Beroep naheffingsaanslag accijns minerale oliën na monsteronderzoek ongegrond

Belanghebbende is eigenaar van een motortankschip dat beschikt over vier bunkertanks ten behoeve van de gasolie voor eigen gebruik. Op 30 juni 2014 is als onderdeel van “Actie afromen MO 2014” een controle ingesteld aan boord van het schip naar de inhoud van de bunkertanks. Tijdens de controle zijn monsters genomen. Het Douane Laboratorium heeft naar aanleiding van monsteronderzoek geconstateerd dat de hoeveelheid zwavel in de gasolie niet overeenkomt met de herkomstbescheiden die belanghebbende aan het laboratorium heeft verstrekt. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende de herkomst van de in de bunkertanks aanwezige gasolie niet aangetoond en wordt zij geacht buiten een accijnsschorsingsregeling een accijnsgoed voorhanden te hebben gehad waarover ten onrechte geen accijns is geheven. Naar aanleiding hiervan is een naheffingsaanslag accijns opgelegd waarbij bijna € 40.000 aan accijns minerale oliën is nageheven en een bestuurlijke boete van bijna € 4.000 is opgelegd.

Belanghebbende stelt dat de monstername door onbevoegde personen en niet op een juiste wijze is geschied en dat ook het onderzoek van het Douane Laboratorium niet op een juiste wijze is uitgevoerd. Voorts is volgens belanghebbende door het verstrekken van de facturen de herkomst van de gasolie afdoende aangetoond en blijkt uit de facturen dat de gasolie voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van accijns. De naheffingsaanslag en boete moeten dientengevolge worden vernietigd.

De rechtbank oordeelt dat gesteld nog gebleken is dat de ambtenaren die het onderzoek daadwerkelijk hebben uitgevoerd, niet door de inspecteur zijn aangewezen. De monstername is krachtens art. 56 van de Wet op de accijns daarom door bevoegde personen uitgevoerd. Voorts verwerpt de rechtbank de stelling van belanghebbende dat de monsterneming niet op de juiste wijze is verricht en dat de monsters daarmee niet representatief kunnen zijn voor de inhoud van de bunkertanks. Hiertoe voert zij met name aan dat de monsterneming niet volgens onderdeel 12.10.00 van het Handboek Douane, ‘Monsterneming en monsteronderzoek’, is geschied. De rechtbank is van oordeel dat de handboeken weliswaar richtlijnen bevatten, maar dat daarvan blijkens de tekst mag worden afgeweken. Tevens stelt de rechtbank dat monstername bij een aftappunt de representativiteit van de monsters niet aantast.

De rechtbank ziet geen grond om aan de uitslag van het laboratoriumonderzoek te twijfelen. Zij merkt daartoe op dat belanghebbende zelf onderzoek op de monsters had kunnen laten verrichten, maar zij daar bewust en weloverwogen van heeft afgezien. Ten slotte acht de rechtbank belanghebbende haar stelling omtrent de herkomst van de gasolie niet aannemelijk heeft gemaakt.

De rechtbank acht de naheffingsaanslag terecht opgelegd en verklaart het beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 25 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:13017

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:13017