Beroep op vertrouwensbeginsel op grond van e-mail inspecteur niet gehonoreerd

Op 10 juni 2014 deed X als directe vertegenwoordiger van eiseres aangifte voor in het vrije verkeer brengen van een partij zonnepanelen onder TARIC-code 8541 40 90 90 met als land van oorsprong China. Op 10 juni 2014 is toestemming verleend tot wegvervoer van de goederen. Op 23 juni 2014 vond een fysieke controle plaats. Hieruit volgde dat de goederen onder code 8541 40 90 10 vielen waarvoor eveneens een tarief van 0% toepasselijk is. De inspecteur legde dat vast in een e-mail van 1 juli 2014: “In de beantwoording van mijn controleopdracht heb ik de correcte goederencode opgenomen alsmede een goederenomschrijving die voldoet aan de omschrijving in het tarief onder 8541 40 90 10“.

De inspecteur laat vervolgens aan eiseres weten dat toch een andere goederencode 8541 40 90 21 B999 van toepassing is, waarvoor niet het 0%-tarief geldt en tevens antidumpingrechten toepassing vinden. Ten gevolge hiervan wordt aan eiseres een uitnodiging tot betaling opgelegd van ruim 24.000,- euro.

Hierop stelt eiseres beroep in en voert aan dat zij mocht vertrouwen op de mededeling van de inspecteur dat de genoemde code 8541 40 90 10 de van toepassing zijnde code was. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 220, lid 2, letter b, CDW, niet tot navordering kan worden overgegaan indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: (i) inning van de rechten is achterwege gebleven als gevolg van de vergissing van de douane (ii) de belastingschuldige moet de vergissing redelijkerwijs niet hebben kunnen ontdekken, en (iii) de belastingschuldige was te goeder trouw en heeft aan alle bepalingen inzake de douaneaangifte voldaan.

Nu de betreffende mail waarin code 8541 40 90 10 werd bevestigd van een datum is die is gelegen nadat de fysieke controle had plaatsgevonden, is er sprake van een vergissing op basis van een actieve gedraging van de inspecteur. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiseres deze vergissing redelijkerwijze had kunnen ontdekken. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat op uiterlijk 8 juni 2014 door de douane aan eiseres is medegedeeld dat voor het brengen in het vrije verkeer van zonnepanelen TARIC-code 8541 40 90 21 B999 moet worden gebruikt. Nu de onderhavige aangifte op 10 juni 2014 is aanvaard, had eiseres redelijkerwijze kunnen weten dat de in de e-mail van 1 juli 2014 genoemde TARIC-code op een vergissing berust. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.

Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of aan de derde voorwaarde is voldaan.

De rechtbank verklaard het beroep ongegrond.

Rechtbank Noord-Holland 01 februari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:582

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:582