkene zijn medewerkers onvoldoende geïnstrueerd en begeleid, waardoor zij niet in staat zijn gebleken hun werkzaamheden uit te voeren op de wijze die van hen mocht worden verwacht.

Het één en ander brengt de Accountantskamer tot het oordeel dat betrokkene tekort is geschoten in de van hem te verlangen opmerkzaamheid en in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 2 VGBA.

De Accountantskamer acht de maatregel van waarschuwing dan ook passend en geboden. In die beslissing neemt de Accountantskamer mee dat betrokkene reeds meer ervaren personeel heeft aangetrokken, zijn werkwijzen heeft aangepast en lering heeft getrokken uit het gebeurde.

De accountantskamer 25 januari 2019, 18/488 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2019:9.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_9?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=8

BFT verwijt belastingadviseur ten onrechte dat zij de verplichtingen uit de Wwft niet is nagekomen

In 2015 heeft het BFT bij een belastingadviseur onderzoek gedaan naar de naleving van de ingevolgde de Wwft geldende verplichtingen. Het BFT concludeert aan de hand van het onderzoek dat de adviseur geen onderzoek heeft gedaan naar de herkomst van een in de jaarrekening 2014 van een autorijschool opgenomen langlopende schuld van € 9.000. Daarmee heeft appellante volgens het BFT onvoldoende invulling gegeven aan het cliëntenonderzoek.

Verder stelt het BFT dat de adviseur ten onrechte geen melding heeft gemaakt van een contante betaling van € 1.250 verricht door deze cliënt aan een derde. Daarmee heeft zij volgens het BFT ook de verplichting geschonden van artikel 16 Wwft. Het door de adviseur ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

In hoger beroep is het College echter van oordeel dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de adviseur zou hebben nagelaten om de herkomst van het bedrag van € 9.000 te onderzoeken. De adviseur heeft consistent verklaard dat zij de herkomst van dit bedrag heeft onderzocht bij de acceptatie van het bedrijf als cliënt.

Ter zitting van het College heeft de adviseur toegelicht dat zij gedurende het onderzoek van het BFT niet direct kon beschikken over de informatie waaruit bleek dat zij onderzoek had gedaan naar de herkomst van het bedrag van € 9.000. Hierdoor kon zij het BFT in eerste instantie geen duidelijkheid verschaffen over de herkomst van dit bedrag. Het College ziet onvoldoende reden voor twijfel aan de juistheid van deze met stukken onderbouwde verklaringen. Gelet hierop bestond naar het oordeel van het College geen aanleiding om de herkomst van het bedrag nogmaals te onderzoeken in 2014. Dat boekhoudkundig alternatieve oplossingen denkbaar waren geweest is onvoldoende voor een andere conclusie. Van een overtreding van het cliëntenonderzoek c.q. monitoringsverplichting is geen sprake.

Voorts acht het College de verklaring van de adviseur dat de contante betaling van € 1.250 verband houdt met de betaling van lesgeld, niet onaannemelijk. Uit een overgelegd overzicht blijkt dat de verrichte betaling betrekking heeft op een door een andere rijschool gedane examenaanvraag. Daarbij is van belang dat uit de stukken naar voren komt dat een constructie waarbij rijscholen die niet bevoegd zijn om voor hun leerlingen rijexamens aan te vragen, samenwerken met rijscholen die daartoe wel bevoegd zijn niet ongebruikelijk is. De door de adviseur gegeven verklaring dat haar cliënt deze betaling vanwege onnauwkeurig administreren op een later moment heeft geadministreerd dan de rijschool van wie dit geld afkomstig is, acht het College evenmin onaannemelijk. Het College acht de herkomst van de betreffende betaling voldoende duidelijk, zodat deze betaling niet had hoeven te worden gemeld aan het FIU. Van een schending van artikel 16 Wwft is geen sprake.

Het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de Rechtbank is daarmee gegrond. Het College veroordeelt het BFT in de proceskosten en stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op totaal € 2.560.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 5 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:58

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2019:58

Hoger beroep BFT ongegrond, nu niet is aangetoond dat instelling bekend was met de ongebruikelijke transacties

Naar aanleiding van een bijzonder signaal heeft het BFT een onderzoek ingesteld naar de naleving van de Wwft door een fiscaal advies- en accountantskantoor (betrokkene) met betrekking tot één van haar klanten, een meubeldetailhandelbedrijf, waar zij de jaarrekeningen van samenstelde en administratieve bijstand aan verleende.

Naar aanleiding van dit onderzoek concludeert het BFT dat betrokkene niet heeft voldaan aan haar Wwft-verplichtingen. Volgens het BFT heeft betrokkene in de periode van 2011 tot en met 2013 de verplichtingen van het cliëntenonderzoek overtreden door bij de dienstverlening aan haar klant geen onderzoek te doen naar de omvang en herkomst van de contante betalingen. Daarnaast zou betrokkene hebben nagelaten melding te maken van een viertal contante aankopen bij haar klant voor bedragen van € 15.000 of meer. Ook zou betrokkene hebben nagelaten te melden dat haar klant bewust contante bedragen onder de meldgrens van € 15.000 heeft ingeboekt, alsook bewust contante bedragen kleiner dan € 15.000 heeft afgestort bij de bank (het zogenoemde ‘smurfen’ van geldbedragen). Daarmee heeft betrokkene volgens het BFT in deze periode zeven keer nagelaten een melding van een ongebruikelijke transactie te doen.

Het BFT heeft ter zake van de geconstateerde overtredingen aanvankelijk een boete opgelegd ter hoogte van € 42.000. In de bezwaarfase is de boete verlaagd naar € 28.000.

Uitspraak Rechtbank

In eerste aanleg is betrokkene deels in het gelijk gesteld. De Rechtbank heeft ten aanzien van het cliëntenonderzoek overwogen dat betrokkene – gelet op de hoeveelheid contante betalingen verricht aan haar klant – had moeten nagaan of aanscherping van het eerder vastgestelde risicoprofiel geboden was. Daar niet is gebleken dat betrokkene enige vorm van controle heeft uitgevoerd, heeft zij onvoldoende invulling gegeven aan het cliëntenonderzoek. Dat betekent echter niet dat betrokkene hierdoor ook ten onrechte heeft nagelaten de ongebruikelijke transacties te melden. Dat betrokkene bekend had kunnen worden met het ongebruikelijke karakter van de diverse concrete transacties leidt niet tot de conclusie dat zij door dit onderzoek na te laten verwijtbaar niet (tijd) heeft gemeld.

Omdat het beroep van betrokkene deels gegrond was heeft de Rechtbank de hoogte van de boete verminderd tot een bedrag vast € 21.000.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Het College overweegt in hoger beroep dat de omzet van de klant van betrokkene voor een substantieel deel bestond uit contante betalingen. De door de klant verrichte bancaire stortingen lopen uiteen van enkele duizenden euro’s tot ruim veertienduizend euro. Voor contante betalingen boven de € 15.000 had de klant bovendien een eigen meldingsplicht. Daarnaast overweegt het College dat betrokkene in het verleden ermee bekend was dat een factuur van haar klant in was betaald in de vorm van een reeks van kleinere contante betalingen.

Gelet op deze omstandigheden had betrokkene stelselmatig navraag moeten doen naar de herkomst van de stortingen bij de bank en had zij de onderliggende facturen moeten opvragen en verifiëren. Door in dit verband geen enkele controleactiviteit te verrichten, heeft betrokkene geen voortdurende controle op de zakelijke relatie uitgeoefend en wist zij daardoor niet of de transacties van haar klant overeenkwamen met de kennis die zij over haar klant had.

Ten aanzien van het verwijt dat betrokkene ten onrechte geen ongebruikelijke transacties heeft gemeld, stelt het College voorop dat de bewijslast inzake een op te leggen boete wegens overtreding van Wwft-bepalingen, op het BFT rust. Volgens het College heeft de Rechtbank in dit verband terecht overwogen dat daarvoor vereist is dat een instelling bekend is met een ongebruikelijke transactie en dit verwijtbaar niet (tijdig) meldt. Naar het oordeel van het College heeft het BFT niet aangetoond dat betrokkene bekend was met de vier contante aankopen van € 15.000.

In dit verband heeft betrokkene gemotiveerd betwist dat haar medewerkster inzage had in de betreffende verkoopfacturen welke haar cliënt bewust achterhield. Het BFT heeft daarentegen geen concrete gegevens overlegd waaruit blijkt dat de betreffende medewerkster zicht had op de betreffende verkoopfacturen van de klant. Uit de tijdens het onderzoek afgelegde verklaring dat de klant waarschijnlijk zou hebben ‘gesmurft’ bij het boeken van transacties, volgt niet dat betrokkene daadwerkelijk kennis had van die individuele transacties.

Met betrekking tot de overige drie door het BFT geconstateerde overtredingen overweegt het College dat het BFT deze in zodanig algemene bewoordingen heeft omschreven dat zonder nadere motivering – die is uitgebleven – niet kan worden vastgesteld op welke concrete transacties de door BFT gestelde schending van de meldingsplicht betrekking heeft. Het College is derhalve van oordeel dat betrokkene de meldingsplicht ingevolge artikel 16 Wwft niet heeft geschonden.

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak van de Rechtbank.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 5 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:48.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2019:48

BFT verwijt belastingadviseur ten onrechte dat zij de verplichtingen uit de Wwft niet is nagekomen

In 2015 heeft het BFT bij een belastingadviseur onderzoek gedaan naar de naleving van de ingevolgde de Wwft geldende verplichtingen. Het BFT concludeert aan de hand van het onderzoek dat de adviseur geen onderzoek heeft gedaan naar de herkomst van een in de jaarrekening 2014 van een autorijschool opgenomen langlopende schuld van € 9.000. Daarmee heeft appellante volgens het BFT onvoldoende invulling gegeven aan het cliëntenonderzoek.

Verder stelt het BFT dat de adviseur ten onrechte geen melding heeft gemaakt van een contante betaling van € 1.250 verricht door deze cliënt aan een derde. Daarmee heeft zij volgens het BFT ook de verplichting geschonden van artikel 16 Wwft. Het door de adviseur ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

In hoger beroep is het College echter van oordeel dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de adviseur zou hebben nagelaten om de herkomst van het bedrag van € 9.000 te onderzoeken. De adviseur heeft consistent verklaard dat zij de herkomst van dit bedrag heeft onderzocht bij de acceptatie van het bedrijf als cliënt.

Ter zitting van het College heeft de adviseur toegelicht dat zij gedurende het onderzoek van het BFT niet direct kon beschikken over de informatie waaruit bleek dat zij onderzoek had gedaan naar de herkomst van het bedrag van € 9.000. Hierdoor kon zij het BFT in eerste instantie geen duidelijkheid verschaffen over de herkomst van dit bedrag. Het College ziet onvoldoende reden voor twijfel aan de juistheid van deze met stukken onderbouwde verklaringen. Gelet hierop bestond naar het oordeel van het College geen aanleiding om de herkomst van het bedrag nogmaals te onderzoeken in 2014. Dat boekhoudkundig alternatieve oplossingen denkbaar waren geweest is onvoldoende voor een andere conclusie. Van een overtreding van het cliëntenonderzoek c.q. monitoringsverplichting is geen sprake.

Voorts acht het College de verklaring van de adviseur dat de contante betaling van € 1.250 verband houdt met de betaling van lesgeld, niet onaannemelijk. Uit een overgelegd overzicht blijkt dat de verrichte betaling betrekking heeft op een door een andere rijschool gedane examenaanvraag. Daarbij is van belang dat uit de stukken naar voren komt dat een constructie waarbij rijscholen die niet bevoegd zijn om voor hun leerlingen rijexamens aan te vragen, samenwerken met rijscholen die daartoe wel bevoegd zijn niet ongebruikelijk is. De door de adviseur gegeven verklaring dat haar cliënt deze betaling vanwege onnauwkeurig administreren op een later moment heeft geadministreerd dan de rijschool van wie dit geld afkomstig is, acht het College evenmin onaannemelijk. Het College acht de herkomst van de betreffende betaling voldoende duidelijk, zodat deze betaling niet had hoeven te worden gemeld aan het FIU. Van een schending van artikel 16 Wwft is geen sprake.

Het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de Rechtbank is daarmee gegrond. Het College veroordeelt het BFT in de proceskosten en stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op totaal € 2.560.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 5 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:58

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2019:58

Bank mag bankrekening cliënt niet blokkeren, nu zij geen informatie over haar aandeelhouders hoeft te verstrekken

Krioyo Paint B.V. (hierna: belanghebbende) heeft sinds 2004 een bankrekening bij de Maduro & Curiel’s Bank N.V. (hierna: de MCB). De MCB heeft in 2015 informatie opgevraagd bij belanghebbende ter complementering van het cliëntendossier in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES (hierna: Wwft BES). Dat heeft geleid tot een uitvoerige discussie, waarbij belanghebbende uiteindelijk, omdat de MCB haar rekening dreigde te blokkeren, toch de gevraagde stukken heeft overgelegd.

Wanneer de MCB ook om informatie over de aandeelhouders van belanghebbende verzoekt, laat belanghebbende weten niet aan het betreffende verzoek te zullen voldoen, omdat zij daartoe niet verplicht is. Bij brief van 17 mei 2017 heeft de MCB haar verzoek aan belanghebbende herhaald en een “final deadline” gesteld op 31 mei 2017.

Belanghebbende verzoekt vervolgens in deze civiele procedure het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Gerecht) voor recht te verklaren dat:

  1. op belanghebbende als zijnde een bestaande klant, geen cliëntenonderzoek hoeft te worden verricht door de MCB;
  2. de MCB niet het recht heeft de bankrekening van belanghebbende te blokkeren;
  3. belanghebbende geen informatie betreffende haar aandeelhouders hoeft te verstrekken aan de MCB.

Het Gerecht overweegt dat op grond van art. 2.3, lid 1, Wwft BES de MCB cliëntenonderzoek moet verrichten als, samengevat, (a) de MCB een zakelijke relatie aangaat, (b) de MCB een incidentele transactie verricht ten behoeve van de cliënt boven een normbedrag, (c) er indicaties zijn dat de cliënt betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme, (d) de MCB twijfelt aan de betrouwbaarheid van eerder verkregen gegevens van de cliënt, of (e) het risico van betrokkenheid van een bestaande cliënt bij witwassen of financieren van terrorisme daartoe aanleiding geeft.

Op grond van deze wetstekst bestaat die verplichting dus niet ten aanzien van cliënten met wie al vóór de inwerkingtreding van de Wwft BES een zakelijke relatie is aangegaan, en ten aanzien van wie ook geen sprake is van één van de andere genoemde gevallen.

In dit geval is de zakelijke relatie tussen belanghebbende en de MCB ruim voor de inwerkingtreding van de Wwft BES aangegaan. Aan de stelling van de MCB dat zij bij het opstellen van een risicoprofiel van belanghebbende tot het oordeel kan komen dat belanghebbende een ‘hoog risico cliënt’ is, gaat het Gerecht voorbij, nu dat onderzoek niet wettelijk vereist is en die enkele grond dus geen verhoogd risicoprofiel rechtvaardigt.

De stelling van de MCB dat een cliëntenonderzoek dient te worden verricht daar de betrouwbaarheid van de door belanghebbende verstrekte gegevens twijfelachtig is, wordt eveneens verworpen, omdat dit onvoldoende aannemelijk is gemaakt en uitdrukkelijk door belanghebbende is betwist.

Daarnaast overweegt het Gerecht dat de MCB de bankrekening van belanghebbende niet mag blokkeren indien en voor zover een dergelijke blokkade zou plaatsvinden op de grond dat geen cliëntenonderzoek bij belanghebbende is verricht.

Tenslotte komt het Gerecht tot het oordeel dat belanghebbende geen informatie over haar aandeelhouders hoeft te verstrekken aan de MCB. De MCB eist deze informatie immers op grond van de niet bestaande verplichting tot het verrichten van een cliëntenonderzoek.

Het Gerecht wijst de vorderingen van belanghebbende toe en veroordeelt de MCB als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding.

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 28 november 2018, ECLI:NL:OGEABES:2018:36.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:OGEABES:2018:36

Curatoren Imtech ontvankelijk in hun klachten bij de Accountantskamer

Betrokkenen zijn verbonden aan een accountantskantoor en hebben een goedkeurende controleverklaring ten aanzien van de jaarrekening over 2011 van Royal Imtech N.V. (hierna: Imtech) afgegeven.

In 2013 heeft Imtech een mededeling bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd waaruit blijkt dat forensisch onderzoek heeft uitgewezen dat niet langer van de juistheid van de jaarrekening over 2011 kan worden uitgegaan. In 2014 sluit Imtech een overeenkomst (hierna: de Settlement Agreement) met het accountantskantoor in het kader van de afwikkeling van vorderingen van schuldeisers, welke zijn voortgevloeid uit de in de jaarrekening geconstateerde onregelmatigheden.

In het kader van het faillissement van Imtech in 2015 zijn door de curatoren tuchtrechtelijke klachten ingediend tegen betrokkenen. De curatoren verwijten betrokkenen dat zij tekort zijn geschoten in de controle van de jaarrekening 2011 en in strijd met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels hebben gehandeld.

Betrokkenen stellen zich op het standpunt dat het klagers op grond van de Settlement Agreement verboden is om tuchtrechtelijke klachten tegen betrokkenen in te dienen waardoor zij niet ontvankelijk zijn in hun klacht. Volgens klagers is deze bepaling echter nietig. Vervolgens is het accountantskantoor deze arbitrageprocedure gestart waarin zij de Accountantskamer voor recht vordert te verklaren dat het beroep van klagers op de nietigheid en vernietigbaarheid van de Settlement Agreement, geen effect sorteert.

De Accountantskamer overweegt dat betrokkenen in hun hoedanigheid van accountant onderworpen zijn aan tuchtrechtspraak betreffende enig handelen of nalaten in strijd met het krachtens de Wta en Wet Ra bepaalde. Daarbij staat aan een ieder bij het vermoeden van dergelijk handelen, de mogelijkheid tot het indienen van een klacht open. De bevoegdheid tot klagen kan volgens de Accountantskamer niet contractueel opzij gezet worden. Het van geval tot geval beoordelen van de mogelijkheid tot contractuele uitsluiting van de klachtbevoegdheid, doet namelijk afbreuk aan het belang dat met het accountantstuchtrecht wordt gediend. De Accountantskamer voegt hieraan toe dat ingeval een klacht betrekking heeft op de uitvoering van de wettelijke controle- en kwaliteitsbeoordeling, er geen omstandigheden denkbaar zijn waaronder zo een klacht op grond van een gemaakte afspraak niet-ontvankelijk verklaard kan worden.

Het feit dat Imtech – anders dan in de door de Accountskamer aangehaalde rechtspraak het geval was – eerst nadat zij kennis droeg van de gewraakte accountantswerkzaamheden is overeengekomen geen gebruik te zullen maken van haar klachtrecht, doet niet ter zake. De klagers kunnen in hun bevoegdheid als curator immers niet op een lijn gesteld worden met het gefailleerde Imtech. In hun hoedanigheid als curator oefenen zij een eigen recht uit als uitvloeisel van hun taak de failliete boedel te beheren. Derhalve zijn de curatoren niet gebonden aan de door de vennootschap gesloten overeenkomst, waardoor zij ontvankelijk zijn in de door hen ingediende klachten.

De door betrokkenen gebezigde stelling dat de curatoren misbruik van hun klachtrecht hebben gemaakt, faalt eveneens. Er kan alleen sprake zijn van misbruik van klachtrecht wanneer de ongegrondheid van de klacht aanstonds evident is. Daarvan is in dit geval geen sprake.

De Accountantskamer verklaart de klachten ontvankelijk en houdt de inhoudelijke behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aan.

De Accountantskamer in de zaak met nummers 18/276 en 18/277 Wtra en 18/328 Wtra AK van 21 januari 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:7.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_7

Forse schorsing voor advocaat die wwft-verplichtingen schendt

Op 17 december 2018 legt de Raad van Discipline (hierna: de Raad), naar aanleiding van een klacht van de deken, aan een advocaat een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 24 weken op. Volgens de Raad van Discipline had de advocaat in kwestie (hierna: verweerder) de voor hem geldende wwft-verplichtingen geschonden en misbruik gemaakt van hem als advocaat toekomende privileges, ten behoeve van het witwassen van gelden.

Het feitencomplex

Verweerder heeft in de hoedanigheid van advocaat verschillende (rechts)personen vertegenwoordigd zonder een cliëntenonderzoek te verrichten. Verweerders cliënten waren als verdachten betrokken in een strafrechtelijk onderzoek dat onder meer zag op illegaal gokken en witwassen.

In opdracht van zijn cliënten heeft verweerder in het kader van de terugbetaling van een lening, gelden op zijn derdengeldenrekening ontvangen van een Panamese, respectievelijk een Monegaskische vennootschap. Hoewel de betaling de titel van ‘terugbetaling’ had, heeft verweerder deze gelden vervolgens vanaf zijn derdengeldenrekening overgeboekt naar een bankrekening in Dubai op naam van een ander dan verweerders cliënten.

Het dekenbezwaar

Het bezwaar van de deken richt zich in de eerste plaats op het niet naleven van meerdere wwft-verplichtingen door verweerder. In dit verband wordt verweerder in de eerste plaats verweten met verschillende partijen een zakelijke relatie te zijn aangegaan, zonder een cliëntonderzoek te hebben verricht. Daarnaast wordt verweerder verweten dat hij zou hebben nagelaten melding te maken van een ongebruikelijke transactie aan het FIU.

De deken verwijt verweerder ook dat hij aan hem als advocaat toekomende privileges heeft ingezet ten behoeve van het witwassen van gelden.

De beoordeling

Vooropgesteld zij volgens de Raad dat de door verweerder verrichte werkzaamheden onder het bereik van de Wwft vallen. De betreffende werkzaamheden zagen immers op het beheren van geld, het beheren van vennootschappen en het verlenen van bijstand bij het aan- of verkopen van aandelen in vennootschappen. Daarmee kwalificeert verweerder als instelling in de zin van de voormelde wet. Voorts is volgens de Raad niet in geschil dat verweerder vanuit Nederland zakelijke relaties is aangegaan. Derhalve was verweerder ertoe gehouden cliëntenonderzoek te verrichten. Verweerder heeft een dergelijk onderzoek niet verricht. Daarmee is verweerder niet staat geweest de betreffende cliënten te identificeren. Daarnaast heeft verweerder geen inzicht verworven in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van zijn cliënten. Verder heeft verweerder evenmin een voortdurende controle op de zakelijke relaties uitgeoefend. Tenslotte heeft verweerder nagelaten te verifiëren of de natuurlijke persoon die de betreffende cliënt vertegenwoordigde daartoe bevoegd was.

Voorts volgt de Raad het betoog van de deken luidende dat verweerder ten onrechte geen melding heeft gemaakt van een ongebruikelijke transactie aan de FIU. Gelet op de omstandigheden als beschreven in het feitencomplex is de raad van oordeel dat er voor verweerder aanleiding bestond te veronderstellen dat de betreffende transactie verband zou kunnen houden met witwassen of terrorismefinanciering. Door het ongebruikelijke karakter van deze transactie niet tijdig aan het FIU te melden, heeft verweerder zijn meldingsplicht in het kader van de wwft geschonden.

De raad acht de bezwaren van de deken over – kort samengevat – misbruik van advocaten-privileges eveneens gegrond.

De maatregel

Verweerder heeft aan meerdere wwft-verplichtingen niet voldaan en heeft zijn advocaten-privileges misbruikt. Derhalve acht de Raad de maatregel van een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 24 weken passend en geboden.

Raad van Discipline 17 december 2018, ECLI:NL:TADRAMS:2018:240

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI__NL__TADRAMS__2018__240